De vier meest betekenisloze woorden in de politiek

Politici beschrijven hun eigen positie in speeches, programma’s of flyers. Daarbij worden vaak woorden gebruikt die weinig richting geven. Ik wil hier naar vier zulke woorden kijken omdat ze maar al te vaak gebruik worden door politici die doen alsof ze daarmee iets betekenisvols gezegd hebben.

Rechtvaardigheid

Er zijn een boel politici, zoals Agnes Kant, Ahmed Aboutaleb, en Jolande Sap die zeggen: ‘ik kan niet tegen onrecht’. Rechtvaardigheid is misschien wel de meest holle term in de politiek. Het geeft namelijk geen enkele richting: rechtvaardigheid betekent dat je politieke principes hebt, maar welke principes dat zijn, is niet gespecificeerd. Er is niemand voor onrechtvaardigheid. Er is gewoon geen enkele overeenstemming over wat rechtvaardigheid is.

Je kan een liberale opvatting van rechtvaardigheid hebben, een sociaal-democratische opvatting of een Christen-democratische opvatting, maar zelfs ook utilitistische of aristoteleaanse opvattingen van rechtvaardigheid. Rawls noemde zijn beroemde boek immers A Theory of Justice, en niet The Theory of Justice.

De PvdA opent haar beginselprogramma met de volgende woorden: “Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van de
sociaal-democratie.” Rechtvaardigheid hoort niet in dat rijtje thuis. De andere termen geven nog enige richting, maar het enige wat we zouden kunnen concluderen uit de opname van rechtvaardigheid in dit lijstje is dat de PvdA een kompas heeft, maar niet waar dat kompas naartoe wijst.

Hoop
Hoop was een van de leuze waar Barack Obama campagne opvoerde. Dat leverde een prachtige muziekvideo op, maar enige richting kunnen we hier niet uit afleiden. De jongeren van Europees extreem-rechts presenteren zich nu als ‘Young European Alliance for Hope‘. In 2010 noemde de PVV haar programma ‘De Agenda voor Hoop en Optimisme‘.

Als extreem-rechts de term hoop gebruikt, lijkt dat Orwelliaans: zij zijn toch juist van de angst en het cynicisme? Maar zo zien zij zich zelf niet. Ze denken zelf dat ze hoopvolle politiek bedrijven.

Hoop betekent namelijk alleen maar dat je aspiratie voor de toekomst hebt: maar of in die toekomst Europa blank en Christelijk is, of Amerika juist kansen biedt aan iedereen (homo of hetero, man of vrouw, zwart of wit, Jood, Christen of Moslim, Hispanic of WASP) ligt helemaal niet besloten in het woord.

Je zou denken dat ‘hoop’ in elk geval iets van vooruitkijken heeft. Maar ‘hoop’ kan ook iets nostalgisch hebben: zowel Obama als Wilders gebruiken het om juist te verwijzen naar het idee dat Nederland en Amerika ooit hoopvolle landen waren maar nu die hoop verloren hebben. Daarmee kan er iets conservatiefs in het woord zitten.

Vrijheid
Het huis van de vrijheid heeft vele kamers. De ChristenUnie omarmt de term. De Partij voor de Vrijheid en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie gebruiken het in hun naam. Vrijheid is een fundamentele waarde voor D66. Femke Halsema heeft begrip vrijheid ook opgeëist voor GroenLinks. Zoals we boven zagen, is vrijheid ook een ideaal van de PvdA.

Het lijkt logisch dat vrijheid een belangrijk begrip is voor liberale partijen en andere partijen uit de verlichtingstraditie (zoals sociaal-democraten). Maar ook voor de Christelijke partijen is vrijheid een cruciaal begrip: vrijheid van godsdienst is diep verweven met de protestantse traditie; in de Katholieke traditie is vrijheid ook belangrijk. Ware vrijheid betekent in die katholieke traditie leven in dienst van het goede.

Dat klinkt als een rare interpretatie van vrijheid: vrijheid als iets specifieks doen. Maar hiermee past de Katholieke kerk een positief vrijheidsbegrip toe dat ook onderschreven wordt door socialisten en republikeinen. Dat er negatieve vrijheid en positieve vrijheidsbegrippen zijn zorgt ervoor dat iedereen deze termen kan omarmen. Negatieve vrijheid is de afwezigheid van beperkingen; daarbij kan je allerlei beperkingen aanwijzen. links wil homo’s de vrijheid geven om te trouwen en rechts wil ondernemers de vrijheid geven om een bedrijf te bouwen. Positieve vrijheid betekent leven zoals je echt zelf wilt: vrij van verslavingen of vrij van religieuze indoctrinatie. ‘Leven volgens de rede’, maar wat redelijk is dat is afhankelijk van de politieke voorkeur die je zelf hebt.

Vrijheid is daarmee betekenisloos omdat iedereen daarmee kan bedoelen wat hij wil: betekent vrijheid bandeloosheid? Of juist dienstbaarheid? Is vrijheid vrij zijn van de Islam? Of juist de vrijheid om je eigen geloof te kiezen?

Progressief
Progressief is een term die tegenwoordig is omarmd door D66. De term progressief heeft in de Nederlandse politiek een specifieke betekenis: de samenwerking van PvdA, PPR en D66 in de jaren ’70 heette het Progressief Akkoord. Het plan was om tot een Progressieve Volkspartij te komen. Progressief was een manier om ‘links’ te zeggen met name in culturele zin: progressieven zijn voor homo-rechten, milieu-bescherming en open grenzen. Maar zeker in de laatste jaren heeft progressief een nieuwe laag gekregen. De conservatieve partijen zijn niet langer alleen de partijen die een traditionele moraal wilden behouden of mensen die nationale manier van leven wilden beschermen tegen bedreigingen van buiten maar ook mensen die de huidige verzorgingsstaat willen beschermen. De termen ‘hervorming’ en ‘verandering’ zijn samen gekomen in een progressieve positie.

