Machtsrelaties in het parlement

Waarom heeft de Nederlandse Tweede Kamer 150 leden? En waarom heeft San Marinese parlement (met ongeveer 2% van de inwoners) er 60? Het lijkt af te hangen van historisch toeval: in Nederland hebben we 150 Tweede Kamerleden. In 1956 is dat gewijzigd omdat er aantal leden regelmatig in Straatsburg zaten. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft 435 leden. Dat is in 1911 toevallig vastgesteld.

En toch, ik heb er al eerder over geschreven, is er een opvallend patroon: hoe groter het land, des te groter het parlement. De meest voor de hand liggende verklaring is het aantal inwoners van een land. Grotere landen hebben grotere parlementen. Een land als Palau (21 duizend inwoners) heeft een Tweede Kamer met 16 leden. China (1,3 miljard inwoners) heeft een Nationaal Volkscongres met drie duizend leden.

Lineaire relatie
In figuur 1 kunnen we de relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal leden van het lager huis in alle 190 lidstaten van de Interparlementaire Unie. We kunnen hier een lineaire relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal Kamerleden. Ieder parlement heeft 150 leden en voor iedere 700 duizend inwoners komt er een Kamerlid bij. Met 16 miljoen inwoners zou Nederland dus ongeveer 175 Kamerleden hebben. 55% van de Kamerzetels wordt correct voorspeld. Maar de relatie wordt vrij zwaar gedomineerd door India en China die outliers zijn. Want eigenlijk liggen alle andere landen in het gebied ‘klein & weinig Kamerleden’.

Vijf lineaire verbanden
We kunnen deze logica, waarbij we de data opsplitsen in verschillende gebieden verder toepassen: ik heb alle landen opgesplitst in vijf segmenten naar aantal inwoners. Als we van micro-staten naar de grootste landen gaat neemt iedere keer de hellingsgraad van de lijn af: 3.7 Kamerleden per inwoner voor de micro-staten (onder 2 miljoen inwoners); 1.5 Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder 7.5 miljoen inwoners); 0.75 Kamerleden per inwoner in de middengroep (onder 25 miljoen inwoners); een half Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder de 100 miljoen inwoners); en een tiende Kamerlid per inwoner. Een land als Nederland heeft 100 Kamerleden en krijgt er dus 0.75 per Kamerlid bij: samen 225.
Er lijkt dus een convex curvilineair verband te zijn: naar mate het aantal inwoners toeneemt, daalt het effect van inwoners op het aantal Kamerleden.
Deze figuur 2 ziet er mooi en kleurrijk uit, maar er zijn twee problemen met deze methode: ten eerste zijn er wel erg weinig landen per blok om een analyse op te baseren, daardoor wordt de analyse onzeker. Ten tweede, verschilt de verklarende kracht van de modellen sterk, omdat sommige gebieden diverser zijn dan anderen.

Curvilineair verband
Een manier om in de sociale wetenschappen een curvilineair verband te modelleren is met een polynominale relatie. Deze is weergegeven in figuur 3. Deze lijn verklaard 86% van de Kamerzetels. Volgens dit model zou een land als Nederland 185 Kamerleden moeten hebben. Dat lijkt dus mooi. Maar volgens dit model zouden landen met meer dan 400 miljoen inwoners, een negatief aantal Kamerleden moeten hebben. Boven de 1.2 miljard inwoners schiet de lijn plotseling weer boven de nul, toevallig ongeveer evenveel inwoners als India en China hebben. Dus deze relatie heeft veel verklarende kracht, maar is eigenlijk in een absurdistische jojo.

Machtsrelatie
We kunnen een curvilineaire relatie ook benaderen als een power law of een machtsrelatie. Dit wordt vaak gebruikt in de natuurkunde als de data over verschillende ordes van grootte heen omvat. In figuur 4 is een curvilineaire relatie geplot in een figuur met twee logaritmische schalen, met twee logaritmische schalen lijkt een curvilineaire relatie lineair. De relatie is vrij simpel: Kamerleden = (Inwoneraantal ^ 0.4)/3
Dit model omvat de data mooi: 80% van het aantal Kamerleden kan hierdoor verklaard worden. Bovendien zitten er geen contra-intuitieve elementen aan: alle datapunten ligt in een band om deze lijn. Een land als Nederland zou 200 Kamerleden hebben.

Andere factoren
Nu we een passend model hebben, kunnen we wat toeters en bellen toevoegen aan ons model. De oplettende lezer dacht misschien al: waarom hebben we het alleen over leden van lager huizen en niet over leden van het hoger huis? Zijn die parlementen kleiner? En hoe zit het met dictaturen? Of federaties?
Als een land een hoger huis heeft, is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 14% lager. De extra Kamerleden in het hogere huis, zorgt dus voor minder Tweede Kamerleden. Als een land een democratie is (een land met een Freedom House score ‘Free’), is het aantal Kamerleden gemiddeld 13% lager. Dat lijkt raar, maar als er in een parlement echt belangrijke beslissingen neemt, dan moet er wel efficient vergaderd kunnen worden. Een working parliament kan niet te groot zijn. In een federatie is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 10% lager: als er minder in de hoofdstad besloten hoeft te worden, dan zijn er minder mensen nodig. Nederland als democratische eenheidsstaat met een tweekamerstels en 16 miljoen inwoners heeft gemiddeld ongeveer 175 Kamerleden.
Al met al, hebben deze factoren wel een effect, maar het valt in het niet met het effect van aantal inwoners.

Concluderend
De relatie tussen burgers en Kamerleden is een machtsrelatie. Dat is de relatie kan beschreven als een power law: voor iedere inwoner komt er aantal Kamerleden bij, maar het effect van inwoner per inwoner neemt af naar mate het aantal inwoners toeneemt.
Als u dit hele stuk heeft doorgeploegd, vraagt u zich misschien af: so what? Laat ik daar drie dingen over zeggen: ten eerste, zegt het aantal Kamerleden dat er per burger is iets over de kwaliteit van de democratie. Wouter Veenendaal heeft in een recent proefschrift laten zien dat een te kleine kloof tussen burger en politiek ook niet goed is. Maar naar mate het aantal inwoners toeneemt, wordt de kloof ook groter.
Ten tweede, de reden dat er een grens ligt aan het aantal Kamerleden is efficiency. Je kan maar met zoveel mensen efficient vergaderen. Er lijkt een harde bovengrens te zijn: alleen China heeft meer dan 800 Kamerleden.
Ten derde, ik vond de recente brief van minister Plasterk (… en Koninkrijksrelaties/PvdA) waarin hij het voorstel om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen naar 100, terug trekt, wat summier. Bij deze dus: als je in internationaal vergelijkend verband kijkt, dan zou het aantal Kamerleden in Nederland niet teruggebracht moeten worden maar met 25 tot 75 Kamerleden uitgebreid.

