Onze monarchie is een testament van onze democratie

Het was vandaag een bijzondere Koninginnedag. In Nederland werd een nieuw staatshoofd ingehuldigd. Dit was, zoals het al bijna 200 jaar gaat, een Koning. Een monarchie is een overblijfsel uit het verleden. Het past beter bij de tijd van tribale stammen dan bij de tijd van smartphones.

In de wereld zijn er achtentwintig regerende koninklijke families. Een deel hiervan regeert onderontwikkelde staten als Lesotho of oliestaten waar democratische vernieuwing is afgekocht met oliegeld zoals Kuweit. Maar er zijn ook elf koninklijke families die regeren in de democratische landen, zoals Noorwegen, Denenmarken en Luxemburg. Een derde van de leden van de club van ontwikkelde landen, de OECD, is een monarchie. Hoe kan het dat zulke ontwikkelde landen een monarch als staatshoofd hebben? Als we kijken naar enkele van deze landen kunnen we veel zien van hoe monarchie en democratie kan samenhangen:

  • Japan is de oudste monarchie van de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikanen bewust ervoor gekozen om de monarchie te laten bestaan, sterker nog de Japanse vorst, Hirhito, leider tijdens Pearl Harbour, mocht aanblijven. Zo bleef een illusie van continuiteit in stand, want Japan werd onder Amerikaanse druk sterk gedemocratiseerd.
  • Het Verenigd Koninkrijk is een zeer oude monarchie. De Engelse monarchie gaat terug naar 895. Sindsdien breidden de Britten langszaam hun terrein uit: het Britse koningshuis heerst nog steeds over vele landen, van Canada tot Australie. Al heel vroeg kregen de Engelse monarchen te maken met een opstandig parlement. In de Engelse burgeroorlog (1642-1651) gingen koningsgezinden en parlement-gezinden met elkaar op de vuist. Maar sindsdien wordt er een balans gezocht tussen Koning en parlement, dat geleidelijk meer en meer richting parlement schuift. Oude aristocratische elementen, zoals het House of Lords en curieuze titels als Lord of the Privy Seal, worden verenigd met algemeen stemrecht (in 1928) en een majoritair politiek stelsel, waarbij over alles fel gedebatteerd wordt, behalve de monarchie.
  • De Zweedse monarchie gaat terug tot mythische tijden. Gedurende de negentiende en vroege twintigste eeuw is Zweden langzaam gedemocratiseerd. En alhoewel Zweden een sterke socialistische stroming kende, is het Koningshuis nooit in gevaar geweest. Het Zweedss Koningshuis accepteerde uiteindelijk dat het parlement politiek het initiatief had en speelt sindsdien een ceremoniele rol. De socialisten werden, na invoering van het algemeen kiesrecht in 1919, ingebed in de parlementair-democratische instellingen en regeerden jarenlang consensueel in een minderheidsregering.
  • Nederland werd een monarchie in 1806 toen ons land van buitenaf een vorst kreeg opgedrongen, namelijk door de Franse Keizer Napoleon. Zo maakte hij niet alleen een einde aan de eerste Franse Republiek, maar ook aan de Nederlandse Republiek, eeuwenlang een toonbeeld van vooruitstrevendheid en vrijheid. In 1813 kwam er een Oranje op de troon, als teken van continuiteit, want de Oranjes waren al jarenlang effectief staatshoofd van Nederland geweest, namelijk als stadshouder van Holland. De Nederlandse vorsten toonden zich plooibaar en gematigd. Toen in 1848 een liberale revolutie zich over Europa uitstrekte, liet Willem II Thorbecke een liberale grondwet schrijven. Dat kenmerkte ook de politieke stijl van de Nederlandse vorsten en elite: meebuigen met maatschappelijke veranderingen, niet tegenstribbelen. Het algemeen kiesrecht werd in 1917, bijvoorbeeld, ingevoerd als onderdeel van een typische Nederlands compromispakket, waarbij socialisten en conservatieven hun deel kregen.
  • Belgie werd in 1839 onafhankelijk van Nederland en koos in lijn met de reactionaire wind in Europa sinds het Congres van Wenen voor een monarchie. Belgie had een zeer liberale grondwet en gold jarenlang als de meest vooruitstrevende staat van Europa, zeker op het gebied van vrijheid van meningsuiting. Behalve de oorlog van onafhankelijkheid kende Belgie geen revoluties of intern geweld. Zoals de federalisering van Belgie nu verloopt, in horten en stoten met kleine stapjes, verliep ook de democratisering van Belgie sindsdien.
  • Spanje is de nieuwste monarchie van de wereld. In 1975 volgde Juan Carlos, de zoon van de 1931 afgezette Koning, de fascistische dictator van Spanje, Franco, op, als staatshoofd. In de fluwelen democratische revolutie was Juan Carlos een teken van stabiliteit.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat monarchieen voortblijven bestaan in landen waar hervormingen geleidelijk verlopen; waar elites de roep op democratie niet wegwuiven, maar schikken en plooien. In Spanje en Japan gaf de monarchie de illusie van stabiliteit in een snel veranderend land.

Vele landen verloren hun monarchen in revoluties: Frankrijk deed dit wel vier keer: twee Koningen en twee keizers werden afgezet. De Russische Revolutie maakte een eind aan de Tsaren. De Duitse monarchie viel door de roep om democratisering na de Eerste Wereldoorlog. De Oosterrijks-Hongaarse monarchie viel door de roep om nationale zelfbeschikking in Centraal Europa. De Italiaanse monarchie werd afgeschaft vanwege de collaboratie van de Koning met de fascisten in de Tweede Wereldoorlog. Deze monarchieen zijn ten onder gegaan omdat de roep om democratisering werd tegengehouden door de elite en dat leidde tot een soms geweldddadige eruptie van onvrede.

Als een land ondanks dat dit een reliek uit het verleden is een monarchie is gebleven, dan komt dit omdat de monarchen hebben geaccepteerd dat hun rol steeds kleiner werd. Dat Nederland nog steeds een monarchie is, is een testament van de democratische gezindheid van onze elite.

De monarchie is niet te duur

Veel republikeinen zijn er niet meer in dit land, zeker niet deze dagen. Er blijven een paar mensen weg uit de kerk, of ze houden wijselijk hun mond als ze een eed moeten zeggen. Bijna niemand durft te pleiten voor de republiek. Soms klagen er wat linkse mensen dat de monarchie wel erg duur. Kan het niet een onsje minder? Zeker in crisistijd? Kunnen de Oranjes niet belasting gaan betalen? 5 miljoen gaat er naar de Koningin per jaar. Dat is toch schokkend?