Ik heb me al eerder uitgesproken tegen dit gebruik van de term ‘progressief‘  in deze zin. Juist als je zegt voor verandering te zijn moet je richting kiezen. Als je zegt “De huidige verzorgingsstaat voldoet niet”, dan moet je zeggen wat voor ‘n alternatief je hebt: verhoog je de AOW-leeftijd voor iedereen of verlaag je hem voor mensen die vroeg beginnen met werken? Wordt Nederland een nachtwakersstaat of kies je juist voor een uitbreiding van sociale bescherming? Als je zegt “hou alles maar zoals het is” dan hoef je niet te kiezen. Maar als je progressief bent moet je kiezen tussen links of rechts.

Niet gebruikenDe volgende keer dat ik de termen progressief, vrijheid, hoop of rechtvaardigheid gebruik in een politieke context zonder te specificeren wat ik ermee bedoel mag u mij oppakken en opsluiten. Het gebruik van zulke termen helpt helemaal niemand. Ze geven geen richting maar vullen alleen maar tijd.

Is de PVV is definitief vertrokken uit het rechtse kamp?

Volgens premier Rutte is “de PVV definitief vertrokken uit het rechtse kamp“. Is dit politieke spin of zit er iets in? Welke conclusies kunnen we trekken uit verkiezingsprogramma’s of parlementaire stemmingen?

Stemmingen
Een manier om naar politieke posities te kijken, zijn stemmingen in de Tweede Kamer. Ik kijk hier naar alle stemmingen in de Tweede Kamer over de begrotingsbehandelingen in 2013. Dat zijn 357 stemmingen. Dat gaat met name over sociaaleconomische onderwerpen. Die zijn interessant omdat we hier juist een sterke links-rechts tegenstelling zouden verwachten.

Rplot2 copy90% van de stemmingen de passen in een eendimensionaal model, zoals hieronder: we zien hier de SP uiterst links en de PVV uiterst rechts. Dichtbij de PVV aan de rechterkant staan de VVD en de PvdA, dichtbij de SP aan de linkerkant staan PvdD en GL. De PVV staat het verst af van de SP; volgens Rutte zijn er juist grote gelijkenissen tussen de PVV en de SP.

Rplot copyDe figuur hiernaast geeft de percentages weer waarin een partij hetzelfde stemt als de PVV (en andere partijen). De hoogste score is voor de VVD: 55%, de laatste score voor GroenLinks (38%). Een opvallend verwijt dus: de partij waar de PVV het vaakst mee samen stemt, de VVD, verwijt de partij een linkse positie. Wat hier eerder aan de hand lijkt te zijn is de PVV voor zich een unieke positie heeft gemaakt. Anders dan de coalitiepartijen, de constructieve partijen in het midden of de linkse oppositie. De PVV vaart haar eigen koers.

Verkiezingsprogramma’s
Waar komt het beeld dan vandaan dat de PVV een linkse partij is? Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die uiten zich lastig in de Tweede Kamer.

Figuur 3 begrotingsposten copyDe figuur hiernaast is een analyse van de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We kijken hier naar de begrotingsposten (sociale zekerheid, zorg, milieubelastingen etc) en we hebben daarop een inductieve analyse[1] gedraaid die partijen dichtbij elkaar plaatst als de programma’s op elkaar lijken en ver van elkaar als de programma’s niet op elkaar lijken.

In dit model zien we twee dimensies. De eerste dimensie (hier de horizontale dimensie) laat een links-rechts tegenstelling zien. Aan de ene kant hebben we GroenLinks en aan de andere kant de VVD en de PVV. Een aantal onderwerpen correleert hier sterk mee, zoals het verhogen van milieulasten (typisch een ‘linkse hobby’ volgens de PVV) maar ook lasten op vermogen en het invoeren van een inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremie.

De tweede, verticale dimensie scheidt de SP en de PVV van bv. D66 boven in de figuur. Daarmee door kruist de figuur de traditionele links-rechts dimensie. Deze dimensie betreft bijvoorbeeld de grootte van de uitgaven aan zorg, maar ook defensie. De SP en de PVV bezuinigen daar niet op. Dit is volgens mij ook een belangrijke economische dimensie, maar het is niet de traditionele links-rechts dimensie. Ik noem deze dimensie zelf de hervormingsgezind/behoudend. De SP en PVV zijn sociaaleconomisch behoudend: bezuinigen niet op zorg maar bezuinigen bijvoorbeeld wel op onderwijs.

Zo ontstaan er vier kampen: een progressief-rechts kamp. Hierin vinden we D66, CDA, SGP, CU en VVD. Deze partijen stonden in 2012 redelijk dicht bij elkaar. Aan de hervormingsgezinde linkse kant staat GroenLinks. Aan de behoudende linkerkant de SP. Aan de behoudende rechterkant de PVV. De PvdA staat redelijk in het midden tussen behoudend en hervormingsgezind en links en rechts.

Wat is links en rechts?
Kortom is de PVV recent uit het linkse kamp vertrokken? Parlementaire stemmingen laten juist zien dat de PVV anders is dan partijen die we traditioneel als links benoemen zoals de SP. Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die zien we in de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We zien dan dat de PVV lijkt op zowel de VVD (tegen milieubelastingen) maar op de SP (tegen zorgbezuinigingen). Je zou op basis van die gelijkenissen de PVV links kunnen noemen, maar op deze punten lijkt juist GroenLinks (de naam zegt misschien iets over de politieke oriëntatie) niet op de SP en de PVV. Dit leidt tot een fundamentele discussie over wat links en rechts betekenen. Is GroenLinks (nog) links en de PVV misschien naar links geschoven? Er is een gelijkenis te zien tussen de PVV en de SP, maar juist op punten waarvan ze verschillen van GL. Uiteindelijk zijn links en rechts flexibele begrippen die je zelf kan invullen.

Hoe dan ook: deze data stamt uit 2012. Het kan dus geen schok geweest zijn voor Rutten en die gelijkenissen komen in het parlementaire werk niet zo zeer naar voren.

[1] Non-metric multidimensional scaling op Manhattan distances voor de specialisten op

Grand Budapest Hotel: top of not?

