Stelling 8: sociaaldemocraten en Christendemocraten zijn populisten

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de achtste: over de wortels van het populisme.

Stelling 8: “De sociaaldemocratie en de Christendemocratie zijn ontstaan als populistische bewegingen.”

Bij het proefschrift mag je ook vier stellingen leveren die wel over het vak gaan, maar niet over het boek. Dat geeft de mogelijkheid om mijn eigen favoriete verhalen te vertellen. Zo ook de notie dat populisme niet nieuws is, maar terug te zien is in het vroege socialisme en Christendemocratie. Je hoort dit soms wel in het debat over populisme. Historici Van de Velde, Vossen en Lucassen heb ik dit wel horen stellen, maar niet systematisch zien uitwerken. Ik heb er zelf twee kleine blogjes aangewijd.

Het idee is simpel: populisme maakt twee onderscheiden: tussen het pure volk en het corrupte elite, en tussen het goede volk en gevaarlijke anderen. Socialisten waren in hun beginperiode een zeer anti-elitaire beweging, de grote meerderheid van het volk, het proletariaat, wordt eronder gehouden door de elite, de bourgeoisie. In de elite zijn economische en politieke deelbelangen met elkaar gefuseerd: kerk, kapitaal, kroon, kazerne en kroeg vormen een vijfeenheid. Het socialisme wil dat de staat het belang van heel het volk vertegenwoordigt.

De deling tussen het volk en de ander vinden we terug in de vroege Christendemocratie, in het bijzonder in de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie. Ze verzetten zich tegen het Katholicisme Dit geloof strookte niet met de Nederlandse volksaard, het totalitaire trekjes, maar was bovenal onbetrouwbaar omdat Katholieken niet loyaal waren aan de Nederlandse kroon maar aan een buitenlandse mogendheid. De gelijkenissen met de hedendaagse populistische partijen zijn treffend: tegen de elite en tegen een vreemd, buitenlands geloof.

Het opvallende is dat de Anti-Revolutionairen en Christelijk Historici al snel gingen samenwerken met de Katholieken, en de Socialisten met de Liberalen. Het laat zien dat in Nederland populistische retoriek slechts betrekkelijk is en dat de politieke realiteit partijen inschikkelijk maakt. Ik heb wel eens gesteld dat Wilders zo vice-premier kan worden onder premier Marcouch, zoals de Anti-Revolutionaire Heemskerk minister was onder de Katholieke Ruijs de Beerenbrouck. Onder de druk van de politieke realiteit worden alle populisten realistisch.

Stelling 7: links/rechts is een culturele tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zevende: over de veranderende aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 7: “Wat betreft sociaaleconomische onderwerpen heeft de links/rechts-tegenstelling aan kracht ingeboet, terwijl deze wat betreft sociaalculturele onderwerpen nog steeds dominant is.”

Een van de meest interessante benaderingen van de politiek vind ik het modelleren van het politieke landschap in ruimtelijke modellen. Dit wordt in de laatste jaren steeds minder helder: onderwerpen als de AOW, het ontslagrecht, de studiefinanciering, het aanpakken van scheefhuurders, het eigen risico in de zorg. Volgens sommige mensen wordt de PVV steeds linkser omdat ze tegen hervormingen zijn, en GroenLinks steeds rechtser omdat ze hier voor zijn.

De opkomst van niet-economische onderwerpen als migratie en milieu maakt ruimtelijke modellen ook steeds gecompliceerder. Op migratie zien we PVV en VVD tegenover GroenLinks en SP elkaar staan. De ordening is vrij duidelijk. Op sociaaleconomische onderwerpen wordt de tegenstelling steeds minder helder: bijvoorbeeld bij het verhogen van de AOW-leeftijd staan GL en VVD tegenover PVV en SP. Daarnaast zijn er onderwerpen als belasting en privatisering waarop GL en SP tegenover VVD en PVV staan. Europese integratie is een onderwerp dat vrij goed samenvalt met de tegenstelling over sociaaleconomische hervorming.

