Christen-Democratische Unie?

Bij de laatste verkiezing voor de Tweede Kamer in september 2012 heeft de electorale neergang van het CDA zich verder doorgezet: in de laatste zes jaar heeft de partij die lange tijd de Nederlandse politiek domineerde twee derde van zijn stemmen verloren. Opvallend genoeg heeft de ChristenUnie in het geheel niet van het verval van de  chris­tendemo­cra­ten geprofiteerd, integendeel; in dezelfde periode raakte zij zelf een kwart van haar kiezers kwijt. Beide partijen zijn de laatste jaren in het defensief, als gevolg van de secularisering en deconfessionalisering.

Deze toenemende marginalisering van de christelijke politiek in Nederland zou voor het CDA en de ChristenUnie reden kunnen zijn om na te denken over een gezamen­lijk optrekken of zelfs een samengaan. Een fusie tussen die twee was altijd ondenk­baar, alleen al van­wege het grote onderlinge krachts­verschil: het CDA was in 2006 in zeteltal zeven keer zo groot als de ChristenUnie. Anno 2013 lopen zij in om­vang echter veel minder uiteen: het CDA heeft dertien zetels, de ChristenUnie vijf; in de peilingen van de af­ge­lopen weken is het verschil nog kleiner. Ook de ledentallen be­wegen naar elkaar toe, alhoewel het verschil nog altijd aanzienlijk  is: het CDA telde begin 2013 59.000 leden, de ChristenUnie 24.000.

Als beide partijen in zwaar weer verkeren, waarom gaan ze dan niet samen? Is de christelijke politiek in een sterk seculariserende samenleving immers niet gebaat bij een krachtig geluid? Bovendien staan de ChristenUnie en het CDA vaak dicht bij elkaar. Kiezers van beide partijen hebben over en weer tamelijk grote sympathie voor elkaar. Uit cijfers van het Nederlands Kiezersonderzoek uit 2010 (de gegevens uit 2012 zijn nog niet beschikbaar) blijkt dat de kiezers van de ChristenUnie na hun eigen partij de meeste sympathie hebben voor het CDA. De SGP komt pas op de derde plaats, terwijl de ChristenUnie met die partij bijvoorbeeld bij de Europese verkiezin­gen van 2009 nauw heeft samengewerkt. Onder CDA-kiezers staat de ChristenUnie op de derde plaats, na de eigen partij en de VVD.

Die wederzijdse sympathie kan samenhangen met een gedeelde achtergrond. Het electoraat van het CDA en de ChristenUnie is in hoge mate godsdienstig: 84% res­pectievelijk 97% van hun kiezers geeft aan religieus te zijn. Daarachter schuilt even­wel de nodige verdeeldheid: de grootste groep onder de ChristenUnie-stem­­mers is gere­formeerd, maar onder CDA-stemmers katholiek. De ChristenUnie is echter veel minder antikatholiek dan in het verleden; de partij heeft al geruime tijd haar vizier ook op behoudende katholieke kiezers gericht. Beide partijen trekken vooral kiezers van het platteland, wat niet vreemd is omdat daar meer gelovigen wonen dan in de grote stad: tussen de 70 en 75% van hun stemmen zijn afkomstig uit gebieden die niet sterk geürbaniseerd zijn.

Ook de politieke verschillen tussen het CDA en de ChristenUnie zijn op de lan­gere termijn bezien afgenomen, zoals blijkt uit hun samenwerking in het vierde kabinet-Balkenende in de jaren 2007-2010, dat overigens niet ten val kwam door toedoen van een hen, maar door de derde coalitiepartner, de PvdA. Na de val van het eerste kabinet-Rutte konden ChristenUnie en CDA in mei 2012 beiden het ook prima vinden in het Vijfpartijenakkoord. Ook in de sociaal-culturele sfeer vinden de kiezers van beide partijen elkaar: op veel onderwerpen, zoals immigratie, islam en veiligheid, heb­ben de kiezers van het CDA en de ChristenUnie dezelfde mening. Zo wil 86 resp. 87% strengere straffen; vindt 52 resp. 55% dat illegale immigranten niet mogen blijven; en is 60 resp. 65% tegen toetreding van Turkije tot de EU.

