Ongeschreven wikipedia artikelen: President van de Republiek der Nederlanden

Er zijn wikipedia-artikelen die eigenlijk geschreven hadden moeten worden, zoals deze President van de Republiek der Nederlanden. 

figuur2President van de Republiek der Nederlanden

De President van de Republiek der Nederlanden is het staatshoofd van de Republiek der Nederlanden. De functie van President is voornamelijk ceremonieel; de uitvoerende macht ligt bij het kabinet onder leiding van de minister-president. De President wordt voor een termijn van zes jaar gekozen door de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal.

Historische Achtergrond

In 1946, enkele maanden na de bevrijding werd er in Nederland een referendum gehouden over de monarchie. Het Huis van Oranje had veel steun verloren in de Tweede Wereldoorlog. Na het ongeval op de Noordzee waarbij Koningin Wilhelmina en Prinses Juliana in de meidagen van 1940 omkwamen, keerde Prins Bernhard terug naar Nederland. Hij was als de facto regent voor zijn dochter Beatrix. Op zijn eigen verzoek werd hij benoemt tot stadhouder der Nederlanden voor de Duitse bezetter. Op 5 mei 1945 tekende Prins Bernhard de overgave van de Duitsers in Nederland en werd hij gevangen gezet.

Na de bevrijding was het duidelijk dat Prins Bernhard niet aan kon blijven. De nieuwe regering onder leiding van Schermerhorn schreef een volksraadpleging uit over de Nederlandse staatsvorm. De stemming werd net aan gewonnen door de Republikeinse zijde. Zij stonden met name sterk in Noord-Nederland en de grote steden. De steun voor de Oranjes kwam met name uit protestants-Christelijke hoek en volgde de bijbelgordel.

In 1946 en 1948 werden de benodigde Grondwetswijzigingen doorgevoerd. In die tijd nam de Raad van State de functie van staatshoofd waar.

De residentie van de President: Paleis Noordeinde

Bevoegdheden

In het Nederlands staatsbestel heeft de president vier taken:
1) De president vertegenwoordigt de Republiek der Nederlanden naar buiten toe. Hij legt staatsbezoeken af, ontvangt ambassadeurs en staatshoofden. Verdragen met het buitenland worden in zijn of haar naam ondertekend.
2) De president heeft een wetgevende functie. Als voorzitter van de Raad van State kan hij of zij over wetgeving adviseren en als lid van de regering bekrachtigt hij of zij wetgeving. Sinds Den Uyl gebruiken presidenten onregelmatig dit recht om wetgeving te vetoën. De president benoemt ook rechters, stadhouders en burgemeesters. In deze rol is een contraseign van een minister altijd vereist.
3) De president heeft daarnaast het initiatief voor kabinetsformaties. Hij of zij ontvangt na de verkiezingen zijn of haar vaste adviseurs (de voorzitters van beide Kamers der Staten Generaal) en de fractievoorzitters in de Tweede Kamer om hem of haar te adviseren over de vorming en samenstelling van een nieuwe coalitie en de benoeming van één of meerdere informateurs. Aan het einde van de formatie beëdigt de President de nieuwe bewindspersonen. Als een kabinet gevallen is, heeft de president het recht om de Tweede Kamer te ontbinden.
4) De president heeft ten slotte een symbolische functie. Hij of zij symboliseert de eenheid van de natie. De president speelt een belangrijke rol in het discussies over fundamentele kwesties. De president houdt een jaarlijkse kersttoespraak op Eerste Kerstdag waarin hij of zij maatschappelijke kwesties aankaart. President Albayrak heeft onder meer gesproken over integratie, immigratie, globalisering en Europese integratie.

Verenigde Vergadering vergadert in 2009.

Verkiezing

De President wordt voor een periode van zes jaar gekozen door de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal. Deze bestaat uit alle leden van de Eerste en de Tweede Kamer. Iedere Nederlander die actief kiesrecht voor de Tweede Kamerverkiezingen heeft, is verkiesbaar voor het ambt van president. Het is gebruikelijk dat de leiders van de coalitiepartijen met elkaar afspreken wie ze willen als kandidaat en omdat zij een meerderheid hebben, kan de coalitie bepalen wie de volgende President wordt. Oppositiepartijen kiezen vaak ook een gezamenlijke kandidaat uit. De Verenigde Vergadering stemt zonder debat en in een geheime stemming voor de kandidaten. Om te worden verkozen dient een kandidaat de relatieve meerderheid te behalen.

figuur Overzicht

Sinds 1948 zijn er 10 presidenten geweest.

Louis Beel was de eerste president. Hij werd verkozen op 16 juli 1948. Beel wordt gekozen met 101 stemmen voor en 49 onthoudingen. De onthoudingen kwamen uit protestants-Christelijke hoek. Daar waren grote bezwaren tegen de Republiek. Beel was voor zijn presidentschap minister-president geweest. Hij wordt als premier opgevolgd door Willem Drees. Beel gold als een actieve president die zijn positie en de Raad van State gebruikte om de Grondwet van 1948, die hij mede geschreven had, te beschermen. Beel wordt in 1954 herkozen. Hij krijgt 119 stemmen (en 31 onthoudingen). De Anti-Revolutionairen, alhoewel nu regeringspartij, verzetten zich nog steeds tegen de Republiek en onthouden zich van stemming. Na twee periodes stelde Beel zich niet opnieuw kandidaat. Hij werd lid van de Raad van State.

In 1960 wordt de Anti-Revolutionaire president van de Hoge Raad der Nederlanden Jan Donner gekozen tot president. Hij verslaat de sociaal-democratische Senaatsvoorzitter Jan Jonkman met 144 tegen 78 stemmen en drie onthoudingen. De keuze voor Donner was een zoenoffer om de Anti-Revolutionairen te overtuigen de presidentsverkiezingen te accepteren. Donner volgde Beel op als ‘hoeder’ van de grondwet. Na één termijn stelde Donner zich niet herkiesbaar: hij was toen 75. Donner trad wel toe tot de Raad van State maar vanwege zijn hoge leeftijd was het een symbolische positie.

Onrust tijdens de traditionele koetsrit voor de beëdiging van President Schokking (1966).

In 1966 werd Frans Schokking, namens de CHU burgemeester van Den Haag, gekozen tot president. Hij versloeg de sociaal-democratische senator en verzetsheld Jaap Burger met 120 tegen 101 stemmen en 4 onthoudingen. Schokking was een opvallende keuze. De CHU eiste dat nadat de KVP en de ARP het presidentschap had gekregen, de positie op. De CHU had echter geen schikte kandidaten op het nationale vlak en kandideerde uiteindelijk de burgemeester van Den Haag. Voor de benoeming werd gesproken over het oorlogsverleden van de kandidaat. De Raad van State onderzocht de zaak en oordeelde dat Schokking president kon worden. Vanwege het oorlogsverleden was de beëdiging in Amsterdam onrustig. In 1970 komt de ‘Pinto-affaire’ echter volledig in de openbaarheid. Schokking trad vrijwillig af. Hij werd na zijn presidentschap Hoogheemraad in Rijnland.

In 1970 werd Carel Polak, minister van Justitie namens de VVD, verkozen tot president. Met 133 stemmen tegen 79 stemmen en 13 onthoudingen versloeg hij Burger, die zich wederom kandidaat had gesteld. De keuze voor Polak toont dat de centrum-rechtse partijen vasthielden aan het rotatieprincipe. Polak werd als minister van Justitie opgevolgd door Molly Geertsema. Hij gold als een activistische president die vanuit de Raad van State de grenzen van het presidentschap op zochte een koerst op een liberale agenda met name waar het burgerrechten betrof. Na zijn presidentschap trad Polak toe tot de Raad van State.