Grand Budapest Hotel is tegelijkertijd een topfilm en een verschrikkelijke Amerikaanse film. Wes Anderson is mijn favoriete regisseur. En met zijn nieuwste film, de Grand Budapest Hotel heeft hij zijn mooiste film tot nu toe afgeleverd.

Het is een komedie die een lobby boy volgt in een grand hotel in de jaren ’30. Hij raakt betrokken bij de diefstal van een schilderij; of eigenlijk het rechtmatig meenemen van een schilderij na een erfenis. Daarop volgt een absurdistische actiefilm om het schilderij uit de handen van de andere erfgenamen te houden. Uiteindelijk erft de lobby boy het schilderij en het hele hotel.

Een prachtige ambachtelijk gemaakte film is Grand Budapest Hotel zeker. Meer dan ooit heeft Wes Anderson de moeite genomen om een wereld te maken. De film speelt zich af in Zubrowka, een fictief Oost-Europees land. Dat is prachtig land vol met Jugendstil hotels, witte bergen, patisseries, opkomend fascisme, schilderijen van Schiele en Klimt. Anderson brengt het verval van zo’n oud hotel liefdevol in beeld. Meer dan in enige andere film van Anderson is ieder shot een schilderij: een prachtig stilistisch landschap waarin het hotel staat of een portret van de prachtige karakters die hij bedacht heeft.

Ik zou de film negen van de tien sterren geven: de film is zo mooi gemaakt, ieder shot is zo precies zo perfect. Met oog voor details en met de grote en kleine rollen gespeeld door de beste acteur van onze tijd.

Het probleem begint als de acteurs hun mond open doen. Anderson is in mijn ogen geen meester van de dialoog, maar dat is juist zijn kracht. Want de dead pan dialogues gaven in zijn eerdere films de afstand tussen mensen weer die nooit voldoende overbrugd kan worden door woorden. Die kracht zit nog steeds in de dialogen maar het probleem zijn de accenten. Anderson werkt met een beperkt aantal acteurs, mensen die hij vertrouwd, zoals Owen Wilson. Maar dat zijn allemaal Amerikanen, of in elk geval geen Oost-Europeanen. Als  Saoirse Ronan haar mond open doet, hoor ik een prachtig Iers accent maar geen Duits of Slavisch accent. Dat zit er wel vaker in: de film is visueel heel rijk, met allerlei kleine hints in teksten op muren en in kranten. Maar dat zijn allemaal teksten in het Engels. Anderson wil wel een film maken in Oost-Europa tijdens het interbellum maar wil niet de zwaarte van het fascisme de hele film laten wegdrukken: daarom noemt hij de SS maar ZZ. Dat soort dingen zijn jarring.

Wat misschien het minst bevredigend is aan deze prachtig gemaakte film dat het een komedie is zonder serieus hart. Uiteindelijk gingen de vorige films van Anderson allemaal over hetzelfde. Anderson analyseert menselijke relaties: hij toont uiterst getalenteerde, excentrieke mensen met ongewone dromen die langzaam en weifelend op zoek gaan naar de warmte van liefde en familie. Het zijn allemaal disfunctionele families die proberen om elkaar te vinden. In deze film heeft Anderson voor het gemak al zijn karakters wezen gemaakt omdat hij het niet over familie wil hebben.

En daarmee is de Grand Budapest Hotel een prachtig opeenvolging van schilderijen, maar wel een schilderijen die gemaakt is door een Amerikaan van een Europese situatie waarbij de precisie van het beeld teniet wordt gedaan door het accent van de acteurs. Maar bovendien is het een enthousiasmerende komedie vol met absurdistische actie, maar niet een film die de menselijke conditie onderzoekt en bloot legt.

Weg met de burgemeester!

In Nederlandse gemeenten is er een opvallende paradox. Bijna niemand kent de leden van de gemeenteraad of de samenstelling van het college. Maar veel burgers weten wel wie hun burgemeester is. Dat is op het eerste gezicht niet zo raar: immers de burgemeester heeft een belangrijke representatieve functie. Hij of zij is het gezicht van de gemeente in de stad en/of de dorpen: het is de burgemeester die de jaarlijkse buitenspeeldag opent. En hij is het gezicht naar buiten. Gaat het over de gemeente op de televisie dan is de burgemeester in beeld. En toch is het raar. Want niemand heeft op de burgemeester kunnen stemmen. Die is benoemd door de Kroon op voordracht van de gemeenteraad. Dat gaat in tegen het principe van representatieve democratie. De persoon die de gemeente vertegenwoordigt, is niet door de gemeente verkozen.

De door de Kroon benoemde externe voorzitter

De burgemeester is een overblijfsel van het idee dat Nederland een eenheidsstaat is: de Rijksoverheid is de belangrijkste politieke laag. Hier wordt het beleid bepaald. Gemeentes zijn een soort uitvoeringsorganisaties. Zij hebben wel taken om uit te voeren maar wat ze moeten doen wordt bepaald in Den Haag. Daarbij past het idee dat het Rijk een vertegenwoordiger benoemt in het gemeentebestuur, een soort hoogste ambtenaar. Immers de directeuren van andere overheidsorganisaties worden ook centraal benoemd. Hij zit ook de gemeenteraad voor, net als de regering de onafhankelijke voorzitter van andere raden (zoals de SER) benoemt. Maar dat past al lang al niet meer bij de manier waarop het lokaal bestuur functioneert, nu het met allerlei decentralisaties, steeds meer politieke keuzes moet maken. Hierbij past een veel democratischer bestuur, zonder een van buiten benoemde voorzitter.