Niet op alle gebieden en is sprake van overeenstemming: zo is een meer­der­heid van de kiezers van de ChristenUnie tegen verdere Europese integratie, terwijl een meerderheid  van de CDA-kiezers voor is. Ook de opvattingen over ethische thema’s zoals het homohuwelijk en euthanasie lopen nogal uiteen. ChristenUnie-kie­zers zijn hier in meerderheid tegen; in het CDA-electoraat is dat slechts een (be­trek­­kelijk) kleine minderheid (53% resp. 11% tegen het homohuwelijk; 76% resp. 30% tegen euthanasie). De tijd dat er met de ChristenUnie  niet te praten viel zonder dat eerst de wetgeving inzake abortus, euthanasie en homoseksualiteit volledig zou wor­den teruggedraaid is echter al enige tijd voorbij: in 2006 heeft de partij in haar ver­­kiezingsprogramma deze eis laten vallen. Boven­dien zijn in de dagelijkse politiek deze onderwerpen sterk naar de achtergrond geschoven.

Op sociaal-economisch gebied zijn de verschillen tussen beide partijen groter. In het algemeen zien we een rechtser CDA-electoraat en een linkser ChristenUnie-electoraat. Wat betreft de niet onbelangrijke wens van een meer gelijke inkomens­ver­deling naderen de kiezers van beide partijen elkaar echter tot op zekere hoogte weer: 69% van de ChristenUnie-kiezers is hiervan voorstander, tegenover 54% van de CDA-kiezers.

De geschiedenis heeft geleerd dat partijen pas fuseren wanneer ze in hetzelfde schuitje zitten: electorale neergang of stagnatie, met als gevolg het verlies van macht, zijn on­mis­bare voorwaarden voor een organisatorisch samengaan. Het in 1980 uit drie par­tijen geformeerde CDA en de in 2000 uit de samensmelting van twee partijen voortgekomen Christen­Unie we­ten er alles van; hun samengaan was bedoeld om het proces van teloorgang dat eraan vooraf ging, een halt toe te roepen. Het CDA en de ChristenUnie bevinden zich nu ook weer in een situatie van neergang respectievelijk stagnatie (waarbij de Chris­ten­Unie op geen enkele wijze beter wordt van het verlies van het CDA), wat perspec­tieven kan openen op hun samengaan.

Een dergelijk proces wordt vergemakkelijkt door de verkleining van de onder­linge krachtsverhoudingen, de grote wederzijdse sympathie, door beider ligging in het godsdienstige domein en door de grote mate van politieke overeenstemming op on­der­­­werpen uit de sociaal-culturele sfeer. Ver­schillen bestaan er over sociaaleconomi­sche thema’s, maar die zijn betrekkelijk klein. Ethische issues als homohuwelijk en euthanasie laten een grotere verdeeldheid zien, maar de praktisch-politieke relevantie daarvan is in de afgelopen jaren sterk verminderd. Ook van belang is dat is de op­stel­ling van de Chris­ten­­Unie in de politiek als zodanig geleidelijk aan veranderd is. Voort­gekomen uit twee partijen met sterk principiële stelling­names is zij zich gelei­de­lijk aan pragmatischer gaan op­stellen – een onvermij­delijke strategie voor een op de politieke flank gepositioneerde partij die aan elec­torale of bestuurlijke relevantie wil winnen.