Schokkend weinig inderdaad. Wat kost een mensenleven? Vanaf zijn eerste levensjaar hebben we Willem-Alexander gedwongen om in the public spot light te staan. Onze aanstaande koning heeft geen serieuze keuze gehad om zelf zijn eigen hart te volgen. Een ding stond vast: vanaf een zeker moment zou hij koning moeten worden. Hij moest de opleiding krijgen die paste bij de kroon. Hij moest een vrouw kiezen die paste bij de titel. Genoeg kinderen verwekken om zeker te zijn van een opvolger. Laten we er simpel over zijn, dit is een vorm van slavernij. Willem-Alexander wordt misschien onze vorst, maar hij is al jarenlang onze collectieve slaaf. Willem-Alexander beschikt niet over zijn eigen tijd, zijn eigen leven of zijn eigen lot.

En bovendien er is geen enkel goed argument om Willem-Alexander zijn vrijheid te onthouden. De Koning heeft rol meer in de kabinetsformatie. Dat wil de Tweede Kamer liever zelf doen. De Koning heeft geen serieuze positie meer in buitenlandpolitiek, beleidsvorming of in benoemingen. Hij is verworden tot een menselijke stempelmachine.

Je hoort nog wel eens zeggen dat het traditie is, dat het Koningshuis zo populair is of dat het typisch bij Nederland hoort. Maar steun van kiezers is in een rechtsstaat geen reden om mensen hun vrijheid te ontzeggen; Nederland was langer een republiek dan een monarchie; en traditie klinkt als een reden om slavernij in stand te houden, maar mag dat nooit zijn.

Als je mensen opgesloten wil houden in een kooi dan kan dat beter een gouden kooi zijn. Je kan geen prijs zetten op een mensenleven, maar het is niet aan linkse politiek om een slaaf zo goedkoop mogelijk te krijgen.

Is de piratenpartij populistisch?

Donderdag was ik bij een bijeenkomst van de Raad voor Openbaar Bestuur over de toekomst van de politieke partij. De Piratenpartij had een grote delegatie gestuurd. Een oudere collega vroeg me na de bijeenkomst of de Piratenpartij populistisch was. Een vraag die niet gemakkelijk te beantwoorden, is.

Populisme
In de politieke wetenschap is er levendig debat over wat populisme. Er is min-of-meer overeenstemming dat populisme bestaat uit deze drie claims:  ten eerste, populisten richten zich op het volk. Dat volk is homogeen en deugdzaam. Ten tweede, dit volk zou soeverein moeten zijn maar de huidige politieke elite is corrupt en vertegenwoordigt het volk niet langer.  En ten derde, het is de rol van de populisten om ervoor te zorgen dat de overheid weer ten dienste staat van het volk.

Populisme kan met alles vermengd worden: het volk kan de arbeider zijn maar ook de kleine ondernemer. De elite kan gekaapt zijn door ambtenaren maar ook door lobbyisten van het bedrijfsleven. Een populist kan zich ergeren aan een teveel aan regels, maar ook aan tekort aan regels. De populist kan dus een links of een rechts programma voorstellen om het land terug te geven aan het volk.

Zweedse Piratenpartij
De eerste Piratenpartij komt uit Zweden. In de lente van 2012 hebben ze een nieuw beginselprogramma aangenomen. Een fundamentele verandering in de houding van machtshebbers is nodig om een vrije informatiesamenleving te realiseren: ‘de staat moet medeburgers vertrouwen, respect tonen en hen meer vrijheid geven.’ Deze piraten menen dus dat de huidige elite het niet goed doet. Maar het volk is hun ogen niet deugdzaam, het reageert op stimuli: ‘mensen die met argwaan tegemoet getreden worden, zullen reageren met argwaan. Mensen die met vertrouwen tegemoet getreden worden, zullen reageren met vertrouwen.’ Bovendien ligt er geen zware nadruk op een wisseling van de wacht maar op de belofte van technologie: ‘het vermogen van mensen vrij met elkaar te communiceren versterkt vrijheid, participatie en democratie.’

Het programma heeft een duidelijke anti-elitaire toon, maar het volk wordt niet gezien als deugdzaam maar als reactie, en bovendien ligt de oplossing niet in een wisseling van de wacht maar in het gebruik van technologie.

De Nederlandse Piratenpartij
In het programma van de Nederlandse Piratenpartij zijn we deze drie elementen terug. Ten eerste, het anti-elitisme: Het schetst een cynisch beeld van de politiek: ministers zijn afhankelijk van topambtenaren en lobbygroepen. Terwijl ministers wisselen, vormen ambtenaren en lobbyisten een constante factor, die hebben daarom een grote kennisvoorsprong. Kamerleden missen de kennis en het netwerk om de voorstellen goed te beoordelen, daarom worden miljarden verspild, bijvoorbeeld aan dure ICT-projecten. De afstand tussen burger en bestuur is volgens de Piraten de reden voor het probleem: hierdoor zijn, volgens de Piraten, populisme en private belangen dominant geworden in de politiek.

De oplossing die de Nederlandse Piraten bieden, heet Liquid Feedback. Dit geeft burgers de mogelijkheid om hun kennis te delen met beleidsmakers ‘Een democratisch systeem voor de 21ste eeuw’:  De kern hiervan is dat iedereen met oplossingen kan komen, iedereen daarover mee kan praten, en iedereen daarover kan stemmen. Als hij dat wil ten minste. Als mensen dat niet willen kunnen ze vertegenwoordigers aan wijzen die op specifieke onderwerpen hen representeren. Het internet biedt hier een mooi platform voor: iedereen kan op een willekeurig moment zoveel of zo weinig invloed uitoefenen als hij zelf wenst. De Piratenpartij past dit principe zelf in haar eigen organisatie toe: het bestuur wordt permanent gevoed en gevolgd door de leden.