Zekere carrièrekeuze voor politici

Bovendien, de benoemde burgemeester is de duidelijkste indicatie van een ‘karteldemocratie’ in Nederland. Deze goed betaalde posities worden door de gevestigde bestuurspartijen uitgedeeld: de drie grote bestuurspartijen zorgen ervoor dat hun mensen ongeveer in gelijke mate burgemeestersposten krijgen. Partijloze burgemeester zijn er niet, terwijl er geen correspondentie hoeft te zijn tussen de politieke kleur van de gemeente en de burgemeester: immers de burgemeester zou boven de partijen moeten staan. Maar ondertussen is het mooie carrière stap voor politici, die klaar zijn als Kamerlid of wethouder en dan voor lange tijd in het openbaar bestuur kunnen blijven. Het CDA heeft nu de meeste burgemeesters. Terwijl deze partij electoraal terugvalt, blijft het CDA besturen. D66 is in de laatste 20 jaar als een jojo heen en weer gegaan in de kiezersgunst: het percentage D66 burgemeesters bleef constant rond de 5%. Ook GroenLinks pikt een graantje mee: 2% van de burgemeesters met name in kleine steden. De SP en de PVV protestpartijen die steun winnen bij de kiezer nemen niet deel aan het benoemingencircus.

Alternatieven voor de benoemde burgemeester

Als alternatief voor de benoemde burgemeester zijn er nu twee opties: de door de raad gekozen burgemeester en de direct gekozen burgemeester. Het eerste model is de formalisering van wat er eigenlijk nu al gebeurt: de raad kiest de burgemeester. Nu draagt de raad de burgemeester voor aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en die benoemt. Daarmee blijft de burgemeester een buitenstaander, nu een genodigde gast, maar geen vertegenwoordiger van de stad. De direct gekozen burgemeester creëert een spanning tussen de raad en de burgemeester die allebei een eigen mandaat hebben. Als de raad in meerderheid ontevreden is over de burgemeester kan hij dan naar huis worden gestuurd? En als de burgemeester ontevreden is over de raad kan hij die dan ontbinden?

Een lokale premier

Maar de vraag is waarom we niet zouden kiezen voor een veel bekender model. De politiek leider van Nederland, de premier heeft een mandaat bij de kiezers gehaald door deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen: de grootste partij krijgt het voortouw bij de formatie en als de lijsttrekker van de grootste partij een meerderheid in het parlement vindt, kan hij premier worden. In de Europese Unie wordt dit model, voor het eerst, ook gebruikt bij de benoeming van de commissievoorzitter. Europese partijen schuiven leiders naar voren: Junker, Schulz, Verhofstadt, Keller/Bové. De grootste partij mag de commissievoorzitter leveren. De democratische strijdt gaat nu tussen Junker (centrum-rechts) en Schulz (centrum-links). Als je dit in de gemeente doet dan vervalt de functie van burgemeester en komen de belangrijkste functies en zeker de functie van vertegenwoordiger van de stad bij een soort eerste wethouder. Een primus inter pares. Van mij mag je die functie burgemeester noemen, maar het is een veel politiekere rol met een veel democratischer mandaat: een lokale premier.

Natuurlijk vereist dit wel wat wijziging van wetgeving maar veel hoeft er niet te gebeuren. Het is onhandig als de lokale premier ook functioneert als onafhankelijk voorzitter van de gemeenteraad, want die moet hem juist controleren. De termijn voor lokale premiers zou gelijk moeten lopen met de gemeenteraad. Het zou mooi zijn als de gemeenteraad de “burgemeester” benoemt, maar de kroon benoeming is toch eigenlijk al een formaliteit.

Het belangrijkste is dat politieke partijen, zeker in plaatsen waar ze kans maken om de grootste te worden veel serieuzer na denken over wie de lijst trekt. De PvdA in Amsterdam doet dit eigenlijk al door Asscher en nu Hilhorst naar voren te schuiven als ‘de’ man die het moet gaan doen. Maar ook GroenLinks zou, zeker als het electorale tij er beter voor staat, kans kunnen maken om de grootste te worden in steden als Utrecht en Nijmegen. Dat betekent dat politieke zwaargewichten zich daar zouden moeten melden.

Ministerraad op Vrijdag

Boy Trip (1921-1990) was tussen 1973 en 1977 minister van Wetenschapsbeleid. Veel mensen zullen zich hier niet van bewust zijn, want Trip was de minst bekende minister van het kabinet-Den Uyl, in een arena van prominenten als Ruud Lubbers, Dries van Agt, Marcel van Dam en Jan Schaefer. Van deze PPR-politicus zijn nu de memoires uitgekomen.

Trip was lid van de Politieke Partij Radikalen (PPR), één van de voorlopers van GroenLinks. Daarmee was Trip één van drie bewindspersonen die GroenLinks en haar voorlopers hebben gehad. (De andere twee, Van Doorn en Van Hulten, waren ook PPR-politici en zaten in dezelfde kabinetsploeg als Trip.) Trips persoonlijke herinneringen aan de tijd in het kabinet zijn nu gebundeld en samen met interviews met andere, nog levende, ministers gebundeld in Ministerraad op Vrijdag.

Trip lijkt vanuit het politieke perspectief een opmerkelijk keuze als minister. Hij had zich niet langzaam naar de politieke top gevochten door de rangen van de partij. Hij had carrière gemaakt als bestuurder bij een geurproducent en was daarna voorzitter van het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Utrecht. Na de universiteitsbezettingen van de jaren zestig komt hij in contact met de politiek. Een post in het schaduwkabinet-Den Uyl had hij nog geweigerd, omdat hij zich politiek niet te zeer wilde uitspreken. De toenmalige leider van de PPR, Bas de Gaay Fortman, toonde begrip en zei: ‘Als het menens wordt, kom ik wel terug’. Welke lessen zou Trip hebben voor anderen die net als hij van buiten de politiek bewindspersoon worden?

Trip zelf – maar ook de geïnterviewden – maken duidelijk dat politiek mensenwerk is. Wat partijen bij elkaar houdt in een kabinet zijn niet alleen maar de gemaakte afspraken, maar ook een gevoel van verwantschap door partijen heen. Een persoon zoals Jan Pronk, bekend door zijn contraproductieve neiging om met het verkiezingsprogramma van de PvdA, PPR en D’66, ‘de Bijbel’, te wapperen tijdens kabinetsvergaderingen is niet bevorderend voor de sfeer. Ook speelt bijvoorbeeld de scheidslijn tussen de heren en straatjongens die Marcel van Dam maakt. Bijvoorbeeld die tussen de mensen die in de pauze van de kabinetsvergaderingen gingen voetballen en mensen die binnen bleven. Trip, hoewel een vertegenwoordiger van de linkse PPR, behoorde duidelijk tot de heren. De sfeer in de ministerraad was tijdens de eerste jaren van het kabinet meestal goed, vooral door humor tijdens de vergaderingen. Maar aan het einde van de periode wordt de sfeer grimmiger.

