Reshuffle!

Er wordt alom gespeculeerd over welke Nederlandse politicus naar Brussel zal gaan om een Europese functie te aanvaarden. Dat betekent dat er in Nederland een reshuffle zal moeten plaats vinden. De Britten hebben er net ook een gehad: een mooi moment voor vernieuwing in een kabinet op de helft van haar periode.

Er zijn drie kanshebbers voor een Europese functie lijkt het:

Exit Mark, Enter …

Premier Fred Teeven

Het lijkt onwaarschijnlijk dat een Nederlandse liberaal President van de Europese Unie kan worden: immers geografisch en politiek ligt Rutte dichtbij de centrum-rechtse Luxemburger Juncker. Maar toch: een vertrek van Rutte zou een grote invloed hebben op de Nederlandse politiek. Het is sinds de1967 niet meer voorgekomen dat een premier tussentijds wisselt tussentijd wisselt zonder verkiezingen. Bovendien: Rutte zou opgevolgd moeten worden als VVD-leider. De logische keuze is dan de nummer 2 van de VVD, Edith Schippers, de minister van VWS. Maar we weten dat in partijen de vrouw vaak wordt overgeslagen: vraag dat maar aan Ank Bijleveld die zowel in 1998 als in 2010 toen het CDA haar leider verloor op #2 stond. En dat het oog valt op de nummer 3. Dat is Fred Teeven, die de VVD een heel nieuw imago zou kunnen om de concurrentie op rechts aan te gaan. Een directe opvolging als premier lijkt me onwaarschijnlijk: de roep om interne democratie in de VVD wordt steeds luider.

Waarschijnlijker is dat de VVD een lijsttrekkersverkiezing uitschrijft en tot die tijd een oudgediende zonder lange termijn ambities de positie van premier laat bekleden. De naam Ivo Opstelten gaat al rond.

Exit Frans, Enter …

Minister van OS Eijsink

Frans Timmermans is al jaren op zoek naar een mooie Europese functie. Eerder blokkeerde de PVV een benoeming tot Commissaris voor de Mensenrechten bij de Raad van Europa. Wie kan er dan minister van Buitenlandse Zaken worden? Lilianne Ploumen (PvdA) is dan een logische keuze. Zij is nu twee jaar minister van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel. Zij moet dan opgevolgd worden als minister van OS. In het cluster buitenland van de PvdA zitten op dit moment veel nieuwe Kamerleden (Maij, Van Laar, Servaes) en Angelien Eijsink, woordvoerder defensie en al elf jaar Kamerlid en voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken. Ik geef de laatste van deze drie de meeste kans.

Een andere logische keuze is om de minister van Buitenlandse Zaken buiten het kabinet te zoeken. Twee namen komen dan op Bert Koenders, op dit moment hoofd van de VN missie in Mali en Frank van Heemskerk, op dit moment bewindvoerder bij de Wereldbank. Dat zijn wel mooie posten om op te geven om voor maximaal twee jaar minister van Buitenlandse Zaken te worden.

Exit Jeroen, Enter …

Nederland speelt het spel voor de eurocommissarissen altijd best goed. Geen open kaart maar juist zolang mogelijk wachten en dan met de ideale kandidaat komen. De positie van Olli Rehn is een hele invloedrijke. Dijsselbloem stundelde als voorzitter van de euro-groep eerder maar lijkt nu een stevige positie te hebben. Als Jeroen Dijsselbloem Eurocommissaris zou worden, dan betekent dat dit kabinet een van haar olliemannetjes verliest: Dijsselbloem was een van de zes architecten van dit kabinet.

De toekomstig minister van BZK?

Wie kan hem opvolgen? Ronald Plasterk staat te trappelen voor een serieuze portefeuille. Hij kan als minister van Binnenlandse Zaken worden opgevolgd door een vogelverschrikker of door een van de senatoren (De Vries of Ter Horst) die eerder die functie had. Maar Plasterk heeft zich een zwakke minister geoond die weinig heeft bereikt.

Lodewijk Asscher kan de functie ook op zich nemen. Hij was wethouder financiën in Amsterdam en bemoeit zich als vice-premier ook al intensief met de hoofdlijnen van het financieel-economisch beleid: en eerder waren ministers van financiën (Zalm, Kok, Bos) ook vice-premier. Asscher kan opgevolgd worden door Jetta Klijnsma, die op haar beurt weer ruimte maakt voor Mariëtte Hamer. Maar de functie van vice-premier en minister van financiën vereisen nu wel verschillende profielen voor de PvdA; een profilerende vice-premier kan geen verbindende minister van financiën zijn.

Dan is er minister Jet Bussemaker: wist anders dan Plasterk wel een meerderheid te vinden voor een grote hervorming. Ze zit als oud-staatssecretaris van VWS ook goed in andere grote spending dossiers. Als minister van OCW kan ze opgevolgd worden door de staatssecretaris van Landbouw en Natuurbeheer, Sharon Dijksma, die eerder staatssecretaris op dat departement was. Een van de gedeputeerden van de PvdA zou staatssecretaris kunnen worden, .

Minister van Financiën Van Rijn

Maar dit zijn eigenlijk allemaal conservatieve keuzes: een minister een kleine promotie geven om een oudgediende minister te maken. De PvdA zou ook de vlucht naar voren kunnen nemen een prominente staatssecretaris meteen minister van Financiën maken. De ogen gaan naar Martin van Rijn, de staatssecretaris van VWS die hervormingen van de langdurige zorg door de Tweede en Eerste Kamer loodste. Daarmee kiest de PvdA voor een relatief nieuw gezicht, want Van Rijn had voor zijn staatssecretariaat geen politieke positie. Wederom zou ze opgevolgd kunnen worden door Hamer.

Of toch Ad?

Het geeft een boel hoofdbrekens: iemand uit het kabinet promoveren naar Europa. Daarom zou het kabinet het oog ook kunnen laten vallen op een PvdA-prominent buiten de Kamer. Koenders als hoge vertegenwoordiger bijvoorbeeld of en dat is misschien wel interessanter: Ad Melkert die een nieuwe Europese sociaal-economische visie voor de PvdA lanceerde.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen IV

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel III schetste ik hoe een minderheid van mensen met superieure vermogens uiteindelijke de economische welvaart, politieke macht en morele autoriteit zou centraliseren en mogelijk zelfs mensen zou kunnen gebruiken als middelen.

In de vorige blogs heb ik met name een substantieel punt willen maken, namelijk dat we in bestaande politiekfilosofische theorieën best elementen kunnen vinden hoe we zouden moeten omgaan met superieure wezens. Als conclusie wil ik een punt maken over de problemen van morele rechtvaardiging.

Walging

We missen een belangrijke stap in de redenering over vampiers en mutanten: namelijk de rol van walging. De laatste groep die ik wil bekijken zijn Z-mensen. Opnieuw hebben deze dezelfde superieure eigenschappen als X-mensen maar ze hebben nu een ander uiterlijk. Ze zien er verschrikkelijk, monsterlijk, walgelijk uit. Ik laat het aan uw fantasie om dit in te vullen.