1976 werd Joop den Uyl, minister-president namens de PvdA, verkozen tot president. Hij werd verkozen in een driezijdige verkiezing: Den Uyl is kandidaat namens de progressieve drie, Senaatsvoorzitter Theo Thurlings namens de drie Christelijke partijen en Polak namens de VVD en DS70. Den Uyl kreeg maar 98 stemmen, Thurlings 81 en Polak 40 en er waren zes onthoudingen. Den Uyl wordt als premier opgevolgd door E. van Thijn. Den Uyl werd gekozen vanwege de democratische vernieuwingsagenda van de progressieve drie: ze hadden een grondwetswijziging door de Staten-Generaal geloodst voor een direct gekozen executieve president. In anticipatie van de tweede lezing werd Den Uyl gekozen. Hij opereerde de eerste twee jaar als een executieve president. Vanuit de oppositie maar ook vanuit de ARP en KVP kwam er sterke kritiek op deze ‘imperial presidency’. Hiermee ondermijnde zijn optreden de stabiliteit van het kabinet.

In 1977 won Van Thijn de Tweede Kamerverkiezingen maar verloor hij de formatie-onderhandelingen tot grote frustratie van Den Uyl die als president het formatieproces probeerde aan te sturen. Er kwam een nieuwe coalitie van CDA en VVD. Ze lieten de grondwetswijzing vallen. Den Uyl zat zijn termijn uit (tot 1982) maar was nauwelijks in staat om beleid te beïnvloeden. Hij gebruikte als president voor het eerst het recht om wetgeving te vetoën: in 1981 vetot hij het Banenplan. In 1982 stelde Den Uyl zich niet opnieuw kandidaat. Hij trad toe tot de Raad van State.

De oproer tijdens de eerste beëdiging van Van Agt (1982)

In 1982 werd Dries van Agt verkozen tot president. De demissionaire Christen-democratische premier werd door de fractievoorzitter van het CDA, Lubbers, onder druk gezet om zich te kandideren voor het presidentschap. Dit maakte de weg vrij voor Lubbers om premier te worden. Van Agt vond Jos van Kemenade als tegenkandidaat: Van Agt kreeg 132 stemmen en Van Kemenade 75 (en 18 onthoudingen). De beëdiging van Van Agt was net als de beëdiging van Schokking zeer onrustig. Er zijn nu zelfs rellen in Amsterdam. Krakers voeren actie tegen woningnood onder de leus ‘Deze beëdiging is een belediging’.
Van Agt gold binnenlands als een passieve president, die zich minder richtte op wetgeving en meer op de reputatie van Nederlandse in het buitenland. Van Agt bracht een zeer groot aantal staatsbezoeken en leidde een groot aantal handelsmissies. Aan het einde van zijn eerste termijn probeerde Van Agt – te vergeefs – te onderhandelen tussen Israël en de PLO tijdens de eerste Intifadah. In 1988 werd Van Agt herkozen zonder tegen kandidaten met 214 stemmen en 11 onthoudingen. Van Agt werd lid van de Raad van State na zijn presidentschap.

In 1994 werd Maarten van Traa gekozen tot president. Het sociaal-democratische Tweede Kamerlid was daarvoor sterk in de achting van zijn collega’s gestegen als voorzitter van de IRT-enquêtecommissie. Tegenover Van Traa stelden GroenLinks en het CDA Jacques de Milliano, voorzitter van Artsen zonder Grenzen, kandidaat. Hij gold als de ‘kandidaat van het volk’, de eerste presidentskandidaat die geen politieke functie had gehad. Van Traa kreeg 132 stemmen en De Milliano 78 (15 onthoudingen). Van Traa maakte van integriteit het centrale thema van zijn presidentschap. Hij overleed, op de helft van zijn eerste termijn, in 1997 in een auto-ongeluk.

De Paarse coalitie stelden in 1997 VVD-senator Frits Korthals Altes kandidaat voor het presidentschap. CDA en GroenLinks stelden de professor Christelijk-sociaal denken, Jan Peter Balkenende, kandidaat. Korthals Altes kreeg steun van 136 Kamerleden en Balkenende van 74. Met Korthals Altes keerde het presidentschap terug naar zijn functie als hoeder van de grondwet. In 1999 vetot Korthals Altes tot grote onvrede van D66 de referendumwet. Korthals Altes stelde zich na één periode niet meer kandidaat (hij is dan 72). Hij werd lid van de Raad van State na zijn presidentschap maar vanwege zijn hoge leeftijd was het een symbolische positie.

In 2003 werd de CDA-minister van Buitenlandse Zaken, Jaap de Hoop Scheffer, kandidaat gesteld door de regerende coalitie. De gezamenlijke oppositie stelde Jeltje van Nieuwenhoven kandidaat: de eerste vrouwelijke kandidaat voor het presidentschap. De Hoop Scheffer kreeg 128 stemmen en Van Nieuwenhoven 88 (9 onthoudingen). De Hoop Scheffer koos voor een internationaal actief presidentschap zonder wetgevende ambities. Hij stelde zich in 2009 niet De Hoop Scheffer opnieuw kandidaat, omdat hij benoemd zou worden tot President van de Europese Raad.

In 2009 eiste de PvdA-leider Wouter Bos dat de volgende president een reflectie zou ‘van de groeiende diversiteit in Nederland’. De sociaal-democraten stelden staatssecretaris Nebahat Albayrak kandidaat. De VVD en de PVV stelden gezamenlijk VVD-prominent Rita Verdonk kandidaat. Verdonk beloofde een meer executief presidentschap, waar Albayrak een grotere nadruk legde op de symbolische functie. Albayrak versloeg Verdonk met 175 stemmmen, terwijl Verdonk 46 stemmen kreeg (4 onthoudingen). Albayrak is de eerste vrouwelijk president en de eerste president die buiten Nederland geboren is. Albayrak gebruikt het presidentschap om positieve voorbeelden van multiculturele samenleving publiek uit te lichten en om te wijzen op misstanden in het integratieproces.

Waarom TOS slechte SciFi is IV: redeeming features

Deze zomer heb ik The Original Series van Star Trek gekeken. Dat was een ontnuchterende ervaring. Waar ik had verwacht dat de eerste serie elementen zou hebben van wat ik de kracht van Star Trek vind, bleek het een verschrikkelijk drama te zijn. Ik wil in vijf blogs de serie doornemen: eerst kritisch reflecterend op de plots, de karakters en de waarden van de serie; daarna kijkend naar wat de serie wel het kijken waard maakt.

Is er een reden om TOS te kijken? In de laatste drie posts heb ik laten zien dat je dat niet moet doen voor de verhalen, de mensen of de moraal. Maar waarom dan wel? Ik kom uit op vier afleveringen.

4. Balance of Terror
Balance of Terror introduceert de Romulans, het zusterras van de Vulcans. De aflevering zelf is een redelijk gemaakt onderzeebootplot. Maar het brengt met name het idee binnen dat de Vulcans en de Romulans gerelateerde volkeren zijn die hele andere paden hebben gekozen: vrede en logica en emotie en conflict. De gelijkenis tussen de Romulans en de Vulcans leiden tot spanningen op de Enterprise zelf.

Het opvallende is wel dat er zo weinig gedaan wordt met de Romulans in latere afleveringen. Latere series, met name The Next Generation en Deep Space Nine, geven veel meer ruimte aan de Romulans en geven hen een hele eigen cultuur en een complex politiek systeem.