Waarom de Cypriotische spaardersheffing lijkt op de inkomensafhankelijke zorgpremie

Een achterafzaal van een groot grijs regeringsgebouw. Op tafel staan een aangebroken doos met broodjes kaas en ham en aantal lege potten koffie, erom heen liggen rapporten vol doorgerekende voorstellen. Om de tafel zitten de onderhandelaars van links en rechts. Sommige zijn wat ingedut na dagen onderhandelen. Ze worden voorgezeten door één van de slimste sociaaldemocraten van zijn generatie. Hij is op zijn scherpst als het lastig wordt.
“Nog een paar miljard, dan zitten we aan ons streefbedrag” zegt hij. De abstracte cijfers geven een gevoel van zekerheid. Een plus een blijft altijd twee. De aanwezigen bladeren door de mappen met door ambtenaren voorbereidde voorstellen. Een sociaaldemocraat heeft een idee: “Wat nou als we maatregel Q11B op pagina 315 tweede van onderen nemen en dan kiezen we voor de variant ‘meest progressief’?” Dan zij we er bijna.” Een tiental politici zoekt in de boeken naar 315.
Je kan de fonkeling in de ogen zien van de voorzitter: “Dat is net niet genoeg, maar als we de nominale heffing iets verhogen …” Hij kijkt naar de rekenmeesters aan de ene kant van de tafel. Een jonge in Amerika geschoolde econometrist vult hem naadloos aan “… als we de nominale heffing van variant Q11B.III nemen dat moet genoeg zijn.” Er wordt op tafel geroffeld. De zaal is moe maar tevreden. Een oudere collega klopt de voorzitter op de rug en zegt: “Een mooi compromis.”
De voorzitter zegt: “We kunnen dit uitleggen. Dit is de grootste crisis sinds de 1945. Iedereen moet meebetalen om de huidige economische problemen op te lossen. Bovendien is het een progressieve maatregel die mensen met een klein inkomen ontziet.”
Op een persconferentie wordt het voorstel gepresenteerd. Serieuze heren in grijze pakken met antwoorden op de economische vragen van onze tijd. De pijn wordt eerlijk verdeeld.
Als het voorstel uit is gekomen, is de onrust groot. In vox-popjes geven de media de burger het woord. Die ziet er niets in om mee te gaan betalen. Het was toch een crisis van de banken? Ze voelen zich geraakt in hun portemonnee. Populistische politici typen het item bijna letterlijk over en noemen het een persbericht. Maar ook weldenkende politici die niet aanwezig waren bij de vergadering vragen om opheldering. Een inkomensafhankelijke heffing is mooi maar dit gaat te ver. Oud-collega’s die nu voorzitter zijn van een of andere belangenclub spreken zich uit tegen de maatregel. De onrust is groot.
Er moet heronderhandeld worden. Dezelfde boeken komen weer op tafel. Op vergelijkbare toon worden bijna identieke gesprekken gevoerd: “… nog een paar miljard …”

Dit zou een beschrijving kunnen zijn van de huidige onrust over de Cypriotische spaardersheffing maar ook van het inkomensafhankelijke zorgtoeslagdebacle nog geen paar maanden geleden. Die gelijkenis is volgens mij veelzeggend over de aard van de politiek in de huidige  economische crisis.

Alles is doorgerekend op economische consequenties: economen kunnen narekenen wat de economische reacties zijn van consumenten en bedrijven. Nou ja, alles? De smalle marges van de politiek zijn steeds meer de smalle marges die worden getekend door de rekenmeesters. Politici hoeven geen eigen ideeën te hebben. Ze kunnen varianten kiezen die door ambtenaren zijn bedacht. Politiek is als multiple choice test.

Maar een doorrekening op politiek-electorale gevolgen is niet gemaakt. Aan de onderhandelingstafel voelt iedereen de verantwoordelijkheid van de economische crisis en het belang van noodmaatregelen drukken. In beide gevallen werd er gekozen voor een variant die alhoewel progressief de middenklasse zwaar aan te slaan. De middenklasse die in de betere jaren wat gespaard heeft maar nu voor hun gevoel lastig rondkomt. Een inkomensafhankelijke zorgpremie zou voor het gemiddelde gezin een paar honderd euro in de maand schelen. Een heffing van 6% op je spaargeld betekent dat je plannen voor de toekomst (een eigen huis, eerder stoppen met werken) moet herzien. In de abstracte termen van de onderhandelingstafel vindt iedereen dat we in crisis tijd onze verantwoordelijkheid moeten nemen en is iedereen het eens met het principe de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Maar alles het concreet wordt, dan moet de gewone man, zoals u en ik, ontzien worden.

En wat ik het meest fascinerend vindt, is dat mensen als Jeroen Dijsselbloem en Wouter Bos die vergaderingen voorzitten. Ongelofelijk slimme politici voor wie de spreadsheets van de rekenmeesters geen geheimen hebben. En die in hun retoriek tijdens verkiezingen altijd oog hebben gehad voor de middenklasse en hun zorgen. Maar twee keer achter elkaar blijkt dat een noodmaatregel wel het financiële kapitaal kunnen opleveren dat volgens de economische modellen nodig is, maar dat politici niet het politieke kapitaal hebben om het door te voeren.

De huidige voortslepende economische crisis vindt plaats in de context van een politiek die een sterk technocratisch karakter heeft. Waarin doorgerekende bezuinigingsvarianten het speelveld van de politiek markeren en het het doel van politici is om een bundel van maatregelen te kiezen die een door diezelfde economen gezet doel moet halen.

Maar bovendien lijken politici vergeten waar ze in verkiezingstijd zo goed in zijn: vertrouwen winnen. Op campagne vragen kandidaten met een duizend keer gepolijst verhaal even vaak om ons vertrouwen vragen. En dan vergeten sociaaldemocraten de middenklasse niet uit het oog. Want dat is een cruciale swing vote. Maar juist in de kern is onze economische crisis een crisis van vertrouwen: van vertrouwen van consumenten in hun eigen economische perspectieven en in de zekerheid van hun spaargeld.

En die electorale werkelijkheid lijkt vergeten te worden door mensen die het in verkiezingstijd bar goed begrijpen maar voor wie in de momenten daartussen de werkelijkheid wordt gemaakt door abstracte economische doorrekeningen.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

“Austeridad Basta Ya!”

In de nachttrein naar Madrid ontmoetten we een man. Laten we hem Louis noemen. Flegmatisch uiterlijk, zwart haar en een licht verdwaasde blik in zijn ogen. Uitermate spraakzaam. Terwijl het Spaanse winterlandschap voorbij trok en wij ons ontbijt aten, vertelde hij honderduit over zijn plan: hij was vanuit Parijs naar Madrid gekomen om te protesteren tegen de bezuinigingen van de regering-Rajoy. In zijn coupe had hij een groot bord met “Austeridad Basta Ya!” op een kant en “Urgencia social y ambiental” op de andere.

Toen we bij ons hotel aankwamen was er veel politie op de Plaza de Sol. Ook waren er wat anarchisten met honden en hand geschreven borden en een groepje activisten met oranje hesjes. Het leek niet als of er een heel grote demonstratie was. Het aantal straatartiesten die verkleed waren als Micky-Mouse-in-Uncle-Sam outfit en het aantal mensen die gele hesjes om hadden die mensen aanmoedigden om goud te kopen overtroefde op dit centrale plein van Madrid het aantal demonstranten.