Als er zo’n groot verschil is tussen de uiterlijkheden van groepen mensen ontstaat vaak een dynamiek die Martha Nussbaum de politiek van walging noemt De eerste reactie op het uiterlijk of de gewoonten van een ‘ander’ kan grote walging oproepen: voor hetero’s is de seksualiteit van homo’s onbegrijpelijk en misschien zelfs walgelijk. In de Abrahamistische religies wordt ongesteldheid, een natuurlijke lichamelijke eigenschap van vrouwen, gezien als iets onreins, een reden om vrouwen soms te weren uit de publieke en religieuze sfeer.

Het is op deze dynamiek dat veel van deze fictie hangt: het is een strijd om erkenning van equal humanity van mensen met verschillende eigenschappen, die door sommige gezien worden als weerzinwekkend. Ook mutanten en vampiers zijn mensen hebben recht op gelijk respect.

Het fundamentele probleem voor moraalfilosofen is dat morele theorie anders dan wetenschap is: wetenschap probeert voorspelling te doen over die werkelijkheid en test deze voorspellingen om de validiteit van hun theorieën te testen. Moraalfilosofen kunnen dit niet. Zij kunnen alleen maar theorieën opschrijven die een formalisering zijn van hun intuïties over rechtvaardigheid. De toetsing van die theorieën is uiteindelijk of hun voorspelling ook aansluiten bij onze eigen morele intuïties.

Maar als we weten dat onze eigen intuïties geïnformeerd worden door walging is het lastig om moraalfilosofie als project serieus te nemen: sommige emoties moeten we van ons afwerpen want die zijn verkeerd (zoals walging) en andere emoties (zoals compassie) zijn wenselijk. Maar waar baseren we dat oordeel dan uiteindelijk op? Op weinig anders dan dat we walging verwerpelijk vinden en compassie wenselijk. Je kan lastig morele emoties evalueren als je geen andere standaard heb dan morele emoties.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen III

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel II schetste ik het probleem van het maxime “with great power comes great responsibility” dat te veel vraagt van X-mensen. Nu wil ik kijken naar het tegenbeeld waarin de superioriteit van X-mensen erkend zou worden.

Ik eindigde gister met hoe het idee dat “with great power comes great responsibility” leidt tot een situatie waarin mensen met bovenmenselijke vermogens, bovenmenselijke prestaties moeten leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld voordeel van hun prestaties moet hebben. Dit is fundamenteel strijdig met het Kantiaanse principe dat we mensen moeten behandelen als doel-op-zich en niet als middel. En juist dit Kantiaanse principe is voor veel liberale egalitaristen een uitgangspunt.

Meritocratie

De andere kinderen van Kant zijn de libertariërs, zoals Robert Nozick: en precies om deze reden. Zij stellen dat mensen recht hebben op alles wat ze zelf produceren en wat ze in vrijwillige handel krijgen. Als mensen dus superieure productieve kwaliteiten hebben, hebben ze recht op de middelen die ze produceren. Als er zo ongelijkheden tussen individuen ontstaan zijn die gerechtvaardigd: ze reflecteren immers verschillen in vermogens. Hun kernargument is: ongelijke monniken, ongelijke kappen. Dit is een meritocratie: we leggen geen grenzen aan het vermogen van mensen om inkomen te verdienen met hun talenten.

Dit is de claim die je als X-mens het beste kan maken. Stel je Magneto voor als John Galt: die claimt dat mutanten overbelast worden door het collectief.

Het nadeel van een gelijke behandeling van ongelijke mensen is dat in economisch opzicht de X-mensen zullen domineren. De leiders van grote bedrijven, de superrijken, de 1% zullen uit één ‘etnische’ groep komen. Publieke jaloezie zal niet te onderdrukken zijn en populistische bewegingen zullen opkomen: de X-mensen zullen economische macht hebben, maar vanwege hun aantal zullen de W-mensen de politieke macht in handen nemen. De vraag zal zijn of en hoe lang de X-mensen de democratie zullen accepteren.

Vanuit dezelfde meritocratische argumenten kan je namelijk ook verdedigen dat de beste moeten regeren. De X-mensen zijn ook veel geschikter om politieke verantwoordelijkheid te dragen. Ze kunnen gewoon beter beslissingen nemen. Daarom zou de overheid ook X-mensen aan moeten nemen als ambtenaar: als iedereen op gelijke voet in openbare dienst benoembaar is, dan zullen de betere kandidaten geselecteerd worden.

Maar vanuit het gedachtegoed van Plato kunnen we een radicaler voorstel formuleren: de theorieën van Plato passen misschien wel het  beste bij het idee dat er een superieure minderheid is: volgens Plato moeten de macht moet niet liggen bij het volk dat allerlei verkeerde beslissingen kan nemen maar bij de meest wijzen. In ons geval moeten dus de X-mensen de politieke macht krijgen.

Als je denkt dat dit inherent ondemocratisch is: Mark Bovens stelt dat onze huidige samenleving waar de ministeries bestaat uit mensen met een wetenschappelijke opleiding en waar het overgrote deel van Kamerleden en ministers een wetenschappelijke opleiding heeft gedaan erg lijkt op het Platoonse ideaal.

Wat voorkomt dan het maken van de laatste stap: niet alleen de economische welvaart en de politieke macht maar ook de morele autoriteit ligt bij de superieuren. Het werk van Nietzsche geeft hier aanleiding toe: hij maakt een onderscheid tussen slavenmoraliteit en meestersmoraliteit. De slavenmoraliteit legt de nadruk op nederigheid, compassie en gemeenschap. De meestersmoraliteit gaat uit van trots, kracht en individualisme. De nadruk van compassie van de slaven is eigenlijk een uiting van jaloezie van de zwakken voor de vermogens van de sterken. Eigenlijk geeft Nietzsche hiermee avant-la-lettre al kritiek op Dworkin en zijn streven naar gelijkheid. Dat streven beperkt grote mensen in hun vermogen om grote dingen te doen. Deze morele claims sluiten ook prima aan bij de situatie van de X-mensen. Zij zullen zich ook moreel beperkt voelen door de talentloze massa die met afgunst naar hun vermogens kijken.

Het gevaar van Nietzscheaanse moraliteit is dat je potentieel zou kunnen afleiden dat de morele waarde van mensen zou kunnen afhangen van hun plaats in de meester-slaaf-dichotomie. Je zou het kunnen gebruiken om onderdrukking en slavernij van de talentloze te verdedigen. Dat past in het conflict tussen mensen en mutanten: Magneto verdedigt een soort pop culture versie van Nietzsche waarbij mensen onderworpen zouden moeten zijn aan hun meesters.

