Onze monarchie is een testament van onze democratie

Het was vandaag een bijzondere Koninginnedag. In Nederland werd een nieuw staatshoofd ingehuldigd. Dit was, zoals het al bijna 200 jaar gaat, een Koning. Een monarchie is een overblijfsel uit het verleden. Het past beter bij de tijd van tribale stammen dan bij de tijd van smartphones.

In de wereld zijn er achtentwintig regerende koninklijke families. Een deel hiervan regeert onderontwikkelde staten als Lesotho of oliestaten waar democratische vernieuwing is afgekocht met oliegeld zoals Kuweit. Maar er zijn ook elf koninklijke families die regeren in de democratische landen, zoals Noorwegen, Denenmarken en Luxemburg. Een derde van de leden van de club van ontwikkelde landen, de OECD, is een monarchie. Hoe kan het dat zulke ontwikkelde landen een monarch als staatshoofd hebben? Als we kijken naar enkele van deze landen kunnen we veel zien van hoe monarchie en democratie kan samenhangen:

  • Japan is de oudste monarchie van de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikanen bewust ervoor gekozen om de monarchie te laten bestaan, sterker nog de Japanse vorst, Hirhito, leider tijdens Pearl Harbour, mocht aanblijven. Zo bleef een illusie van continuiteit in stand, want Japan werd onder Amerikaanse druk sterk gedemocratiseerd.
  • Het Verenigd Koninkrijk is een zeer oude monarchie. De Engelse monarchie gaat terug naar 895. Sindsdien breidden de Britten langszaam hun terrein uit: het Britse koningshuis heerst nog steeds over vele landen, van Canada tot Australie. Al heel vroeg kregen de Engelse monarchen te maken met een opstandig parlement. In de Engelse burgeroorlog (1642-1651) gingen koningsgezinden en parlement-gezinden met elkaar op de vuist. Maar sindsdien wordt er een balans gezocht tussen Koning en parlement, dat geleidelijk meer en meer richting parlement schuift. Oude aristocratische elementen, zoals het House of Lords en curieuze titels als Lord of the Privy Seal, worden verenigd met algemeen stemrecht (in 1928) en een majoritair politiek stelsel, waarbij over alles fel gedebatteerd wordt, behalve de monarchie.
  • De Zweedse monarchie gaat terug tot mythische tijden. Gedurende de negentiende en vroege twintigste eeuw is Zweden langzaam gedemocratiseerd. En alhoewel Zweden een sterke socialistische stroming kende, is het Koningshuis nooit in gevaar geweest. Het Zweedss Koningshuis accepteerde uiteindelijk dat het parlement politiek het initiatief had en speelt sindsdien een ceremoniele rol. De socialisten werden, na invoering van het algemeen kiesrecht in 1919, ingebed in de parlementair-democratische instellingen en regeerden jarenlang consensueel in een minderheidsregering.
  • Nederland werd een monarchie in 1806 toen ons land van buitenaf een vorst kreeg opgedrongen, namelijk door de Franse Keizer Napoleon. Zo maakte hij niet alleen een einde aan de eerste Franse Republiek, maar ook aan de Nederlandse Republiek, eeuwenlang een toonbeeld van vooruitstrevendheid en vrijheid. In 1813 kwam er een Oranje op de troon, als teken van continuiteit, want de Oranjes waren al jarenlang effectief staatshoofd van Nederland geweest, namelijk als stadshouder van Holland. De Nederlandse vorsten toonden zich plooibaar en gematigd. Toen in 1848 een liberale revolutie zich over Europa uitstrekte, liet Willem II Thorbecke een liberale grondwet schrijven. Dat kenmerkte ook de politieke stijl van de Nederlandse vorsten en elite: meebuigen met maatschappelijke veranderingen, niet tegenstribbelen. Het algemeen kiesrecht werd in 1917, bijvoorbeeld, ingevoerd als onderdeel van een typische Nederlands compromispakket, waarbij socialisten en conservatieven hun deel kregen.
  • Belgie werd in 1839 onafhankelijk van Nederland en koos in lijn met de reactionaire wind in Europa sinds het Congres van Wenen voor een monarchie. Belgie had een zeer liberale grondwet en gold jarenlang als de meest vooruitstrevende staat van Europa, zeker op het gebied van vrijheid van meningsuiting. Behalve de oorlog van onafhankelijkheid kende Belgie geen revoluties of intern geweld. Zoals de federalisering van Belgie nu verloopt, in horten en stoten met kleine stapjes, verliep ook de democratisering van Belgie sindsdien.
  • Spanje is de nieuwste monarchie van de wereld. In 1975 volgde Juan Carlos, de zoon van de 1931 afgezette Koning, de fascistische dictator van Spanje, Franco, op, als staatshoofd. In de fluwelen democratische revolutie was Juan Carlos een teken van stabiliteit.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat monarchieen voortblijven bestaan in landen waar hervormingen geleidelijk verlopen; waar elites de roep op democratie niet wegwuiven, maar schikken en plooien. In Spanje en Japan gaf de monarchie de illusie van stabiliteit in een snel veranderend land.