Al met al is de ChristenUnie dichter in de buurt van het CDA gekomen. Deze toenadering hoeft niet op korte termijn op een fusie uit te lopen, maar een semiper­ma­nent partnerschap tussen beide partijen, (vooralsnog) met behoud van hun eigen iden­ti­teit is wel denkbaar – zeker wanneer de electorale tegenspoed aan­houdt. Daarbij komt dat beide partijen elkaar in bestuurlijke coalities nodig zullen hebben om niet aan seculiere meerder­heden van liberalen en sociaaldemocraten te zijn overgeleverd.

Zo’n bondgenootschap kan in eerste instantie gericht zijn op voortzetting van de huidige samenwerking in gemeentelijke en provinciale colleges en wellicht ooit ook weer in het landsbestuur, en – wanneer dat profijtelijk is voor beide partijen – op electorale coöpe­ratie die verder gaat dan een lijstverbinding (zoals lijstineenschui­ving). Wanneer de samenwerking in dat stadium is aanbeland wordt het oppassen; vroe­gere fusies van CDA, GroenLinks en de ChristenUnie zijn immers ook be­gonnen met electorale samenwerking.

Dit stuk is eerder verschenen op de website van het Montesquieu Instituut en geschreven samen met Gerrit Voerman.

Stelling 8: sociaaldemocraten en Christendemocraten zijn populisten

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de achtste: over de wortels van het populisme.

Stelling 8: “De sociaaldemocratie en de Christendemocratie zijn ontstaan als populistische bewegingen.”

Bij het proefschrift mag je ook vier stellingen leveren die wel over het vak gaan, maar niet over het boek. Dat geeft de mogelijkheid om mijn eigen favoriete verhalen te vertellen. Zo ook de notie dat populisme niet nieuws is, maar terug te zien is in het vroege socialisme en Christendemocratie. Je hoort dit soms wel in het debat over populisme. Historici Van de Velde, Vossen en Lucassen heb ik dit wel horen stellen, maar niet systematisch zien uitwerken. Ik heb er zelf twee kleine blogjes aangewijd.

Het idee is simpel: populisme maakt twee onderscheiden: tussen het pure volk en het corrupte elite, en tussen het goede volk en gevaarlijke anderen. Socialisten waren in hun beginperiode een zeer anti-elitaire beweging, de grote meerderheid van het volk, het proletariaat, wordt eronder gehouden door de elite, de bourgeoisie. In de elite zijn economische en politieke deelbelangen met elkaar gefuseerd: kerk, kapitaal, kroon, kazerne en kroeg vormen een vijfeenheid. Het socialisme wil dat de staat het belang van heel het volk vertegenwoordigt.

De deling tussen het volk en de ander vinden we terug in de vroege Christendemocratie, in het bijzonder in de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie. Ze verzetten zich tegen het Katholicisme Dit geloof strookte niet met de Nederlandse volksaard, het totalitaire trekjes, maar was bovenal onbetrouwbaar omdat Katholieken niet loyaal waren aan de Nederlandse kroon maar aan een buitenlandse mogendheid. De gelijkenissen met de hedendaagse populistische partijen zijn treffend: tegen de elite en tegen een vreemd, buitenlands geloof.

Het opvallende is dat de Anti-Revolutionairen en Christelijk Historici al snel gingen samenwerken met de Katholieken, en de Socialisten met de Liberalen. Het laat zien dat in Nederland populistische retoriek slechts betrekkelijk is en dat de politieke realiteit partijen inschikkelijk maakt. Ik heb wel eens gesteld dat Wilders zo vice-premier kan worden onder premier Marcouch, zoals de Anti-Revolutionaire Heemskerk minister was onder de Katholieke Ruijs de Beerenbrouck. Onder de druk van de politieke realiteit worden alle populisten realistisch.

Kabinet valt over de spanning tussen conservatief en rechts.

‘Kabinetten vallen niet op inhoud’, is een politicologische regel. Geldt dit ook voor dit kabinet?