Nutsmonsters

Deze meester-slaaf-moraliteit kan een interessante spin krijgen als we een nieuw mens-type invoeren: de Y-mensen. Ze kunnen krachten krijgen net als X-mensen, maar alleen als ze mensen consumeren, zoals een vampier. Bovendien: als ze mensen consumeren hebben ze niet alleen maar superieure vermogens maar ook superieure emoties. Ze zijn ongelofelijk gelukkig: veel gelukkiger dan een W-mens kan zijn.

Hiermee komen we bij een interessant utilistisch dilemma. Een utilist, zoals Jeremy Bentham zou van een X-mens hetzelfde vereisen als Rawls of Dworkin. Ze moeten die keuze maken die leidt tot het meeste geluk voor de grootste groep mensen: with great power comes great responsibility.

Untitled 2

Maar bij Y-mensen schuiven utilisten langs de meritocraten. Waar meritocraten en egalitair liberalen mensenrechten respecteren, doen utilisten dat niet. Daarmee kunnen ze de consumptie van W-mensen door Y-mensen verdedigen. De dood van een W-mens is gerechtvaardigd als het geluk dat een Y-mens daaruit zou krijgen groter is dan het geluk dat de W-mensen in hun leven zouden kunnen krijgen. Dit noemen we het geluksmonster.(Hier een pop culture uitleg door Existential Comics) Als het verschil tussen W-mensen en van Y-mensen vergelijkbaar is met het verschil tussen mieren en mensen, dan verschilt de geluksbeleving van X-mensen en Y-mensen ook zo fundamenteel.

Dat is een rechtvaardiging om vlees te eten: mensen krijgen plezier van het eten van dieren en aangezien dieren lagere wezens zijn weegt hun lijden niet op tegen het geluk van mensen. We zien hier overigens wel een probleem van utilisten: hoe kan je het geluk van verschillende wezens vergelijken? Het eten van vlees hangt op de assumptie dat de geluksbeleving van mensen fundamenteel groter is dan de geluksbeleving van dieren. Het is lastig om dat te bewijzen, omdat we niet in het hoofd van andere mensen of dieren kunnen kijken. Zonder een vergelijkbare meting van geluk.

Zo ontstaat er een glijdende schaal van ongelijkheid die allemaal te rechtvaardigen is door Nozick, Plato, Nietzsche en Bentham. Het stuit mij tegen de borst. Ongelijkheid die erop uit loopt dat sommige redelijke wezens vee zijn voor andere levende wezens vind ik weerzinwekkend. In het laatste blog wil ik naar die emotie kijken.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen II

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel I gisteren schetste ik het fundamentele verschil tussen deze superhelden en andere minderheden. Vandaag deel II waarin ik wil kijken naar dit probleem vanuit egalitair liberaal perspectief.

Quicksilver Case

Ik wil hier verschillende filosofische antwoorden schetsen op het vraagstuk wat te doen met een minderheid die fundamenteel beter is qua vermogen dan de meerderheid.

Laten we voor het gemak er vanuit gaan dat deze minderheid (die we X-mensen noemen) verschilt van de meerderheid (laten we hen W-mensen noemen) in één eigenschap. Televisieseries en comics gaan vaak uit van iets wat we op zijn best een rariteitenkabinet zouden kunnen noemen, een veelheid aan eigenschappen van mutanten, vampiers of andere supermensen. Ik kies voor een eigenschap, namelijk andere perceptie van tijd, zoals Quicksilver in X-Men Days of Future Past. In vergelijking met mensen met deze eigenschap zijn normale mensen computers uit de jaren ’70 die uren doen om een berekening te maken, zij zijn een huidige computer: supersnel. Dat geeft deze mensen een superieur vermogen om te redeneren maar ook om te handelen. Dit maakt het een economisch superieur: ze produceren meer per uur. Maar ze zijn ook beter geschikt om beslissingen te nemen als bestuurder van een bedrijf of een land.

Noblesse oblige

Voor liberale egalitaristen speelt eigen keuze een cruciale rol. Ik denk dat met name aan het werk van Ronald Dworkin. Zijn paradigmatische casus is een lichamelijk gehandicapte. Hij wil dat zij een eerlijke kans maken in de samenleving. Dat betekent dat sommige gehandicapten speciale voordelen moeten krijgen. Een rolstoel is het mooiste voorbeeld: sommige mensen kunnen niet lopen daarom kunnen ze maatschappelijk niet participeren. Een rolstoel geeft hen een gelijke kans deel te nemen aan de maatschappij. Er is een ongelijke behandeling om voor een eerlijk speelveld te zorgen.

De fundamentele claim die Dworkin maakt over mensen die geboren zijn met een lichamelijke beperking is dat zij recht hebben op compensatie, alsof zij zich voor hun geboorte hebben verzekerd voor hun beperkte vermogens. Mensen kiezen er niet voor om met een beperking geboren te worden en zouden daarom geen nadeel mogen hebben ten opzichte van anderen. Mensen die zonder beperkingen zijn geboren moeten allemaal een beetje bijdragen zodat we voor het beperkte aantal gehandicapten rolstoelen kunnen kopen.

Als we vanuit dit perspectief naar onze X-mensen zouden kijken dan ontstaat het volgende beeld: mensen kiezen er niet voor om met een voordelige mutatie geboren te worden.  Ze zouden daarom geen voordeel mogen hebben ten opzichte van anderen. W-mensen zouden zich allemaal verzekerd willen hebben voor hun gebrek aan vermogens. Dat betekent dat X-mensen de premies zouden moeten betalen voor de uitkeringen die bedoeld zijn om een gelijk speelveld te creëren voor W-mensen. Ze zullen hun vermogens moeten inzetten om veel geld te verdienen om daar het grootste deel van af te dragen.

John Rawls zou hier een klein amendement op maken: hij zou niet streven naar een gelijk speelveld maar naar een situatie waarin de X-mensen zich zodanig inzetten voor de samenleving dat de W-mensen daar het meeste voordeel van hebben. Ze moeten hun vermogens inzetten als bijvoorbeeld onderwijzer, onderzoeker of ondernemer zodat ze bijdragen aan de welvaart van alle burgers.

Noblesse oblige dus; of in comic book taal: ‘with great power comes great responsibility‘. Waar dit de facto op neer komt is iets wat we ‘slavery of the talented’ noemen: de vrijheid van mensen met talenten wordt zodanig beperkt dat ze geen voordeel hebben van hun eigenschappen maar toch moeten bijdragen voor de anderen. Dit wordt mooi uitgebeeld in deze SMBC-comic.

De vraag is waarom superieure wezen zich hier aan zouden onderwerpen; misschien uit een rechtvaardigheidsgevoel. Maar erg rationeel zou het niet zijn. Het levert ook een probleem op in de fundamenten van liberaal egalitarisme. Dit zijn theorieën die voortbouwen op het gedachtegoed van Kant. Kant’s morele theorie komt neer op één fundamentele claim: dat we mensen nooit moeten behandelen als middelen maar als doelen-op-zich-zelf. Vereisen dat sommige getalenteerden in een vorm van slavernij terecht komt waarbij ze bovenmenselijke presentaties leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld daar voordeel van moet hebben toont weinig respect voor mensen.