Vele landen verloren hun monarchen in revoluties: Frankrijk deed dit wel vier keer: twee Koningen en twee keizers werden afgezet. De Russische Revolutie maakte een eind aan de Tsaren. De Duitse monarchie viel door de roep om democratisering na de Eerste Wereldoorlog. De Oosterrijks-Hongaarse monarchie viel door de roep om nationale zelfbeschikking in Centraal Europa. De Italiaanse monarchie werd afgeschaft vanwege de collaboratie van de Koning met de fascisten in de Tweede Wereldoorlog. Deze monarchieen zijn ten onder gegaan omdat de roep om democratisering werd tegengehouden door de elite en dat leidde tot een soms geweldddadige eruptie van onvrede.

Als een land ondanks dat dit een reliek uit het verleden is een monarchie is gebleven, dan komt dit omdat de monarchen hebben geaccepteerd dat hun rol steeds kleiner werd. Dat Nederland nog steeds een monarchie is, is een testament van de democratische gezindheid van onze elite.

De monarchie is niet te duur

Veel republikeinen zijn er niet meer in dit land, zeker niet deze dagen. Er blijven een paar mensen weg uit de kerk, of ze houden wijselijk hun mond als ze een eed moeten zeggen. Bijna niemand durft te pleiten voor de republiek. Soms klagen er wat linkse mensen dat de monarchie wel erg duur. Kan het niet een onsje minder? Zeker in crisistijd? Kunnen de Oranjes niet belasting gaan betalen? 5 miljoen gaat er naar de Koningin per jaar. Dat is toch schokkend?

Schokkend weinig inderdaad. Wat kost een mensenleven? Vanaf zijn eerste levensjaar hebben we Willem-Alexander gedwongen om in the public spot light te staan. Onze aanstaande koning heeft geen serieuze keuze gehad om zelf zijn eigen hart te volgen. Een ding stond vast: vanaf een zeker moment zou hij koning moeten worden. Hij moest de opleiding krijgen die paste bij de kroon. Hij moest een vrouw kiezen die paste bij de titel. Genoeg kinderen verwekken om zeker te zijn van een opvolger. Laten we er simpel over zijn, dit is een vorm van slavernij. Willem-Alexander wordt misschien onze vorst, maar hij is al jarenlang onze collectieve slaaf. Willem-Alexander beschikt niet over zijn eigen tijd, zijn eigen leven of zijn eigen lot.

En bovendien er is geen enkel goed argument om Willem-Alexander zijn vrijheid te onthouden. De Koning heeft rol meer in de kabinetsformatie. Dat wil de Tweede Kamer liever zelf doen. De Koning heeft geen serieuze positie meer in buitenlandpolitiek, beleidsvorming of in benoemingen. Hij is verworden tot een menselijke stempelmachine.

Je hoort nog wel eens zeggen dat het traditie is, dat het Koningshuis zo populair is of dat het typisch bij Nederland hoort. Maar steun van kiezers is in een rechtsstaat geen reden om mensen hun vrijheid te ontzeggen; Nederland was langer een republiek dan een monarchie; en traditie klinkt als een reden om slavernij in stand te houden, maar mag dat nooit zijn.

Als je mensen opgesloten wil houden in een kooi dan kan dat beter een gouden kooi zijn. Je kan geen prijs zetten op een mensenleven, maar het is niet aan linkse politiek om een slaaf zo goedkoop mogelijk te krijgen.

Is de piratenpartij populistisch?

Donderdag was ik bij een bijeenkomst van de Raad voor Openbaar Bestuur over de toekomst van de politieke partij. De Piratenpartij had een grote delegatie gestuurd. Een oudere collega vroeg me na de bijeenkomst of de Piratenpartij populistisch was. Een vraag die niet gemakkelijk te beantwoorden, is.

Populisme
In de politieke wetenschap is er levendig debat over wat populisme. Er is min-of-meer overeenstemming dat populisme bestaat uit deze drie claims:  ten eerste, populisten richten zich op het volk. Dat volk is homogeen en deugdzaam. Ten tweede, dit volk zou soeverein moeten zijn maar de huidige politieke elite is corrupt en vertegenwoordigt het volk niet langer.  En ten derde, het is de rol van de populisten om ervoor te zorgen dat de overheid weer ten dienste staat van het volk.

Populisme kan met alles vermengd worden: het volk kan de arbeider zijn maar ook de kleine ondernemer. De elite kan gekaapt zijn door ambtenaren maar ook door lobbyisten van het bedrijfsleven. Een populist kan zich ergeren aan een teveel aan regels, maar ook aan tekort aan regels. De populist kan dus een links of een rechts programma voorstellen om het land terug te geven aan het volk.

Zweedse Piratenpartij
De eerste Piratenpartij komt uit Zweden. In de lente van 2012 hebben ze een nieuw beginselprogramma aangenomen. Een fundamentele verandering in de houding van machtshebbers is nodig om een vrije informatiesamenleving te realiseren: ‘de staat moet medeburgers vertrouwen, respect tonen en hen meer vrijheid geven.’ Deze piraten menen dus dat de huidige elite het niet goed doet. Maar het volk is hun ogen niet deugdzaam, het reageert op stimuli: ‘mensen die met argwaan tegemoet getreden worden, zullen reageren met argwaan. Mensen die met vertrouwen tegemoet getreden worden, zullen reageren met vertrouwen.’ Bovendien ligt er geen zware nadruk op een wisseling van de wacht maar op de belofte van technologie: ‘het vermogen van mensen vrij met elkaar te communiceren versterkt vrijheid, participatie en democratie.’