Na een stadswandeling kwamen we terug bij het hotel. Het aantal mensen op het plein was aanzienlijk toegenomen. Op onze kamer nam het geluid vanaf de straat steeds verder toe: trommels, fluiten, brass-bands, mensen die “El Pueblo Unido” zongen of “Si se puede” scandeerden. Vanuit het raam kon ik een tamelijk grote mensenmassa zien: een horde communisten van Izquerda Unida, republikeinen met de rood-geel-paarse vlag, verpleegsters in uniform, leden van de anarcho-syndicalistische vakbond CNT, dames in bontjas, jongeren met opgeschoren haar én een enkeling met een bord met daarop de tekst “Urgencia Social y Ambiental”. Langzaam trokken de mensen langs mijn balkon. Op hun borden uitten ze hun onvrede met de bezuinigingen, de Partido Popular, het kapitalisme, de banken en het Franco-regime.

Terwijl de mensenmassa onder mij doorliep, kwam bij mij de vraag op: zijn dit de Good Guys? Moet ik niet mee lopen?

Spanje heeft een probleem. Vanuit de trein hadden we Amerikaans opgezette nieuwbouwwijken gezien met golfbanen en zwembaden. En toen we door het zakendistrict van Madrid reden zagen we hoge torens van glas en staal. Het metrostation waar we aankwamen was imposant: zo’n vijf verdiepingen, uitgevoerd in hout, glas en metaal. Spik-splinter-nieuw. Op een muur werd een patroon getoond dat leek alsof er cijfers en letters naar beneden stroomden zoals in de matrix. Maar er was bijna niemand. En als we naar beneden keken, zagen we de plekken waar metrorails zouden moeten liggen, maar waar alleen een lege bak was. In de trein vroeg een man zonder armen om geld. In het straatbeeld was armoede zichtbaar in de tientallen zwervers en bedelaars.

Want door de financiële crisis is de economische groei in Spanje hard geknakt. Toen de banken stopten met lenen verdween het geld dat er was voor huizen- en kantorenprojecten. En daarmee verdwenen ook de banen in de bouw. De conclusie is simpel. Spanje heeft jarenlang op te grote voet geleefd. De economie groeide op geld dat er niet was, geld dat geleend werd om grote bouwprojecten mee te financiëren. Zolang Spanje zou blijven groeien kon iedereen daarvan mee profiteren. Nu blijkt de belofte van groei een fata morgana. Maar de publieke sector in Spanje is wel meegegroeid met de economie: infrastructuurprojecten, ziekenhuizen en uitkeringen. Economische groei betekent ook meer belastingopbrengst. Het is dus niet meer dan logisch dat de regering-Rajoy moet bezuinigen. Een deel van haar economie bleek opgeklopte lucht. Nu de klap gekomen was, moest die lucht eruit.

De demonstranten zouden het niet met die analyse eens zijn: als de regering het gaspendaal van investeringen zou weten te vinden dan zou de groei terugkeren. Maar de manier waarop de overheid groei zou kunnen stimuleren is door zelf geld te lenen op de financiële markten. En Spanje heeft vanwege haar gekrompen economie en door haar niet-geslonken overheidsuitgaven een flink begrotingstekort dat haar onaantrekkelijk maakt voor banken en rating agencies. Het verzet tegen de banken die maar poker spelen met onze economie en het verzet tegen de bezuinigingen lijken hetzelfde verhaal maar is een essentie een radicaal ander verhaal. Spanje kan blijven lenen bij de banken en blijven geloven dat hun economie zal groeien en zo haar verzorgingsstaat betalen, of ze kan zich richten op reële economische ontwikkeling, maar dan moet zij haar verzorgingsstaat afslanken: geld lenen betekent in Spanje dat er een hypotheek op de toekomst wordt gelegd. Niet alleen is 25% van de Spaanse jeugd is werkloos, maar de Spaanse jeugd moet ook opdraaien voor de crisis door een hogere staatsschuld.

Maar wat kunnen we dan doen aan de Spaanse verpleegster die op straat komen te staan, aan het werk te houden en om de jeugdwerkloosheid terug te dringen? Misschien geeft Louis ons wel het goede voorbeeld. Zijn internationale solidariteit is uitzonderlijk. Wie gaat er twee dagen heen en weer naar Madrid alleen maar om mee te lopen in een demonstratie?

Het zou aanzienlijk goedkoper zijn om als Nederlandse overheid te gaan lenen en dat aan Spanje te geven. Vroeger zou Spanje uit haar slechte economische positie kunnen komen door de peso te herwaarderen. Dan zou de import afnemen en de export toenemen. Het zou duurder worden voor Spanjaarden om Nederlandse tomaten te kopen, maar bijvoorbeeld stedentrips naar Madrid worden voor Nederlanders aantrekkelijk. Nu kan dat niet meer door de monetaire unie en is Spanje een netto-importeur van goederen uit Nederland en Duitsland. Onze economie draait nog, houdt de Spaanse jongeren werkloos. Als het Noorden nou eens wat van haar rijkdom met het Zuiden zou delen? Een monetaire unie vereist herverdeling tussen arme en rijke landen.

Een groen wedge issue

Plassen onder de douche, gratis kraanwater en het vuurwerkverbod. Het zijn allemaal de verschijningsvormen van hetzelfde probleem. GroenLinks mist een groene versie van de kopvoddentax.

Een kopvoddentax is een wedge issue. Een voorstel waar 50% van de bevolking het harstochtelijk mee eens is en 50% het hartgrondig mee oneens is. En waar de 50% die het er mee oneens zijn daar zo’n punt van maken dat zij de media blijven zoeken om hun tegenstand te blijven herhalen. En waardoor de 50% die het er mee eens zijn zo voortdurend versterkt worden in hun opvattingen.

Plassen onder de douche en gratis kraanwater zijn voorbeelden van een voorstel waar veel mensen het mee oneens zijn en die het graag herhalen. Maar het onderwerp is niet overtuigend genoeg om het groene mensen mee te krijgen. Daarvoor is het te klein.

Maar de belangrijkste voorstellen van GroenLinks zijn geen wedge issues. Onze voorstellen voor eco-belastingen zijn technocratisch en milieubestuurlijk. Ze roepen geen tegenstand op aan de kant van de oppositie en geen passie op aan de kant van de voorstanders. Het zijn een gematigde voorstellen dat bij niemand geestdrift opwekt in positieve of negatieve zin. Dat betekent niet dat het een slecht voorstel is overigens, maar niet een die heart & minds van mensen in beweging zet.

Aan de andere kant zijn de hedendaagse milieuproblemen te groot, te zeer langetermijnproblemene en te abstract om er direct over te praten. “Als jij nu niet handelt zal klimaatverandering de wereld zoals wij kennen vernietigen over vijftig jaar.” Dat roept meer angst op dan de motivatie om te handelen. Milieuproblemen moeten verkocht worden in bite-size packages die aan de ene kant niet te klein zijn om niet serieus genomen te hoeven worden en aan de andere kant niet te groot zijn om met name angst te genereren.