Daarom zouden Kantianen misschien een fundamenteel andere weg op moeten gaan. Die ik morgen zal verkennen,

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen I

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen deze wezens ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. Vandaag deel I waarin ik het superheldenprobleem wil schetsen.

Er is een thema dat in veel speculatieve fictie wel geraakt wordt maar nooit wordt uitgewerkt: de politieke implicaties van een samenleving waarin een kleine minderheid superieur is aan de meerderheid. Superhelden zijn vanuit hun aard superieur aan mensen, maar welke plichten legt dat aan hen op en welke rechten kunnen ze daaruit ontlenen? Vandaag wil ik eerst de casus van de ‘gelijke rechten voor de superheld’ schetsen en laten zien hoe deze verschilt van de strijd voor gelijke rechten van andere, daadwerkelijk bestaande groepen.

Televisieseries als True Blood en comics als de X-Men zijn uitermate politiek. In deze verhalen worden burgerrechtenconflicten gereconstrueerd in een fictieve context: in True Blood komen vampiers ‘uit de doodskist’. Ze organiseren zich de American Vampire League om te vragen om gelijke burgerrechten. Vampiers worden door mensen gezien als een ‘gevaarlijke anderen’: mensen houden contact met vampiers af, zijn bang voor hen en willen vampiers weren. De verwijzing naar bv. de homo-rechten beweging ligt er dubbeldik bovenop: uit de anonimiteit komen, gezien worden als een ander en vragen om gelijke rechten.

Ook het geheel van comics, films en series, van X-Men verwijst naar de burgerrechtenbeweging. In de samenleving ontstaat een groep mutanten die vanwege hun genen bijzondere krachten hebben. Onder de mutanten zijn er twee facties: een factie (de X-Men) wil vreedzaam samenleven met mensen; de andere factie (de Brotherhood) wil een conflict tussen mensen en mutanten uitlokken zodat de mutanten de dominante groep in de samenleving kunnen worden. Dit is een verwijzing naar de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging waar Martin Luther King streefde naar vreedzame coëxistentie en Malcolm X naar een conflict en suprematie van de Afro-Amerikanen.

Burgerrechtenbeweging

Maar in hoeverre lopen de eisen van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging echt parallel met de eisen die deze fictieve minderheden maken?

Het beeld dat er van Afro-Amerikanen bestond in de Verenigde Staten, was dat ze niet alleen anders waren maar met name inferieur: minder beschaafd dan Amerikanen met een Europese achtergrond maar ook gewelddadiger en minder intelligent. Deze inferioriteit rechtvaardigde volgens de heersende elite een ongelijke behandeling: Afro-Amerikanen moesten hun plek kennen en moesten dus bijvoorbeeld achterin de bus zitten. Om de inferioriteit van Afro-Amerikanen te ‘bewijzen’ konden de regerende elite verwijzen naar het gevoel van walging dat zij kregen als zij dachten aan een Afro-Amerikaan die op een gelijke manier behandeld werd als hen: een Afro-Amerikaan die uit dezelfde kraan dronk, een Afro-Amerikaan die een relatie had met een vrouw van een ander ras had. De basis voor de onderdrukking was de morele weerzin van de elite.

De burgerrechtenbeweging streefde naar een rasseneutrale samenleving: mensen moesten niet beoordeeld worden op hun huidskleur maar op de inhoud van hun karakter. De burgerrechtenbeweging bouwde hiermee direct voort op de Amerikaanse strijd voor onafhankelijkheid: “alle mensen zijn gelijk gemaakt en door hun schepper zijn zij toegerust met bepaalde onvervreemdbare rechten“. Afro-Amerikanen hebben, volgens de burgerrechtenbeweging dus dezelfde rechten als andere Amerikanen.

Maar gelijkheid ontstaat niet zo maar in een samenleving met hardnekkige, historische discriminatie. Een controversieel onderwerp is positieve discriminatie. De claim is dat Afro-Amerikanen op school niet alleen maar beoordeeld worden op hun eigen vermogen. Maar hun cijfers zijn ook afhankelijk van de sociaal-economische omstandigheden van hun ouders. Die is slecht vanwege huidig en historisch racisme. De schoolprestaties van Afro-Amerikaanse jongeren reflecteren niet alleen maar hun eigen vermogens maar ook de historische situatie waarin mensen opgroeien. Daarom zouden Afro-Amerikanen anders behandeld moeten worden dan andere kandidaten: bij gelijke geschiktheid zou een Afro-Amerikaan een voordeel moeten hebben bij de toelating tot een universiteit om historische ongelijkheid te compenseren.

De fundamentele claim van de Civil Rights beweging is dat mensen gelijk behandeld moeten worden: gelijke monniken, gelijke kappen. De wet moet neutraal zijn voor ras. Dezelfde claims maken andere emancipatiebewegingen voor geslacht, seksuele oriëntatie en handicaps. Als er specifieke groepen een nadeel ondervinden vanwege een eigenschap die niets te maken heeft met waar ze zelf voor hebben gekozen, dan is compensatie gerechtvaardigd.

Het superheldenprobleem

Vampiers en mutanten zijn een metafoor voor de strijd voor emancipatie van allerlei gemarginaliseerde groepen. Het is een manier om aan de status-quo te twijfelen en te blijven strijden voor sociale rechtvaardigheid (pace PBS Idea Channel).

Maar de fundamentele vraag raken we niet als we zo naar deze verhalen kijken. Er is namelijk een fundamenteel verschil tussen de bestaande burgerrechtenbewegingen en mutanten en vampiers: zowel vampiers als mutanten hebben eigenschappen die ze beter maken dan mensen. Ze kunnen vliegen, sneller helen en bewegen, ze zijn sterker, ze hebben het eeuwige leven. Ze kijken naar mensen zoals mensen naar mieren kijken, die evolutionair onder hen op de lader staan. Sterker nog: vampiers hebben mensenbloed nodig om te overleven: ze kijken dus van bovenaf de voedselketen, zoals mensen naar vee kijken. Wat betekent dat gegeven voor de verhouding tussen burgers? Zou er geen fundamenteel politieke conflict ontstaan tussen wezens die superieure krachten hebben en mensen? Dat is waar ik in komende stukken naar wil kijken.

Waarom ik vandaag GroenLinks stem

Mijn nichtje is een exceptioneel getalenteerde en creatieve kokkin. Ze woont in Madrid. Ze is een paar jaar jonger dan ik. Als ik hoor over de Spaanse jeugdwerkloosheid, heeft dat voor mij een concreet gezicht: mijn nichtje heeft nu gelukkig werk. Maar de jeugdwerkloosheid ligt in Spanje rond de 50%.