 

 

 

 

 

 

Kortom: in het sociaaleconomische terrein vervaagt de links/rechts-tegenstelling. Maar juist op sociaalculturele onderwerpen en milieu zie je het voortduren van de tegenstelling SP en GroenLinks versus VVD en PVV. Wat betreft betekent dat op de sociaalculturele tegenstelling de links/rechtstelling van sterk belang is.

Bi de laatste verkiezingen zagen we in debatten het patroon links tegen rechts, PvdA versus VVD, over eerlijk delen, bezuinigen versus investeren. Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Mijn betoog over een nieuwe sociaaleconomische tegenstelling en zo’n evidente links/rechts-tegenstelling  tussen VVD en PvdA? Vlak voor de verkiezing sloot een hervormingsgezinde alliantie van VVD/CDA/CU/GL/D66 het Lenteakkoord dat zich hield aan Europese begrotingsregels, hervormingen en vergroeningen inzette. Na de verkiezingen sloten de PvdA en VVD een herfstakkoord dat de groene laag van het Lenteakkoord afpoetste maar de sociaaleconomische hervormingen (met name de AOW-leeftijd) versterkte.

Tijdens de campagne werd de illusie gewekt dat het gaat om links tegen rechts over bezuinigen of investeren, na de campagne liet de PvdA en de VVD zien waar het omgaat: Europese regels en sociaaleconomische hervormingen.

Populisten, progressieven en de verzorgingsstaat

De aankomende verkiezingen zullen over twee onderwerpen gaan: hervormingen van de verzorgingsstaat en de Europese Unie. Dit geeft populistische partijen, die zich hier altijd tegen verzetten een rol. Daarom is Populisten in de Polder van Lucardie en Voerman een tijdig boek.

In hun boek beschrijven de historicus Voerman en de politicoloog Lucardie (verbonden aan het Documentatiecentrum Politieke Partijen) de geschiedenis van het Nederlands populisme tot 2012. Alle grote populisten komen langs: Boer Koekoek, Janmaat, de Leefbaren (zoals Westbroek en Nagel), Marijnissen, Fortuyn, Verdonk en Wilders. Interessant zijn ook de reflecties over het vroege populisme dat te vinden is bij de anti-revolutionair Abraham Kuyper en socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Deze vroeg-twintigste eeuwse politici zijn geen volledige populisten, maar hun gedachtegoed had wel populistische trekjes. Zo verzetten socialisten en anti-revolutionairen zich tegen de liberale elite. Ook het gedachtegoed van de andere partij en partijleiders wordt gewogen: is het echt populistisch? Hierbij wordt er gekeken naar standpunten over de partij over democratische vernieuwing, de reactie van partijleiders op de term populisme en de mens- en maatschappijvisie. Het meest pure populisme vinden Lucardie en Voerman bij Verdonk: zij stelde als geen ander het deugdzame verenigde volk tegenover de kwaadaardige elite, die hen zelfs het Sinterklaasfeest wou ontnemen. Verdonk nam het populisme ook als geuzennaam op.

Lucardie en Voerman vatten het populisme nauw op: centraal staat de roep om meer invloed van het volk. Radicale democraten verschillen van populisten in hun opvatting van dat volk. Zij zien een veelkleurig geheel van burgers, terwijl populisten een homogeen, verenigd volk zien. In deze definitie volgen de auteurs, klassieke politicologische auteurs als Paul Taggart en Cas Mudde. Hiermee verdwijnen echter andere eigenschappen die veel populisten delen uit het oog: Euroskepsis bijvoorbeeld, maar ook verzet tegen sociaal-economische hervormingen.