Als nieuwe minister kreeg Trip, net als zijn collega’s, een zestig pagina’s tellende nota mee. In deze nota legde de secretaris van de ministerraad Middelburg, die toen al zo’n vijfentwintig jaar in functie was, uit wat wel en niet kon. Uiteraard stond een minister boven zo’n ambtenaar, maar het gaf de bestaande afspraken weer. Voorbeelden uit deze nota waren kledingkeuze, wat wel en wat niet aan te nemen en de etiquette dat de minister, als hoogste gast, als eerste moet vertrekken, omdat hij anders de andere gasten dwingt om te blijven.

Trip maakt net als een aantal anderen snel promotie. Hij kwam van buiten de politiek. Dat betekende dat relaties soms radicaal omdraaiden. Als lid van een college van bestuur kon hij niet zomaar binnenlopen bij de directeur-generaal hoger onderwijs. Nu was dit zijn ondergeschikte. De nieuwe generatie politici kwam binnen met hooggestemde idealen: niet alleen over de politieke inhoud, maar ook over de manier waarop er politiek bedreven moest worden. De hoogste ambtenaren, in die tijd nog jonkheren met dubbele namen, zagen in de nieuwe ministersploeg allerlei parvenu’s. Ze weigerden daarom de nieuwe omgangsvormen te gebruiken en spraken de ministers aan met excellentie, volgens Laurens Jan Brinkhorst ‘om te pesten’. Ook zaten de nieuwe ministers tijdens staatsbezoeken plotseling naast dames en heren die al jaren ervaring hadden. Volgens Trip was het dom voordoen de beste manier om die mensen zich op hun gemak te laten voelen, omdat ze zich dan niet bedreigd voelden.

Trip was minister zonder portefeuille op een betrekkelijk klein onderwerp, wetenschapsbeleid, dus voor de zichtbaarheid hoefde hij het ministerschap niet aan te nemen. Wat wel opvallend was, was dat hij in een zeer gepolariseerde periode als minister beleid wist te maken dat breed werd gedragen in de Kamer. Trip bespeelde de Kamerleden gemakkelijk en wist interventies uit te lokken en te voorkomen door de manier waarop hij zijn bril opzette. De reden voor het succes van Trip was zonder meer ook dat de woordvoerders in de Tweede Kamer allemaal het belang van wetenschapsbeleid deelden. Zo werd deze portefeuille betrekkelijk technocratisch bestuurd, met grote overeenstemming tussen de partijen. Dezelfde verwantschap was ook op internationaal terrein zichtbaar, wanneer Trip mocht spreken met ministers en staatshoofden die zijn interesse voor het wetenschapsbeleid deelden.

Trip werd nooit een echte raspoliticus. Daarom geeft het boekje met zijn herinneringen een interessante kijk in het functioneren van het kabinet in de roerige jaren ’70.

Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom.

Nederlandse politiek verschilt sterk van andere landen. Een opvallend patroon in Nederland is dat politieke carrières steeds korter duren. De politiek lijkt een tussenstop voor mensen met meer ambitie. Politiek leiders zitten kort en worden snel afgebrand. Job Cohen is hier misschien het meest extreme voorbeeld van: in een paar weken veranderde hij van de verlosser in de hakkelaar. Voor lange geplande politieke loopbanen is geen ruimte.

Een uitzondering in dit patroon lijkt Diederik Samsom, de leider van de PvdA. In Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom beschrijft NRC-journalist Stokmans de politieke carrière van de sociaaldemocraat.

De lange adem

Wat hierin het meeste opvalt is hoe planning en toeval door elkaar heen lopen. Gepland is Samsom’s politieke loopbaan. Hij begint in 2003 in de PvdA en besluit al in zijn eerste Kamerperiode dat hij partijleider wil worden. Hij ontwikkelt een verstandhouding met de zittende leider Wouter Bos en neemt de ruimte om alle PvdA-afdelingen te bezoeken om daar zijn verhaal te oefenen en leden te leren kennen. In 2008 toonde Samsom voor het eerst zijn ambitie toen hij Tichelaar wilde opvolgen als PvdA-fractievoorzitter. De PvdA-fractieleden kozen voor de moederkloek, Mariëtte Hamer. In 2010 wordt Cohen door Bos naar voren geschoven. De komeet van Cohen brandt snel op. Ondertussen loopt Samsom zich warm. Hij neemt afstand van de fractie en gaat op maatschappelijke stage als straatcoach om te voelen wat het verhaal van de PvdA op veiligheid betekent. Als Cohen in 2012 aftreedt, komt alles voor Samsom samen: hij heeft de ambitie, hij kent de partij en hij heeft een verhaal. Hij wordt partijleider.

De eindsprint

Maar voor wat er daarna gebeurt, lijkt Samsom niet gereed. Als het kabinet valt klitten constructieve oppositiepartijen in het centrum, GroenLinks, ChristenUnie en D66, samen zonder de PvdA. Zij steunen een begrotingsakkoord met het kabinet. Het hele akkoord lijkt erop gericht te zijn Samsom buiten te houden. Hij wordt uitgenodigd om mee te tekenen maar weigert dat. Dat is het eerste moment van twijfel. Snel zal blijken dat het een meesterzet is. Het begrotingsakkoord is in een hogedrukpan geschreven en zit vol met punten die de kiezer niet zint.

De strategie voor de PvdA is vanaf dat punt helder voor de peilers en adviseurs van Samsom: de PvdA kiest een paar zwakke punten uit uit het begrotingsakkoord en voert daar campagne tegen. Daartegen over stelt de PvdA een eigen agenda van groei en banen. Posters met die boodschap hangen al snel door heel Nederland.