Het programma heeft een duidelijke anti-elitaire toon, maar het volk wordt niet gezien als deugdzaam maar als reactie, en bovendien ligt de oplossing niet in een wisseling van de wacht maar in het gebruik van technologie.

De Nederlandse Piratenpartij
In het programma van de Nederlandse Piratenpartij zijn we deze drie elementen terug. Ten eerste, het anti-elitisme: Het schetst een cynisch beeld van de politiek: ministers zijn afhankelijk van topambtenaren en lobbygroepen. Terwijl ministers wisselen, vormen ambtenaren en lobbyisten een constante factor, die hebben daarom een grote kennisvoorsprong. Kamerleden missen de kennis en het netwerk om de voorstellen goed te beoordelen, daarom worden miljarden verspild, bijvoorbeeld aan dure ICT-projecten. De afstand tussen burger en bestuur is volgens de Piraten de reden voor het probleem: hierdoor zijn, volgens de Piraten, populisme en private belangen dominant geworden in de politiek.

De oplossing die de Nederlandse Piraten bieden, heet Liquid Feedback. Dit geeft burgers de mogelijkheid om hun kennis te delen met beleidsmakers ‘Een democratisch systeem voor de 21ste eeuw’:  De kern hiervan is dat iedereen met oplossingen kan komen, iedereen daarover mee kan praten, en iedereen daarover kan stemmen. Als hij dat wil ten minste. Als mensen dat niet willen kunnen ze vertegenwoordigers aan wijzen die op specifieke onderwerpen hen representeren. Het internet biedt hier een mooi platform voor: iedereen kan op een willekeurig moment zoveel of zo weinig invloed uitoefenen als hij zelf wenst. De Piratenpartij past dit principe zelf in haar eigen organisatie toe: het bestuur wordt permanent gevoed en gevolgd door de leden.

One out of three
Dit programma heeft dus een duidelijk anti-elitaire ondertoon: de huidige politiek is ontransparant en luistert niet naar de burger. Het programma van de Piratenpartij heeft duidelijk radicaal democratische trekken: in hun opvatting is ‘democratie de heerschappij van iedereen over iedereen’ en niet van ambtenaren en lobbyisten. Maar nergens in het programma wordt het volk voorgesteld als een eenheid of als bijzonder deugdzaam. Het enige wat duidelijk wordt in het programma is dat de Piraten vinden dat er mensen zijn in het volk met kennis, inzicht en expertise die nu missen in de elite: de piraten willen van de macht van de incrowd naar de wijsheid van de crowd.
De Piratenpartij stelt niet zoals een klassieke populisten dat zij het volk zullen vertegenwoordigen, maar dat nieuwe informatietechnologische tools een brug kunnen vormen over de kloof tussen burgers en bestuur. Een luidspreker voor mondige burgers.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

Dick’s Dialectische Denken

1 februari stopte Dick Pels als directeur van het Wetenschappelijk Bureau. Voor zijn afscheid gisteren zocht ik naar de rode draad in zijn denken: zijn Marxistische methodologie.

In zijn jonge jaren was Dick modieus Marxist en natuurlijk lid van de CPN. Hoewel typische Marxistische geloofsartikelen als de socialisering van de productiemiddelen en de klassenstrijd in zijn denken niet meer naar voren komen, is er een typisch Marxistisch element dat nog steeds in Pels’ denken terugkeert: de dialectiek.

In de Marxistische dialectiek is er eerst een positie (these). Daartegenover kan een tweede positie gesteld worden (antithese). De tegenstelling tussen deze twee polen wordt opgeheven door de synthese. De synthese verenigt de twee ogenschijnlijk tegengestelde polen met elkaar in een derde vernieuwende positie.

In zijn meest recente monografie Het Volk Bestaat Niet staat de spanning tussen de elite en het volk centraal. De klassieke Nederlandse regentendemocratie werd uitgedaagd door het populisme van Fortuyn. Dick zoekt de synthese in een wisselwerkingsdemocratie: politici moeten durven om vooruit te lopen en burgers moeten politici terug kunnen roepen als ze te ver gaan.

Maar dezelfde dialectiek is ook zichtbaar in Zwak voor Nederland. Dick onderzoekt hier de spanning tussen de Islam en haar liberale critici zoals Ayaan Hirsi Ali. Hij vindt in deze tegengestelde posities een grote gelijkenis: de absolute waarheidspretentie. Zowel de fundamentalistische Islam als het Verlichtingsfundamentalisme denken de absolute waarheid in handen te hebben. Pels vindt dan ook de synthese in een kritisch relativisme, dat zich verzet tegen harde zekerheden van de gelovigen en atheïsten en uit gaat van twijfel en onzekerheid.

Dick laat zich graag inspireren door het sociaal-individualisme van Jacques de Kadt. In deze positie worden ook twee posities met elkaar verenigd. Tegenover het liberale individualisme ontstond een socialistische tegenbeweging. De Kadt en Pels verenigen dit in een ‘socialisme ter wille van het individualisme’. Dit brengt de individuele vrijheid van het liberalisme samen met het gelijkheidsideaal van het socialisme. Een eerlijke verdeling van inkomen en kansen is nodig om persoonlijke autonomie voor iedereen mogelijk te maken.