Het vuurwerkverbod raakt in mijn ogen een boel juiste noten. Ongeveer 50% van de mensen is er tegen en 50% van de mensen is ervoor. De mensen die ervoor zijn echte vuurwerkenthousiasten die hun ene avond pyromanie niet willen laten afpakken en de andere zijn vuurwerkhaters die op nieuwjaarsavond een huisje op de hei zoeken ver weg van de herrie, de rommel en de stank. Bovendien is dit een probleem dat zowel mensen op de korte termijn raakt (vuurwerkslachtoffers) als op symbool is voor langetermijnproblemen (verspilling van grondstoffen en luchtvervuiling). Bovendien is het een jaarlijks terugkerend ritueel in de nieuwsluwe decembermaand. En toch wringt het: want GroenLinks heef zich willen positioneren als vrijzinnige partij zonder moralistisch vingertje. Daar past een verbod op een avond nationaal plezier niet bij. In het verleden was de Tweede Kamerfractie weinig enthousiast over de vasthoudendheid van het duo Rietveld-Bonte. Toch moet ik hen het nageven: hun consistente herhaling van hun boodschap (‘meer plezier met minder vuurwerk’) leverde in het begin met name scheve ogen op. Maar het is nu overgenomen in het GroenLinksprogramma en hun initatief in eind vorig jaar werd uitgevoerd samen met een tiental lokale GroenLinks-afdelingen.

Een ander voorstel dat het ook goed doet is een verbod op mega-stallen. De Brabantse GroenLinks-afdeling voerde er succesvol campagne op. Het raakt mooi een groot aantal groene GroenLinks-thema’s: landschap, dierenwelzijn en gezondheid. Bovendien zijn de voorstanders van zo’n verbod talrijker dan de tegenstanders. Maar is er aan beide kanten genoeg passie om een debat op te zetten. Inhoudelijk zitten er wel een aantal haken en ogen aan het voorstel: op klimaat scoort een mega-stal beter dan een bio-stal. Je kan dan namelijk veel beter de broeikasgassen, geproduceerd door vee, afvangen in een afgesloten mega-stal dan in de vrije natuur. Al met al: het is niet zo zwart/wit. Het past niet bij een genuanceerde partij als GroenLinks om fundamenteel tegen mega-stallen te zijn.

Kortom: GroenLinks moet op zoek naar een groen onderwerp waarop ze 50% van de kiezers vol geestdrift achter zich heeft en 50% van de kiezers op de kast jaagt. Het moet een onderwerp zijn dat niet te klein is om weggelachen te worden, maar niet zo groot dat mensen zich machteloos voelen. En bij voorkeur moet het regelmatig terugkeren in de nieuwscyclus zodat GroenLinks zich er consistent op kan vastbijten. En daarvoor moeten we onze vrijzinnigheid en nuance maar stallen. Want een wedge issue is politiek goud.

13 redenen waarom 2013 een ***-jaar wordt

We vonden al die aanhangers van de Maya-kalender die dachten dat de wereld verging volslagen gekkies. Maar 2013 wordt zo’n ongekend ***-jaar dat we die Maya-gekkies misschien beter gelijk hadden kunnen krijgen.

Bijsluiter: Dit stuk is volslagen speculatie zonder enige basis in de werkelijkheid.

Beppe Grillo, de winnaar van de Italiaanse verkiezingen

1. “There is no clear winner of the Italian elections”
De Italiaanse verkiezingen van februari 2013 worden een volslagen ramp. De verkiezingen leveren geen heldere meerderheid op: noch voor de pro-Europese partijen, noch voor links of rechts. De grote winnaar van de verkiezingen is Beppe Grillo, de komiek die leiding geeft aan de Euroskeptische, anti-establishment partij Movimente 5 Stelle. Het wordt de tweede partij van Italie. De centrum-linkse Partito Democratico blijft de linkse populisten net voor maar weet geen meerderheid te krijgen. De populistische, separatistische en Euroskeptische Lega Nord wint overtuigend in het Noorden. Berlusconi geeft leiding aan het centrum-rechtse Popolo della Liberta maar verliest alle aanhang behalve in Zuid-Italie. De centristische vernieuwingsbeweging van Mario Monti, Agenda Monti per l’Italia, haalt een heel slechte score. Samen halen deze rechtse partijen wel een meerderheid maar hun hekel voor elkaar is nog net groter dan hun hekel voor links. De afwezigheid van een heldere verkiezingswinnaar en daardoor een heldere regeringsmeerderheid in Italie werpt de Europese beurzen in een grote crash.

Mario Draghi, de nieuwe premier van Italie

2. “We must save the Italian banks … sorry … the Italian people.”
Vanwege de gekelderde beurskoerzen dreigden de Italiaanse banken om te vallen. Bovendien heeft de depressie een groot gat geslagen in de Italiaanse begroting. Maar centrum-links, centrum-rechts en de centrum-beweging van Monti komen er samen niet uit. Terwijl de Italiaanse groei- en werkgelegenheidcijfers steeds roder worden, het begrotingstekort stijgt en de beurzen blijven dalen, staat de Italiaanse politiek een half jaar stil. Dan grijpen de Europese regeringsleiders in. Ze dwingen wederom een zakenkabinet af, nu geleid door de voorzitter van de Europese centrale bank Mario Draghi. Dit kabinet is niet alleen verantwoording schuldig aan het Italiaanse parlement maar ook aan de Europese raad. In ruil voor het zakenkabinet krijgt de Italiaanse bankensector en de Italiaanse overheid financiele steun vanuit Brussel. Deze reddingsoperatie zuigt het grootste gedeelte van het Europese noodfonds leeg.

Het hoofdkantoor van Unicredit de grootste bank van Italie

3. “This was common practice for Italian bankers”
Nog geen halve week nadat de reddingsoperatie rond is, breekt er een groot corruptieschandaal los in de Italiaanse bankensector. Deze blijkt structurele banden te hebben met de Maffia. In geheime afspraken werd door grote Italiaanse banken geld geleend aan de Maffia om politici om te kopen voor ‘goede diensten’, en vervolgens het geleende geld terug te betalen met forse rentes. Op het moment dat de Italiaanse banken onder Europese controle komen, blijkt deze constructie onhoudbaar, maar blijken daarmee de omzetcijfers van bijna alle grote Italiaanse banken gebaseerd op drijfzand. De Europese regeringsleiders voelen zich genoodzaakt om alle grote Italiaanse banken op te kopen.

De aanslag op de Deense pizzeria vormde het dramatische dieptepunt van het verzet tegen de BTW-verhoging.

4. “The coordinated VAT-increase will be a solidarity tax with the Italian people.”
Europese regeringsleiders willen het reddingsfonds en opkoop van Italiaanse banken niet langer uit hun (onder grote druk gekomen) begrotingen financieren en besluiten het te betalen uit een ‘gecoordineerde BTW-verhoging’ van 1%. Het is een vondst van de Finse commissaris Olli Rehn. Alle Europese lidstaten verhogen hun BTW met 1%. Maar eigenlijk wordt dit de eerste Europese belasting. Europese regeringsleiders verdedigen in de eerste maand de impopulaire maatregel met verve: het is een Europese solidariteitsbelasting. Maar in de lidstaten wordt dit niet zo gezien: mensen weigeren om de belasting te betalen, bedrijven weigeren om de belasting af te dragen. De Nederlandse publicist Ewald Engelen twittert dat de BTW verhoging “a tax on European solidarity” is. Op 9 november 2013 wordt in Odense een pizzeria in brand gestoken door een groep die zich “Vrede Skatteydere” noemt.

Als voorzitter van de euro-groep voelt minister Dijsselbloem zich gedwongen om ook in Nederland zwaar te bezuinigen.