De Spaanse economische crisis is veroorzaakt door de huizenbubbel die daar ontstaan is in het vorige decennium. Overal in Spanje verschenen zilveren kantorentorens en vakantiehuisjes. Toen de banken die door die bubbel gegroeid waren, vielen door de bankencrisis, moest de Spaanse overheid bijspringen. De Spaanse begrotingstekort liep op, het vertrouwen van de financiële markten daalde. De Europese commissie sprong bij. In ruil voor de leningen moesten de Spaanse overheidsfinanciën op orde gemaakt worden. Als gevolg daarvan liep werkloosheid op; kromp de economie; en de arbeidsmarkt werd geliberaliseerd. Het vertrouwen van de financiële markten in Spanje werd hersteld. De kansen van jongeren op de arbeidsmarkt bleven onverminderd slecht.

Verschillende partijen bieden verschillende oplossingen voor dit probleem. De liberalen en Christen-democraten (CDA, VVD en D66) zien dit eigenlijk niet als een probleem, maar als een oplossing. Volgens deze partijen zijn de hervormingen die door de Europese Commissie zijn opgelegd goed voor de Spaanse economie. Deze partijen zijn heel eerlijk wie hun opdrachtgevers zijn, de centrum-rechtse Europese Volkspartij, de partij waar het CDA lid van is, schrijft: “Maintaining the confidence of investors shall always be a priority during decision making processes.”[1] Meer van hetzelfde is geen oplossing voor de crisis.

Anti-Europees rechts, CU/SGP en de PVV willen de eurozone ontbinden. De PVV wil dat Nederland uit de euro treedt; de CU/SGP willen de eurozone opbreken in een Noordelijk en Zuidelijk deel. Als de euro opgebroken is, kunnen landen hun wisselkoers verlagen en zo weer competitief worden. Dat is één oplossing voor de eurocrisis. Ieder land voor zijn eigen belang. Eigen valuta. Eigen wisselkoers. Eigen verantwoordelijkheid. Die Spaanse werklozen zoeken het zelf maar uit. Onder tussen leveren we ons uit aan de vrije markt. Ze streven naar Europa als vrijhandelszone zonder onderlinge solidariteit en met voortdurend geld wisselen aan de grens.

Een lastiger verhaal hebben de Euroskeptische linkse partijen, zoals de SP. Ze analyseren correct dat er weeffouten zitten in de eurozone. De bezuinigingsstrategie van de Europese Commissie laat grote wonden achter in Griekenland en Spanje. Het zijn niet de werklozen uit de Zuidelijke landen die profiteren van deze oplossingen maar de Noordelijke banken die het geld geleend hebben. Maar een oplossing voor de crisis hebben ze niet. De SP heeft geen ander verhaal dan de CU/SGP en PVV. Ze willen de eurozone ontbinden.[2] Dat heeft voor hen de voorkeur boven de andere opties: “permanent geld overhevelen naar Zuid-Europa” om de balans te herstellen in de eurozone, of “de lonen in zwakke eurolanden zover omlaag (…) dat die landen kunnen concurreren met het buitenland.” De partij vindt beiden oplossingen niet realistisch: “het gaat steeds om zulke offers dat ofwel de burgers in de noordelijke lidstaten in opstand komen, ofwel die in zuidelijke lidstaten.” Dat eerste steekt me. Ja, het is terecht dat Spaanse en Griekse burgers in opstand komen tegen de strategie van bezuinigen die door de commissie met steun van D66, VVD en CDA over de zuidelijke eurolanden worden uitgewalst. Maar kunnen we niet inwoners van rijke eurolanden een bijdrage vragen om mensen in arme eurolanden de kans te geven hun economie op te bouwen? Is dat niet de kern van solidariteit? Nee, liever dan internationale solidariteit kiezen de socialisten voor eigen land eerst.

En dat brengt ons bij de enige Europese politieke families die kiezen voor een Europa van mensen en niet een Europa van de markt of aparte lidstaten: de socialisten en de groenen. Beide families kiezen voor een sociaal Europa: dat betekent meer Europa, zoals een begrotingsunie die onevenwichtigheden in de eurozone vereffent, maar daarbij moet de Europese Commissie wel oog hebben voor sociale aspecten zoals werkgelegenheid en niet alleen maar focussen op het begrotingstekort. Beide partijen willen strengere regels aan banken stellen om een tweede bankencrisis te voorkomen. En een bankenunie zodat landen niet zelf meer vallende banken hoeven op te vangen maar dat banken dat zelf samen betalen aan reddingsoperaties. Ze willen een Europees minimumloon zodat arbeiders van verschillende landen niet tegen elkaar uitgespeeld worden en een Europees minimumtarief aan vennootschapsbelasting zodat landen niet door bedrijven tegen elkaar uitgespeeld worden.

Het meest radicale verschil tussen de twee partijen is dat GroenLinks voorstander is van een stabiliseringsfonds waar landen waarvan de economie overkookt bijdragen aan landen die er economisch zwakker voorstaan. Hiermee worden de economische onevenwichtigheden die de reden waren voor de crisis uit gevlakt. Dat zou betekenen dat Spanje nooit een reusachtige huizenbubbel had gekregen. Dat zou toen in Europees fonds zijn gegaan om de zwakke Duitse economie te ondersteunen. En nu zouden Noord-Europese landen die de Europese crisis goed door staan bijdragen aan Zuid-Europese landen die er zwak voorstaan. Zo dempen we de extremen in de conjunctuur van landen. De overdrachten zorgen ervoor dat de werkloosheid minder hoog oploopt in tijden van crisis. GroenLinks wil dus een ‘transferunie’, iets wat juist de PVV maar ook dus de SP, als doembeeld schetsen.

Dit is niet alleen noodzakelijk om het voortbestaan van de euro te verzekeren, maar het gaat in de kern om solidariteit. Dat we de rijkdom in landen waar het goed gaat delen met landen waar het minder gaat. En daarom stem ik vandaag GroenLinks. Omdat ik in een Europa wil leven van mensen. Een Europa waar welvaart eerlijk gedeeld wordt. Een Europa waar ook mijn nichtje en haar leeftijdsgenoten kans maken op werk.

[1] EPP: Party Platform, Bucharest 2012, p. 47.

[2] http://www.sp.nl/europa/nieuwsberichten/15695/140105-weeklog_dennis_jong_wat_wil_sp_met_euro_in_2014.html

 

De vier meest betekenisloze woorden in de politiek

Politici beschrijven hun eigen positie in speeches, programma’s of flyers. Daarbij worden vaak woorden gebruikt die weinig richting geven. Ik wil hier naar vier zulke woorden kijken omdat ze maar al te vaak gebruik worden door politici die doen alsof ze daarmee iets betekenisvols gezegd hebben.

Rechtvaardigheid

Er zijn een boel politici, zoals Agnes Kant, Ahmed Aboutaleb, en Jolande Sap die zeggen: ‘ik kan niet tegen onrecht’. Rechtvaardigheid is misschien wel de meest holle term in de politiek. Het geeft namelijk geen enkele richting: rechtvaardigheid betekent dat je politieke principes hebt, maar welke principes dat zijn, is niet gespecificeerd. Er is niemand voor onrechtvaardigheid. Er is gewoon geen enkele overeenstemming over wat rechtvaardigheid is.