Later voegde Dick aan deze dialectische driehoek een nieuwe dimensie toe: het paternalisme. Persoonlijke autonomie dreigt te ontaarden in de hufterigheid van de dikke ikken. Het roept zo een conservatieve tegenreactie op. Pels komt met een synthese: vrijzinnig paternalisme. Mensen weten niet altijd wat het beste is voor hen zelf. Maar ook de overheid weet niet altijd wat het beste is voor het individu. Eén van de oplossingen die Pels biedt, is de democratische dialoog waarin samen onderzoeken wat het goede leven is.

En zo brengt Pels twee schijnbaar tegenovergestelde posities samen: een Marxistische scholing, waarin het dogma van het Marx centraal staat, en een vrijzinnige houding, die uitgaat van de vrijheid om anders te denken, om te twijfelen aan gevestigde ideeën en overtuigingen. Marxistische dialectiek en vrijzinnig relativisme verenigd.

Belasting is diefstal?

Daar kon ik mijn linkse vingers bij aflikken. Dat regeerakkoord en dat re-regeerakkoord: nivelleren. Echt zo’n mooie linkse hobby, toch?

De cijfers zijn simpel: in landen met een gelijkmatigere inkomensverdeling is alles beter: er is minder criminaliteit, er zijn minder tienerzwangerschappen, men heeft een groter vertrouwen in de politiek, men is gezonder. Al met al: in landen met een gelijkere inkomensverdeling is men gelukkiger. Omdat de verschillen minder groot zijn, is de sociale samenhang sterker.

Deze rechtvaardiging heeft een heldere structuur: omdat het bepaalde positieve gevolgen heeft, is een bepaalde handeling rechtvaardig. Diederik Samsom gelooft in gelijke uitkomsten. Om die bereiken is van alles rechtvaardig. Naar de moraliteit van de handeling zelf wordt niet gekeken: het doel heiligt de middelen. Stellig gezegd: in een samenleving met gelijkere inkomens, is er minder criminaliteit. Er wordt niet minder gestolen: de diefstal vindt alleen via de belastingen plaats. De overheid is gerechtvaardigd om mensen hun bezit te ontnemen, omdat er dan minder bezit van mensen wordt ontnomen door hun medeburgers. Paradoxaal.
The needs of the many outweigh the needs of the few or the one. Dat is het principe van deze redenering: we halen wat geld weg bij de rijken omdat dit goed is voor de sociale samenhang, de gezondheid van mensen en het geluk van de samenleving: stel dat er in een dorp grote onrust heerst over de komst van een homoseksueel echtpaar. Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen naar een ander dorp te verhuizen omdat hun komst de sociale samenhang van het dorp ondermijnt? Is het gerechtvaardigd hen te vragen weg te gaan omdat mensen zich minder gezond voelen, nu homo’s aanwezig zijn? Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen te verhuizen als mensen dan gelukkiger van worden?
U begrijpt: ik zie niet bijzonder veel in herverdeling van inkomen met alleen de rechtvaardigingsgrond dat de samenleving daar beter van wordt. Aangezien dat het niet zeker is wat de uitkomsten van een handeling zijn, lijkt het me onmogelijk om een handeling daardoor te rechtvaardigen. Deze redenering ontleen ik overigens aan Kant. En aangezien mensen van elkaar onderscheiden zijn, ben ik geen voorstander van de holistische optellingen die onder deze redenering ligt. Dat idee ontleen ik aan Rawls.

Ik zie u denken: wat doet u eigenlijk nog bij een linkse partij? Als u vindt dat belasting diefstal is of een vorm van discriminatie?
Ik heb hier al vaak over geschreven en het is een breed gedeeld ideaal in GroenLinks: gelijke kansen. Ik geloof dat inkomensverschillen rechtvaardig zijn als mensen daar zelf voor kiezen. Als een bedrijf mij wil inhuren om onderzoek te doen en me daar 100 euro voor wil geven is dat prima. Die 100 mag ik houden, die heb ik verdiend.
Niet helemaal: een gedeelte van mijn inkomen kan ik verdienen omdat ik het bijzonder getroffen heb, gezond geboren, met -al zeg ik het zelf- een goed stel hersenen, goed opgeleide ouders maar misschien wel nog belangrijker: geboren in Nederland. Daar heb ik niets voor gedaan. Daar zit mijn werk niet in. Op het inkomen dat ik daardoor verdien heb ik geen recht.
Dat betekent dat ik radicaal wil herverdelen: tussen gezond en gehandicapt, tussen getalenteerd en ongetalenteerd, tussen geboren in een gezin met veel sociaal kapitaal en geboren in een gezin met weinig sociaal kapitaal, maar belangrijker nog tussen Noord en Zuid.
Als de beginposities gelijk zijn en de transacties in vrijheid genomen zijn, dan is iedere uitkomst rechtvaardig. Herverdeling is rechtvaardig om verschillen in inkomen die komen door verschilen in beginposities te vereffenen. Ik heb recht op het inkomen dat ik verdien door hard te werken, maar niet door het inkomen dat ik heb door mijn intelligentie, die ik bij toeval heb gekregen. Dat is geen diefstal omdat dat niet mijn bezit is, immers ik heb er niets voor gedaan.
En als gelijke kansen ook een mooiere, gezondere, gelukkigere samenleving oplevert is dat een mooi bijproduct, maar dat kan het doel nooit zijn.