3. Journey to BabelJourney to Babel introduceert de complexe politieke structuur van de vroege federatie. Het is een who-dunnit waarbij er vier belangrijke diplomatieke delegaties op het schip zijn:de Vulcans, de mensen, de Andorians en de Tellarites. De Federatie is namelijk niet helemaal een natiestaat maar een bondgenootscha[ met onafhankelijk opererende volkeren. Het plot van aflevering zelf is wat omdat er als een deus-ex-machina een vijfde belanghebbende geïntroduceerd wordt, namelijk de Orions.

En toch is het idee van verschillende samenwerkende volkeren in een federatie iets intrigerends. In de latere seizoenen van Enterprise zal dit vele malen beter worden uitgewerkt. Deze serie die zo’n 100 voor TOS speelt, vertelt het verhaal van de vorming van de Federatie. Ieder ras heeft daarbij nog zijn agenda en ze moeten langzaam naar elkaar toegroeien en elkaar leren vertrouwen.

2. Amok Time
Amok Time brengt een zekere mate van diepgang in de Vulcans. In  deze aflevering komt naar voren dat Spock, die afkomstig is van een ras van emotieloze Vulcans, eens in de zeven jaar terug naar Vulcan om ‘marital relations’ te hebben met zijn vrouw. Dit is gekoppeld aan een plotseling uitspatting van emotie aan de kant van de koele Vulcan.

Dit is eigenlijk een van de weinige afleveringen waarin de moeite wordt gedaan om de Vulcans echt een andere cultuur te geven. In toekomstige series en films zal er veel moeite worden gedaan om de Vulcans niet alleen maar als logische robots neer te zetten maar als buitenaardse cultuur met eigen gewoontes.

Deze drie endorsements hingen met name op de belofte van toekomstige series met daarin veel beter uitgewerkte culturen. In TNG, Enterprise, DS9 en zelfs Voyager worden anders dan in TOS andere culturen niet weergegeven als goedkope kopieën van aardse culturen of als uitermate een-dimensionale lopende vooroordelen. Denk maar aan de Klingons: in TOS weinig meer dan een groep van door-en-door-slechte snordragers en in TNG en DS9 een volk met een rijke eigen cultuur en traditie.

De laatste endorsement is anders:

1. Devil in the Dark
Devil in the Dark is wat mij betreft één van de weinige TOS-plots die een echt interessante moraal geeft. In deze aflevering gaat de crew voor een groep mijnwerkers op jacht naar een gevaarlijke ‘devil’ die in de mijnen mijnwerkers dood. De devil zou geen levend wezen kunnen zijn. Maar het blijkt dat het een moeder is die haar territorium wil beschermen tegen de mijnwerkers. Het is alleen geen op koolstofgebaseerde levensvorm. Daarom dacht men eerder dat het geen levend wezen zou kunben zijn. Hiermee stelt de aflevering een fundamentele vraag over hoe mensen om zouden gaan (of eigenlijk nu omgaan) met wezens die anders zijn dan wij zelf. Herkennen we wel dat deze wezens ook recht hebben om voort te bestaan?

DIt is wat mij betreft een van de weinige aflevering die een redelijk plot weet te combineren met een complexe morele boodschap.

Waarom TOS slechte SciFi is III: bad values

Deze zomer heb ik The Original Series van Star Trek gekeken. Dat was een ontnuchterende ervaring. Waar ik had verwacht dat de eerste serie elementen zou hebben van wat ik de kracht van Star Trek vind, bleek het een verschrikkelijk drama te zijn. Ik wil in vijf blogs de serie doornemen: eerst kritisch reflecterend op de plots, de karakters en de waarden van de serie; daarna kijkend naar wat de serie wel het kijken waard maakt.

Met slechte scripts en slechte persoonlijkheden maak je een slechte serie, maar met een serie die zulke sterke morele presenties heeft en dan vervolgens volslagen verkeerde moraal verkondigt maak je een verschrikkelijk gedrocht.

Moral Inconsistency

Als eerste is er het morele probleem van inconsistentie. In Return of the Archons introduceert TOS de prime directive. Deze regel houdt in dat Star Fleet zich niet mag bemoeien met de ontwikkeling van planeten die nog niet in de ruimte kunnen reizen. Dat klinkt redelijk omdat zulk contact de ontwikkeling van de bevolking van die planeet sterk kan beïnvloeden. De regel gaat er vanuit dat Star Fleet geen god moet spelen en niet moet proberen haar regels op te leggen aan andere samenlevingen. Het geldt als een van de fundamentele regels van de Federatie.

In diezelfde aflevering breekt Kirk de prime directive. Zijn reden is dat de samenleving van de planeet die ze die aflevering tegenkomen ‘stil’ zou staan. Dat rechtvaardigt volgens Kirk de inbreuk van de regel. Een uitermate curieuze interpretatie van die regel. Bovendien is het een schending van het onderliggende beginsel van de prime directive. Kirk legt het idee dat een samenleving zich zou moeten ontwikkelen op aan de Archons. En dit zelfde plot wordt letterlijk herhaald in The Apple: een vredige, gelukkige ‘stilstaande’ samenleving moet worden opgeschud om zich maatschappelijk te ontwikkelen.

Ik zeg niet dat de Prime Directive een goede regel is. Het enige dat ik zou stellen is dat als je moreel principe introduceert je niet meteen die regel zou moeten overtreden. Maar de serie die de Prime Directive introduceert, laat de hoofdpersonen in ten minste tien (10!) keer die regel schenden. Dan is het geen fundamentele regel van de Federatie maar een vriendelijk advies.

Moral injustice

Maar op een punt wordt het nog erger: als de hoofdpersonen regelrecht de verkeerde moraal gaat uitdragen. Dit thema is zichtbaar in Errand of Mercy. In die aflevering komt crew van de Enterprise de Klingons tegen op een planeet met een vredige bevolking die in de middeleeuwen is blijven steken. De hele aflevering lang probeert Kirk de bevolking aan te moedigen om het conflict aan te gaan met de Klingons. Dat is natuurlijk al een schending van de Prime Directive. Maar uiteindelijk gelooft Kirk ook zelf dat het conflict met de Klingons moet worden aangegaan: er moet oorlog gevoerd worden. Deze aflevering heeft in morele zin een redelijk goed einde waarbij het vreedzame volk uiteindelijk aangeeft dat ze energiewezens zijn en dat het conflict op de planeet uiteindelijk was uitgelokt om vrede te stichten tussen de twee partijen. Maar het helpt niet om vertrouwen krijgen in de moraal van de hoofdpersonen.

Het idee dat oorlog de oplossing is, komt het beste terug in het plot van City on the Edge of Forever. In deze aflevering reist McCoy terug naar de jaren ’30, waar hij een charismatische linkse pacifiste redt. Omdat zij blijft leven, doet Amerika niet mee in de Tweede Wereldoorlog en verliezen de geallieerden) de oorlog. Daardoor zal de federatie nooit bestaan. Kirk moet terug reizen om de goede vrouw voor een auto te gooien en de Tweede Wereldoorlog te ontketenen. Alhoewel dat een interessant tijdreisplot (en een van de eerste in zijn soort) is de boodschap van Star Trek heel simpel: oorlog is nodig voor vooruitgang.

Ten slotte, de nadruk op geweld komt ook terug in de unaired pilot, The Cage. In deze aflevering wordt een mens gevangen genomen door een groep aliens met telepathische krachten. De enige manier om deze aliens te overwinnen is haatvolle gedachten te hebben. Klaarblijkelijk is haat het antwoord.