Samsom twijfelt. Tijdens een oefenweekend voor het lijsttrekkersdebat Samsom zijn cijfers van het CPB over het PvdA programma de druppel die de emmer doet overlopen. De PvdA was niet de partij van groei en banen maar van krimp en werkloosheid. Voor Samsom die de doorrekeningen van voorgaande jaren uit zijn hoofd kende en die voor zijn plezier aan CPB-cijfers zat te rekenen, een grote blamage. Tijdens het ontbijt stormde Samsom onverwacht luid vloekend de eetzaal uit en het nabijgelegen bos in. Als Samsom uitgeraasd is, wordt besloten een nieuwe strategie in te zetten. Niet een die gebaseerd is op peilingen of de wijsheid van campagnebureaus maar op het gevoel van Samsom: dit wordt Samsom’s eerlijke verhaal. Tijdens de vele bijeenkomsten in het land oefent en scherpt Samsom zijn verhaal. Tijdens het RTL-debat overtuigt Samsom hier Nederland mee, door niet een mooie belofte te maken over het geld dat Nederland aan Griekenland heeft geleend maar eerlijk te zijn dat het geld niet terugkomt.

Bij het oefenen van het tweede grote debat, bij Knevel en Van den Brink valt een katheder op Samsom’s teen. Uitermate pijnlijk. Gebroken is de diagnose. Maar Samsom heeft geen tijd om twee weken met zijn benen om hoog te zitten. Pijnstillers zijn natuurlijk ook uitgesloten want Samsom moet scherp zijn. En juist in het tweede debat versterkt Samsom zijn eigen ‘eerlijke verhaal’ door Rutte aan te pakken over het verdraaien van de waarheid. Hij kopieert daarbij Ronald Reagan’s ‘there you go again‘. Dat is opnieuw niet een beslissing die genomen is op basis van kiezersonderzoek en tegen de lijn van de adviseurs in gaat. Tijdens het laatste debat laat Samsom zijn eerlijke verhaal nog één maal door op de vraag van een kiezers: ‘aan welk punt houdt u vast?’ Niet zijn hele programma af te draaien maar eerlijk te zeggen dat zoals ook bleek tijdens de formatie je uiteindelijk compromissen moet sluiten met je politieke tegenstanders.

Daarmee deed Samsom uiteindelijk wat iedereen voor onmogelijk had gehouden. Hij won de kiezers terug van de SP en haalde het beste verkiezingsresultaat van de PvdA in 10 jaar. Niet op basis van een langgeplande strategie of zelfs maar geïnformeerd door het best onderzoek maar op basis van zijn eigen politieke intuïtie.

De politieke carrière van Samsom is altijd gericht op die ene plek, leider van de PvdA. Maar als hij dat een maal is hangt veel van toeval af: had Samsom zijn eigen intuïtie gevolgd en het begrotingsakkoord wel getekend, dan was hij net als de begrotingsakkoordpartijen in de verdediging gekomen. En als de CPB-cijfers later waren gekomen, dan had Samsom misschien niet zijn strategie bij gezet en had hij het eerste debat niet gewonnen en dan had hij geen zegetocht ingezet.

Is de Partij voor de Dieren populistisch?

Als één partij in de Tweede Kamer niet populistisch zou kunnen zijn, is het de Partij voor de Dieren. Immers deze partij verzet zich tegen de dominantie van menselijke belangen in de politiek. Beleid zou niet gebaseerd moeten zijn op wat mensen vinden maar op wat in het belang van alle dieren is. Iedere debatbijdrage wordt daarom afgerond met de ze zin ‘tevens ben ik van mening dat de bio-industrie moet worden afgeschaft’. Maar de recente bijdrage van Thieme aan het debat over het burgerforum EU had een aantal opvallende populistische kenmerken.

Laten we populisme definiëren als een (dunne) ideologie die

  1. een tegenstelling ziet tussen (a) een deugdzaam en ondeelbaar volk en een (b) kwaadaardige elite;
  2. stelt dat de elite het volk haar vermogen om haar soevereiniteit uit te oefenen ontnomen heeft;
  3. en stelt dat dat moet worden hersteld.

Het is belangrijk om op te merken dat populisme geen negatieve kwalificatie is. Volgens één van de indieners van het burgerforum EU, Ewald Engelen, die toch zelf aardig kwalificaties kan uitdelen en incasseren, zou populisme ‘in het woordenboek van nette mensen [staan] voor grof taalgebruik, redeloze onderbuikgevoelens, argumentenhaat en vijanddenken.’ Dat is in elk geval deze definitie niet het geval: het streven naar volkssoevereiniteit en een gezonde afkeer van autoriteit is regelmatig ‘the right side of history’ gebleken.

De kernredening van de debatbijdrage van Thieme is de volgende:

  1. De Nederlandse kiezer wil een pas op de plaats in Europese integratie. Dit blijkt uit de uitslag van het referendum over de Europese Grondwet en recente peilingen: “twee derde van de burgers geeft aan geen verdere overdracht van bevoegdheden te willen zonder referendum.
  2. De Europese politieke elite wil dat Europese integratie verder gaat. De elite heeft de voorkeur voor besluitvorming in instituties die buiten het bereik van kiezers liggen, zoals de EU, de G8 en internationale handelsverdragen. Thieme zelf neemt afstand van die elite: “[i]k wens (…) geen deel uit te maken van een politieke elite die op dit moment de democratie aan het uithollen is.
  3. De Europese politieke elite luistert dus niet naar kiezers. Ze gaan door met geforceerde Europese integratie tegen de wil van het electoraat. De kiezer is voor de Europese politieke elite een hindermacht, die ontwapend zou moeten worden: “[e]lke wijze waarop de bevolking aangeeft [met verdere Europese integratie] niet akkoord te kunnen gaan, wordt gezien als een ongewenste vertraging van de Brusselse trein, die hoe dan ook verder moet.”
  4. Dit is onjuist want niet de elite maar het volk mag soevereiniteit overdragen. Zo wordt de democratie uitgehold: “het [is] niet aan de volksvertegenwoordigers maar aan het volk om bevoegdheden over te dragen, de soevereiniteit op te geven en de macht van het parlement te verminderen.”
  5. Thieme pleit voor een ander Europa zonder landbouwsubsidies en met meer democratie. “Ook in dat kader ben ik voorts van mening dat er een einde moet komen aan de Nederlandse en de Europese bio-industrie.”