One out of three
Dit programma heeft dus een duidelijk anti-elitaire ondertoon: de huidige politiek is ontransparant en luistert niet naar de burger. Het programma van de Piratenpartij heeft duidelijk radicaal democratische trekken: in hun opvatting is ‘democratie de heerschappij van iedereen over iedereen’ en niet van ambtenaren en lobbyisten. Maar nergens in het programma wordt het volk voorgesteld als een eenheid of als bijzonder deugdzaam. Het enige wat duidelijk wordt in het programma is dat de Piraten vinden dat er mensen zijn in het volk met kennis, inzicht en expertise die nu missen in de elite: de piraten willen van de macht van de incrowd naar de wijsheid van de crowd.
De Piratenpartij stelt niet zoals een klassieke populisten dat zij het volk zullen vertegenwoordigen, maar dat nieuwe informatietechnologische tools een brug kunnen vormen over de kloof tussen burgers en bestuur. Een luidspreker voor mondige burgers.

Machtsrelaties in het parlement

Waarom heeft de Nederlandse Tweede Kamer 150 leden? En waarom heeft San Marinese parlement (met ongeveer 2% van de inwoners) er 60? Het lijkt af te hangen van historisch toeval: in Nederland hebben we 150 Tweede Kamerleden. In 1956 is dat gewijzigd omdat er aantal leden regelmatig in Straatsburg zaten. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft 435 leden. Dat is in 1911 toevallig vastgesteld.

En toch, ik heb er al eerder over geschreven, is er een opvallend patroon: hoe groter het land, des te groter het parlement. De meest voor de hand liggende verklaring is het aantal inwoners van een land. Grotere landen hebben grotere parlementen. Een land als Palau (21 duizend inwoners) heeft een Tweede Kamer met 16 leden. China (1,3 miljard inwoners) heeft een Nationaal Volkscongres met drie duizend leden.

Lineaire relatie
In figuur 1 kunnen we de relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal leden van het lager huis in alle 190 lidstaten van de Interparlementaire Unie. We kunnen hier een lineaire relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal Kamerleden. Ieder parlement heeft 150 leden en voor iedere 700 duizend inwoners komt er een Kamerlid bij. Met 16 miljoen inwoners zou Nederland dus ongeveer 175 Kamerleden hebben. 55% van de Kamerzetels wordt correct voorspeld. Maar de relatie wordt vrij zwaar gedomineerd door India en China die outliers zijn. Want eigenlijk liggen alle andere landen in het gebied ‘klein & weinig Kamerleden’.

Vijf lineaire verbanden
We kunnen deze logica, waarbij we de data opsplitsen in verschillende gebieden verder toepassen: ik heb alle landen opgesplitst in vijf segmenten naar aantal inwoners. Als we van micro-staten naar de grootste landen gaat neemt iedere keer de hellingsgraad van de lijn af: 3.7 Kamerleden per inwoner voor de micro-staten (onder 2 miljoen inwoners); 1.5 Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder 7.5 miljoen inwoners); 0.75 Kamerleden per inwoner in de middengroep (onder 25 miljoen inwoners); een half Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder de 100 miljoen inwoners); en een tiende Kamerlid per inwoner. Een land als Nederland heeft 100 Kamerleden en krijgt er dus 0.75 per Kamerlid bij: samen 225.
Er lijkt dus een convex curvilineair verband te zijn: naar mate het aantal inwoners toeneemt, daalt het effect van inwoners op het aantal Kamerleden.
Deze figuur 2 ziet er mooi en kleurrijk uit, maar er zijn twee problemen met deze methode: ten eerste zijn er wel erg weinig landen per blok om een analyse op te baseren, daardoor wordt de analyse onzeker. Ten tweede, verschilt de verklarende kracht van de modellen sterk, omdat sommige gebieden diverser zijn dan anderen.

Curvilineair verband
Een manier om in de sociale wetenschappen een curvilineair verband te modelleren is met een polynominale relatie. Deze is weergegeven in figuur 3. Deze lijn verklaard 86% van de Kamerzetels. Volgens dit model zou een land als Nederland 185 Kamerleden moeten hebben. Dat lijkt dus mooi. Maar volgens dit model zouden landen met meer dan 400 miljoen inwoners, een negatief aantal Kamerleden moeten hebben. Boven de 1.2 miljard inwoners schiet de lijn plotseling weer boven de nul, toevallig ongeveer evenveel inwoners als India en China hebben. Dus deze relatie heeft veel verklarende kracht, maar is eigenlijk in een absurdistische jojo.

Machtsrelatie
We kunnen een curvilineaire relatie ook benaderen als een power law of een machtsrelatie. Dit wordt vaak gebruikt in de natuurkunde als de data over verschillende ordes van grootte heen omvat. In figuur 4 is een curvilineaire relatie geplot in een figuur met twee logaritmische schalen, met twee logaritmische schalen lijkt een curvilineaire relatie lineair. De relatie is vrij simpel: Kamerleden = (Inwoneraantal ^ 0.4)/3
Dit model omvat de data mooi: 80% van het aantal Kamerleden kan hierdoor verklaard worden. Bovendien zitten er geen contra-intuitieve elementen aan: alle datapunten ligt in een band om deze lijn. Een land als Nederland zou 200 Kamerleden hebben.

Andere factoren
Nu we een passend model hebben, kunnen we wat toeters en bellen toevoegen aan ons model. De oplettende lezer dacht misschien al: waarom hebben we het alleen over leden van lager huizen en niet over leden van het hoger huis? Zijn die parlementen kleiner? En hoe zit het met dictaturen? Of federaties?
Als een land een hoger huis heeft, is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 14% lager. De extra Kamerleden in het hogere huis, zorgt dus voor minder Tweede Kamerleden. Als een land een democratie is (een land met een Freedom House score ‘Free’), is het aantal Kamerleden gemiddeld 13% lager. Dat lijkt raar, maar als er in een parlement echt belangrijke beslissingen neemt, dan moet er wel efficient vergaderd kunnen worden. Een working parliament kan niet te groot zijn. In een federatie is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 10% lager: als er minder in de hoofdstad besloten hoeft te worden, dan zijn er minder mensen nodig. Nederland als democratische eenheidsstaat met een tweekamerstels en 16 miljoen inwoners heeft gemiddeld ongeveer 175 Kamerleden.
Al met al, hebben deze factoren wel een effect, maar het valt in het niet met het effect van aantal inwoners.