Links Marktliberalisme

Ik geloof in marktwerking. Dat is heel wat omdat te schrijven. Want in linkse kring is marktwerking niet in. We willen geen martkwerking in de zorg, in het onderwijs of op de huizenmarkt. Links staat voor een sterke staat die garant staat voor goed toegankelijk onderwijs, zorg en huizen. En dat moet de overheid zelf doen toch?

Het PGB
Wat mij erg verwonderde was dat het rechtse kabinet de Persoonsgebonden Budgetten voor mensen met een beperking wilden beeindigen. Ze zei: laat de overheid dit maar doen. Maar wat betekent dat? Iedereen in een gemeente krijgt zorg geleverd door dezelfde bureaucratische zorgverlener. Mensen verliezen grip over hun eigen leven omdat de zorgverlener bepaalt wanneer mensen uit bed gehaald worden of gewassen, en niet die mensen zelf. Terwijl met een PGB mensen zelf hun eigen zorg kunnen inhuren op hun eigen tijden onder hun eigen voorwaarden. We moeten, zoals Bart Snels stelt, niet geloven in het sjabloon dat links staat voor de bureaucratische maar toegankelijke overheid en rechts voor de kille, maar efficiente markt. Markten waar mensen zelf diensten kunnen kopen kunnen juist bij uitstek aansluiten bij linkse doelen als zelfontplooiing.

Als we ten minste maar het grootste probleem van markten oplossen. En dat is dat het ruilmiddel dat centraal staat in markten niet verdeeld is naar hoeveel mensen diensten nodig hebben, maar op basis van wat erven van onze ouders aan financieel kapitaal, sociaal kapitaal en genetisch materiaal. Het PGB is hier een prachtig voorbeeld van: iemand die geen handicap heeft en veertig uur in de week kan werken zonder ondersteuning kan een boel zorg kopen, maar hij heeft het niet nodig. Iemand die zonder ondersteuning niet kan werken, heeft het wel nodig. De belangrijkste rol van de overheid is ervoor zorgen dat we dit soort verdelingsvraagstukken oplossen. In de terminologie van luck egalitarians: ervoor zorgen dat mensen gecompenseerd worden voor die eigenschappen die ze achterstellen ten op zichte van anderen, die ze buiten hun schuld om hebben gekregen.

Linkse marktutopie
Voor veel diensten waar de publieke sector ons nu in voorziet zou volgens mij ook een marktpartij dat kunnen doen, als we een eerlijke toegang voor deze diensten kunnen verzekeren. De overheid zou ervoor moeten zorgen dat mensen die met een handicap geboren worden, een persoonsgebonden budget krijgen om zelf hun eigen zorg in te kopen, mensen die leerachterstand hebben, de middelen krijgen om die in te lopen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te leven omdat hij de huur niet kan veroorloven.

Wat betekent dit concreet, voor de diensten die de overheid nu verleent: in het onderwijs, de arbeidsmarkt, de zorg, infrastructuur, de publieke omroep en huizenmarkt?