Je kan een liberale opvatting van rechtvaardigheid hebben, een sociaal-democratische opvatting of een Christen-democratische opvatting, maar zelfs ook utilitistische of aristoteleaanse opvattingen van rechtvaardigheid. Rawls noemde zijn beroemde boek immers A Theory of Justice, en niet The Theory of Justice.

De PvdA opent haar beginselprogramma met de volgende woorden: “Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van de
sociaal-democratie.” Rechtvaardigheid hoort niet in dat rijtje thuis. De andere termen geven nog enige richting, maar het enige wat we zouden kunnen concluderen uit de opname van rechtvaardigheid in dit lijstje is dat de PvdA een kompas heeft, maar niet waar dat kompas naartoe wijst.

Hoop
Hoop was een van de leuze waar Barack Obama campagne opvoerde. Dat leverde een prachtige muziekvideo op, maar enige richting kunnen we hier niet uit afleiden. De jongeren van Europees extreem-rechts presenteren zich nu als ‘Young European Alliance for Hope‘. In 2010 noemde de PVV haar programma ‘De Agenda voor Hoop en Optimisme‘.

Als extreem-rechts de term hoop gebruikt, lijkt dat Orwelliaans: zij zijn toch juist van de angst en het cynicisme? Maar zo zien zij zich zelf niet. Ze denken zelf dat ze hoopvolle politiek bedrijven.

Hoop betekent namelijk alleen maar dat je aspiratie voor de toekomst hebt: maar of in die toekomst Europa blank en Christelijk is, of Amerika juist kansen biedt aan iedereen (homo of hetero, man of vrouw, zwart of wit, Jood, Christen of Moslim, Hispanic of WASP) ligt helemaal niet besloten in het woord.

Je zou denken dat ‘hoop’ in elk geval iets van vooruitkijken heeft. Maar ‘hoop’ kan ook iets nostalgisch hebben: zowel Obama als Wilders gebruiken het om juist te verwijzen naar het idee dat Nederland en Amerika ooit hoopvolle landen waren maar nu die hoop verloren hebben. Daarmee kan er iets conservatiefs in het woord zitten.

Vrijheid
Het huis van de vrijheid heeft vele kamers. De ChristenUnie omarmt de term. De Partij voor de Vrijheid en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie gebruiken het in hun naam. Vrijheid is een fundamentele waarde voor D66. Femke Halsema heeft begrip vrijheid ook opgeëist voor GroenLinks. Zoals we boven zagen, is vrijheid ook een ideaal van de PvdA.

Het lijkt logisch dat vrijheid een belangrijk begrip is voor liberale partijen en andere partijen uit de verlichtingstraditie (zoals sociaal-democraten). Maar ook voor de Christelijke partijen is vrijheid een cruciaal begrip: vrijheid van godsdienst is diep verweven met de protestantse traditie; in de Katholieke traditie is vrijheid ook belangrijk. Ware vrijheid betekent in die katholieke traditie leven in dienst van het goede.

Dat klinkt als een rare interpretatie van vrijheid: vrijheid als iets specifieks doen. Maar hiermee past de Katholieke kerk een positief vrijheidsbegrip toe dat ook onderschreven wordt door socialisten en republikeinen. Dat er negatieve vrijheid en positieve vrijheidsbegrippen zijn zorgt ervoor dat iedereen deze termen kan omarmen. Negatieve vrijheid is de afwezigheid van beperkingen; daarbij kan je allerlei beperkingen aanwijzen. links wil homo’s de vrijheid geven om te trouwen en rechts wil ondernemers de vrijheid geven om een bedrijf te bouwen. Positieve vrijheid betekent leven zoals je echt zelf wilt: vrij van verslavingen of vrij van religieuze indoctrinatie. ‘Leven volgens de rede’, maar wat redelijk is dat is afhankelijk van de politieke voorkeur die je zelf hebt.

Vrijheid is daarmee betekenisloos omdat iedereen daarmee kan bedoelen wat hij wil: betekent vrijheid bandeloosheid? Of juist dienstbaarheid? Is vrijheid vrij zijn van de Islam? Of juist de vrijheid om je eigen geloof te kiezen?

Progressief
Progressief is een term die tegenwoordig is omarmd door D66. De term progressief heeft in de Nederlandse politiek een specifieke betekenis: de samenwerking van PvdA, PPR en D66 in de jaren ’70 heette het Progressief Akkoord. Het plan was om tot een Progressieve Volkspartij te komen. Progressief was een manier om ‘links’ te zeggen met name in culturele zin: progressieven zijn voor homo-rechten, milieu-bescherming en open grenzen. Maar zeker in de laatste jaren heeft progressief een nieuwe laag gekregen. De conservatieve partijen zijn niet langer alleen de partijen die een traditionele moraal wilden behouden of mensen die nationale manier van leven wilden beschermen tegen bedreigingen van buiten maar ook mensen die de huidige verzorgingsstaat willen beschermen. De termen ‘hervorming’ en ‘verandering’ zijn samen gekomen in een progressieve positie.

Ik heb me al eerder uitgesproken tegen dit gebruik van de term ‘progressief‘  in deze zin. Juist als je zegt voor verandering te zijn moet je richting kiezen. Als je zegt “De huidige verzorgingsstaat voldoet niet”, dan moet je zeggen wat voor ‘n alternatief je hebt: verhoog je de AOW-leeftijd voor iedereen of verlaag je hem voor mensen die vroeg beginnen met werken? Wordt Nederland een nachtwakersstaat of kies je juist voor een uitbreiding van sociale bescherming? Als je zegt “hou alles maar zoals het is” dan hoef je niet te kiezen. Maar als je progressief bent moet je kiezen tussen links of rechts.

Niet gebruikenDe volgende keer dat ik de termen progressief, vrijheid, hoop of rechtvaardigheid gebruik in een politieke context zonder te specificeren wat ik ermee bedoel mag u mij oppakken en opsluiten. Het gebruik van zulke termen helpt helemaal niemand. Ze geven geen richting maar vullen alleen maar tijd.

Is de PVV is definitief vertrokken uit het rechtse kamp?

Volgens premier Rutte is “de PVV definitief vertrokken uit het rechtse kamp“. Is dit politieke spin of zit er iets in? Welke conclusies kunnen we trekken uit verkiezingsprogramma’s of parlementaire stemmingen?

Stemmingen
Een manier om naar politieke posities te kijken, zijn stemmingen in de Tweede Kamer. Ik kijk hier naar alle stemmingen in de Tweede Kamer over de begrotingsbehandelingen in 2013. Dat zijn 357 stemmingen. Dat gaat met name over sociaaleconomische onderwerpen. Die zijn interessant omdat we hier juist een sterke links-rechts tegenstelling zouden verwachten.

