De geletterde klasse

“Waarde taalminnaars”, zo opende een collega een email die ook aan mij geaddresseerd was. Schijnbaar was de auteur onder de indruk dat ik me rekende tot het gilde der taalminnaars. Die neiging had ik nog nooit gevoeld, als ik me van een ding zou willen bevrijden is het van de dictatuur van het geschreven woord.

Is het geschreven woord superieur?
We leven in een dictatuur van het geschreven woord. Terwijl we uit wetenschappelijk onderzoek maar al te goed weten dat lezen maar één manier is om ons te informeren en lang niet altijd de meest efficiënte. Veel relaties laten zich lastig in woorden vatten, maar kunnen visueel gemakkelijk worden weergegeven. In woorden een complexe statistische relatie uitleggen is vaak weinig verhelderend: bijvoorbeeld als mensen een genetische aanleg hebben, leidt het eten van veel suikers tot een grotere kans op diabetes, dan het weinig eten van suikers. Als mensen die genetische aanleg niet hebben dan is de relatie tussen het eten van suikers en diabetes veel zwakker. Die twee tamelijk complexe zinnen kunnen worden teruggebracht tot twee lijnen in grafiek, waarmee je de relatie veel intuitiever kan begrijpen.  Ik kan je uit leggen hoe je moet lopen van station naar het gemeentehuis, maar als ik het teken heb je daar veel meer aan. Na een college statistiek begrijp je de wiskunde vaak veel beter, dan na het lezen van het handboek, omdat het geschreven woord niet altijd het beste medium is om informatie over te dragen.

We leven in een maatschappij die het woord boven alles waardeert. Als iemand ergens een boek over geschreven heeft dan wordt hij gezien als de expert. In wetenschap gaat het om publicaties in top-wetenschappelijke bladen, niet om optredens op Radio 1. De hoogste kunstvorm is een roman, een goedgespeelde televisieserie of film wordt gezien als oppervlakkig. Het zou een grote schande zijn dat mensen minder voor hun plezier boeken lezen. Televisie-kijken, sporten of computeren zijn uitingen van de consumptiemaatschappij, terwijl lezen toch een superieure activiteit is. Het feit dat je voor het eindexamen in 1960 nog 40 boeken moest lezen en nu minder dan 10 zou aangeven dat er een maatschappelijke probleem is. Over dit fenomeen, ontlezing, wordt veel geklaagd (met name door oud-docenten Nederlands). We kennen het verhaal maar al te goed. Keer op keer zouden technologische ontwikkelingen ervoor zorgen dat we minder gaan lezen: de radio, de televisie, het internet zouden onze samenleving ondermijnen. Keer op keer stonden we aan de rand van de afgrond. De overheid heeft ons met royale subsidies voor openbare bibliotheken, nog net gered van de ondergang.

Lezen en schrijven hebben hun eigen criteria. Als je vraagt of je een boek moet lezen, dan is vaak de eerste reactie: “ja, dat boek las lekker weg.” of “nee, dat boek was niet om door te komen.” Het is niet de vraag of (voor fictie) het boek ons emotioneel raakt, of (voor non-fictie) of het waar is, maar of het mooi geschreven is. Dit is een esthethisch criterium. Waarheid wordt ondergeschikt gemaakt aan schoonheid.

Waarom is lezen dan zo belangrijk?
Om deze maatschappelijke normen te begrijpen, moeten we de machtsstructuren in de huidige samenleving doorgronden. Deze maatschappij wordt beheerst door de geletterde klasse. In ons onderwijs speelt taal een ongelofelijk grote rol: het kerndoel van het basisonderwijs is leren lezen en schrijven. Je gevoelens of ideeën uiten door te schilderen of te kleien neemt na de peuterklassen een steeds minder grote rol in het onderwijs. De regels van de grammatica en het vervormen van onze handen zodat we kunnen schrijven, worden juist steeds prominenter. Dit heeft een disciplinerende werking: kinderen worden gedwongen zich aan bepaalde regels te houden. Diegenen, de geletterde klasse-in-spe die deze regels kennen komen vooruit; diegenen zich verzetten tegen deze disciplinering, worden achtergehouden. Als we kijken naar het curriculum van de middelbare school wordt deze disciplinering alleen maar doorgezet, Je kan een VWO-diploma komen als je nauwelijks kan optellen, maar niet zonder Engels en Nederlands, literatuur en nog een extra moderne vreemde taal. De meest ‘intelligente’ leerlingen (dat zijn de mensen die zich het makkelijkst schikken in de regels van de geletterde klasse) die komen terecht op het gymnasium, waar met name wordt geïnvesteerd in het leren lezen van een dode taal. Dat dient geen ander doel dan het bevestigen van de macht van de geletterde klasse. Diegenen die de dubieuze eer hebben gehad om na de middelbare school geselecteerd te worden voor een topuniversiteit (uiteraard op basis van een motivatiebrief, weer zo’n machtsmiddel van de geletterde klasse) worden daar gedwongen om in een afwisselend ritme te lezen en essays te schrijven. Dat zou dan onafhankelijke kritische meningsvorming stimuleren, terwijl het weinig meer doet dan het verder opleggen van de grammatica-, stijl- en spelregels van de geletterde klasse. De allerslimsten, of eigenlijk diegenen die het best door de hoepel van geletterde klasse kunnen springen die krijgen vervolgens de mogelijkheid om een proefschrift te schrijven; want dat is voor een wetenschapper het hoogste: een boek.