Les 1 in de politiek is: ‘kabinetten vallen niet over inhoud’. Het kabinet Balkenende IV viel omdat de PvdA bang was de gemeenteraadsverkiezingen te verliezen, vanwege haar gebrek aan ruggengraat. Het kabinet Balkenende II viel omdat D66 zich wilde afzetten tegen minister Verdonk. Het kabinet Balkenende I viel omdat CDA en VVD niet meer tegen de chaos in de LPF konden. Moet ik doorgaan?
Persoonlijke verhoudingen tussen de coalitiepartners en in het kabinet en de electorale strategie van de deelnemende partijen zijn veel belangrijker dan de inhoud. Je kan op inhoud vrijwel alles regelen als de verhoudingen maar goed zijn. Inleveren op inhoud wordt echt lastig als partijen zich zorgen maken over de komende verkiezingen.

Maar waarom is dit kabinet dan gevallen? Aan de verhouding kan het niet gelegen hebben. De heren stonden nogal glunderend elkaars vingers af te likken op allerlei foto’s. Ja, de weigerachtige houding van Wilders zullen de gesprekken niet gemakkelijk gemaakt hebben. Maar zoveel wantrouwen als tussen Balkenende en Bos kan er niet geweest zijn.
Wat is dan wel de verklaring voor de val van dit kabinet? Ik denk dat de kern van het probleem niet zit in de coalitie maar in één van de deelnemende partijen. Voor de VVD was dit de best mogelijke coalitie. Zij zijn de middelste partij in het kabinet. Ze kunnen min-of-meer integraal hun programma uitvoeren. Ze leveren de premier die door veel mensen wordt gezien als competent en sympathiek.
Het CDA gaat al een tijdje een electorale neergang door. De partij weet niet precies meer wat ze wil: een rechtse hervormingspartij? een sociaal-conservatieve partij? Links? Rechts? Progressief? Conservatief? Een paar jaar meeregeren had de partij de kans gegeven om daar beter uit te komen. Nu gaan de nog leiderloze Christen-democraten stuurloos de verkiezingen in. Ja, de eerste stappen (‘het radicale midden’) hadden het lastig gemaakt voor het CDA om door te gaan in deze coalitie. Daarom is er in Limburg ook gebroken. Maar op landelijk niveau zitten de Christen-democraten echt niet te wachten op verkiezingen.

Blijft er één partij over: de PVV. Een groot gedeelte van de spanning in deze tussenformatie zit in de PVV zelf. De PVV is in de kern een populistische partij, die leeft van anti-elitegevoelens,. Maar nu is ze dichtbij het minderheidskabinet betrokken. Een anti-establishment partij die verantwoordelijkheid draagt. Sommige partijen lukt het: Berlusconi wist zich tot in zijn laatste dagen zelfs als premier te verzetten tegen de linkse elite, die volgens hem met name in de rechterlijke macht geconcenteerd was. Maar andere partijen gaan ten onder aan die tegenstelling: denk aan de Vrijheidspartij in Oosterrijk (FPÖ) of de LPF.
Met één voet op de straat en met één voet in de Trêveszaal werd  hetvoor Wilders steeds lastiger. Wilders had een simpele scheiding gemaakt. Meebuigen op economische onderwerpen, en een keiharde, zelfs oppositionele houding op Europa en immigratie. Maar vanwege de Europese begrotingscrisis zijn economische en Europese politiek steeds sterker verweven geraakt. De Europese begrotingseisen bepalen mede de hoogte van de AOW in Nederland. Euroscepsis en een ruimer begrotingsbeleid gaan hand in hand. Dat is het verhaal dat Wilders nu vertelt: ‘Brussel wou oma haar AOW afpakken, Rutte vond het goed. Ik niet.’
Maar de spanning zit een laag dieper:  de PVV onderschrijft de noodzaak van bezuinigingen. In haar eigen verkiezingsprogramma én in het gedoogakoord. Ze wil alleen bepaalde groepen zoals ouderen niet raken. Dus waren er al rare kronkels gemaakt bij de tussenformatie: de nul-lijn voor iedereen behalve AOW’ers. De PVV is anders dan veel commentatoren stellen geen linkse partij in economisch opzicht. Het is een partij met een conservatief-rechtse economisch programma. Wel bezuinigen maar niet hervormen. En dat blijkt steeds meer een contradictio in terminis te zijn. Zonder ingrijpende hervormingen kan er niet bezuinigd worden. De SP (links en conservatief) wil om de AOW-leeftijd te behouden en de zorg collectief blijven te betalen, de inkomstenbelasting verhogen. Misschien niet zo slim, maar wel consequent. De PVV wil een kleine overheid (rechts) maar de gulle verzorgingsstaat behouden (conservatief). En dat bleek onmogelijk te zijn.
Het kabinet is niet op een inhoudelijk meningsverschil gevallen, maar op een onhoudbare inhoudelijke positie van één van de deelnemende partijen.