En zie hier de moraal die wordt uitgedragen in Star Trek: haat, oorlog en conflict. Zeker als we de serie in zijn tijd zien (de serie is opgenomen midden jaren ’60 toen de Koude Oorlog dreigde warm te worden) dan wordt het nog fouter: het is een havik-achtige serie. De serie lijkt een openlijk conflict met de Sovjetunie aan te moedigen.

The Moral of the Story

Kortom: TOS is een serie die een moreel principe introduceert en haar karakters zich daarvan niets laat aan te trekken. Vervolgens is het een serie die -zeker in het eerste seizoen- oorlog, haat en conflict lijkt aan te moedigen. Een inconsistente moraal en en onjuiste moraal als het mij vraagt.

Waarom TOS slechte SciFi is II: bad characters

Deze zomer heb ik The Original Series van Star Trek gekeken. Dat was een ontnuchterende ervaring. Waar ik had verwacht dat de eerste serie elementen zou hebben van wat ik de kracht van Star Trek vind, bleek het een verschrikkelijk drama te zijn. Ik wil in vijf blogs de serie doornemen: eerst kritisch reflecterend op de plots, de karakters en de waarden van de serie; daarna kijkend naar wat de serie wel het kijken waard maakt.

De meeste karakters in TOS zijn zo plat als boordkarton. De meeste van hen zijn weinig meer dan hun beroep, hun nationaliteit (als dat niet de VS is) en hun geslacht (als dat niet man is). Drie zouden een positieve uitzondering moeten vormen: Kirk, Spock en McCoy.

De drie eenheid: Kirk, Spock en McCoy
James Kirk is de hoofdpersoon. Hij is een typische high school jock. Naar de meeste leden van zijn crew is hij uitermate arrogant. In That which survives heeft hij één van zijn luitenanten, Hikaru Sulu, meegenomen. Iedere suggestie die hij doet wordt met een grote zelfingenomenheid van de hand gewezen. En niemand die Kirk durft af te vallen omdat altijd alles goed doet. Als een quarterback in de championship season is iedere beslissing die hij neemt intuïtief goed en valt iedere vrouw voor hem.

Dan zijn er twee enigszins acceptabele bijfiguren: Spock, de onderzoeksofficier en McCoy, de arts. Spock ‘vertegenwoordigt’ de logische helft van de mens. Het is iemand zonder gevoelens die alleen maar kan rekenen, redeneren en analyseren als een computer. Op zich is dat een aardige premisse, zij het niet dat vanwege het slechte schrijven Spock wel iets te vaak zijn brein verliest (aka Spock’s Brain) en helemaal door emoties overmeesterd wordt (This side of paradise). Dit gebeurt ten minste vijf keer. McCoy ‘vertegenwoordigt’ de emotionele helft van de mens. Het is iemand die op zijn gevoel afgaat en moderne techniek en buitenaardse culturen wantrouwt. Op zich een aardige premisse maar waarom gaat zo iemand -in godsnaam- de ruimte in. Dat wordt nooit uitgelegd of maar geproblematiseerd.

Was dit ooit emancipatie?
Maar de rest van de figuren is echt bijzonder plat. De ergste hiervan vind ik Nyota Uhura, de Afrikaanse communicatiespecialist. Juist omdat ik begrijp dat zij zo’n grote emancipatorische rol heeft gehad. Whoopi Goldberg zou over haar hebben gezegd toen ze klein was: ‘I just saw a black woman on television; and she ain’t no maid.’ Ook haar ‘kus’ met Kirk was opmerkelijk omdat dit de eerste kus tussen een blanke en een zwarte was op Amerikaanse televisie: die was niet uit liefde maar onder dwang. Schokkend dat aanranding ooit een teken van vooruitgang was op Amerikaanse televisie.

In The Changeling wordt haar hele geheugen en persoonlijkheid gewist. Een week later is ze gewoon terug op televisie alsof er niets gebeurd is. Want het enige wat ze hoeft te doen is de ruimtetelefoon opnemen. Zonde dat zij van de schrijvers zo weinig persoonlijkheid heeft gekregen.

En dan is er Christine Chapel, de verpleegkundige (zonder accent). Haar enige persoonlijkheidseigenschap is dat ze hele serie lang verliefd is op Spock. Ik verwacht niet dat Star Trek enige emancipatieprijzen heeft gewonnen omdat een van de twee terugkerende vrouwelijke karakters maar een karakter eigenschap heeft: haar gehechtheid aan een bepaalde man.

Nationaliteit + Beroep
Dan is er de Schotse technicus met de karaktervolle naam Scotty. Hij spreekt met een mal accent, sleutelt aan het schip, houdt van whiskey. En de Japanse stuurman Hikaru Sulu, hij wordt gespeeld door George Takei, een interessante figuur met een groot gevoel voor humor en die zich inzet voor emancipatie. Maar ik zou werkelijk niets anders over Sulu kunnen vertellen dat het een Japanse stuurman is. Rest Pavel Chekov, de Russische navigator. Zijn enige dingetje is dat hij graag opschept over de Russische geschiedenis met een faux Russisch accent. Dat is een leuke grap maar geen karakter.

Dat is de crew van de Enterprise: een arrogante jock, een buitenaards wezen wiens belangrijkste eigenschap is dat hij niet door emoties overweldigd wordt en die dat voortdurend wel wordt, een xeno- en technofoob, een karakter dat zo plat is dat ze in een week haar hele ‘persoonlijkheid’ terug kan krijgen, drie mannen met een raar accent en een vrouw die primair gedefinieerd is door haar afhankelijkheid aan een man. Wat een diepgang.

Waarom TOS slechte SciFi is I: bad writing

Deze zomer heb ik The Original Series van Star Trek gekeken. Dat was een ontnuchterende ervaring. Waar ik had verwacht dat de eerste serie elementen zou hebben van wat ik de kracht van Star Trek vind, bleek het een verschrikkelijk drama te zijn. Ik wil in vijf blogs de serie doornemen: eerst kritisch reflecterend op de plots, de karakters en de waarden van de serie; daarna kijkend naar wat de serie wel het kijken waard maakt.

Het aller-ergste aan TOS is dat als je drie afleveringen gezien hebt, je ze allemaal gezien hebt. Waar andere scifi uit die tijd uit de jaren ’60, zoals the Twilight Zone, het ene na het andere whacky plot afvuurt zijn er twee plots die wel heel vaak in TOS herhaald worden: bijna-aarden en wezens met ongelimiteerde macht.

Is that Earth Again? Boring!
Ten eerste zijn er aflevering waarin the Enterprise een planeet tegenkomt dat eigenlijk aarde is in een andere tijdsperiode of die in een ander op zicht net veranderd is. Ik tel twaalf afleveringen: we komen de Aarde tegen in de Romeinse tijd, als het Chicago van Al Capone, geregeerd door Nazi etc. etc. Het lijkt een technisch probleem te zijn: Star Trek werd natuurlijk gefilmd naast series en films over de nazi’s, de Romeinen, de maffia. Het materiaal was allemaal te krijgen. Maar de reactie van de crew laat het slechte schrijven zien. Soms is men hoogst verbaasd dat er ‘een tweede aarde kan zijn’, soms wijst men naar een buitenaards ras of Hodgkin’s Law of Parallel Development, die dat zou kunnen verklaren. Hoe kan de ene week iets heel normaal zijn en de andere week zo wonderlijk. Maar het allerergste is het als er een geïmpliceerd wordt dat iedere samenleving noodzakelijk het Christendom moet kennen om  ‘vooruit’ te gaan (in Bread and Circuses) of dat iedere samenleving de Amerikaanse vlag en de Declaration of Independence nodig heeft als morele kompassen (The Omega Factor).
Een uitzonderlijke categorie hierbinnen zijn de drie aflevering waarin er met te veel gemak teruggereisd wordt naar de geschiedenis van Aarde. In Assignment Earth wordt zelfs gesteld dat de reis naar de aarde in de jaren ’60 routine is. Tijdreizen kan fascinerend zijn als het gemaakt is met een bewustzijn van de paradoxen die het op kan leveren. Niet als het gebruikt wordt omdat het gemakkelijker is om een aflevering op te nemen met mensen in kleding uit de huidige tijd

Het idee van scifi is juist dat je andere werelden ziet, niet een voortdurende herhaling van de wereld die we al kennen.