Concluderend
De relatie tussen burgers en Kamerleden is een machtsrelatie. Dat is de relatie kan beschreven als een power law: voor iedere inwoner komt er aantal Kamerleden bij, maar het effect van inwoner per inwoner neemt af naar mate het aantal inwoners toeneemt.
Als u dit hele stuk heeft doorgeploegd, vraagt u zich misschien af: so what? Laat ik daar drie dingen over zeggen: ten eerste, zegt het aantal Kamerleden dat er per burger is iets over de kwaliteit van de democratie. Wouter Veenendaal heeft in een recent proefschrift laten zien dat een te kleine kloof tussen burger en politiek ook niet goed is. Maar naar mate het aantal inwoners toeneemt, wordt de kloof ook groter.
Ten tweede, de reden dat er een grens ligt aan het aantal Kamerleden is efficiency. Je kan maar met zoveel mensen efficient vergaderen. Er lijkt een harde bovengrens te zijn: alleen China heeft meer dan 800 Kamerleden.
Ten derde, ik vond de recente brief van minister Plasterk (… en Koninkrijksrelaties/PvdA) waarin hij het voorstel om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen naar 100, terug trekt, wat summier. Bij deze dus: als je in internationaal vergelijkend verband kijkt, dan zou het aantal Kamerleden in Nederland niet teruggebracht moeten worden maar met 25 tot 75 Kamerleden uitgebreid.

13 redenen waarom 2013 een ***-jaar wordt

We vonden al die aanhangers van de Maya-kalender die dachten dat de wereld verging volslagen gekkies. Maar 2013 wordt zo’n ongekend ***-jaar dat we die Maya-gekkies misschien beter gelijk hadden kunnen krijgen.

Bijsluiter: Dit stuk is volslagen speculatie zonder enige basis in de werkelijkheid.

1. “There is no clear winner of the Italian elections”
De Italiaanse verkiezingen van februari 2013 worden een volslagen ramp. De verkiezingen leveren geen heldere meerderheid op: noch voor de pro-Europese partijen, noch voor links of rechts. De grote winnaar van de verkiezingen is Beppe Grillo, de komiek die leiding geeft aan de Euroskeptische, anti-establishment partij Movimente 5 Stelle. Het wordt de tweede partij van Italie. De centrum-linkse Partito Democratico blijft de linkse populisten net voor maar weet geen meerderheid te krijgen. De populistische, separatistische en Euroskeptische Lega Nord wint overtuigend in het Noorden. Berlusconi geeft leiding aan het centrum-rechtse Popolo della Liberta maar verliest alle aanhang behalve in Zuid-Italie. De centristische vernieuwingsbeweging van Mario Monti, Agenda Monti per l’Italia, haalt een heel slechte score. Samen halen deze rechtse partijen wel een meerderheid maar hun hekel voor elkaar is nog net groter dan hun hekel voor links. De afwezigheid van een heldere verkiezingswinnaar en daardoor een heldere regeringsmeerderheid in Italie werpt de Europese beurzen in een grote crash.

2. “We must save the Italian banks … sorry … the Italian people.”
Vanwege de gekelderde beurskoerzen dreigden de Italiaanse banken om te vallen. Bovendien heeft de depressie een groot gat geslagen in de Italiaanse begroting. Maar centrum-links, centrum-rechts en de centrum-beweging van Monti komen er samen niet uit. Terwijl de Italiaanse groei- en werkgelegenheidcijfers steeds roder worden, het begrotingstekort stijgt en de beurzen blijven dalen, staat de Italiaanse politiek een half jaar stil. Dan grijpen de Europese regeringsleiders in. Ze dwingen wederom een zakenkabinet af, nu geleid door de voorzitter van de Europese centrale bank Mario Draghi. Dit kabinet is niet alleen verantwoording schuldig aan het Italiaanse parlement maar ook aan de Europese raad. In ruil voor het zakenkabinet krijgt de Italiaanse bankensector en de Italiaanse overheid financiele steun vanuit Brussel. Deze reddingsoperatie zuigt het grootste gedeelte van het Europese noodfonds leeg.

3. “This was common practice for Italian bankers”
Nog geen halve week nadat de reddingsoperatie rond is, breekt er een groot corruptieschandaal los in de Italiaanse bankensector. Deze blijkt structurele banden te hebben met de Maffia. In geheime afspraken werd door grote Italiaanse banken geld geleend aan de Maffia om politici om te kopen voor ‘goede diensten’, en vervolgens het geleende geld terug te betalen met forse rentes. Op het moment dat de Italiaanse banken onder Europese controle komen, blijkt deze constructie onhoudbaar, maar blijken daarmee de omzetcijfers van bijna alle grote Italiaanse banken gebaseerd op drijfzand. De Europese regeringsleiders voelen zich genoodzaakt om alle grote Italiaanse banken op te kopen.

4. “The coordinated VAT-increase will be a solidarity tax with the Italian people.”
Europese regeringsleiders willen het reddingsfonds en opkoop van Italiaanse banken niet langer uit hun (onder grote druk gekomen) begrotingen financieren en besluiten het te betalen uit een ‘gecoordineerde BTW-verhoging’ van 1%. Het is een vondst van de Finse commissaris Olli Rehn. Alle Europese lidstaten verhogen hun BTW met 1%. Maar eigenlijk wordt dit de eerste Europese belasting. Europese regeringsleiders verdedigen in de eerste maand de impopulaire maatregel met verve: het is een Europese solidariteitsbelasting. Maar in de lidstaten wordt dit niet zo gezien: mensen weigeren om de belasting te betalen, bedrijven weigeren om de belasting af te dragen. De Nederlandse publicist Ewald Engelen twittert dat de BTW verhoging “a tax on European solidarity” is. Op 9 november 2013 wordt in Odense een pizzeria in brand gestoken door een groep die zich “Vrede Skatteydere” noemt.

5. “Verdere bezuinigingen zijn noodzakelijk.”
De Italiaanse regerings- begrotings- en bankencrisis leidt tot een nieuwe ronde Catshuisonderhandelingen voor het fragiele kabinet Rutte/Asscher. Binnen de PvdA stuurt met name Jeroen Dijsselbloem, die als voorzitter van de Euro-raad een grote druk voelt om verantwoordelijkheid te nemen, aan op ernstige bezuigingen. In Mei 2013 wordt het pakket bekend:

  • verhoging van het eigen risico in de zorg en invoering van eigen bijdrages;
  • verhoging van de nominale zorgpremie;
  • een grote bezuiniging op het onderwijs;
  • een algemene verlaging van alle uitkeringen (behalve de AOW) met 10%;
  • en een algemene verhoging van de inkomensbelasting.