Rplot2 copy90% van de stemmingen de passen in een eendimensionaal model, zoals hieronder: we zien hier de SP uiterst links en de PVV uiterst rechts. Dichtbij de PVV aan de rechterkant staan de VVD en de PvdA, dichtbij de SP aan de linkerkant staan PvdD en GL. De PVV staat het verst af van de SP; volgens Rutte zijn er juist grote gelijkenissen tussen de PVV en de SP.

Rplot copyDe figuur hiernaast geeft de percentages weer waarin een partij hetzelfde stemt als de PVV (en andere partijen). De hoogste score is voor de VVD: 55%, de laatste score voor GroenLinks (38%). Een opvallend verwijt dus: de partij waar de PVV het vaakst mee samen stemt, de VVD, verwijt de partij een linkse positie. Wat hier eerder aan de hand lijkt te zijn is de PVV voor zich een unieke positie heeft gemaakt. Anders dan de coalitiepartijen, de constructieve partijen in het midden of de linkse oppositie. De PVV vaart haar eigen koers.

Verkiezingsprogramma’s
Waar komt het beeld dan vandaan dat de PVV een linkse partij is? Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die uiten zich lastig in de Tweede Kamer.

Figuur 3 begrotingsposten copyDe figuur hiernaast is een analyse van de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We kijken hier naar de begrotingsposten (sociale zekerheid, zorg, milieubelastingen etc) en we hebben daarop een inductieve analyse[1] gedraaid die partijen dichtbij elkaar plaatst als de programma’s op elkaar lijken en ver van elkaar als de programma’s niet op elkaar lijken.

In dit model zien we twee dimensies. De eerste dimensie (hier de horizontale dimensie) laat een links-rechts tegenstelling zien. Aan de ene kant hebben we GroenLinks en aan de andere kant de VVD en de PVV. Een aantal onderwerpen correleert hier sterk mee, zoals het verhogen van milieulasten (typisch een ‘linkse hobby’ volgens de PVV) maar ook lasten op vermogen en het invoeren van een inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremie.

De tweede, verticale dimensie scheidt de SP en de PVV van bv. D66 boven in de figuur. Daarmee door kruist de figuur de traditionele links-rechts dimensie. Deze dimensie betreft bijvoorbeeld de grootte van de uitgaven aan zorg, maar ook defensie. De SP en de PVV bezuinigen daar niet op. Dit is volgens mij ook een belangrijke economische dimensie, maar het is niet de traditionele links-rechts dimensie. Ik noem deze dimensie zelf de hervormingsgezind/behoudend. De SP en PVV zijn sociaaleconomisch behoudend: bezuinigen niet op zorg maar bezuinigen bijvoorbeeld wel op onderwijs.

Zo ontstaan er vier kampen: een progressief-rechts kamp. Hierin vinden we D66, CDA, SGP, CU en VVD. Deze partijen stonden in 2012 redelijk dicht bij elkaar. Aan de hervormingsgezinde linkse kant staat GroenLinks. Aan de behoudende linkerkant de SP. Aan de behoudende rechterkant de PVV. De PvdA staat redelijk in het midden tussen behoudend en hervormingsgezind en links en rechts.

Wat is links en rechts?
Kortom is de PVV recent uit het linkse kamp vertrokken? Parlementaire stemmingen laten juist zien dat de PVV anders is dan partijen die we traditioneel als links benoemen zoals de SP. Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die zien we in de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We zien dan dat de PVV lijkt op zowel de VVD (tegen milieubelastingen) maar op de SP (tegen zorgbezuinigingen). Je zou op basis van die gelijkenissen de PVV links kunnen noemen, maar op deze punten lijkt juist GroenLinks (de naam zegt misschien iets over de politieke oriëntatie) niet op de SP en de PVV. Dit leidt tot een fundamentele discussie over wat links en rechts betekenen. Is GroenLinks (nog) links en de PVV misschien naar links geschoven? Er is een gelijkenis te zien tussen de PVV en de SP, maar juist op punten waarvan ze verschillen van GL. Uiteindelijk zijn links en rechts flexibele begrippen die je zelf kan invullen.

Hoe dan ook: deze data stamt uit 2012. Het kan dus geen schok geweest zijn voor Rutten en die gelijkenissen komen in het parlementaire werk niet zo zeer naar voren.

[1] Non-metric multidimensional scaling op Manhattan distances voor de specialisten op

Grand Budapest Hotel: top of not?

Grand Budapest Hotel is tegelijkertijd een topfilm en een verschrikkelijke Amerikaanse film. Wes Anderson is mijn favoriete regisseur. En met zijn nieuwste film, de Grand Budapest Hotel heeft hij zijn mooiste film tot nu toe afgeleverd.

Het is een komedie die een lobby boy volgt in een grand hotel in de jaren ’30. Hij raakt betrokken bij de diefstal van een schilderij; of eigenlijk het rechtmatig meenemen van een schilderij na een erfenis. Daarop volgt een absurdistische actiefilm om het schilderij uit de handen van de andere erfgenamen te houden. Uiteindelijk erft de lobby boy het schilderij en het hele hotel.

Een prachtige ambachtelijk gemaakte film is Grand Budapest Hotel zeker. Meer dan ooit heeft Wes Anderson de moeite genomen om een wereld te maken. De film speelt zich af in Zubrowka, een fictief Oost-Europees land. Dat is prachtig land vol met Jugendstil hotels, witte bergen, patisseries, opkomend fascisme, schilderijen van Schiele en Klimt. Anderson brengt het verval van zo’n oud hotel liefdevol in beeld. Meer dan in enige andere film van Anderson is ieder shot een schilderij: een prachtig stilistisch landschap waarin het hotel staat of een portret van de prachtige karakters die hij bedacht heeft.

Ik zou de film negen van de tien sterren geven: de film is zo mooi gemaakt, ieder shot is zo precies zo perfect. Met oog voor details en met de grote en kleine rollen gespeeld door de beste acteur van onze tijd.

Het probleem begint als de acteurs hun mond open doen. Anderson is in mijn ogen geen meester van de dialoog, maar dat is juist zijn kracht. Want de dead pan dialogues gaven in zijn eerdere films de afstand tussen mensen weer die nooit voldoende overbrugd kan worden door woorden. Die kracht zit nog steeds in de dialogen maar het probleem zijn de accenten. Anderson werkt met een beperkt aantal acteurs, mensen die hij vertrouwd, zoals Owen Wilson. Maar dat zijn allemaal Amerikanen, of in elk geval geen Oost-Europeanen. Als  Saoirse Ronan haar mond open doet, hoor ik een prachtig Iers accent maar geen Duits of Slavisch accent. Dat zit er wel vaker in: de film is visueel heel rijk, met allerlei kleine hints in teksten op muren en in kranten. Maar dat zijn allemaal teksten in het Engels. Anderson wil wel een film maken in Oost-Europa tijdens het interbellum maar wil niet de zwaarte van het fascisme de hele film laten wegdrukken: daarom noemt hij de SS maar ZZ. Dat soort dingen zijn jarring.