Extreme power is extremely uninteresting
Vervolgens komt the Enterprise met iets te veel regelmaat wezens tegen met ongelimiteerde bijna magische krachten. Ik tel er zeventien. En deze goden of energiewezens hebben maar al te vaak geen enkele moraal. Ik vond Q in Star Trek: the Next Generation al geen aanwinst. Goddelijke kracht maar een kinderlijke moraal. I get the message: macht en moraal zijn niet hetzelfde. Ongelimiteerde macht is gevaarlijk als dit in de handen valt van wezens zonder een even grote moraal. Maar zou het universum echt dicht bezaaid zijn met egoïstische halfgoden? Is dat het meest interessante morele vraagstuk dat je in beeld kan brengen en moet dat echt zo veel keer?
De andere helft van de superwezen begrijpt de mensheid niet en moet een of ander wonderlijk experiment uitvoeren om er achter te komen of de mensheid dan wel (Arena) of niet (The Savage Curtain) aan hun standaarden voldoen.
En dan zijn er de vier gevallen waarbij de zeer grote macht in handen is van een zelfbewuste computer, zoals in the Changeling. Die computer keert zich uiteraard tegen de mensheid. En het is aan Kirk om die computer hoogst persoonlijk ‘kapot’ weet te redeneren. Want iedere computer explodeert als vanzelf als het zich realiseert dat het zelf een redeneerfoutje heeft gemaakt.
Ongelimiteerde macht is uiteindelijk helemaal geen interessante premisse: het is interessant als culturen of wezens sterktes en zwaktes hebben zodat er omstandigheden zijn waarin ze er sterk en zwak zijn. Bovendien is de macht nooit echt ongelimiteerd want de menselijke Kirk moet het toch altijd weten te winnen.

The rest

Dit is zijn twee veel voorkomende tropes die te vaak herhaald worden. Vaak in afleveringen die vlak na elkaar worden uitgezonden – soms heb ik het gevoel dat er een opdracht door het schrijversteam ging, ‘maak een aflevering over het oude Rome’ en dat de drie beste gewoon allemaal gefilmd zijn. Dan heb ik het niet eens over de individuele afleveringen die soms uit elkaar vallen van slechte humor, seksisme en volslagen onverdedigbare ‘uitvindingen’: ik denk dan bijvoorbeeld aan Mudd’s Women.

Dat zijn individuele missers. Maar het patroon lijkt te zijn dat er om de vier afleveringen verplicht een aflevering tussen moest over een wezen met ongekende macht maar geen moraal en een aflevering die gefilmd kon worden op een buurset op de filmstudio.

Reshuffle!

Er wordt alom gespeculeerd over welke Nederlandse politicus naar Brussel zal gaan om een Europese functie te aanvaarden. Dat betekent dat er in Nederland een reshuffle zal moeten plaats vinden. De Britten hebben er net ook een gehad: een mooi moment voor vernieuwing in een kabinet op de helft van haar periode.

Er zijn drie kanshebbers voor een Europese functie lijkt het:

Exit Mark, Enter …

Premier Fred Teeven

Het lijkt onwaarschijnlijk dat een Nederlandse liberaal President van de Europese Unie kan worden: immers geografisch en politiek ligt Rutte dichtbij de centrum-rechtse Luxemburger Juncker. Maar toch: een vertrek van Rutte zou een grote invloed hebben op de Nederlandse politiek. Het is sinds de1967 niet meer voorgekomen dat een premier tussentijds wisselt tussentijd wisselt zonder verkiezingen. Bovendien: Rutte zou opgevolgd moeten worden als VVD-leider. De logische keuze is dan de nummer 2 van de VVD, Edith Schippers, de minister van VWS. Maar we weten dat in partijen de vrouw vaak wordt overgeslagen: vraag dat maar aan Ank Bijleveld die zowel in 1998 als in 2010 toen het CDA haar leider verloor op #2 stond. En dat het oog valt op de nummer 3. Dat is Fred Teeven, die de VVD een heel nieuw imago zou kunnen om de concurrentie op rechts aan te gaan. Een directe opvolging als premier lijkt me onwaarschijnlijk: de roep om interne democratie in de VVD wordt steeds luider.

Waarschijnlijker is dat de VVD een lijsttrekkersverkiezing uitschrijft en tot die tijd een oudgediende zonder lange termijn ambities de positie van premier laat bekleden. De naam Ivo Opstelten gaat al rond.

Exit Frans, Enter …

Minister van OS Eijsink

Frans Timmermans is al jaren op zoek naar een mooie Europese functie. Eerder blokkeerde de PVV een benoeming tot Commissaris voor de Mensenrechten bij de Raad van Europa. Wie kan er dan minister van Buitenlandse Zaken worden? Lilianne Ploumen (PvdA) is dan een logische keuze. Zij is nu twee jaar minister van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel. Zij moet dan opgevolgd worden als minister van OS. In het cluster buitenland van de PvdA zitten op dit moment veel nieuwe Kamerleden (Maij, Van Laar, Servaes) en Angelien Eijsink, woordvoerder defensie en al elf jaar Kamerlid en voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken. Ik geef de laatste van deze drie de meeste kans.

Een andere logische keuze is om de minister van Buitenlandse Zaken buiten het kabinet te zoeken. Twee namen komen dan op Bert Koenders, op dit moment hoofd van de VN missie in Mali en Frank van Heemskerk, op dit moment bewindvoerder bij de Wereldbank. Dat zijn wel mooie posten om op te geven om voor maximaal twee jaar minister van Buitenlandse Zaken te worden.

Exit Jeroen, Enter …

Nederland speelt het spel voor de eurocommissarissen altijd best goed. Geen open kaart maar juist zolang mogelijk wachten en dan met de ideale kandidaat komen. De positie van Olli Rehn is een hele invloedrijke. Dijsselbloem stundelde als voorzitter van de euro-groep eerder maar lijkt nu een stevige positie te hebben. Als Jeroen Dijsselbloem Eurocommissaris zou worden, dan betekent dat dit kabinet een van haar olliemannetjes verliest: Dijsselbloem was een van de zes architecten van dit kabinet.

De toekomstig minister van BZK?

Wie kan hem opvolgen? Ronald Plasterk staat te trappelen voor een serieuze portefeuille. Hij kan als minister van Binnenlandse Zaken worden opgevolgd door een vogelverschrikker of door een van de senatoren (De Vries of Ter Horst) die eerder die functie had. Maar Plasterk heeft zich een zwakke minister geoond die weinig heeft bereikt.

Lodewijk Asscher kan de functie ook op zich nemen. Hij was wethouder financiën in Amsterdam en bemoeit zich als vice-premier ook al intensief met de hoofdlijnen van het financieel-economisch beleid: en eerder waren ministers van financiën (Zalm, Kok, Bos) ook vice-premier. Asscher kan opgevolgd worden door Jetta Klijnsma, die op haar beurt weer ruimte maakt voor Mariëtte Hamer. Maar de functie van vice-premier en minister van financiën vereisen nu wel verschillende profielen voor de PvdA; een profilerende vice-premier kan geen verbindende minister van financiën zijn.