De PvdA verdedigt het Catshuisakkoord met verve. De PvdA-ministers kloppen zichzelf op de borst om hun vermogen om over hun eigen schaduw heen te springen. De PvdA-ministers vertellen het eerlijke verhaal: de crisis raakt iedereen maar het begrotingspakket is sterk en sociaal. Sterk door de nadruk op bezuigingen en sociaal door de verhoging van de inkomstenbelasting.
Er wordt een onwaarschijnlijke meerderheid in de Eerste Kamer gevonden die naast de coalitiepartijen bestaat uit ChristenUnie, SGP, D66 en de dissidente 50Plus-senator Kees de Lange.

6. “Nu doet u het weer!”
Voor oppositieleider Roemer is dit echter het draaipunt. Hij zegt tegen PvdA-leider Samsom in het debat over het begrotingsakkoord 2014: “Nu doet u het weer. In het regeerakkoord liet u uw rode veren al door Rutte plukken, maar er is niets meer te plukken, meneer Samsom, u laat zich hier publiekelijk villen door Rutte en zijn begrotingsfundamentalisme. Er blijft niets over van de rode haan”. Na het akkoord daalt de PvdA sterk in de peilingen: er blijven nog maar 15 zetels over. Ook de VVD moet ernstig inleveren. Bovenaan de peilingen staan de SP en de PVV die stem geven aan de ontevredenheid over de aanhoudende Europese crisis, de solidariteitsbelasting met de Italianen en het hardvochtige begrotingsbeleid. Coalitiepartners VVD en PvdA houden elkaar innig vast. Maar met de Europese en gemeenteraadsverkiezingen van 2014 in beeld begint het verstandshuwelijk steeds meer op een gezamelijk zelfmoordpact te leiden

7. “Razzia’s keren naar 70 jaar terug in de Amsterdamse straten.”
In een poging om daadkracht te tonen in tijden van crisis voeren VVD en PvdA met steun van de PVV de strafbaarstelling van illegaliteit versneld door. Tijdens een ontspannen diner halen premier Rutte en vice-premier Asscher de Amsterdamse burgemeester Van der Laan over om in een gecoordineerde actie een groot deel van de Amsterdamse illegalen op te pakken. Asscher ziet het als de mogelijkheid om een eind te maken aan mensenhandel. “Operatie schone straten” noemen ze het. De Amsterdamse GroenLinks-fractie trekt zich -verblogen over dit plan- terug uit het college. De Amsterdamse GroenLinks-leider Van Poelgeest houdt een felle, emotionele speech tegen het voornemen van het college. Maar het baat niet. Vanaf kerstavond 2013 gaan er geuniformeerde mannen door Amsterdam, van de afdeling speciale politie-operaties, die bij ieder huis aankloppen om er te kijken of er geen illegalen wonen en zo ja, deze meenemen naar een detentiekamp.

Naast het internationale en nationale economische nieuws domineren drie onderwerpen de media:

8. “Ik heb nooit seksuele relaties gehad met Prins Charles.”
In april breekt de Story met een schokkend verhaal: Koningin Beatrix zou de buitenechtelijke minnaar zijn van Prins Charles. Na het ongeluk van Friso zouden via Mabel de contacten tussen het Nederlandse en Britse Koningshuis heel innig zijn geworden. Beatrix zou steun vinden in de flegmatische humor van de Britse kroonprins. Van het verhaal is volgens de Rijksvoorlichtingdienst weinig waar. Er zou sprake zij van goede contacten tussen de Koningin en de kroonprins, maar van nachtelijke escapades in Buckingham Palace, die door een rancuneuze ex-butler aan de Story gelekt zijn, is niets waar. De mediastorm is enorm. Koningin Beatrix voelt zich genoodzaakt om afstand te nemen van het verhaal in een publieke toespraak aan het einde van Koninginnedag 2013. Hiermee drukt zij echter de speculaties over haar relatie met Charles, die zij in de speech ook niet ontkent, niet de kop in. Dit verhaal blijft de media domineren tot een nieuwe hype zich meldt.

9.  “Ik eis dat de minister naar Moskou gaat om te eisen dat ze hun duikbootoperaties in de Noordzee stoppen.”
In juni van 2013 spoelen er twee bultruggen aan in Nederland. Staatssecretaris Sharon Dijksma had de invoering van een zeezoogdierenprotocol echter uitgesteld omdat zij bezig was met Europese onderhandelingen over de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De creatieve Finse eurocommissaris Olli Rehn was namelijk met het innovatieve idee gekomen om de Italiaanse banken omhoog te houden met geld dat bedoeld was voor Italiaanse olijvenboeren. Nederland leidt de oppositie tegen dit ongelofelijke plan. PvdD-leider Marianne Thieme wil Dijksma echter aan de schandpaal nagelen voor haar nalatigheid. Zij eist een spoeddebat en dreigt met een motie van wantrouwen. Het debat krijgt een absurdistisch karakter omdat Dion Graus in De Telegraaf had gelezen dat de ‘tsunami van bultruggen’ veroorzaakt was door de verouderde sonar van Russische onderzeeboten die door internationale wateren varen. Maar ook de eigen PvdA-fractie is ontevreden over Dijksma, in de eerste plaats omdat een aantal fractieleden zichzelf geschikter had gevonden om staatssecretaris te worden. De staatssecretaris stelt zich koppig op in het debat en vindt zo de hele oppositie tegen zich… en zo blijkt in het debat in september 2013, zeven dissidente PvdA’ers, geleid door Lutz Jacobi. De bultruggen en de langzame val van staatssecretaris Dijksma domineren het nieuws.

10. “The internet ruined the Hobbit for everyone.”
In zomer van 2013 lekt The Hobbit II uit, in een versie met alles erop en eraan behalve de 3D-effecten. De fantasy/avonturenfilm wordt de meest gedownloade film van de zomer. Aidan Turner, die de enige dwerg speelt zonder prosthetics, laat menig meisjeshart sneller kloppen. Als in december 2013 de film uitkomt sterft een jongen met epilepsie in de filmzaal. Volgens zijn moeder vanwege de 3D-effecten die zijn epilepsie hadden verergert; volgens de autopsie omdat de jongen die 3 dagen in de regen had zitten wachten om een kaartje voor de premier te krijgen leed aan open TBS. De moeder brengt via YouTube haar ideeen over de gevaren van 3D-filmmaken de wereld in. Bange moeders verbieden massaal hun kinderen om naar The Hobbit II te gaan. De download van de normale 2D versie breekt alle piraterijrecords.
Peter Jackson verklaart dat The Hobbit III niet zal uitkomen. Internetpiraterij maar ook de manier waarop onzin zich via de sociale media met hoge snelheid over de planeet verspreidt, heeft het plezier (en de winst) filmmaken voor Jackson volslagen kapot gemaakt. Deze opvallende gang van zaken domineert het nieuws in de laatste maand van 2013.