En uit deze groepen selecteren we onze leiders: alle Kamerleden en hoge ambtenaren hebben een universiair of HBO-diploma. Dat zou een testament zijn van hun geschiktheid voor zulk soort ambten, terwijl zo’n diploma weinig zegt over de emotionele, artistieke of gymnastische intelligentie van zo’n persoon. De beste president van de Verenigde Staten, Lincoln, had de slechtste opleidingen van alle presidenten, terwijl de Vietnam-oorlog is begonnen door mensen die als we hun diploma’s moeten geloven the best and brightest van hun generatie waren.  Alle hoge ambten in de politiek, de economie en de media worden bekleed door geletterde klasse. Ze vormen zo een politieke klasse die al millenia -zij het onder het mom van democratie, monarchie of dictatuur- de wereld naar haar hand zet. De selectiecriteria van deze ambten hebben ze zo kunnen formuleren dat ze voor mensen die niet uit de geletterde klasse komen, onmogelijk zijn om aan te voldoen.

Vanuit deze positie kunnen ze de maatschappij reguleren. Het mag dan ook niet verbazen dat onze maatschappij geordend wordt door wetboeken. Het zijn deze geschreven woorden die bepalen wat wel of niet mag, wat beloond wordt en wat bestraft. Zo worden de taalregels die onze kinderen al disciplineerden, wederom gebruikt om de ongeletterden in de macht van de geletterde te houden .

De centrale plaats die het woord inneemt in onze samenleving is niet van vandaag of gisteren. We kunnen de overheersing van de geletterde klasse teruglezen in de Bijbel, het Woord van God. God communiceert met ons door woorden: die hij brandt in stenen. Een van deze geschreven geboden is het verbod op beelden. In de Abrahamistische religies wordt dit gebod in meer of in mindere mate opgevolgd: de beeldenstorm was een aanval van de geletterden tegen de ongeletterden. Onze zogenaamde Joods-Christelijke cultuur is weinig meer dan een legitimering van de macht van de geletterde klasse.

U begrijpt: onze samenleving is een wrede dictatuur, die zich geheel focust op de vaardigheden van lezen en schrijven. Deze bepalen de sociale status van mensen: bovenaan staat de geletterde klasse die met spellingsregels, motivatiebrieven en proefschriften de bestaande maatschappelijke ordening in stand houden. Voor de ongeletterde klasse wordt de taal gebruikt als een wreed disciplineringsmiddel.

Ongeletterden allerlanden?
Een taalminnaar kunt u mij dus niet noemen: een taalminnaar is een collaborateur die zich heeft overgegeven voor dictatuur van de geletterde klasse. Een taalminnaar leeft onder de foute vooronderstelling dat je beter onzin kan op schrijven dan dat je een spelfout mag maken.
Ongeletterden aller landen verenigt u: visueel ingestelden, wiskundig begaafden en muziekliefhebbers, verscheur de papieren ketenen die u binden aan de onderdrukkende regels van de geletterde klasse.

Breng de camera de rechtbank in!

Veel Nederlanders vinden dat er zwaarder gestraft moet worden. Ze krijgen van de koppen van De Telegraaf mee wat er zoal in Nederlandse rechtbanken gebeurt. Ze blijven over met het gevoel dat “D66-rechters” met hun softe opstelling de veiligheid van hen en hun kinderen in gevaar brengen door de ene na de andere kinderlokker, moordenaar of loverboy met een taakstraf naar huis toe te sturen.

Als mensen meelopen met een rechtzaak en dezelfde informatie krijgen als een rechter dan geven ze gemiddeld een lagere straf dan de rechters zelf. De roep om zwaardere straffen is in de magistratuur goed aangekomen. Rechters en aanklagers nemen steeds vaker de maatschappelijke impact van een misdrijf mee in de straf of de eis. En toch heeft de Nederlandse burger nog steeds het gevoel dat er te licht gestraft wordt.