5. “Verdere bezuinigingen zijn noodzakelijk.”
De Italiaanse regerings- begrotings- en bankencrisis leidt tot een nieuwe ronde Catshuisonderhandelingen voor het fragiele kabinet Rutte/Asscher. Binnen de PvdA stuurt met name Jeroen Dijsselbloem, die als voorzitter van de Euro-raad een grote druk voelt om verantwoordelijkheid te nemen, aan op ernstige bezuigingen. In Mei 2013 wordt het pakket bekend:

  • verhoging van het eigen risico in de zorg en invoering van eigen bijdrages;
  • verhoging van de nominale zorgpremie;
  • een grote bezuiniging op het onderwijs;
  • een algemene verlaging van alle uitkeringen (behalve de AOW) met 10%;
  • en een algemene verhoging van de inkomensbelasting.

De PvdA verdedigt het Catshuisakkoord met verve. De PvdA-ministers kloppen zichzelf op de borst om hun vermogen om over hun eigen schaduw heen te springen. De PvdA-ministers vertellen het eerlijke verhaal: de crisis raakt iedereen maar het begrotingspakket is sterk en sociaal. Sterk door de nadruk op bezuigingen en sociaal door de verhoging van de inkomstenbelasting.
Er wordt een onwaarschijnlijke meerderheid in de Eerste Kamer gevonden die naast de coalitiepartijen bestaat uit ChristenUnie, SGP, D66 en de dissidente 50Plus-senator Kees de Lange.

Emile Roemer hervindt zijn flow als oppositieleider.

6. “Nu doet u het weer!”
Voor oppositieleider Roemer is dit echter het draaipunt. Hij zegt tegen PvdA-leider Samsom in het debat over het begrotingsakkoord 2014: “Nu doet u het weer. In het regeerakkoord liet u uw rode veren al door Rutte plukken, maar er is niets meer te plukken, meneer Samsom, u laat zich hier publiekelijk villen door Rutte en zijn begrotingsfundamentalisme. Er blijft niets over van de rode haan”. Na het akkoord daalt de PvdA sterk in de peilingen: er blijven nog maar 15 zetels over. Ook de VVD moet ernstig inleveren. Bovenaan de peilingen staan de SP en de PVV die stem geven aan de ontevredenheid over de aanhoudende Europese crisis, de solidariteitsbelasting met de Italianen en het hardvochtige begrotingsbeleid. Coalitiepartners VVD en PvdA houden elkaar innig vast. Maar met de Europese en gemeenteraadsverkiezingen van 2014 in beeld begint het verstandshuwelijk steeds meer op een gezamelijk zelfmoordpact te leiden.

Amsterdamse politie pakt een vrouwenhandelaar op.

7. “Razzia’s keren naar 70 jaar terug in de Amsterdamse straten.”
In een poging om daadkracht te tonen in tijden van crisis voeren VVD en PvdA met steun van de PVV de strafbaarstelling van illegaliteit versneld door. Tijdens een ontspannen diner halen premier Rutte en vice-premier Asscher de Amsterdamse burgemeester Van der Laan over om in een gecoordineerde actie een groot deel van de Amsterdamse illegalen op te pakken. Asscher ziet het als de mogelijkheid om een eind te maken aan mensenhandel. “Operatie schone straten” noemen ze het. De Amsterdamse GroenLinks-fractie trekt zich -verblogen over dit plan- terug uit het college. De Amsterdamse GroenLinks-leider Van Poelgeest houdt een felle, emotionele speech tegen het voornemen van het college. Maar het baat niet. Vanaf kerstavond 2013 gaan er geuniformeerde mannen door Amsterdam, van de afdeling speciale politie-operaties, die bij ieder huis aankloppen om er te kijken of er geen illegalen wonen en zo ja, deze meenemen naar een detentiekamp.

Naast het internationale en nationale economische nieuws domineren drie onderwerpen de media:

Volgens de Story zou de relatie tussen Beatrix en Charles begonnen zijn in 1989.

8. “Ik heb nooit seksuele relaties gehad met Prins Charles.”
In april breekt de Story met een schokkend verhaal: Koningin Beatrix zou de buitenechtelijke minnaar zijn van Prins Charles. Na het ongeluk van Friso zouden via Mabel de contacten tussen het Nederlandse en Britse Koningshuis heel innig zijn geworden. Beatrix zou steun vinden in de flegmatische humor van de Britse kroonprins. Van het verhaal is volgens de Rijksvoorlichtingdienst weinig waar. Er zou sprake zij van goede contacten tussen de Koningin en de kroonprins, maar van nachtelijke escapades in Buckingham Palace, die door een rancuneuze ex-butler aan de Story gelekt zijn, is niets waar. De mediastorm is enorm. Koningin Beatrix voelt zich genoodzaakt om afstand te nemen van het verhaal in een publieke toespraak aan het einde van Koninginnedag 2013. Hiermee drukt zij echter de speculaties over haar relatie met Charles, die zij in de speech ook niet ontkent, niet de kop in. Dit verhaal blijft de media domineren tot een nieuwe hype zich meldt.

Marianne Thieme laat staatssecretaris Dijksma vallen na Walvisgate

9.  “Ik eis dat de minister naar Moskou gaat om te eisen dat ze hun duikbootoperaties in de Noordzee stoppen.”
In juni van 2013 spoelen er twee bultruggen aan in Nederland. Staatssecretaris Sharon Dijksma had de invoering van een zeezoogdierenprotocol echter uitgesteld omdat zij bezig was met Europese onderhandelingen over de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De creatieve Finse eurocommissaris Olli Rehn was namelijk met het innovatieve idee gekomen om de Italiaanse banken omhoog te houden met geld dat bedoeld was voor Italiaanse olijvenboeren. Nederland leidt de oppositie tegen dit ongelofelijke plan. PvdD-leider Marianne Thieme wil Dijksma echter aan de schandpaal nagelen voor haar nalatigheid. Zij eist een spoeddebat en dreigt met een motie van wantrouwen. Het debat krijgt een absurdistisch karakter omdat Dion Graus in De Telegraaf had gelezen dat de ‘tsunami van bultruggen’ veroorzaakt was door de verouderde sonar van Russische onderzeeboten die door internationale wateren varen. Maar ook de eigen PvdA-fractie is ontevreden over Dijksma, in de eerste plaats omdat een aantal fractieleden zichzelf geschikter had gevonden om staatssecretaris te worden. De staatssecretaris stelt zich koppig op in het debat en vindt zo de hele oppositie tegen zich… en zo blijkt in het debat in september 2013, zeven dissidente PvdA’ers, geleid door Lutz Jacobi. De bultruggen en de langzame val van staatssecretaris Dijksma domineren het nieuws.