Dan is er minister Jet Bussemaker: wist anders dan Plasterk wel een meerderheid te vinden voor een grote hervorming. Ze zit als oud-staatssecretaris van VWS ook goed in andere grote spending dossiers. Als minister van OCW kan ze opgevolgd worden door de staatssecretaris van Landbouw en Natuurbeheer, Sharon Dijksma, die eerder staatssecretaris op dat departement was. Een van de gedeputeerden van de PvdA zou staatssecretaris kunnen worden, .

Minister van Financiën Van Rijn

Maar dit zijn eigenlijk allemaal conservatieve keuzes: een minister een kleine promotie geven om een oudgediende minister te maken. De PvdA zou ook de vlucht naar voren kunnen nemen een prominente staatssecretaris meteen minister van Financiën maken. De ogen gaan naar Martin van Rijn, de staatssecretaris van VWS die hervormingen van de langdurige zorg door de Tweede en Eerste Kamer loodste. Daarmee kiest de PvdA voor een relatief nieuw gezicht, want Van Rijn had voor zijn staatssecretariaat geen politieke positie. Wederom zou ze opgevolgd kunnen worden door Hamer.

Of toch Ad?

Het geeft een boel hoofdbrekens: iemand uit het kabinet promoveren naar Europa. Daarom zou het kabinet het oog ook kunnen laten vallen op een PvdA-prominent buiten de Kamer. Koenders als hoge vertegenwoordiger bijvoorbeeld of en dat is misschien wel interessanter: Ad Melkert die een nieuwe Europese sociaal-economische visie voor de PvdA lanceerde.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen IV

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel III schetste ik hoe een minderheid van mensen met superieure vermogens uiteindelijke de economische welvaart, politieke macht en morele autoriteit zou centraliseren en mogelijk zelfs mensen zou kunnen gebruiken als middelen.

In de vorige blogs heb ik met name een substantieel punt willen maken, namelijk dat we in bestaande politiekfilosofische theorieën best elementen kunnen vinden hoe we zouden moeten omgaan met superieure wezens. Als conclusie wil ik een punt maken over de problemen van morele rechtvaardiging.

Walging

We missen een belangrijke stap in de redenering over vampiers en mutanten: namelijk de rol van walging. De laatste groep die ik wil bekijken zijn Z-mensen. Opnieuw hebben deze dezelfde superieure eigenschappen als X-mensen maar ze hebben nu een ander uiterlijk. Ze zien er verschrikkelijk, monsterlijk, walgelijk uit. Ik laat het aan uw fantasie om dit in te vullen.

Als er zo’n groot verschil is tussen de uiterlijkheden van groepen mensen ontstaat vaak een dynamiek die Martha Nussbaum de politiek van walging noemt De eerste reactie op het uiterlijk of de gewoonten van een ‘ander’ kan grote walging oproepen: voor hetero’s is de seksualiteit van homo’s onbegrijpelijk en misschien zelfs walgelijk. In de Abrahamistische religies wordt ongesteldheid, een natuurlijke lichamelijke eigenschap van vrouwen, gezien als iets onreins, een reden om vrouwen soms te weren uit de publieke en religieuze sfeer.

Het is op deze dynamiek dat veel van deze fictie hangt: het is een strijd om erkenning van equal humanity van mensen met verschillende eigenschappen, die door sommige gezien worden als weerzinwekkend. Ook mutanten en vampiers zijn mensen hebben recht op gelijk respect.

Het fundamentele probleem voor moraalfilosofen is dat morele theorie anders dan wetenschap is: wetenschap probeert voorspelling te doen over die werkelijkheid en test deze voorspellingen om de validiteit van hun theorieën te testen. Moraalfilosofen kunnen dit niet. Zij kunnen alleen maar theorieën opschrijven die een formalisering zijn van hun intuïties over rechtvaardigheid. De toetsing van die theorieën is uiteindelijk of hun voorspelling ook aansluiten bij onze eigen morele intuïties.

Maar als we weten dat onze eigen intuïties geïnformeerd worden door walging is het lastig om moraalfilosofie als project serieus te nemen: sommige emoties moeten we van ons afwerpen want die zijn verkeerd (zoals walging) en andere emoties (zoals compassie) zijn wenselijk. Maar waar baseren we dat oordeel dan uiteindelijk op? Op weinig anders dan dat we walging verwerpelijk vinden en compassie wenselijk. Je kan lastig morele emoties evalueren als je geen andere standaard heb dan morele emoties.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen III

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel II schetste ik het probleem van het maxime “with great power comes great responsibility” dat te veel vraagt van X-mensen. Nu wil ik kijken naar het tegenbeeld waarin de superioriteit van X-mensen erkend zou worden.

Ik eindigde gister met hoe het idee dat “with great power comes great responsibility” leidt tot een situatie waarin mensen met bovenmenselijke vermogens, bovenmenselijke prestaties moeten leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld voordeel van hun prestaties moet hebben. Dit is fundamenteel strijdig met het Kantiaanse principe dat we mensen moeten behandelen als doel-op-zich en niet als middel. En juist dit Kantiaanse principe is voor veel liberale egalitaristen een uitgangspunt.

Meritocratie

De andere kinderen van Kant zijn de libertariërs, zoals Robert Nozick: en precies om deze reden. Zij stellen dat mensen recht hebben op alles wat ze zelf produceren en wat ze in vrijwillige handel krijgen. Als mensen dus superieure productieve kwaliteiten hebben, hebben ze recht op de middelen die ze produceren. Als er zo ongelijkheden tussen individuen ontstaan zijn die gerechtvaardigd: ze reflecteren immers verschillen in vermogens. Hun kernargument is: ongelijke monniken, ongelijke kappen. Dit is een meritocratie: we leggen geen grenzen aan het vermogen van mensen om inkomen te verdienen met hun talenten.

Dit is de claim die je als X-mens het beste kan maken. Stel je Magneto voor als John Galt: die claimt dat mutanten overbelast worden door het collectief.

Het nadeel van een gelijke behandeling van ongelijke mensen is dat in economisch opzicht de X-mensen zullen domineren. De leiders van grote bedrijven, de superrijken, de 1% zullen uit één ‘etnische’ groep komen. Publieke jaloezie zal niet te onderdrukken zijn en populistische bewegingen zullen opkomen: de X-mensen zullen economische macht hebben, maar vanwege hun aantal zullen de W-mensen de politieke macht in handen nemen. De vraag zal zijn of en hoe lang de X-mensen de democratie zullen accepteren.

Vanuit dezelfde meritocratische argumenten kan je namelijk ook verdedigen dat de beste moeten regeren. De X-mensen zijn ook veel geschikter om politieke verantwoordelijkheid te dragen. Ze kunnen gewoon beter beslissingen nemen. Daarom zou de overheid ook X-mensen aan moeten nemen als ambtenaar: als iedereen op gelijke voet in openbare dienst benoembaar is, dan zullen de betere kandidaten geselecteerd worden.

Maar vanuit het gedachtegoed van Plato kunnen we een radicaler voorstel formuleren: de theorieën van Plato passen misschien wel het  beste bij het idee dat er een superieure minderheid is: volgens Plato moeten de macht moet niet liggen bij het volk dat allerlei verkeerde beslissingen kan nemen maar bij de meest wijzen. In ons geval moeten dus de X-mensen de politieke macht krijgen.