  • Over het onderwijs heb ik in het verleden als een aantal keer geschreven (hier en hier). Kortgezegd: ik ben dol op de vrijheid van onderwijs. Maak scholen onafhankelijk van de overheid en stel ze in staat om hun eigen beleid te voeren. Laat vervolgens leerlingen met vouchers toegang tot onderwijs kopen, maar verdeel dit zo dat leerlingen die een achterstand hebben (arme of niet-Nederlandstalige ouders, bijvoorbeeld, maar ook vastgestelde beperkingen) meer vouchers hebben om meer onderwijs te kopen. En beloon vervolgens mensen die excelleren in onderwijs met extra vouchers waarmee ze beter en meer hoger onderwijs kunnen kunnen kopen.
  • Ik vind het Nederlandse zorgstelsel zo slecht nog niet. Ook in internationale vergelijkingen doen we het heel goed. Een verplichte verzekering voor risico’s die iedereen loopt en een regeling voor onverzekerbare risico’s, waar iedereen aan bijdraagt. Ik zou meer gebruik willen maken van het pgb-model voor zorginkoop, omdat dat mensen grip geeft over hun eigen leven: of mensen kiezen voor een flexibele zelfstandige zorgverlener of een goedkope, maar onpersoonlijke en bureaucratische, zorgmoloch is dan hun eigen keuze. Natuurlijk zijn er irrationale aspecten aan de zorgmarkt: denk het feit dat iedereen recht heeft op een nieuwe rollator. Als je mensen een budget geeft om op een zorgmarkt mobiliteitsmiddelen te kopen ontstaat er natuurlijk een gezonde markt in tweedehandsrollators.
  • Op de arbeidsmarkt heb ik misschien wel de radicaalste ideeen. Van mij mag alle bescherming worden opgeheven: ontslagbescherming en het minimumloon. Ze verstoren de arbeidsmarkt en houden daarmee mensen ‘met beperkte verdiencapaciteiten’ in armoede. Neem iemand die achter een lopende band werkt. Om het minimumloon te verdienen moet hij 100 dopjes op een tube tandpasta schroeven, maar door een beperking kan hij er maar 90 opschroeven. Dat betekent dat een bedrijf hem nu niet zal inhuren omdat hij het ‘minimumloon’ niet waard is. Dat betekent dat hij veroordeeld is tot een uitkering (70% van het minimumloon). Terwijl als er geen minimumloon was dan zou hij dus 90% van het minimumloon, en dus 130% van het bijstandsniveau verdienen. Dat betekent niet dat ik vind dat deze persoon maar 90% waard is van zijn collega. Ik geloof alleen niet dat het de rol van de werkgevers is om voor een eerlijk inkomen te zorgen. Dat moeten we als gemeenschap samen doen, bijvoorbeeld door een basisinkomen, dat ervoor zorgt dat iedereen onafhankelijk van zijn ‘verdiencapaciteit’ een menswaardig bestaan kan hebben.
  • Op de huizenmarkt heeft GroenLinks volgens mij de mooiste linkse marktliberale oplossingen: sta verhuurders toe om marktconforme huren te vragen.  Maar compenseer via hogere huurtoeslag die mensen die een zodanig inkomensniveau hebben dat ze ondersteuning verdienen bij het huren van een woning . Zo maak je een eind aan scheefhuurders die in een woning zitten met een sociale huur, maar een inkomen hebben dat ze daar geen recht meer op geeft. (Van mij mag het overigens nog wel wat radicaler: maak van mijn apart alle huren ‘marktconform’ en hef het onderscheid tussen sociale huursector en vrije huursector op). Je moet via de huizenmarkt geen inkomenspolitiek willen voeren. Dat geldt natuurlijk ook voor de hypotheekrenteaftrek. Afbouwen! Het houdt de huizenprijs hoger dan hij zou zijn op een vrije markt. En dat houdt ook starters buiten.
  • Ik heb nooit begrepen waarom de overheid wel radio en televisie verzorgt maar geen kranten. En waarom ik moet betalen voor Lingo dat ik nooit kijk, maar niet voor de volkskrant-website waar ik al mijn nieuws vandaan haal. Volgens mij moeten we dat allemaal over laten aan de markt. Om ervoor te zorgen dat er wel goede journalistiek bedreven wordt, zouden we een fonds voor kwaliteitsjournalistiek moeten hebben, betaald uit belastinggeld, die onafhankelijke nieuwsgaring mogelijk maakt.
  • De voorstellen voor een kilometerheffing waar linkse partijen voor zijn, komen neer op het nadoen van marktwerking. Maar waarom iets nadoen wat de markt zo goed zelf kan. Gewoon stukken weg privatiseren. Rijden iedere dag honderden auto’s over, dat lijkt me een flinke duit waard. In de vrije markt betaalt de gebruiker echt.

Binnen GroenLinks is er een discussie tussen een linkerflank en een middenflank. Linda Voortman staat bekend als een gezicht van de linkerflank. En het is juist zij die in de vorige periode pal voor het PGB stond, en zij verdedigde de innovatieve oplossing van GroenLinks voor scheefhuren. Kortom: de tegenstelling binnen GroenLinks tussen links en midden betreft niet de keuze tussen staat en markt.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

Mijn voorkeursstem: Jesse Klaver

Het was deze verkiezing voor mij een simpele keuze op wie ik zal gaan stemmen: Jesse Klaver.

En dat terwijl de GroenLinks lijst broeide van jonge talenten en veteranen met ervaring. Neem Andrée van Es, onze lijstduwer, die in Amsterdam vorm geeft aan een diverse stad waar burgers gedeelde waarden hebben. Of Bas Eickhout die in het Europees Parlement met succes strijdt tegen klimaatverandering. Dat zijn mensen die al een hele staat van dienst in de politiek hebben. Maar er zijn ook jonge talenten, zoals Niels van den Berge met zijn aanstekelijk en authentieke idealisme.

Maar mijn keuze voor Jesse Klaver is niet gebaseerd op het CV of op de leeftijd. Alhoewel Klaver voor iemand van zijn leeftijd een ongelofelijke staat van dienst heeft. Hij is met 26 jaar de jongste GroenLinks-kandidaat, maar tegelijkertijd is hij al twee jaar Kamerlid, woordvoerder op sociale zaken en onderwijs, waarbij hij regelmatig het kabinet het vuur aan de schenen heeft gelegd. Daarvoor was hij voorzitter van CNV-jong. En nu een onvermoeibaar enthousiaste campagneleider van GroenLinks.