De redenering van Thieme komt op een aantal punten dicht bij populisme:

  • ze neemt afstand van ‘de’ politieke elite (punt 1b);
  • in haar ogen heeft die politieke elite het volk het vermogen zijn soevereine macht uit te oefnene ontzegt (punt 2 van het populisme);
  • en in plaats daarvan moet er een pas op de plaats gemaakt worden met Europese integratie en moet de Europese Unie gedemocratiseerd worden (punt 3).

Wat dus mist is een positieve invulling van het begrip volk. Het volk heeft in de ogen van Thieme gelijk en zou zelf moeten kunnen beslissen over de Nederlandse onafhankelijkheid. Maar is het ook ondeelbaar? En deugdzaam? Dat wordt hier in elk geval niet duidelijk. Daarmee zouden we moeten stellen dat Thieme’s redenering niet populistisch is, alhoewel het er veel kenmerken van heeft.

Maar dit punt is in mijn ogen wel het meest belangrijk voor een partij die een niet-antropocentrisch wereldbeeld zegt te hebben. In debatbijdrage was dit element van Thieme’s eigen visie gemarginaliseerd tot een verwijzing naar landbouwsubsidies en een obligate slotzin. In elk geval in het geval van Europese integratie, is voor de Partij voor de Dieren de wil van mens alles wat telt. Niet de argumenten die ze gebruiken, niet de eigen visie van de Partij voor de Dieren en niet de belangen van niet-menselijk leven: het volk wil geen verdere Europese integratie. Daarmee is de kous voor Thieme af.

In dit debat had Thieme vast kunnen houden aan haar eigen idealen en een consequent niet-antropocentrische redenering kunnen neerzetten. Deze had er als volgt uit kunnen zien:

  1. Europese integratie is slecht voor dieren want een interne markt betekent dat dieren het hele continent over gesleept moeten worden, het gemeenschappelijke landbouwbeleid bevordert grootschalige bio-industrie en, bovendien, de Europese verdragen staan stierenvechten toe.
  2. De Europese Unie moet worden gestopt. Daarvoor zijn alle middelen geoorloofd. Ook dat van het referendum, waarin het Nederlandse volk vast weer tegen uitbreiding van Europese bevoegdheden zal stemmen.
  3. Daarom is de Partij voor de Dieren voor een referendum niet omdat de wil van mensen maatgevend is maar het belang van dieren.

Want zou Thieme echt willen dat stem van het volk alles zou bepalen? Iedere dag spreekt het Nederlandse volk zich in de supermarkt uit over de vegetarische idealen van Thieme; en iedere dag stemt een kleine minderheid op ‘gehacktbal’ en grote meerderheid op gehaktbal.

Het Dierloze Gerecht

Dirk-Jan Verdonk schreef een vegetarische geschiedenis van Nederland. Een mooi kijkje in de geschiedenis van groene politiek, activisme en het dagelijks leven.

Het boek bestaat uit zes casussen, die chronologisch worden gepresenteerd. We beginnen bij de eerste idealistische vegetariërs als Domela Nieuwenhuis en Felix Ortt. Bij Domela Nieuwenhuis zien we hoe vegetarisme al vroeg verbonden is met andere linkse idealen. Bij Felix Ortt, die probeerde een vegetarische landbouwcommune te stichten zien we hoe idealisme het verliest van de realiteit. Vervolgens bezoeken we het succesvolle vegetarische restaurant Pomona uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dan slaan we ongeveer 25 jaar over en kijken we naar de kabouterrevolutie en de groei van de alternatieve winkeltjes, met hun ongeorganiseerde gezelligheid. Daarop volgen twee hoofdstukken over dierenrechtenactivisme: dat begint bij Wakker Dier en eindigt bij het dierenterrorisme van de jaren ’00.

De eerste drie delen zijn de sterkste delen omdat ze meer dan een geschiedenis van dierenrechtenactivisme, een geschiedenis zijn van het vegetarische dagelijks leven. Het biedt een antwoord in de vraag wat vegetariërs aten voordat er gehacktballen in de schappen van de supermarkt lag: rauwkost, schijngehakt gemaakt van linzen en allerhande kroketten. Maar hierachter ligt een hele discussie over wat gezond voedsel is en of vlees daarvoor nodig is. Want aan het einde van de negentiende eeuw wordt er voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar voedsel, voedingswaarden en gezondheid. Groenten worden eerst weggezet als ‘genotsmiddel’ zonder voedingswaarde maar ook de eerste schandalen over bedorven vlees komen naar buiten. Als vlees tijdens de Eerste Wereldoorlog op de bon moet, moeten huisvrouwen leren om gebalanceerd vegetarisch te koken. Door het restaurant Pomona wordt vegetarisch eten hip.

In het derde hoofdstuk, over Pomona, zien we de hoe vegetarisme populairder wordt, maar daarna volgen we meer kleine groepen buiten de mainstream. We eindigen met verhalen over geweld en inbraak. Alsof dat de kern zou zijn van vegetarisme. Alsof na de Kabouterrevolutie vegetarisme eerder kleiner en sektarischer werd en met name verbonden was met buitenparlementair activisme. Vegetarisme wordt steeds groter: Jort Kelder is gezicht van een soort VVD-vegetarisme, de vegetarische slager verkoopt vleesvervangers bij de Jumbo en ook juist parlementaire politiek loopt harder voor dierenrechten, dankzij de Partij voor de Dieren.

Wat zich hier wreekt is dat het boek verschenen is in 2009 en waarschijnlijk in de 5-6 jaar daarvoor geschreven is, in een periode na de moord op Fortuyn dat terrorisme van dierenrechtenactivisme een ding leek. Tien jaar daarna blijkt, gelukkig, dat gewelddadig dierenrechtenactivisme een vrij marginaal fenomeen is gebleven maar daarmee is het boek wel meteen verouderd.