Drie verhalen worden door de media-hypes echter buiten het gezichtsveld van het Nederlandse publiek gehouden.

11. “The climate crisis has taken much stronger forms much earlier then our models projected.”
Het internationale panel over klimaatverandering (IPCC) oordeelt in de herfst van 2013 dat de series van orkanen in 2012 en in 2013 het gevolg zijn van klimaatverandering. Ook de aanhoudende droogte in de de Amerikaanse mid-west zouden hier volgens het panel een directe gevolg van zijn. Datzelfde geldt voor de overstromingen van de Maas in Belgie en de Rijn in Duitsland in de lente van 2013. En van het verdwijnen van de eerste eilanden van Vanuatu onder de zeespiegel. Nederland blijft van overstromingen gespaard. De modellen waren volgens de klimaatwetenschappers te conservatief. Nu oordelen zij dat niet in 2090 maar in 2030 de temperatuur met 4 graden zal stijgen.
In Nederland krijgt het onderwerp nauwelijks aandacht. Alleen Helma Nepperus weet er gebruik van te maken. Zij buit de onzekerheid over de klimaatvoorspelling uit om alle conclusies van het IPCC op losse schroeven te zetten. Een spetterend optreden in Pauw en Witteman, waarin zij vakkundig de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving wegzet als een bureaucraat uit “1984″ die de ene dag zeker weet dat X waar is en de andere dag zeker weet dat Y waar is, kattapulteert haar naar het fractievoorzitterschap van de VVD nadat Halbe Zijlstra in 2013 voorzitter van de Raad van Cultuur wordt.

12. “Higgs Boson found. Scientific progress has come to its natural end.”
De gevolgen van de Europese bezuinigingen op wetenschap worden duidelijk. De Large Hadron Collider in Geneve wordt gesloten, net nu er grote stappen worden gemaakt met de ontdekking van de allerkleinste deeltjes. Maar op de Europese begrotingen is geen ruimte meer voor wetenschap, trouwens ook niet meer voor kunst of natuur, alleen nog maar voor steunpakketten voor banken en werkloosheidsuitkeringen. Het ongeloof van wetenschappers over het sluiten van deze wetenschappelijke instelling vindt geen aansluiting bij de media: het ‘goddeeltje’, de Higgs Boson was toch gevonden? De wetenschap was toch af? Voor de nuance dat 99.99% zekerheid iets anders is dan 100% en dat de wetenschap niet ‘af’ is nu dit deeltje met enige zekerheid waargenomen was, was geen ruimte; noch bij de media, noch bij de internationale politiek. Zelfs de brandbrief van Nobelprijswinnaars Veltman en ‘t Hooft dat hiermee fundamenteel natuurkundig onderzoek effectief de nek om wordt gedraaid, wordt niet geplaatst in de Volkskrant: te ingewikkeld.

13. “We all love Al-Assad. We always loved Al-Assad. We will always love Al-Assad.”
De Syrische burgeroorlog blijft doorsmeulen. De internationale gemeenschap blijft tot op het bot verdeeld over ingrijpen. De Russische president Poetin en de Chinese premier Wen steunen Assad. De Amerikaanse steun voor de Islamitische rebellen neemt af, als blijkt dat hun kans om te overwinnen steeds kleiner wordt. Ook het vertrek van interventionisten als Susan Rice en Clinton maakt Obama veel minder geneigd om in te grijpen. Nu bestuurt John Kerry, die door zijn eigen ervaring in Vietnam een afkeer heeft voor militair ingrijpen, het State Department. Op 27 augustus 2013 kleuren de straten van Damascus rood… rood van de duizende rozenblaadjes die worden neergegooid door aanhangers van Assad. De president verklaart op die dag dat de politionele operaties in Syrie gestopt zijn en alle stabiliteit in het land is teruggekeerd. De beelden van president Al-Assad, die, gekleed in een traditioneel Syrisch wit gewaad in een zee van rode rozenblaadjes loopt, bereiken de Nederlandse televisie nog wel, maar voor de verhalen van de tienduizenden politieke gevangen, de verhalen over martelingen en de verhalen over het verdwijnen van de aardbodem van complete dorpjes is geen ruimte in de “verschillige” praatprogramma’s, waar met name aandacht is voor het prive-leven van de Koningin, de bultrug en verhalen van Alexander Klopping over hoe Peter Jackson niet mee kan doen in de moderne informatiesamenleving.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

Wat is er overgebleven van de CPN in GroenLinks?

GroenLinks is gevormd als een fusie van vier partijen: de links-socialistische dissidentenpartij Pacifistisch-Socialistische Partij, de progressief-Christelijke groene partij Politieke Partij Radikalen, de Communistische Partij Nederland en de Evangelische Volkspartij. Die eerste twee partijen zijn duidelijk te herkennen in het huidige GroenLinks: GroenLinks heeft de partijcultuur van de PSP geërfd (‘discussiepartij‘) en de standpunten van de PPR (‘groen, solidair, libertair‘). De Evangelische Volkspartij sloot zich pas relatief laat bij de fusie aan, maar is nog steeds helder herkenbaar door de Linker Wang. Rest de vraag: wat kunnen we herkennen van de CPN in GroenLinks?

Leninisme, Moskou en anti-fascisme
De Communistische Partij Nederland is gevormd in 1909, acht jaar vóór de Russische revolutie, als Sociaal-Democratische Partij. Binnen de grote sociaal-democratische beweging Sociaal-Democratische Arbeiderspartij was er felle discussie tussen reformisten, die zich wilden richten op een parlementaire strategie en revolutionairen, die geloofden dat het parlementaire werk de onvermijdelijke arbeidersrevolutie slechts zou vertragen. De revolutionairen splitsten zich af. In 1918 veranderde de partij haar naam in Communistische Partij Holland, sloot zich aan bij de door Moskou geleide Communistische Internationale en onderschreef ze een leninistische maatschappijvisie.