Gaat de SP een Pyrrhusoverwinning tegemoet?

De SP staat ongekend hoog in de peilingen: 32 zetels. De kans is groot dat dit nog wel eens een Pyrrhusoverwinning wordt: dat ze als de grootste partij in de oppositie komt.

Historische precedenten

Het komt wel vaker voor: dat de grootste partij uit de regering wordt gehouden. zeker als de partij links is. De PvdA is maar acht keer de grootste partij van Nederland geweest (in 1952, 1956, 1971, 1972, 1977, 1982, 1994 en 1998). En in drie gevallen werd zij als grootste partij uit de regering gehouden (1971, 1977, 1982). Dat was in periodes van verregaande polarisatie, zoals we die nu ook kennen. Het zou nog wel eens kunnen gebeuren dat het kabinet-Roemer een illusie blijft zoals het tweede kabinet-Den Uyl eerder. Als de SP de grootste partij is, hoeft het dus niet zo te zijn dat ze in de regering komt: in 2006 was de SP de derde partij van Nederland met 26 zetels en bleef ze ook in de oppositie.

Het politieke landschap

Om een inschatting te maken van het verloop van de formatie hebben we een beeld nodig van het politieke landschap. Ik denk dat je het huidige politiek landschap het beste kan begrijpen aan de  hand van twee tegenstellingen: de links/rechts-tegenstelling en de pro/anti-Europa tegenstelling. De eerste betreft klassieke herverdelingsvragen (voor tegen hypotheekrenteaftrek) en vraagstukken rond immigratie en integratie. De tweede betreft vraagstukken rond Europese integratie en rond hervorming van de verzorgingsstaat (wel of niet verhogen AOW-leeftijd).

Je kan dan vier kwadranten onderscheiden (met zetelaantallen uit de recente De Hond-peiling waarin de SP de grootste is):

  • Euroskeptisch links (43 zetels): dit bestaat uit de SP met 32 zetels en drie kleinere partijen (CU, 6; PvdD 3; en 50+ 2);
  • Hervormingsgezind links (42 zetels): dit bestaat uit de PvdA (17 zetels), D66 (16 zetels) en GroenLinks (9 zetels);
  • Hervormingsgezind rechts (42 zetels): VVD met 30 zetels en het CDA met 12 zetels;
  • Euroskeptisch rechts (23 zetels): PVV met 20 zetels en de SGP met 3 zetels.

Er is dus een heldere linkse meerderheid van partijen, die tegen de bezuinigingen van dit kabinet zijn en tegen het harde anti-immigratieverhaal. Maar evenzozeer is er een meerderheid van partijen die voor een rol van Europa is bij het oplossen van de crisis is en voor hervormingen gericht op een langetermijnbalans van de begroting.