Hoe hangen welvaart en sociale voorzieningen samen?

Heleen Dupuis is een vooraanstaand lid van één van onze regeringspartijen. Filosoof, emeritus professor emeritus, liberaal, senator. Daarvan kunnen we alleen maar scherpe redeneringen verwachten. In Trouw werpt zij haar licht op de verzorgingsstaat. Daarin zegt zij het volgende.

“Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar tegelijk maakt zowat iedereen gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem verkeerd hebben ingericht.”

Het is mij niet duidelijk hoe uit het feit dat [1] Nederland rijk is en [2] mensen gebruik maken van sociale voorzieningen volgt [3] dat het systeem verkeerd is ingericht. Als we welvaart als belangrijk goed nastreven, dan laat professor Dupuis zelf zien dat er geen probleem is. Immers: alhoewel bijna iedereen gebruik maakt van sociale voorzieningen, is Nederland één van de rijkste landen ter wereld.

Sterker nog. Misschien is deze redenering is bijziend. Het gaat er vanuit dat er een directe causale relatie is tussen welvaart en verzorgingsstaat. Je kan ook zeggen: Nederland is een open economie, die haar geld verdient door handel. Dat betekent dat Nederland sterk afhankelijk is van de schokken van de internationale markten. Om die schokken op te vangen hebben we een verzorgingsstaat die spaart in goede tijden en uitgeeft in slechte tijden. Zo kunnen we welvaart (door de open economie) en stabiliteit (door de dempende werking van de verzorgingsstaat) combineren. Het minste wat je dan zou kunnen zeggen is dan Nederland is één van de rijkste landen ter wereld en bijna iedereen maakt gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat het een niet onverenigbaar is met het ander.

Maar misschien is er wel een causaal verband tussen de door professor Dupuis geobserveerde grote welvaart en het niveau van sociale bescherming: Nederland krijgt haar welvaart ook vanwege haar goed opgeleide beroepsbevolking. Dit komt omdat Nederland een van de beste onderwijssystemen van de wereld heeft dat op het basis- en middelbaar niveau gratis ter beschikking wordt gesteld en door toegankelijk beroeps- en hoger onderwijs van hoge kwaliteit. Dat kost natuurlijk wat, maar daar betalen we samen aan mee. Immers iedereen heeft er voordeel van als er artsen zijn (want die maken ons gezond), ICT’ers (want die verdienen geld) of emeritus-professoren medische ethiek (want wat zouden we anders moeten doen op een druilerige woensdagmiddag). Misschien moet de redenering wel zijn, dus: Nederland is één van de rijkste landen ter wereld, dat komt omdat zowat iedereen gebruik heeft gemaakt van onze sociale voorzieningen waaronder scholen, ROCs, hoge scholen en universiteiten. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht.

Dupuis beroept zich later op Rawls. En dat brengt mij op de laatste manier waarop verzorgingsstaat en welvaart zouden kunnen samenhangen: een rechtvaardige samenleving waarin iedereen naar school kan, niemand zich zorgen hoeft te maken of hij de rekening van de medische zorg wel kan betalen en iedereen een dak boven zijn hoofd heeft is een groot goed. Verschillen in inkomen zijn gerechtvaardigd en een dynamisch bedrijfsleven is waardevol zolang ze bijdragen aan het in stand houden van een systeem van sociale rechtvaardigheid. Dat betekent het volgende: Nederland is één van de rijkste landen van de wereld. Het is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht dat er goede sociale voorzieningen zijn waarvan iedereen gebruik kan maken.

Was 2013 inderdaad een ***-jaar?

Eind 2012 voorspelde ik dat 2013 een ***-jaar zou worden. Wat is er uitgekomen van deze voorspelling?

Zes voorspellingen die ik in 2013 deed hingen samen met de verkiezingsuitslag in Italië. Ik voorspelde dat er geen heldere verkiezingsuitslag zou zijn. Dat klopte!
Maar de gevolgen die ik voorspelde, klopten niet. De uitslag leidde niet tot een economische crisis, tot het uitkomen van corrupte Italiaanse bankpraktijken of een radicale uitbreiding van de macht van de Europese Commissie die nieuwe Nederlandse bezuinigingen eiste. De corrupte bankpraktijken kwamen voor in Cyprus. De economische macht van de Europese Commissie blijft wel groeien. Nederland moest weer verder bezuinigen. Anders dan ik voorspelde profiteerden niet zo zeer de linkse anti-bezuinigingspartijen van de verdere bezuinigingen maar juist de rechtse partijen, zowel D66 (pro) en de PVV (anti). Maar de PvdA kreeg het wel lastig met het anti-illegalenbeleid van het kabinet, die leidde echter nog niet tot Razzia’s.

Daarnaast voorspelde ik dat non-nieuws de media zou domineren: over het Koningshuis (dat werd de abdicatie), een rel over Rusland en het milieu (dat werden de Arctic 30 die aandacht vroegen voor milieuvervuiling maar met name wezen op het sinistere karakter van de Russische regering) en aan het eind van het jaar Zwarte Piet (en niet The Hobbit).

Dat non-nieuws zou het echte nieuws verbloemen: klimaatverandering (nog steeds een probleem volgens de wetenschappers), een ingrijpende verandering van de financiering van de Amerikaanse wetenschap (die in werkelijkheid alleen politieke wetenschap betrof) en de Syrische burgeroorlog (waarbij Assad in elk geval een Amerikaanse inval wist te voorkomen).

In alle eerlijkheid is maar één voorspelling echt uitgekomen. Maar de voortslepende economische crisis, de dominantie van non-nieuws en een overwinning voor de Bad Guys in het Midden-Oosten klopten werden deels bewaarheidt, maar ja dat zijn niet echt kritische voorspellingen.

Voor 2014 sluit ik me aan bij John Green: 2014 wordt misschien wel het beste jaar ooit!