Er is binnen de Nederlandse rechtsstaat een epistemische kloof, een kenniskloof. Een belangrijke voorspeller van of mensen zwaardere straffen of een hardere aanpak van criminaliteit voorstaan, is hun opleidingsniveau: lager-opgeleiden zijn vaker voorstander van de doodstraf en hebben minder vertrouwen in rechters dan hoger-opgeleiden. Het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is in plain sight:* lager-opgeleiden begrijpen, vanwege hun kortere opleiding en een gebrek aan sociaal kapitaal minder van complexe maatschappelijke fenomenen als politiek of rechtsspraak. Ze weten gewoon niet wat er in de rechtzaal gebeurt. Ze hebben geen idee hoe een straf tot standkomt: immers als Henk en Ingrid een rechtzaak volgen, in een soort burgerjury, dan straffen ze gemiddeld lager dan rechters dat doen. Maar in de ge-emancipeerde samenleving mag de mondige burger wel een mening hebben over wat er in de rechtzaal gebeurd, zelfs als die zwak onderbouwd is, en heeft hij het volle recht om op partijen te stemmen die oproepen rechters te dwingen nog zwaarder te straffen.

De vraag is hoe we deze kenniskloof kunnen overbruggen. Jury-rechtsspraak zou kunnen helpen: burgers worden dat gedwongen opgenomen in de rechtsgang en moeten zelf oordelen over een zaak. Dit lijkt me te rigoreus: je offert de expertise en de neutraliteit van de rechter en daarmee het principe van een fair trial op voor  volksopvoeding. Ik geloof niet dat burgers betere rechters zijn dan rechters zelf, sterker nog: we willen juist het gebrek aan oordeelkundigheid van de burger aanpakken.

Onderwijs is ook een oplossing. Naast media-training, Frans, Duits, wiskunde en verzorging moeten middelbare scholieren ook een inleiding in het recht krijgen. Het fascinerende probleem is natuurlijk dat het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is dat de tweede groep veel minder gevoelig is voor klassikaal onderwijs. Daarom zijn deze mensen lager-opgeleid. Je zou daarom misschien als onderdeel van de middelbare school iedere leerling naar een rechtbank kunnen sturen zodat ze een beeld kunnen krijgen van de rechtsgang dan uit stoffige boekjes. Dat lijkt me een goede investering (alhoewel niet helemaal Dijsselbloem-proof), maar de vraag is of een eenmalig bezoek van een snel-afgeleide puber deze kloof kan overbruggen.

Een interessante oplossing las ik vanochtend in De Volkskrant. Naar aanleiding van de integraal op televisie uitgezonden zaak-Wilders (“rechtzaak van de eeuw”) stelde een commissie voor om de televisiecamera een grotere rol te laten spelen in iedere rechtszaal. Echter, zo waarschuwde de commissie: Court TV was voor hen een stap te ver. Het was niet de bedoeling om nog meer sensatiebeluste journalisten in de rechtszaal toe te laten en 24/7 uit te zenden vanuit de rechtszaal. Maar wat is daar mis mee? Je zou je kunnen voorstellen dat rechters juist door de publieke aspecten van rechtsgang  met een zo groot mogelijk publiek te delen begrip voor hun beslissingen kunnen kweken. Je zou dat kunnen koppelen de mogelijkheid (om virtueel) mee te lopen met een zaak of een afgesloten zaak stap voor stap te volgen. Ik denk dat Court TV, een soort Rechtbank 24, naar analogie van Politiek 24, een interessante manier is om de kenniskloof over de rechtbank (deels) te overbruggen.

De huidige ontwikkeling in de rechtsstaat zit vol van tegenstellingen: rechters en aanklagers worden steeds gevoeliger voor argumenten uit de maatschappij, maar door de camera uit de rechtzaal te weren maken zij de maatschappij niet gevoelig voor hun argumenten.

* Vaak wordt de groeiende kloof tussen hoger – en lageropgeleid ten onrechte gekoppeld aan een verschil in belangen tussen de lager-opgeleide onderklasse, die de internationale concurrentie voelen en de hoger-opgeleide bovenklasse, die een zeker perspectief heeft op werk. Als iemand een tijdje mee loopt op de universiteit (de werkplek van hoger-opgeleiden bij uitstek) zal hij zien dat er geen andere werkplek is met zo’n hoge internationalisering en baanonzekerheid als deze.