Over links

Het meest simpele kabinet dat we zouden kunnen vormen zou bestaan uit linkse partijen. De kern zou bestaan uit SP, PvdA en GL (56 zetels), aangevuld met D66 en CU. Dat zou een meerderheid van 78 zetels hebben. Je zou CU kunnen ruilen voor het nieuwe CDA, voor een iets ruimere meerderheid. Het grote probleem is dat deze coalitie sterk verdeeld zou zijn over sociaal-economische hervormingen en Europese integratie. De partij die in de laatste jaren zich heeft ontwikkeld als de grootste voorstander hiervan (D66) zou in een kabinet komen met de grootste tegenstander hiervan (SP).  De cruciale vraag is of de SP van haar Euroskeptische koers zou willen afstappen. De ChristenUnie heeft toen ze in het kabinet-Balkenende IV zat haar Euroskeptische geluid ook gematigd: maar dat was toen om als juniorpartner aan de regeringstafel te mogen zitten. Daarnaast zou het lastig zijn voor D66 om in zo’n kabinet haar relatief rechtse economisch programma te realiseren. De mededeling van Roemer dat hij best wil samen werken met de VVD is dus niet de meest interessante: hij zal geen compromissen hoeven te sluitenover de links/rechts dimensie, als de peilingen zo aanhouden. De fundamentele vraag is of de SP kan samenwerken met een pro-Europese, hervormingspartij als de D66.

Je zou je dus kunnen voorstellen dat we doorgaan met een gedoogconstructie. Een kabinet van D66/GL/PvdA gedoogd door de SP en de CU waar het gaat om haar sociaal-economische programma maar dat voor haar Europees beleid afspraken maakt met VVD en CDA. Dit is een theoretische mogelijkheid waarbij de grootste partij en winnaar van de verkiezingen een vrij marginale positie kiest. Maar misschien voor haar niet de slechtste keuze. De PVV laat zien dat juist de rol van gedoger voor een partij met extreme standpunten, gunstig kan zijn.*

Het radicale midden

Het is paradoxaal: als de economische crisis aanhoudt, zal de SP hier electoraal garen bij spinnen. Maar de realiteit van de crisis zal de SP juist uit het kabinet houden. De enige oplossing voor de crisis ligt, in elk geval in de ogen van een meerderheid, in sociaal-economische hervormingen en Europese integratie. We hebben meer Europese solidariteit nodig om de crisis te bezweren. En we moeten, zeker op de middellange termijn, door hervormingen van de sociale zekerheid, de begroting op orde krijgen.

Als de SP zich blijft verzetten tegen Europese integratie en sociaal-economische hervormingen, plaatst ze zichzelf buiten de politieke realiteit. Dan zou een kabinet van partijen die zich wel in die politieke realiteit plaatsen, de hervormingsgezinde meerderheid, een logisch alternatief kunnen zijn: VVD/PvdA/D66/CDA/GL samen goed voor 84 zetels. Natuurlijk is een onmogelijk kabinet omdat het zich open stelt voor aanvallen van de populistische rechter- en de linkerflank.

Roti met tomaat

Het wordt dus nog knap lastig om een kabinet te vormen. Misschien dat lokale oplossingen ons inspiratie kunnen geven: in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Leiden werkt SP samen met de VVD en het CDA, aangevuld door D66 in Zuid-Holland en Leiden. Zo’n Roti-met-tomaat-variant zou rekenkundig mogelijk zijn: 88 zetels. Maar politiek zal het nog lastig worden voor de SP, D66 en de VVD om het eens te worden over economisch hervormingsprogramma. De SP kon zich in deze lokale anti-PvdA-besturen wringen omdat er relatief weinig herverdelings- en hervormingsvraagstukken zijn in het provinciale en het gemeentelijke bestuur. De partij kon zo mooi laten zien dat de ze regeringsverantwoordelijkheid aan kan en compromissen kan sluiten. De vraag is of de SP zich een even flexibele houding kan aanmeten op het landelijk niveau.

* De ironie is dat je zo’n kabinet zou moeten laten leiden door iemand uit de linkerhoek die boven de partijen staat: iemand van het statuur-Cohen laten we zeggen voordat hij lijsttrekker van de PvdA werd.