Lucardie en Voerman hanteren het onderscheid tussen linkse en rechtse populisten, waarbij de SP in het linkerkamp valt en de PVV in het rechterkamp. Echter gezien de verenigde opstelling van deze partijen wat betreft de zorg, de pensioenen en recent het lenteakkoord is het maar zeer de vraag of deze tweedeling nog standhoudt. De gelijkende standpunten van PVV en SP op deze onderwerpen lijkt namelijk meer te zijn dan toeval of strategie. Hieronder ligt een gemeenschappelijke visie: de Haagse elite wil u uw baan en uw pensioen afnemen. Het gaat de populisten dan niet alleen maar om inspraak maar om economische belangen. Bij de verkiezingen van 2006 en 2010 werd al duidelijk dat er naast de klassieke links/rechts-tegenstelling een tweede tegenstelling in de Nederlandse politiek is. Namelijk die tussen hervormers die ervoor kiezen om de verzorgingstaat te hervormen om eerlijker en duurzamer te maken en behoudende partijen die zich verzetten tegen hervorming. Je kan dit zien waar het gaat om de arbeidsmarkt, de pensioenen en de zorg. De partijen die zich hiertegen verzetten zijn ook de meest felle Euroskeptische partijen. Immers de Haagse elite levert ons over aan de Brusselse Eurocraten, die niet het belang van ons volk dienen. Tegelijkterijd zijn het voortdurend twee progressieve partijen die stelling kiezen tegen de populisten: D66 en GroenLinks. Zij verzetten zich tegen de xenofobe opvatting van populistisch rechts, de populistische politieke stijl, maar bovendien tegen het sociaal-economisch conservatisme van de populisten.

De vraag die Lucardie en Voermans onbeantwoord laten in hun boek is of deze gelijkenis in de sociaal-economische koers van SP of PVV meer is dan toeval: de aartsvader van het Nederlandse populisme (Fortuyn), bijvoorbeeld, lijkt bijvoorbeeld niet helemaal in dit plaatje te passen. Aan de ene kant was ook hij Euroskeptisch en wou hij de AOW’tjes van oudere sparen, juist hij pleitte voor verregaande hervorming van de zorg.

Ontstaat er in Nederland naast de bestaande sociaal-economische tegenstellng een nieuwe tegenstelling tussen progressieven en populisten? Een tegenstelling die niet gaat over politieke stijl of bestuurlijke hervormingen als het referendum, maar gaat over de grote economische vragen waar Nederland nu voor staat en Europese integratie? In het boek van Lucardie en Voerman blijft deze vraag onbeantwoord. Met de vrij nauwe definitie van populisme en de strakke verdeling tussen linkse en rechtse populisten missen Lucardie en Voerman een belangrijke gelijkenis tussen populisten van links en rechts.

Dit artikel verscheen ook in verkorte vorm in het GroenLinks Magazine van Juni 2012.

Kabinet valt over de spanning tussen conservatief en rechts.

‘Kabinetten vallen niet op inhoud’, is een politicologische regel. Geldt dit ook voor dit kabinet?

Les 1 in de politiek is: ‘kabinetten vallen niet over inhoud’. Het kabinet Balkenende IV viel omdat de PvdA bang was de gemeenteraadsverkiezingen te verliezen, vanwege haar gebrek aan ruggengraat. Het kabinet Balkenende II viel omdat D66 zich wilde afzetten tegen minister Verdonk. Het kabinet Balkenende I viel omdat CDA en VVD niet meer tegen de chaos in de LPF konden. Moet ik doorgaan?
Persoonlijke verhoudingen tussen de coalitiepartners en in het kabinet en de electorale strategie van de deelnemende partijen zijn veel belangrijker dan de inhoud. Je kan op inhoud vrijwel alles regelen als de verhoudingen maar goed zijn. Inleveren op inhoud wordt echt lastig als partijen zich zorgen maken over de komende verkiezingen.