Nee, het is gebaseerd voor de waarde waar Klaver als geen ander voor staat: kansengelijkheid. Daar heeft Klaver in de Tweede Kamer zich hard voor gemaakt. Juist als woordvoerder onderwijs en sociale zaken zette hij er zich voor in dat niemand in Nederland wordt afgeschreven, vanwege zijn beperking of afkomst. Dat iedereen een eerlijke kans maakt: kinderen in het passend onderwijs, jongeren met wajong-uitkering, mensen die werken in de sociale werkplaats, 55plussers die op zoek zijn naar werk, kinderen op VMBO. Iedereen verdient in Nederland een eerlijke kans op een opleiding, op werk, op een fatsoenlijk inkomen en zo op de mogelijkheid om je eigen hart te volgen. Hij zei daarover, nog geen half jaar geleden in de liberale kerk:

“Dat is mijn Nederlandse droom. Het is geen droom waarin je denkt dat je alles aan jezelf te danken hebt, zoals de Amerikaanse. De realiteit is veel complexer dan dat: niet alle succes is eigen verdienste, niet alle falen is eigen schuld. Veel van wat je bereikt in je leven is het resultaat van geluk buiten je eigen verantwoordelijkheid om; en veel van wat er mis gaat, is het resultaat van ongeluk, waar je niets aan kon doen.
Jong gehandicapten kiezen er niet voor om geboren te worden met een afwijking. Dat dwingt ons tot bescheidenheid: niet alles wat wij bereiken hebben we aan onszelf te danken. De mensen met wie je samen hebt gehockeyt, het sociale kapitaal dat je ouders je hebben gegeven, en het lichaam waarmee je bent geboren: dat alles bepaalt mede hoe succesvol je bent.
Als we ons succes niet aan ons zelf te danken hebben moeten verantwoordelijkheid nemen voor anderen. Als ondernemer kunnen we dat doen door mensen in dienst te nemen die anders zijn dan normaal. Als buurtbewoner kunnen we dat doen door voor te lezen aan kinderen die anders nooit worden voorgelezen. Als burger doen we dit door de lasten te dragen voor de begeleiding die nodig is om mensen aan het werk te helpen.
In potentie is onze verzorgingsstaat dé manier om ervoor te zorgen dat mensen hun dromen kunnen najagen: om met training en ondersteuning het werk te vinden waarin ze zichzelf kunnen ontplooien en een eigen inkomen kunnen verdienen. Dan is de overheid een onderneming tot nut van het algemeen: de manier waarop we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en verzekeren dat iedereen in vrijheid zijn eigen pad in het leven kan volgen.”

En vanwege dat geloof, dat mensen succesvol zijn en falen, deels vanwege hun eigen handelen, maar ook deels vanwege factoren die buiten hen liggen, en dat we daarom eerlijk moeten delen, stem ik op GroenLinks. En die waarde zie ik vertegenwoordigd in Jesse Klaver.

Maak van het VMBO het vlaggenschip

Waarom ik GroenLinks stem? Vanwege hooggestemde idealen als kansengelijkheid. Dat ideaal komt prachtig tot uiting in het voorstel om er voor te zorgen dat de beste en best betaalde docenten zich inzetten voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken. Want niemand mag voorbestemd zijn voor armoede en achterstand. 

Je zou denken dat in Nederland iedereen een gelijke kans heeft om vooruit te komen in het leven. Van links tot rechts delen we de idealen van kansengelijkheid en eigen verantwoordelijkheid: mensen mogen hun maatschappelijke positie niet te danken hebben aan de plaats waar ze geboren zijn, de achternaam die ze hebben of het inkomen van hun ouders. Mensen moeten hun plek in de samenleving enkel te danken hebben aan hun eigen inzet. Inkomensverschillen zijn alleen eerlijk als deze het gevolg zijn van verschillen in inspanning. Als je kiest voor een minder zware baan, dan betekent dat dat je minder hoog beloond wordt. Dat is je eigen keuze. In Nederland geloven we niet dat iedereen recht heeft op het zelfde inkomen: verschillen kunnen productief zijn omdat ze mensen stimuleren om zich in te zetten. Maar als verschillen niet komen door inspanning, maar door ongelijkheden in de structuur van de samenleving, dan zijn ze niet te rechtvaardigen.

Onverdiende verschillen in inkomen

Ongelijkheid zit echter diep in onze samenleving. In Nederland is armoede nog steeds erfelijk. Meer dan 300.000 kinderen in Nederland groeien op in armoede. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat kinderen die in armoede zijn opgegroeid bijna twee keer zo veel kans hebben om arm te blijven als kinderen uit een welgesteld gezin. Het inkomen van je ouders is van invloed op je eigen inkomen. Of je geboren bent in Rotterdam-Zuid of in Bilthoven-Noord maakt uit voor waar je terecht kan komen. Dit geldt des te meer als je ouders laagopgeleid zijn, werkloos zijn of een niet-westerse achtergrond hebben: of je Klaassen heet of Khoury maakt uiteindelijk uit voor hoeveel je gaat verdienen. Daar heb je als kind niet zelf voor gekozen. Dat zijn onverdiende verschillen in inkomen. Die hebben niets te maken met hoeveel je je inspant. Armoede is erfelijk omdat kinderen van arme ouders minder sociaal kapitaal meekrijgen, minder gestimuleerd worden om het beste uit zichzelf te halen en het daarom slechter doen op school. Leraren in kleuterklassen kunnen nu al zien welke leerlingen op het VMBO terecht zullen komen en welke daar zullen uitvallen.