Only Nixon could go to China: waarom dit kabinet de hypotheekrenteaftrek gaat aanpakken

In de linkerhoek is er over weinig dingen consensus, maar over een paar dingen kunnen linkse partijen het wel eens worden: de hypotheekrenteaftrek zou aangepakt moeten worden. De lijn van CDA, PVV en VVD is helder: handen af van de hypotheekrenteaftrek. Je zou dus verwachten dat dit kabinet niets aan de hypotheektrenteaftrek gaat doen en dat dit in een Paars-plus-achtige variant wel had gekund. Niets is minder waar: alleen een rechts kabinet kan en zal de hypotheekrente aanpakken.

Niet over Links

Een kabinet met linkse partijen, of het nu gaat om een Paars Plus, een Christelijk-sociale of een Roti-variant zou in het huidige gesternte niets doen aan de hypotheekrenteaftrek. De reden hiervoor is vrij simpel: rechtse kiezers willen dat er niets aan de hypotheekrenteaftrek verandert. Ze hebben vaak zelf een eigen huis met hypotheek en willen niet dat hun lasten verzwaren. De combinatie van een onderwerp dat veel mensen in hun portemonee raakt en de hoge zichtbaarheid die rechtse partijen zelf aan het onderwerp hebben gegeven door wijzigingen uit te sluiten maakt het onderwerp gevaarlijk.

In een variant met linkse partijen zouden CDA of VVD, of CDA en VVD mee regeren. De PVV lijkt me uitgesloten. Rekensom is dan vrij simpel: bij een verregaande wijziging van de hypotheekrenteaftrek zal de PVV moord en brand schreeuwen, en zo rechtse kiezers bij CDA en VVD weg trekken. De linkse partijen zullen dus niet van de rechtse partijen kunnen eisen dat ze dit doen: dat zou electorale zelfmoord zijn.

Wel over Rechts

CDA, VVD en PVV zullen dit kabinet niet laten vallen: het CDA kan niet breken met dit kabinet: dan verliest ze de helft van haar zetels. De VVD kan in dit kabinet haar volledige programma implementeren. Het is de vraag of de PVV als ze dit kabinet laten vallen over de hypotheekrenteaftrek weer in zo’n goede positie terug kunnen komen. Daarnaast, sociaal-economische onderwerpen behoren niet tot de kern van de PVV: dat zijn Islam, immigratie en integratie. En daarop krijgt de partij wel wat ze wil. Kortom: geen enkele partij heeft er een belang bij om dit kabinet te laten vallen.

En als er extra miljarden bezuinigd moet worden, dan moet er ook iets gebeuren aan de hypotheekrenteaftrek. Je ziet dat het CDA, en met name het Wetenschappelijk Instituut al langer met voorstellen rond lopen om de hypotheekrenteaftrek te beperken. Het interessante is dat dit kabinet al bezig is geweest met een hervorming van de hypotheekrenteaftrek: door aflossingsvrije hypotheken uit te sluiten van de hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld. Afschaffing zal het nooit heten, maar een ‘aanpassing’ kan de nodige ruimte op de begroting maken.

Only Nixon could go to China

Het idee is simpel: only Nixon could go to China. Alleen de meest conservatieve, anti-communistische president kon een toenadering maken naar communistische China. Een liberale Democraat zou zijn aangevallen als een peaceloving beatnik. Juist een rechts kabinet kan als enige de hypotheekrenteaftrek aanpakken: een kabinet met linkse partijen zou te gevoelig zijn voor aanvallen van rechtse oppositiepartijen.

Loyaal met een scherpe rand

In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en VVD aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de “rechts buiten” van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.

Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.

De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).

In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is een samenvatting van de rapportage “Loyaal met een scherpe rand. Stemgedrag PVV 2010-2011 in kaart gebracht” die ik samen met Tom Louwerse heb gemaakt in opdracht van het VPRO Radio 1 programma Argos. Eerder schreven we voor hen “Kiezen voor Confrontatie”.