Het uitlekken van The Hobbit II voorkomt het uitkomen van The Hobbit III

10. “The internet ruined the Hobbit for everyone.”
In zomer van 2013 lekt The Hobbit II uit, in een versie met alles erop en eraan behalve de 3D-effecten. De fantasy/avonturenfilm wordt de meest gedownloade film van de zomer. Aidan Turner, die de enige dwerg speelt zonder prosthetics, laat menig meisjeshart sneller kloppen. Als in december 2013 de film uitkomt sterft een jongen met epilepsie in de filmzaal. Volgens zijn moeder vanwege de 3D-effecten die zijn epilepsie hadden verergert; volgens de autopsie omdat de jongen die 3 dagen in de regen had zitten wachten om een kaartje voor de premier te krijgen leed aan open TBS. De moeder brengt via YouTube haar ideeen over de gevaren van 3D-filmmaken de wereld in. Bange moeders verbieden massaal hun kinderen om naar The Hobbit II te gaan. De download van de normale 2D versie breekt alle piraterijrecords.
Peter Jackson verklaart dat The Hobbit III niet zal uitkomen. Internetpiraterij maar ook de manier waarop onzin zich via de sociale media met hoge snelheid over de planeet verspreidt, heeft het plezier (en de winst) filmmaken voor Jackson volslagen kapot gemaakt. Deze opvallende gang van zaken domineert het nieuws in de laatste maand van 2013.

Drie verhalen worden door de media-hypes echter buiten het gezichtsveld van het Nederlandse publiek gehouden.

Grote overstromingen in Duitsland, net voor de Nederlandse grens

11. “The climate crisis has taken much stronger forms much earlier then our models projected.”
Het internationale panel over klimaatverandering (IPCC) oordeelt in de herfst van 2013 dat de series van orkanen in 2012 en in 2013 het gevolg zijn van klimaatverandering. Ook de aanhoudende droogte in de de Amerikaanse mid-west zouden hier volgens het panel een directe gevolg van zijn. Datzelfde geldt voor de overstromingen van de Maas in Belgie en de Rijn in Duitsland in de lente van 2013. En van het verdwijnen van de eerste eilanden van Vanuatu onder de zeespiegel. Nederland blijft van overstromingen gespaard. De modellen waren volgens de klimaatwetenschappers te conservatief. Nu oordelen zij dat niet in 2090 maar in 2030 de temperatuur met 4 graden zal stijgen.
In Nederland krijgt het onderwerp nauwelijks aandacht. Alleen Helma Nepperus weet er gebruik van te maken. Zij buit de onzekerheid over de klimaatvoorspelling uit om alle conclusies van het IPCC op losse schroeven te zetten. Een spetterend optreden in Pauw en Witteman, waarin zij vakkundig de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving wegzet als een bureaucraat uit “1984″ die de ene dag zeker weet dat X waar is en de andere dag zeker weet dat Y waar is, kattapulteert haar naar het fractievoorzitterschap van de VVD nadat Halbe Zijlstra in 2013 voorzitter van de Raad van Cultuur wordt.

Na de sluiting zal de Large Hadron Collider worden gebruikt als supersnelle achtbaan.

12. “Higgs Boson found. Scientific progress has come to its natural end.”
De gevolgen van de Europese bezuinigingen op wetenschap worden duidelijk. De Large Hadron Collider in Geneve wordt gesloten, net nu er grote stappen worden gemaakt met de ontdekking van de allerkleinste deeltjes. Maar op de Europese begrotingen is geen ruimte meer voor wetenschap, trouwens ook niet meer voor kunst of natuur, alleen nog maar voor steunpakketten voor banken en werkloosheidsuitkeringen. Het ongeloof van wetenschappers over het sluiten van deze wetenschappelijke instelling vindt geen aansluiting bij de media: het ‘goddeeltje’, de Higgs Boson was toch gevonden? De wetenschap was toch af? Voor de nuance dat 99.99% zekerheid iets anders is dan 100% en dat de wetenschap niet ‘af’ is nu dit deeltje met enige zekerheid waargenomen was, was geen ruimte; noch bij de media, noch bij de internationale politiek. Zelfs de brandbrief van Nobelprijswinnaars Veltman en ‘t Hooft dat hiermee fundamenteel natuurkundig onderzoek effectief de nek om wordt gedraaid, wordt niet geplaatst in de Volkskrant: te ingewikkeld.

Damascus kleurt rood met Damascusrozen

13. “We all love Al-Assad. We always loved Al-Assad. We will always love Al-Assad.”
De Syrische burgeroorlog blijft doorsmeulen. De internationale gemeenschap blijft tot op het bot verdeeld over ingrijpen. De Russische president Poetin en de Chinese premier Wen steunen Assad. De Amerikaanse steun voor de Islamitische rebellen neemt af, als blijkt dat hun kans om te overwinnen steeds kleiner wordt. Ook het vertrek van interventionisten als Susan Rice en Clinton maakt Obama veel minder geneigd om in te grijpen. Nu bestuurt John Kerry, die door zijn eigen ervaring in Vietnam een afkeer heeft voor militair ingrijpen, het State Department. Op 27 augustus 2013 kleuren de straten van Damascus rood… rood van de duizende rozenblaadjes die worden neergegooid door aanhangers van Assad. De president verklaart op die dag dat de politionele operaties in Syrie gestopt zijn en alle stabiliteit in het land is teruggekeerd. De beelden van president Al-Assad, die, gekleed in een traditioneel Syrisch wit gewaad in een zee van rode rozenblaadjes loopt, bereiken de Nederlandse televisie nog wel, maar voor de verhalen van de tienduizenden politieke gevangen, de verhalen over martelingen en de verhalen over het verdwijnen van de aardbodem van complete dorpjes is geen ruimte in de “verschillige” praatprogramma’s, waar met name aandacht is voor het prive-leven van de Koningin, de bultrug en verhalen van Alexander Klopping over hoe Peter Jackson niet mee kan doen in de moderne informatiesamenleving.

Formidable opponent: Homo-emancipatie

Een onregelmatig terugkerende feature van dit weblog is het, van Stephen Colbert geleende, idee van een echt politiek debat met een echt sterke tegenstander: mijzelf. Het onderwerp is “moeten we de paus geen bloemen sturen vanwege zijn uitspraken over homo-seksualiteit?”

Simon A: Natuurlijk moeten we geen bloemen naar de paus sturen. Immers de Katholieke Kerk is intolerant ten opzichte van homo’s. “Bedankt voor bloemen uit Nederland” is na “Homo’s zijn een gevaar voor de samenleving” gewoon onacceptabel. Dat de volkszangers de drie Js opriepen om de Paus “nou eens een minuutje onder water [te] houden” is niet mijn stijl, maar het sentiment dat er in een vrije samenleving geen ruimte is voor is dit soort middeleeuwse intolerantie deel ik. De acceptatie van homoseksualiteit is de toetssteen of iemand wel mee kan dan doen in de huidige open samenleving.