Als je denkt dat dit inherent ondemocratisch is: Mark Bovens stelt dat onze huidige samenleving waar de ministeries bestaat uit mensen met een wetenschappelijke opleiding en waar het overgrote deel van Kamerleden en ministers een wetenschappelijke opleiding heeft gedaan erg lijkt op het Platoonse ideaal.

Wat voorkomt dan het maken van de laatste stap: niet alleen de economische welvaart en de politieke macht maar ook de morele autoriteit ligt bij de superieuren. Het werk van Nietzsche geeft hier aanleiding toe: hij maakt een onderscheid tussen slavenmoraliteit en meestersmoraliteit. De slavenmoraliteit legt de nadruk op nederigheid, compassie en gemeenschap. De meestersmoraliteit gaat uit van trots, kracht en individualisme. De nadruk van compassie van de slaven is eigenlijk een uiting van jaloezie van de zwakken voor de vermogens van de sterken. Eigenlijk geeft Nietzsche hiermee avant-la-lettre al kritiek op Dworkin en zijn streven naar gelijkheid. Dat streven beperkt grote mensen in hun vermogen om grote dingen te doen. Deze morele claims sluiten ook prima aan bij de situatie van de X-mensen. Zij zullen zich ook moreel beperkt voelen door de talentloze massa die met afgunst naar hun vermogens kijken.

Het gevaar van Nietzscheaanse moraliteit is dat je potentieel zou kunnen afleiden dat de morele waarde van mensen zou kunnen afhangen van hun plaats in de meester-slaaf-dichotomie. Je zou het kunnen gebruiken om onderdrukking en slavernij van de talentloze te verdedigen. Dat past in het conflict tussen mensen en mutanten: Magneto verdedigt een soort pop culture versie van Nietzsche waarbij mensen onderworpen zouden moeten zijn aan hun meesters.

Nutsmonsters

Deze meester-slaaf-moraliteit kan een interessante spin krijgen als we een nieuw mens-type invoeren: de Y-mensen. Ze kunnen krachten krijgen net als X-mensen, maar alleen als ze mensen consumeren, zoals een vampier. Bovendien: als ze mensen consumeren hebben ze niet alleen maar superieure vermogens maar ook superieure emoties. Ze zijn ongelofelijk gelukkig: veel gelukkiger dan een W-mens kan zijn.

Hiermee komen we bij een interessant utilistisch dilemma. Een utilist, zoals Jeremy Bentham zou van een X-mens hetzelfde vereisen als Rawls of Dworkin. Ze moeten die keuze maken die leidt tot het meeste geluk voor de grootste groep mensen: with great power comes great responsibility.

Untitled 2

Maar bij Y-mensen schuiven utilisten langs de meritocraten. Waar meritocraten en egalitair liberalen mensenrechten respecteren, doen utilisten dat niet. Daarmee kunnen ze de consumptie van W-mensen door Y-mensen verdedigen. De dood van een W-mens is gerechtvaardigd als het geluk dat een Y-mens daaruit zou krijgen groter is dan het geluk dat de W-mensen in hun leven zouden kunnen krijgen. Dit noemen we het geluksmonster.(Hier een pop culture uitleg door Existential Comics) Als het verschil tussen W-mensen en van Y-mensen vergelijkbaar is met het verschil tussen mieren en mensen, dan verschilt de geluksbeleving van X-mensen en Y-mensen ook zo fundamenteel.

Dat is een rechtvaardiging om vlees te eten: mensen krijgen plezier van het eten van dieren en aangezien dieren lagere wezens zijn weegt hun lijden niet op tegen het geluk van mensen. We zien hier overigens wel een probleem van utilisten: hoe kan je het geluk van verschillende wezens vergelijken? Het eten van vlees hangt op de assumptie dat de geluksbeleving van mensen fundamenteel groter is dan de geluksbeleving van dieren. Het is lastig om dat te bewijzen, omdat we niet in het hoofd van andere mensen of dieren kunnen kijken. Zonder een vergelijkbare meting van geluk.

Zo ontstaat er een glijdende schaal van ongelijkheid die allemaal te rechtvaardigen is door Nozick, Plato, Nietzsche en Bentham. Het stuit mij tegen de borst. Ongelijkheid die erop uit loopt dat sommige redelijke wezens vee zijn voor andere levende wezens vind ik weerzinwekkend. In het laatste blog wil ik naar die emotie kijken.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen II

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel I gisteren schetste ik het fundamentele verschil tussen deze superhelden en andere minderheden. Vandaag deel II waarin ik wil kijken naar dit probleem vanuit egalitair liberaal perspectief.

Quicksilver Case

Ik wil hier verschillende filosofische antwoorden schetsen op het vraagstuk wat te doen met een minderheid die fundamenteel beter is qua vermogen dan de meerderheid.

Laten we voor het gemak er vanuit gaan dat deze minderheid (die we X-mensen noemen) verschilt van de meerderheid (laten we hen W-mensen noemen) in één eigenschap. Televisieseries en comics gaan vaak uit van iets wat we op zijn best een rariteitenkabinet zouden kunnen noemen, een veelheid aan eigenschappen van mutanten, vampiers of andere supermensen. Ik kies voor een eigenschap, namelijk andere perceptie van tijd, zoals Quicksilver in X-Men Days of Future Past. In vergelijking met mensen met deze eigenschap zijn normale mensen computers uit de jaren ’70 die uren doen om een berekening te maken, zij zijn een huidige computer: supersnel. Dat geeft deze mensen een superieur vermogen om te redeneren maar ook om te handelen. Dit maakt het een economisch superieur: ze produceren meer per uur. Maar ze zijn ook beter geschikt om beslissingen te nemen als bestuurder van een bedrijf of een land.

Noblesse oblige

Voor liberale egalitaristen speelt eigen keuze een cruciale rol. Ik denk dat met name aan het werk van Ronald Dworkin. Zijn paradigmatische casus is een lichamelijk gehandicapte. Hij wil dat zij een eerlijke kans maken in de samenleving. Dat betekent dat sommige gehandicapten speciale voordelen moeten krijgen. Een rolstoel is het mooiste voorbeeld: sommige mensen kunnen niet lopen daarom kunnen ze maatschappelijk niet participeren. Een rolstoel geeft hen een gelijke kans deel te nemen aan de maatschappij. Er is een ongelijke behandeling om voor een eerlijk speelveld te zorgen.

De fundamentele claim die Dworkin maakt over mensen die geboren zijn met een lichamelijke beperking is dat zij recht hebben op compensatie, alsof zij zich voor hun geboorte hebben verzekerd voor hun beperkte vermogens. Mensen kiezen er niet voor om met een beperking geboren te worden en zouden daarom geen nadeel mogen hebben ten opzichte van anderen. Mensen die zonder beperkingen zijn geboren moeten allemaal een beetje bijdragen zodat we voor het beperkte aantal gehandicapten rolstoelen kunnen kopen.

Als we vanuit dit perspectief naar onze X-mensen zouden kijken dan ontstaat het volgende beeld: mensen kiezen er niet voor om met een voordelige mutatie geboren te worden.  Ze zouden daarom geen voordeel mogen hebben ten opzichte van anderen. W-mensen zouden zich allemaal verzekerd willen hebben voor hun gebrek aan vermogens. Dat betekent dat X-mensen de premies zouden moeten betalen voor de uitkeringen die bedoeld zijn om een gelijk speelveld te creëren voor W-mensen. Ze zullen hun vermogens moeten inzetten om veel geld te verdienen om daar het grootste deel van af te dragen.