Maar waarom is dit kabinet dan gevallen? Aan de verhouding kan het niet gelegen hebben. De heren stonden nogal glunderend elkaars vingers af te likken op allerlei foto’s. Ja, de weigerachtige houding van Wilders zullen de gesprekken niet gemakkelijk gemaakt hebben. Maar zoveel wantrouwen als tussen Balkenende en Bos kan er niet geweest zijn.
Wat is dan wel de verklaring voor de val van dit kabinet? Ik denk dat de kern van het probleem niet zit in de coalitie maar in één van de deelnemende partijen. Voor de VVD was dit de best mogelijke coalitie. Zij zijn de middelste partij in het kabinet. Ze kunnen min-of-meer integraal hun programma uitvoeren. Ze leveren de premier die door veel mensen wordt gezien als competent en sympathiek.
Het CDA gaat al een tijdje een electorale neergang door. De partij weet niet precies meer wat ze wil: een rechtse hervormingspartij? een sociaal-conservatieve partij? Links? Rechts? Progressief? Conservatief? Een paar jaar meeregeren had de partij de kans gegeven om daar beter uit te komen. Nu gaan de nog leiderloze Christen-democraten stuurloos de verkiezingen in. Ja, de eerste stappen (‘het radicale midden’) hadden het lastig gemaakt voor het CDA om door te gaan in deze coalitie. Daarom is er in Limburg ook gebroken. Maar op landelijk niveau zitten de Christen-democraten echt niet te wachten op verkiezingen.

Blijft er één partij over: de PVV. Een groot gedeelte van de spanning in deze tussenformatie zit in de PVV zelf. De PVV is in de kern een populistische partij, die leeft van anti-elitegevoelens,. Maar nu is ze dichtbij het minderheidskabinet betrokken. Een anti-establishment partij die verantwoordelijkheid draagt. Sommige partijen lukt het: Berlusconi wist zich tot in zijn laatste dagen zelfs als premier te verzetten tegen de linkse elite, die volgens hem met name in de rechterlijke macht geconcenteerd was. Maar andere partijen gaan ten onder aan die tegenstelling: denk aan de Vrijheidspartij in Oosterrijk (FPÖ) of de LPF.
Met één voet op de straat en met één voet in de Trêveszaal werd  hetvoor Wilders steeds lastiger. Wilders had een simpele scheiding gemaakt. Meebuigen op economische onderwerpen, en een keiharde, zelfs oppositionele houding op Europa en immigratie. Maar vanwege de Europese begrotingscrisis zijn economische en Europese politiek steeds sterker verweven geraakt. De Europese begrotingseisen bepalen mede de hoogte van de AOW in Nederland. Euroscepsis en een ruimer begrotingsbeleid gaan hand in hand. Dat is het verhaal dat Wilders nu vertelt: ‘Brussel wou oma haar AOW afpakken, Rutte vond het goed. Ik niet.’
Maar de spanning zit een laag dieper:  de PVV onderschrijft de noodzaak van bezuinigingen. In haar eigen verkiezingsprogramma én in het gedoogakoord. Ze wil alleen bepaalde groepen zoals ouderen niet raken. Dus waren er al rare kronkels gemaakt bij de tussenformatie: de nul-lijn voor iedereen behalve AOW’ers. De PVV is anders dan veel commentatoren stellen geen linkse partij in economisch opzicht. Het is een partij met een conservatief-rechtse economisch programma. Wel bezuinigen maar niet hervormen. En dat blijkt steeds meer een contradictio in terminis te zijn. Zonder ingrijpende hervormingen kan er niet bezuinigd worden. De SP (links en conservatief) wil om de AOW-leeftijd te behouden en de zorg collectief blijven te betalen, de inkomstenbelasting verhogen. Misschien niet zo slim, maar wel consequent. De PVV wil een kleine overheid (rechts) maar de gulle verzorgingsstaat behouden (conservatief). En dat bleek onmogelijk te zijn.
Het kabinet is niet op een inhoudelijk meningsverschil gevallen, maar op een onhoudbare inhoudelijke positie van één van de deelnemende partijen.