Simon B: Okay, de paus heeft in een onbegrijpelijk wollig theologische speech weer iets gezegd over homoseksualitei: “Het is nodig, alom de natuurlijke structuur van het huwelijk als een verbintenis tussen man en vrouw te erkennen en de waarde ervan te benadrukken, tegenover pogingen om radicaal andere vormen van verbintenissen juridisch hieraan gelijkwaardig te maken. Zulke pogingen beschadigen en ontwrichten het huwelijk, en vertroebelen de specifieke aard ervan en de onvervangbare rol ervan in de samenleving.” In de boerenkooltijd (de winterse tegenhanger van komkommertijd) zorgt dit voor grote consternatie. Ik neem de Katholieke Kerk niet zo serieus. Maar dat heeft misschien meer te maken met het feit dat ze zelf geloven dat kannibalisme van hun eigen godheid onderdeel is van hun religieuze ceremonie dan dat ze opvattingen over het homo-huwelijk hebben die tot recent tot in de progressiefste landen gedeeld werden. Homo-rechten zijn pas recent erkend: pas in 1974 werd homoseksualiteit geschrapt in het breed gebruikte Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Daarvoor was het een breed gedeeld idee dat homoseksualiteit een geestelijke afwijking was. Tot in de jaren ’70 golden er in Nederland andere regels rondom seksuele meerderjarigheid voor homo’s en hetero’s. De erkenning van het homo-huwelijk, de kroon van de tolerantie van homoseksualiteit, is nog nieuwer: in Nederland werd dit gelegaliseerd in 2001. In Belgie in 2003. Daarop volgden Scandinavische, Iberische en Latijns-Amerikaanse landen. Maar zelfs in de Verenigde Staten zijn er meer staten die het homo-huwelijk in hun grondwet verbieden dan die het erkennen. De acceptatie van homoseksualiteit in het Westen is een recent fenomeen dat nog lang niet afgerond is. Nederland heeft een langere traditie van kerstbomen, vuurwerk en oliebollen, dan van tolerantie van homoseksualiteit. Waarom is de acceptatie van homoseksualiteit plotseling the end all, be all van Westerse vooruitgang?

Counterpoint: homo-rechten zijn gratis
Simon A: De tolerantie van homoseksualiteit is gratis. Je verliest niets als hetero door het samenzijn, samenwonen of trouwen van homo’s te erkennen. Het erkennen van het recht van Christelijke ouders om hun kinderen op een Christelijke manier op te voeden, betekent dat ook seculieren de kosten van Christelijk onderwijs moet opbrengen. Het erkennen van het recht van Moslims en Joden op ritueel slachten, gaat ten koste van dieren. En het erkennen van het recht van mensen om vuurwerk af te steken, kost andere mensen hun nachtrust. Homoseksualiteit kost helemaal niets: homoseksualiteit was, toen het nog een misdaad was, een victimless crime. Niemand had er schade van. Bovendien: homo’s zijn een heel kleine groep, ongeveer drie procent van de bevolking is homoseksueel, zelfs als je het rottig vindt om homo’s hand in hand te zien lopen, is de kans daarop kleiner dan dat je een vrouw met hoofddoek ziet.
Je moet dus wel heel onverdraagzaam zijn om het te verbieden. Welke wetgever gaat tussen twee mensen staan die van elkaar houden en ontzegt hen hun liefde? Welke wetgever wil per se in de slaapkamer van twee volwassenen kijken? Welke wetgever verklaart iemand voor gek alleen maar omdat hij van een ander houdt? Intolerantie van homoseksualiteit is, juist omdat de tolerantie gratis is, bijzonder irrationeel.

Gratis dus waardeloos
Simon B: Als homoseksualiteit gratis is, is het tolereren daarvan ook niet heel erg ingewikkeld. Het is gemakkelijk om te zeggen: “kijk mij eens even superieur zijn omdat ik homoseksualiteit tolereer” terwijl het je niets kost. Waarden als tolerantie krijgen pas kracht als je er iets voor moet inleveren. Dus als ik iets zou verkiezen tot het end all of be all van tolerantie zou ik niet het homo-huwelijk verkiezen, omdat het kosteloos is om het te tolereren. Zoals jij zei: tolerantie van Christendom betekent dat ik moet accepteren dat mijn belastinggeld wordt gebruikt voor Christelijke scholen. Dat vereist een veel grotere opoffering van mij dan van hen: immers hun Christelijk onderwijs wordt betaald van mijn belastinggeld, terwijl ik mijn homo-huwelijk uit eigen zak moest betalen.

Homo-huwelijk is niet gratis
Simon A: Maar als het te makkelijk zou zijn om homoseksualiteit te tolereren, waarom accepteren we dan nog steeds onverdraagzaamheid ten opzichte van homo’s, bijvoorbeeld door de erkenning van de weigerambtenaar? Door de dictatuur van een kleine minderheid gereformeerde fundamentalisten, mogen ambtenaren weigeren om de wet uit te voeren. Dat laat zien dat iets wat heel gemakkelijk zou moeten zijn, dat niet is zelfs in Nederland. Het principe van non-discriminatie betekent dat de overheid iedereen gelijk moet behandelen, dus dat er geen ambtenaren mogen zijn dus die weigeren de wet uit te voeren. Maar Christenen eigenen zich het recht toe om intolerant te zijn, vanwege hun religie.

Homo-intolerantie accepteren is een vorm van tolerantie
Simon B: Het homo-huwelijk is in links Nederland verworden tot het symbool van tolerantie. Maar tolerantie betekent toch juist ‘ontspannen omgaan met verschillen’ of ‘daar komen we samen uit’. Stel dat een gemeente besluit haar gemeentehuis op zondag te openen (‘de wet’) en een Christelijke ambtenaar zegt: ik werk op zondag niet (‘ik voer de wet niet uit’). Dan betekent tolerantie toch dat er een schema komt waarin hij niet op zondag hoeft te werken? Het principe van non-discriminatie betekent dat de overheid iedereen gelijk behandeld. Het zegt niets over individuele ambtenaren en hun opvattingen. En zeker omdat het aantal homo-huwelijken niet heel groot is en iedere gemeente meer dan een trouwambtenaar heeft, is dit een non-probleem. En bovendien: het idee dat weigerambtenaren een probleem zijn, is de armoede van huwelijken die gesloten worden door volslagen vreemden. Tolerantie van homo’s door Christenen en van Christenen door homo’s moet van twee kanten komen: je moet niet de rechten van een minderheid weg nemen en om een andere minderheid te verdedigen.
Om terug te keren naar de Paus: in een vrije samenleving hebben mensen het recht om hun opvattingen te uiten, hoe zeer ik het er ook niet mee eens ben. Tolerantie betekent dat ik het recht van mensen om hun mening te uiten verdedig, zelfs al vind ik die mening abject. Siertelers hebben het recht om wie ze ook willen bloemen te sturen. Je mag ook op facebook iedere petitie beginnen die je wil, voor of tegen de Paus, maar ik ga het niet steunen of liken. Maar oproepen tot geweld, zoals door de 3Js, zelfs al is het ironisch bedoeld, raakt de grenzen van de tolerantie.

Stelling 11: Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 11: “Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen.”

Gedurende mijn hele universitaire opleiding ben ik politiek actief geweest.  Want het is voor mij nooit genoeg geweest om te leren hoe de politieke wereld in elkaar zat, ik heb me altijd ingezet voor maatschappelijke verandering. Mijn studie was lange tijd mijn voornaamste bezigheid en politiek een hobby, maar in het laatste jaar heb ik gezocht naar een nieuwe balans door zowel te werken in de politiek, bij Bureau de Helling, als in de wetenschap, bij de Universiteit Leiden.

Het is een precaire balans omdat in de wetenschap objectiviteit en integriteit centraal staan. Een partijgebonden partijonderzoeker heeft een lastige positie. Hij kan voor zich zelf waarde en waarheid misschien wel scheiden, maar voor anderen is het lastig om dat te zien. Overigens juist als kiezersonderzoeker moet je bij een partij niet geleid worden door wat jezelf belangrijk vindt, maar door wat uit kiezersonderzoek blijkt belangrijk te zijn voor kiezers. Ik zou bijvoorbeeld zelf het liefst Nederland morgen onderdeel maken van een Europese federatie, het minimumloon afschaffen en alle panda’s over de kling jagen, maar ik realiseer me dat die standpunten electoraal lastig liggen. Het is mijn rol geweest binnen GroenLinks om matiging te adviseren over ons pro-Europese programma, een meer herkenbaar linkse koers te adviseren en vol in te zetten op groen. Mijn neutraliteit en objectiviteit heb ik nooit opgegeven.