Wat misschien het minst bevredigend is aan deze prachtig gemaakte film dat het een komedie is zonder serieus hart. Uiteindelijk gingen de vorige films van Anderson allemaal over hetzelfde. Anderson analyseert menselijke relaties: hij toont uiterst getalenteerde, excentrieke mensen met ongewone dromen die langzaam en weifelend op zoek gaan naar de warmte van liefde en familie. Het zijn allemaal disfunctionele families die proberen om elkaar te vinden. In deze film heeft Anderson voor het gemak al zijn karakters wezen gemaakt omdat hij het niet over familie wil hebben.

En daarmee is de Grand Budapest Hotel een prachtig opeenvolging van schilderijen, maar wel een schilderijen die gemaakt is door een Amerikaan van een Europese situatie waarbij de precisie van het beeld teniet wordt gedaan door het accent van de acteurs. Maar bovendien is het een enthousiasmerende komedie vol met absurdistische actie, maar niet een film die de menselijke conditie onderzoekt en bloot legt.

Weg met de burgemeester!

In Nederlandse gemeenten is er een opvallende paradox. Bijna niemand kent de leden van de gemeenteraad of de samenstelling van het college. Maar veel burgers weten wel wie hun burgemeester is. Dat is op het eerste gezicht niet zo raar: immers de burgemeester heeft een belangrijke representatieve functie. Hij of zij is het gezicht van de gemeente in de stad en/of de dorpen: het is de burgemeester die de jaarlijkse buitenspeeldag opent. En hij is het gezicht naar buiten. Gaat het over de gemeente op de televisie dan is de burgemeester in beeld. En toch is het raar. Want niemand heeft op de burgemeester kunnen stemmen. Die is benoemd door de Kroon op voordracht van de gemeenteraad. Dat gaat in tegen het principe van representatieve democratie. De persoon die de gemeente vertegenwoordigt, is niet door de gemeente verkozen.

De door de Kroon benoemde externe voorzitter

De burgemeester is een overblijfsel van het idee dat Nederland een eenheidsstaat is: de Rijksoverheid is de belangrijkste politieke laag. Hier wordt het beleid bepaald. Gemeentes zijn een soort uitvoeringsorganisaties. Zij hebben wel taken om uit te voeren maar wat ze moeten doen wordt bepaald in Den Haag. Daarbij past het idee dat het Rijk een vertegenwoordiger benoemt in het gemeentebestuur, een soort hoogste ambtenaar. Immers de directeuren van andere overheidsorganisaties worden ook centraal benoemd. Hij zit ook de gemeenteraad voor, net als de regering de onafhankelijke voorzitter van andere raden (zoals de SER) benoemt. Maar dat past al lang al niet meer bij de manier waarop het lokaal bestuur functioneert, nu het met allerlei decentralisaties, steeds meer politieke keuzes moet maken. Hierbij past een veel democratischer bestuur, zonder een van buiten benoemde voorzitter.

Zekere carrièrekeuze voor politici

Bovendien, de benoemde burgemeester is de duidelijkste indicatie van een ‘karteldemocratie’ in Nederland. Deze goed betaalde posities worden door de gevestigde bestuurspartijen uitgedeeld: de drie grote bestuurspartijen zorgen ervoor dat hun mensen ongeveer in gelijke mate burgemeestersposten krijgen. Partijloze burgemeester zijn er niet, terwijl er geen correspondentie hoeft te zijn tussen de politieke kleur van de gemeente en de burgemeester: immers de burgemeester zou boven de partijen moeten staan. Maar ondertussen is het mooie carrière stap voor politici, die klaar zijn als Kamerlid of wethouder en dan voor lange tijd in het openbaar bestuur kunnen blijven. Het CDA heeft nu de meeste burgemeesters. Terwijl deze partij electoraal terugvalt, blijft het CDA besturen. D66 is in de laatste 20 jaar als een jojo heen en weer gegaan in de kiezersgunst: het percentage D66 burgemeesters bleef constant rond de 5%. Ook GroenLinks pikt een graantje mee: 2% van de burgemeesters met name in kleine steden. De SP en de PVV protestpartijen die steun winnen bij de kiezer nemen niet deel aan het benoemingencircus.

Alternatieven voor de benoemde burgemeester

Als alternatief voor de benoemde burgemeester zijn er nu twee opties: de door de raad gekozen burgemeester en de direct gekozen burgemeester. Het eerste model is de formalisering van wat er eigenlijk nu al gebeurt: de raad kiest de burgemeester. Nu draagt de raad de burgemeester voor aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en die benoemt. Daarmee blijft de burgemeester een buitenstaander, nu een genodigde gast, maar geen vertegenwoordiger van de stad. De direct gekozen burgemeester creëert een spanning tussen de raad en de burgemeester die allebei een eigen mandaat hebben. Als de raad in meerderheid ontevreden is over de burgemeester kan hij dan naar huis worden gestuurd? En als de burgemeester ontevreden is over de raad kan hij die dan ontbinden?

Een lokale premier

Maar de vraag is waarom we niet zouden kiezen voor een veel bekender model. De politiek leider van Nederland, de premier heeft een mandaat bij de kiezers gehaald door deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen: de grootste partij krijgt het voortouw bij de formatie en als de lijsttrekker van de grootste partij een meerderheid in het parlement vindt, kan hij premier worden. In de Europese Unie wordt dit model, voor het eerst, ook gebruikt bij de benoeming van de commissievoorzitter. Europese partijen schuiven leiders naar voren: Junker, Schulz, Verhofstadt, Keller/Bové. De grootste partij mag de commissievoorzitter leveren. De democratische strijdt gaat nu tussen Junker (centrum-rechts) en Schulz (centrum-links). Als je dit in de gemeente doet dan vervalt de functie van burgemeester en komen de belangrijkste functies en zeker de functie van vertegenwoordiger van de stad bij een soort eerste wethouder. Een primus inter pares. Van mij mag je die functie burgemeester noemen, maar het is een veel politiekere rol met een veel democratischer mandaat: een lokale premier.

Natuurlijk vereist dit wel wat wijziging van wetgeving maar veel hoeft er niet te gebeuren. Het is onhandig als de lokale premier ook functioneert als onafhankelijk voorzitter van de gemeenteraad, want die moet hem juist controleren. De termijn voor lokale premiers zou gelijk moeten lopen met de gemeenteraad. Het zou mooi zijn als de gemeenteraad de “burgemeester” benoemt, maar de kroon benoeming is toch eigenlijk al een formaliteit.

Het belangrijkste is dat politieke partijen, zeker in plaatsen waar ze kans maken om de grootste te worden veel serieuzer na denken over wie de lijst trekt. De PvdA in Amsterdam doet dit eigenlijk al door Asscher en nu Hilhorst naar voren te schuiven als ‘de’ man die het moet gaan doen. Maar ook GroenLinks zou, zeker als het electorale tij er beter voor staat, kans kunnen maken om de grootste te worden in steden als Utrecht en Nijmegen. Dat betekent dat politieke zwaargewichten zich daar zouden moeten melden.