Only Nixon could go to China: waarom dit kabinet de hypotheekrenteaftrek gaat aanpakken

In de linkerhoek is er over weinig dingen consensus, maar over een paar dingen kunnen linkse partijen het wel eens worden: de hypotheekrenteaftrek zou aangepakt moeten worden. De lijn van CDA, PVV en VVD is helder: handen af van de hypotheekrenteaftrek. Je zou dus verwachten dat dit kabinet niets aan de hypotheektrenteaftrek gaat doen en dat dit in een Paars-plus-achtige variant wel had gekund. Niets is minder waar: alleen een rechts kabinet kan en zal de hypotheekrente aanpakken.

Niet over Links

Een kabinet met linkse partijen, of het nu gaat om een Paars Plus, een Christelijk-sociale of een Roti-variant zou in het huidige gesternte niets doen aan de hypotheekrenteaftrek. De reden hiervoor is vrij simpel: rechtse kiezers willen dat er niets aan de hypotheekrenteaftrek verandert. Ze hebben vaak zelf een eigen huis met hypotheek en willen niet dat hun lasten verzwaren. De combinatie van een onderwerp dat veel mensen in hun portemonee raakt en de hoge zichtbaarheid die rechtse partijen zelf aan het onderwerp hebben gegeven door wijzigingen uit te sluiten maakt het onderwerp gevaarlijk.

In een variant met linkse partijen zouden CDA of VVD, of CDA en VVD mee regeren. De PVV lijkt me uitgesloten. Rekensom is dan vrij simpel: bij een verregaande wijziging van de hypotheekrenteaftrek zal de PVV moord en brand schreeuwen, en zo rechtse kiezers bij CDA en VVD weg trekken. De linkse partijen zullen dus niet van de rechtse partijen kunnen eisen dat ze dit doen: dat zou electorale zelfmoord zijn.

Wel over Rechts

CDA, VVD en PVV zullen dit kabinet niet laten vallen: het CDA kan niet breken met dit kabinet: dan verliest ze de helft van haar zetels. De VVD kan in dit kabinet haar volledige programma implementeren. Het is de vraag of de PVV als ze dit kabinet laten vallen over de hypotheekrenteaftrek weer in zo’n goede positie terug kunnen komen. Daarnaast, sociaal-economische onderwerpen behoren niet tot de kern van de PVV: dat zijn Islam, immigratie en integratie. En daarop krijgt de partij wel wat ze wil. Kortom: geen enkele partij heeft er een belang bij om dit kabinet te laten vallen.

En als er extra miljarden bezuinigd moet worden, dan moet er ook iets gebeuren aan de hypotheekrenteaftrek. Je ziet dat het CDA, en met name het Wetenschappelijk Instituut al langer met voorstellen rond lopen om de hypotheekrenteaftrek te beperken. Het interessante is dat dit kabinet al bezig is geweest met een hervorming van de hypotheekrenteaftrek: door aflossingsvrije hypotheken uit te sluiten van de hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld. Afschaffing zal het nooit heten, maar een ‘aanpassing’ kan de nodige ruimte op de begroting maken.

Only Nixon could go to China

Het idee is simpel: only Nixon could go to China. Alleen de meest conservatieve, anti-communistische president kon een toenadering maken naar communistische China. Een liberale Democraat zou zijn aangevallen als een peaceloving beatnik. Juist een rechts kabinet kan als enige de hypotheekrenteaftrek aanpakken: een kabinet met linkse partijen zou te gevoelig zijn voor aanvallen van rechtse oppositiepartijen.

Loyaal met een scherpe rand

In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en VVD aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de “rechts buiten” van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.

Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.

De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).

In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is een samenvatting van de rapportage “Loyaal met een scherpe rand. Stemgedrag PVV 2010-2011 in kaart gebracht” die ik samen met Tom Louwerse heb gemaakt in opdracht van het VPRO Radio 1 programma Argos. Eerder schreven we voor hen “Kiezen voor Confrontatie”.