Gedurende de jaren ’30 ontwikkelde de CPH (sinds 1937 Communistische Partij Nederland, CPN) een anti-fascistisch profiel. Tijdens de bezetting namen veel communisten deel aan het verzet: ze organiseerden de Februaristaking. De illegale communistische krant De Waarheid, was een van de voornaamste gezichten van het verzet.
Na de oorlog werd de CPN beloond met 10% van de stemmen. De CPN was een partij van de arbeidersklasse die sterk stond in de arme landbouwgebieden in het Noorden en de volkswijken in Westelijke steden. Uiteraard onderschreef de CPN een marxistische maatschappijanalyse waarbij de bourgeosie, de bezittende klasse, de arbeidersklasse, het proletariaat, onderdrukte. De maatschappij was misschien de jure democratisch, maar de economische ongelijkheid hield de facto de arbeidersklasse geknecht. In de dagelijkse politiek richtte de partij zich op de verbetering van de materiële positie van de arbeidersklasse onder de paradoxale leus “hogere lonen, lagere prijzen” en op de versterking van de vakbond. De partij streed voor de onafhankelijkheid van Indonesië, verketterde de rol van Amerika in de internationale politiek (denk aan kernbewapening en blokvorming) en vergoeilijkte de rol van Moskou (haar bewapening en blokvorming waren een reactie tegen de imperialistische politiek van het Westen). Vanwege haar verzetsverleden was de partij fel anti-fascistisch en verzette ze zich tegen anti-semitisme. Ook was de partij hierom fel anti-Duits. De partij maakte zich grote zorgen over ‘West-Duits revanchisme’, dat Duitsland haar gelijk na de oorlog nog wel zou komen halen. De CPN was democratisch centralistisch georganiseerd: de beslissingen werden genomen aan de top, met name door partijleider Paul de Groot. Vervolgens werd de rest van de partij aan deze beslissingen gebonden. Toen de Koude Oorlog langzaam opwarmde eind jaren ’40 kwam de CPN in een steeds geïsoleerdere positie te staan: in politiek opzicht maar ook electoraal nam de steun voor de communisten gestaag af.

Marxisme, feminisme en anti-Amerikanisme
Eind jaren ’60, de periode van de universiteitsbezettingen, nam de populariteit van de CPN toe. Een deel van de studenten sloot zich aan bij de CPN, omdat dit de partij was van de arbeidersklasse. De partij koos de kant van de studenten in de discussies over democratisering. De CPN verzette zich daarnaast consequent tegen het Amerikaans buitenlands beleid: kernbewapening, Vietnam, en de steun voor Apartheid.

Met deze studenten kreeg de CPN een energieke nieuwe generatie in haar midden. Marius Ernsting is zo’n figuur: hij was een voorman van de anarchistische Kabouterbeweging geweest maar werd daarna Kamerlid voor de CPN. De studenten die zelf streden voor radicale democratisering, sloten zich aan bij een partij die intern niet democratisch was. In jaren ’80 werd de partij intern gedemocratiseerd: Paul de Groot, de grote man van de CPN tot de jaren ’70, verloor al in 1978 zijn erevoorzitterschap.

Het profiel van de CPN draaide: maatschappelijke democratisering maar ook emancipatie kwamen hoger op de agenda te staan. De partij voegde feminisme toe aan haar uitgangspunten, naast marxisme. De rigide marxistische maatschappijanalyse werd gemakkelijk naar man-vrouw-, allochtoon-autochtoon- en homo-hetero-verhoudingen vertaald: mannen, hetero’s en autochtonen onderdrukte vrouwen, homo’s en allochtonen, zoals de bourgeoisie het proletariaat onderdrukte. In de egalitaire samenleving die de CPN nastreefde moesten ook deze machtsongelijkheden vereffend worden. Zoals de strijd voor de positie van arbeiders een strijd van een groep was, zag de CPN de strijd van homo’s, vrouwen en migranten in termen van groepen, niet individuen. De partij koos in 1981 voor drie heldere speerpunten: een sterke overheid die het opnam voor de arbeidersklasse, verzet tegen kernbewapening en maatschappelijke democratisering, inclusief gelijkberechtiging van vrouwen, homo’s en migranten. De CPN was deels veranderd, maar bleef ook haar communistische wortels trouw: nog in 1989 waren er CPN-vertegenwoordigers bij de viering van 40 jaar DDR in Berlijn.

De generatie jonge studenten bleek een Trojaans Paard: deze stonden ver af van de leefwereld van de arbeidersklasse. Terwijl volkswijken in rap tempo verkleurden, pleitte de CPN voor de rechten van migranten, homo’s en vrouwen. De Socialistische Partij voelde dit beter aan en verzette zich juist tegen feminisme en arbeidsmigratie. Electoraal ging de CPN erop achteruit. In reactie koos ze voor versterkte samenwerking met linkse intellectuele partijen als PSP en PPR in raden en staten, en in het Europees Parlement. Hierachter zat een electorale logica maar ook een inhoudelijke: nu de CPN van een Stalinistische partij een linkse emancipatiepartij was geworden, waren de verschillen met de PSP en de PPR verdwenen. In 1986 verloor de CPN al haar zetels in de Tweede Kamer en drie jaar later ging ze op in GroenLinks.

Linkse emancipatiepartij
Wat is er over van de CPN in het huidige GroenLinks, een links-liberale intellectuelenpartij? Zeker in de eerste jaren waren er veel CPN’ers op prominente plekken: in 1994 waren de partijvoorzitter (Harrewijn) en de lijsttrekkers bij de Tweede Kamer- (Brouwer) en de Europees Parlementsverkiezingen (Van Dijk) oud-communisten. Veel prominente migrantenpolitici (Singh Varma en Pormes) kwamen voort uit de CPN. Tot 2010 hadden er twee Eerste Kamerleden een CPN-achtergrond (Laurier en Van der Lans). Maar de plek waar de CPN het best vertegenwoordigd is geweest is onder partijbestuurders: van de negen partijvoorzitters van GroenLinks komen er vier voortuit de CPN. Het CPN-electoraat had de CPN al verloren, maar dat heeft GroenLinks ook niet terugveroverd. De SP en de PVV doen het nu sterk in traditionele CPN-wijken.