Even zo zeer heb ik het laatste jaar gemerkt dat als je onderzoek doet naar iets waar je niet 100% vol voor gaat, dat de drive om urenlang zelfstandig te werken niet heel groot is. Ik rond daar nu mijn onderzoek naar belangengroeperingen af. Dat is grotendeels dezelfde theorie en dezelfde methoden als in mijn partijenonderzoek, maar het onderwerp kan mij veel minder motiveren. Ik ben daarom bijzonder blij dat ik de mogelijkheid krijgen om bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen me in te zetten voor mijn grote passie, het onderzoek naar politieke partijen. In mijn onderzoek naar bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren probeer ik erachter te komen hoe zelfs kleine partijen een grote invloed hebben op de aandacht voor hun onderwerp. Daarmee hoop ik niet alleen bij te dragen aan een beter begrip van de politiek, maar ook mensen aan te moedigen om zich in te zetten voor maatschappelijke verandering, want zelfs met twee zetels kan je een grote verandering inzetten.

En zo zie je: als partijgebonden kiezersonderzoeker heb je de kille neutraliteit nodig van de empirist, want anders wordt je advies gekleurd door je eigen standpunt; en als neutrale partijenonderzoeker heb je de passie nodig van de partijactivist, want anders heb je de motivatie niet om iedere dag onderzoek te doen. Ik ben bijzonder blij dat ik de komend jaren deze precaire balans mag door zetten, als onderzoeker bij het DNPP en als bij Bureau de Helling.

Stelling 10: Politicoloog, computerprogrammeur, journalist en filosoof

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 10: “Een politicoloog is een computerprogrammeur in de ochtend, een journalist in de middag en een filosoof in de avond.”

Politicologie is een bijzondere discipline. Een politicoloog combineert veel verschillende perspectieven. In mijn proefschrift heb ik verschillende perspectieven gecombineerd: kwantitatief onderzoeker, kwalitatief onderzoeker en theoreticus.

Een belangrijk deel van mijn proefschrift bestaat uit een statistische analyse. Dit is gebaseerd op data over parlementaire stemmingen die ik samen met mijn collega heb verzameld uit online bestanden. In dat werk ben je eigenlijk meer een computerprogrammeur dan een politiek wetenschapper. Websites geautomatiseerd downloaden, de gedownloadde bestanden parsen, data bestanden maken en statistische analyse draaien. Dat hadden ze me allemaal niet tijdens de bachelor geleerd. Ik had me veel nieuwe methoden eigen moeten maken, waaronder het statistische programma R. R is meer dan een statistiekprogramma, het is een computertaal. Je bent bezig met for-loops, if … else statements etc. Zo krijg je uiteindelijk cijfers, die je kan analysere en mooi als figuur weer kan geven.

Daarmee was met mij betreft het onderzoek af, maar mijn promotor wees me er terecht op dat al die statistiek wel leuk is maar betekenisloos is zonder context. Dus moest ik ook een historische analyse schrijven. Het effect van nieuwe partijen in context plaatsen. Waar het werk van een kwantitatief politicoloog steeds meer lijkt op een computerprogrammeur zonder formele training, lijkt het werk van een kwalitatief politicoloog nog steeds op een journalist zonder deadline. Uiteindelijk heeft dat een mooie historische beschrijving van alle nieuwe partijen in Nederland opgeleverd in de context van de Nederlandse politieke geschiedenis: de democratisering van de jaren ’60, de debatten over abortus in de jaren ’70, de kernwapendebatten van de jaren ’80.

De laatste rol van de politicoloog is de filosoof. Los van de data en de context een theoretisch argument maken. Mij lag de rol het minst omdat ik een vrij platte empiricus ben en een gediplomeerd filosoof. Rollen die ik altijd gescheiden had. Meer dan de theorievorming over nieuwe partijen (alhoewel ik ook wel gestoeid heb met de klassieke definities en schema’s van nieuwe partijen) heb ik proberen bij te dragen aan het begrip van de arena’s waarin partijen opereren, de parlementaire arena en de electorale arena. Toen ik er achter kwam dat nieuwe partijen geen effect hebben in de electorale arena, maar wel in de parlementaire arena, was dat voor mij eerst een teleurstellende uitkomst, maar uiteindelijk een waardevolle uitkomst.

En zo ben je als politicoloog een computerprogrammeur, een journalist en een filosoof. Bezig met for loops, bronnenonderzoek en grote verhalen.

Stelling 9: Party democracy is not dead yet

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de negende: over de veerkracht van de partijpolitiek.

Stelling 9: “De partijendemocratie vertoont een opvallende gelijkenis met Mark Twain, immers de veelvuldige berichten over haar dood zijn overdrijvingen.”

Een van de meest kritische opmerkingen van de commissie was: “u doet onderzoek naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen, maar wat doet dat er toe? Partijen zijn toch steeds minder relevant?”

Sinds de politicologie bestaat verklaart iedere generatie politicologen de politieke partij dood. Verouderd, sluit niet meer aan bij de huidige maatschappij, regentesk, geïsoleerd van de samenleving, niet-responsief, niet-representatief. Wat zou verouderde partijen bij de les kunnen houden?

In dit onderzoek kijk ik of nieuwe partijen deze rol zouden kunnen spelen Zouden nieuwe partijen die door kiezers naar Den Haag worden gestuurd om nieuwe onderwerpen op de agenda te zetten, om het beleid naar links of naar rechts te sturen en om “die malle boel te grazen te nemen”? En in mijn onderzoek blijkt dat onder specifieke voorwaarden nieuwe partijen een effect kunnen hebben.  Laat dit niet zien dat politieke partijen hun relevantie niet hebben verloren omdat er een dynamiek is tussen nieuwe en bestaande partijen die zorgt voor aansluiting voor partijen bij de samenleving, die zorgen voor vernieuwing, die een brug kunnen slaan tussen burger en maatschappij, die zorgen voor responsiviteit en representativiteit?

Een logische casus om naar te verwijzen is de LPF: in de jaren ’90 heerste er in Nederland een politieke correctheid in Nederland rond migratie en integratie. In de samenleving ontstond een grote onvrede over immigratie en integratie. De opkomst van de LPF dwong de bestaande partijen om meer aandacht te besteden aan migratie. Dat laat zien dat nieuwe partijen de link kunnen vormen tussen de kiezers en de bestaande partijen.

Dit is deels een vertekening: tijdens het tweede paarse kabinet werd er al een meer stringente vreemdelingenwet (de wet-Cohen) aangenomen en werd er dus al gedebatteerd over immigratie in de Tweede Kamer.  Dat laat zien dat de LPF er niet voor heeft gezorgd dat aandacht voor migratie van 0% naar 100% is gegaan. Het effect van nieuwe partijen is beperkt. Maar in dit geval laat dat alleen maar zien dat bestaande partijen ook zonder de druk van nieuwe partijen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen als migratie.