John Rawls zou hier een klein amendement op maken: hij zou niet streven naar een gelijk speelveld maar naar een situatie waarin de X-mensen zich zodanig inzetten voor de samenleving dat de W-mensen daar het meeste voordeel van hebben. Ze moeten hun vermogens inzetten als bijvoorbeeld onderwijzer, onderzoeker of ondernemer zodat ze bijdragen aan de welvaart van alle burgers.

Noblesse oblige dus; of in comic book taal: ‘with great power comes great responsibility‘. Waar dit de facto op neer komt is iets wat we ‘slavery of the talented’ noemen: de vrijheid van mensen met talenten wordt zodanig beperkt dat ze geen voordeel hebben van hun eigenschappen maar toch moeten bijdragen voor de anderen. Dit wordt mooi uitgebeeld in deze SMBC-comic.

De vraag is waarom superieure wezen zich hier aan zouden onderwerpen; misschien uit een rechtvaardigheidsgevoel. Maar erg rationeel zou het niet zijn. Het levert ook een probleem op in de fundamenten van liberaal egalitarisme. Dit zijn theorieën die voortbouwen op het gedachtegoed van Kant. Kant’s morele theorie komt neer op één fundamentele claim: dat we mensen nooit moeten behandelen als middelen maar als doelen-op-zich-zelf. Vereisen dat sommige getalenteerden in een vorm van slavernij terecht komt waarbij ze bovenmenselijke presentaties leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld daar voordeel van moet hebben toont weinig respect voor mensen.

Daarom zouden Kantianen misschien een fundamenteel andere weg op moeten gaan. Die ik morgen zal verkennen,

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen I

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen deze wezens ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. Vandaag deel I waarin ik het superheldenprobleem wil schetsen.

Er is een thema dat in veel speculatieve fictie wel geraakt wordt maar nooit wordt uitgewerkt: de politieke implicaties van een samenleving waarin een kleine minderheid superieur is aan de meerderheid. Superhelden zijn vanuit hun aard superieur aan mensen, maar welke plichten legt dat aan hen op en welke rechten kunnen ze daaruit ontlenen? Vandaag wil ik eerst de casus van de ‘gelijke rechten voor de superheld’ schetsen en laten zien hoe deze verschilt van de strijd voor gelijke rechten van andere, daadwerkelijk bestaande groepen.

Televisieseries als True Blood en comics als de X-Men zijn uitermate politiek. In deze verhalen worden burgerrechtenconflicten gereconstrueerd in een fictieve context: in True Blood komen vampiers ‘uit de doodskist’. Ze organiseren zich de American Vampire League om te vragen om gelijke burgerrechten. Vampiers worden door mensen gezien als een ‘gevaarlijke anderen’: mensen houden contact met vampiers af, zijn bang voor hen en willen vampiers weren. De verwijzing naar bv. de homo-rechten beweging ligt er dubbeldik bovenop: uit de anonimiteit komen, gezien worden als een ander en vragen om gelijke rechten.

Ook het geheel van comics, films en series, van X-Men verwijst naar de burgerrechtenbeweging. In de samenleving ontstaat een groep mutanten die vanwege hun genen bijzondere krachten hebben. Onder de mutanten zijn er twee facties: een factie (de X-Men) wil vreedzaam samenleven met mensen; de andere factie (de Brotherhood) wil een conflict tussen mensen en mutanten uitlokken zodat de mutanten de dominante groep in de samenleving kunnen worden. Dit is een verwijzing naar de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging waar Martin Luther King streefde naar vreedzame coëxistentie en Malcolm X naar een conflict en suprematie van de Afro-Amerikanen.

Burgerrechtenbeweging

Maar in hoeverre lopen de eisen van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging echt parallel met de eisen die deze fictieve minderheden maken?

Het beeld dat er van Afro-Amerikanen bestond in de Verenigde Staten, was dat ze niet alleen anders waren maar met name inferieur: minder beschaafd dan Amerikanen met een Europese achtergrond maar ook gewelddadiger en minder intelligent. Deze inferioriteit rechtvaardigde volgens de heersende elite een ongelijke behandeling: Afro-Amerikanen moesten hun plek kennen en moesten dus bijvoorbeeld achterin de bus zitten. Om de inferioriteit van Afro-Amerikanen te ‘bewijzen’ konden de regerende elite verwijzen naar het gevoel van walging dat zij kregen als zij dachten aan een Afro-Amerikaan die op een gelijke manier behandeld werd als hen: een Afro-Amerikaan die uit dezelfde kraan dronk, een Afro-Amerikaan die een relatie had met een vrouw van een ander ras had. De basis voor de onderdrukking was de morele weerzin van de elite.

De burgerrechtenbeweging streefde naar een rasseneutrale samenleving: mensen moesten niet beoordeeld worden op hun huidskleur maar op de inhoud van hun karakter. De burgerrechtenbeweging bouwde hiermee direct voort op de Amerikaanse strijd voor onafhankelijkheid: “alle mensen zijn gelijk gemaakt en door hun schepper zijn zij toegerust met bepaalde onvervreemdbare rechten“. Afro-Amerikanen hebben, volgens de burgerrechtenbeweging dus dezelfde rechten als andere Amerikanen.

Maar gelijkheid ontstaat niet zo maar in een samenleving met hardnekkige, historische discriminatie. Een controversieel onderwerp is positieve discriminatie. De claim is dat Afro-Amerikanen op school niet alleen maar beoordeeld worden op hun eigen vermogen. Maar hun cijfers zijn ook afhankelijk van de sociaal-economische omstandigheden van hun ouders. Die is slecht vanwege huidig en historisch racisme. De schoolprestaties van Afro-Amerikaanse jongeren reflecteren niet alleen maar hun eigen vermogens maar ook de historische situatie waarin mensen opgroeien. Daarom zouden Afro-Amerikanen anders behandeld moeten worden dan andere kandidaten: bij gelijke geschiktheid zou een Afro-Amerikaan een voordeel moeten hebben bij de toelating tot een universiteit om historische ongelijkheid te compenseren.

De fundamentele claim van de Civil Rights beweging is dat mensen gelijk behandeld moeten worden: gelijke monniken, gelijke kappen. De wet moet neutraal zijn voor ras. Dezelfde claims maken andere emancipatiebewegingen voor geslacht, seksuele oriëntatie en handicaps. Als er specifieke groepen een nadeel ondervinden vanwege een eigenschap die niets te maken heeft met waar ze zelf voor hebben gekozen, dan is compensatie gerechtvaardigd.

Het superheldenprobleem

Vampiers en mutanten zijn een metafoor voor de strijd voor emancipatie van allerlei gemarginaliseerde groepen. Het is een manier om aan de status-quo te twijfelen en te blijven strijden voor sociale rechtvaardigheid (pace PBS Idea Channel).

Maar de fundamentele vraag raken we niet als we zo naar deze verhalen kijken. Er is namelijk een fundamenteel verschil tussen de bestaande burgerrechtenbewegingen en mutanten en vampiers: zowel vampiers als mutanten hebben eigenschappen die ze beter maken dan mensen. Ze kunnen vliegen, sneller helen en bewegen, ze zijn sterker, ze hebben het eeuwige leven. Ze kijken naar mensen zoals mensen naar mieren kijken, die evolutionair onder hen op de lader staan. Sterker nog: vampiers hebben mensenbloed nodig om te overleven: ze kijken dus van bovenaf de voedselketen, zoals mensen naar vee kijken. Wat betekent dat gegeven voor de verhouding tussen burgers? Zou er geen fundamenteel politieke conflict ontstaan tussen wezens die superieure krachten hebben en mensen? Dat is waar ik in komende stukken naar wil kijken.