Onderwijs is de sleutel tot emancipatie

Hoe zorgen we ervoor dat alle jonge mensen echt een eerlijke kansen maken? Het is een cliché om te zeggen dat onderwijs de sleutel is tot emancipatie uit armoede en achterstelling. Alle Nederlandse partijen zeggen het. Sociaaldemocraten staan klaar met de zoveelste onderwijsvernieuwing. Sociaalliberalen willen natuurlijk meer geld uittrekken voor het onderwijs. Maar de onderwijsvernieuwingen van de jaren ’90 zijn uiteindelijk weinig meer geweest dan een hele dure naamswijziging: aan het afvoerputje van het middelbaar onderwijs, het VBO, is een M toegevoegd. En geld gooien naar een probleem zonder prioriteiten te stellen, is een weinig efficiënte of verantwoordelijke oplossing.
Aan de hand van een kleine stap naar het grotere ideaal van kansengelijkheid kunnen we zien wat we moeten doen om ervoor te zorgen dat armoede niet meer erfelijk is: als we willen dat in de samenleving als geheel inspanning en inzet worden beloond, dan moeten we ervoor zorgen dat dit simpele principe ook op school wordt toegepast. Wie levert de grootste inspanning op een middelbare school? Is dat de docent Grieks voor de halflege gymnasiumklas? Natuurlijk niet, dat zijn de leraren voor overvolle VMBO-klassen. In hun klassen zitten vaak leerlingen met meerdere problemen: ze hebben vaak leerproblemen, thuis problemen en helaas ook problemen met autoriteit. Voor de klas staan betekent dan docent, psycholoog en politieagent tegelijkertijd zijn. We moeten de beste docenten op het VMBO zetten: docenten die als eerste op school komen om extra bijles te geven aan de zwakste leerlingen en het langst op school blijven om nablijvers bij de les te houden. Deze docenten kunnen het verschil maken voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken: zo maakt een docent techniek vakmannen van straatjongens.

Eerste- en tweedegraadsdocenten betekent eerste en tweedegraadsleerlingen

Je vraagt dus veel van een VMBO-docent: zij moeten de beste pedagogen zijn maar ook orde kunnen houden in de lastigste klassen. In veel bedrijven geldt dat zwaarder werk ook beter wordt betaald. Maar in het onderwijs geldt het tegenovergestelde: naar mate het werk minder zwaar wordt, wordt de beloning hoger. Een eerstegraadsdocent die les mag geven aan bovenbouw gymnasiumklassen, verdient meer dan een tweedegraadsdocent die les moet geven aan de lastige VMBO-klassen.
Het lijkt misschien een artefact van de bureaucratie: een eerstegraadsdocent heeft een universitaire opleiding, daarom heeft hij recht op een hoger inkomen. Omdat hij de hoogste opleiding heeft genoten, zetten we hem voor de klas met de slimste leerlingen. Het is echter een teken van een mentaliteit: we hebben eerste- en tweedegraadsdocenten voor eerste- en tweedegraadsleerlingen. Waarom zetten we de docent met de beste papieren eigenlijk niet voor de leerlingen die hem het meest nodig hebben? Waarom stellen we geen hogere opleidingseisen aan VMBO-docenten en zorgen we ervoor dat zij de beste pedagogische achtergrond hebben? En waarom zorgen we er niet voor dat zij een loon krijgen dat past bij de inspanning die ze leveren?
We moeten af van het idee dat tweedegraadsdocenten maar op het VMBO moeten lesgeven, omdat andere mensen recht hebben op de hogere klassen in het VWO. We hebben op het VMBO geniale leraren nodig. Zij doen zwaar werk: orde houden, opvoeden en lesgeven tegelijkertijd. Geef hen de waardering en beloning die daarbij past.

Kansengelijkheid

Zo kunnen we een verschil maken voor de kinderen met de grootste achterstand: door hun docenten de best betaalde krachten te maken, maakt de politiek dit werk aantrekkelijker en wordt pedagogisch talent aangetrokken. Dit is natuurlijk maar één stap in een nieuwe benadering van onderwijs, waarbij het VMBO niet het afvoerputje is van het onderwijs, maar het vlaggenschip. Het bredere ideaal hierachter is dat je de inspanning van de overheid moet focussen op de groep die het het meest nodig heeft. Kansengelijkheid betekent dat de mensen die minste kansen hebben de meeste ondersteuning moeten krijgen zodat zij een eerlijke startpositie hebben. Als de startpositie voor iedereen gelijk is en iedereen vrije keuzes maakt dan zijn verschillen die als gevolg van die keuzes ontstaan rechtvaardig.

Het voorbeeld van de beloning en waardering van VMBO-docenten laat zien hoe we heel praktisch vorm kunnen geven aan kansengelijkheid. Het laat zien hoe we samen de verantwoordelijkheid kunnen nemen om ervoor te zorgen dat iedereen de kans krijgt om zich te ontworstelen aan armoede en achterstelling. We moeten op scholen niet vasthouden aan de bestaande structuren, maar inspanning belonen. We moeten als politiek niet denken dat we vanuit Den Haag de hele les, van minuut tot minuut kunnen regelen, maar ervoor zorgen dat de beste mensen op de plek zijn waar ze het hardst nodig zijn. Zo zorgen we ervoor dat iedereen een eerlijke kans heeft en mensen zelf meester kunnen zijn over hun eigen leven.