Programmatisch gezien lijkt er weinig over van de CPN in het huidige GroenLinks: het hervormingsgezind-sociale economische verhaal van GroenLinks staat veraf van het programma van de CPN. Je zou nog kunnen zeggen dat GroenLinks met haar nadruk op de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt en haar pleidooi voor een gelijkere positie van outsiders de doelen van de CPN nastreeft, maar de middelen die ze in discussie heeft gekozen (een harde aanval op de vakbeweging en de gevestigde rechten) past niet bij de CPN. Maar ook op internationaal terrein lijken de twee partijen nauwelijks op elkaar: GroenLinks wil dat de internationale gemeenschap optreedt om mensenrechten te beschermen, terwijl de CPN het optreden van het NAVO-blok veroordeelde, omdat dit altijd het eigenbelang van het Westen zou dienen. Alleen op cultureel vlak vertonen de CPN en GroenLinks een sterke gelijkenis: beide partijen zetten zich in voor emancipatie van vrouwen, homo’s en migranten. Maar zelfs hier is het onderscheid tussen de CPN en GroenLinks groot: de CPN legde de nadruk op groepssolidariteit, anti-discriminatie en sociaal-economische achterstelling en GroenLinks heeft veel meer oog is voor individuele vrijheid, vrijheid van godsdienst en de onderdrukking binnen groepen.

Breng de camera de rechtbank in!

Veel Nederlanders vinden dat er zwaarder gestraft moet worden. Ze krijgen van de koppen van De Telegraaf mee wat er zoal in Nederlandse rechtbanken gebeurt. Ze blijven over met het gevoel dat “D66-rechters” met hun softe opstelling de veiligheid van hen en hun kinderen in gevaar brengen door de ene na de andere kinderlokker, moordenaar of loverboy met een taakstraf naar huis toe te sturen.

Als mensen meelopen met een rechtzaak en dezelfde informatie krijgen als een rechter dan geven ze gemiddeld een lagere straf dan de rechters zelf. De roep om zwaardere straffen is in de magistratuur goed aangekomen. Rechters en aanklagers nemen steeds vaker de maatschappelijke impact van een misdrijf mee in de straf of de eis. En toch heeft de Nederlandse burger nog steeds het gevoel dat er te licht gestraft wordt.

Er is binnen de Nederlandse rechtsstaat een epistemische kloof, een kenniskloof. Een belangrijke voorspeller van of mensen zwaardere straffen of een hardere aanpak van criminaliteit voorstaan, is hun opleidingsniveau: lager-opgeleiden zijn vaker voorstander van de doodstraf en hebben minder vertrouwen in rechters dan hoger-opgeleiden. Het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is in plain sight:* lager-opgeleiden begrijpen, vanwege hun kortere opleiding en een gebrek aan sociaal kapitaal minder van complexe maatschappelijke fenomenen als politiek of rechtsspraak. Ze weten gewoon niet wat er in de rechtzaal gebeurt. Ze hebben geen idee hoe een straf tot standkomt: immers als Henk en Ingrid een rechtzaak volgen, in een soort burgerjury, dan straffen ze gemiddeld lager dan rechters dat doen. Maar in de ge-emancipeerde samenleving mag de mondige burger wel een mening hebben over wat er in de rechtzaal gebeurd, zelfs als die zwak onderbouwd is, en heeft hij het volle recht om op partijen te stemmen die oproepen rechters te dwingen nog zwaarder te straffen.

De vraag is hoe we deze kenniskloof kunnen overbruggen. Jury-rechtsspraak zou kunnen helpen: burgers worden dat gedwongen opgenomen in de rechtsgang en moeten zelf oordelen over een zaak. Dit lijkt me te rigoreus: je offert de expertise en de neutraliteit van de rechter en daarmee het principe van een fair trial op voor  volksopvoeding. Ik geloof niet dat burgers betere rechters zijn dan rechters zelf, sterker nog: we willen juist het gebrek aan oordeelkundigheid van de burger aanpakken.

Onderwijs is ook een oplossing. Naast media-training, Frans, Duits, wiskunde en verzorging moeten middelbare scholieren ook een inleiding in het recht krijgen. Het fascinerende probleem is natuurlijk dat het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is dat de tweede groep veel minder gevoelig is voor klassikaal onderwijs. Daarom zijn deze mensen lager-opgeleid. Je zou daarom misschien als onderdeel van de middelbare school iedere leerling naar een rechtbank kunnen sturen zodat ze een beeld kunnen krijgen van de rechtsgang dan uit stoffige boekjes. Dat lijkt me een goede investering (alhoewel niet helemaal Dijsselbloem-proof), maar de vraag is of een eenmalig bezoek van een snel-afgeleide puber deze kloof kan overbruggen.

Een interessante oplossing las ik vanochtend in De Volkskrant. Naar aanleiding van de integraal op televisie uitgezonden zaak-Wilders (“rechtzaak van de eeuw”) stelde een commissie voor om de televisiecamera een grotere rol te laten spelen in iedere rechtszaal. Echter, zo waarschuwde de commissie: Court TV was voor hen een stap te ver. Het was niet de bedoeling om nog meer sensatiebeluste journalisten in de rechtszaal toe te laten en 24/7 uit te zenden vanuit de rechtszaal. Maar wat is daar mis mee? Je zou je kunnen voorstellen dat rechters juist door de publieke aspecten van rechtsgang  met een zo groot mogelijk publiek te delen begrip voor hun beslissingen kunnen kweken. Je zou dat kunnen koppelen de mogelijkheid (om virtueel) mee te lopen met een zaak of een afgesloten zaak stap voor stap te volgen. Ik denk dat Court TV, een soort Rechtbank 24, naar analogie van Politiek 24, een interessante manier is om de kenniskloof over de rechtbank (deels) te overbruggen.

De huidige ontwikkeling in de rechtsstaat zit vol van tegenstellingen: rechters en aanklagers worden steeds gevoeliger voor argumenten uit de maatschappij, maar door de camera uit de rechtzaal te weren maken zij de maatschappij niet gevoelig voor hun argumenten.

* Vaak wordt de groeiende kloof tussen hoger – en lageropgeleid ten onrechte gekoppeld aan een verschil in belangen tussen de lager-opgeleide onderklasse, die de internationale concurrentie voelen en de hoger-opgeleide bovenklasse, die een zeker perspectief heeft op werk. Als iemand een tijdje mee loopt op de universiteit (de werkplek van hoger-opgeleiden bij uitstek) zal hij zien dat er geen andere werkplek is met zo’n hoge internationalisering en baanonzekerheid als deze.