Weg van Christendemocratische principes, op naar linkse doelen

We vergeten vaak dat onze verzorgingstaat niet de realisatie is van echte linkse idealen, maar sterk beïnvloed is door Christendemocratische principes. Het doel van de sociale zekerheid is niet herverdeling maar het is een verplichte verzekering tegen inkomensverlies, omdat je niet meer kan werken omdat je te oud of te ziek bent bijvoorbeeld.

Sterker nog, dit stelsel staat in de weg van linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten: het moedigt bedrijven aan om in Nederland geen werknemers in dienst te nemen; het vraagt een gelijke bijdrage van een onderwijzer en een bankier. En het creëert ongelijkheid tussen een werknemer en een ZZP’er die op verschillende manieren hun werk organiseren.

Het kernidee van het Christelijk-sociale denken is dat werknemers en werkgevers naast de overheid een aparte verantwoordelijkheid hebben. Niet alles moet door de staat geregeld worden. Mensen moeten zelf betalen voor zulke verzekeringen. Maar omdat mensen niet goed zelf keuzes kunnen maken moet de overheid hen wel verplichten zich te verzekeren. De kern van de sociale zekerheid is dus niet een eerlijke verdeling van arbeid en inkomen maar verplichting en verzekering

Dat klinkt als mooie principes maar ondertussen is de uitvoering van de sociale zekerheid verbureaucratiseerd en is het allang al niet meer echt een gedeeld verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het is een andere vorm van belastinginning geworden. Een die mensen werkloos houdt, inkomensverschillen in stand houdt en mensen die hetzelfde werk doen anders behandelt

Het verzekeringsstelsel maakt arbeid onnodig duur

Het idee achter het Christelijk-sociale verzekeringsstelsel is vrij simpel. We verzekeren ons verplicht voor ouderdom, ziekte en werkloosheid. Voor het gemak int de belastingdienst de verzekeringskosten. Het grootste deel van de lasten die mensen met een laag inkomen betalen zijn niet belastingen maar premies van volksverzekeringen.(1) De lasten voor de werknemersverzekeringen worden voor iedere werknemer, door werkgevers, maar opnieuw als percentage van het uitbetaalde loon.

De volks- en werknemersverzekeringen worden bijna geheel gefinancierd arbeidskosten. Op die manier maken we datgene wat we waardevol vinden, namelijk dat mensen kunnen werken, duur. In crisistijd moeten werkgevers mensen ontslaan, omdat arbeidskosten een groot deel van hun begroting beslaat. Arbeidsintensieve productie verschuift naar landen met lage arbeidskosten. In de zorg zien we dat menselijk contact vervangen wordt door machines. Dat is  goedkoper voor de zorginstantie maar tegelijkertijd verliezen ouderen sociale contacten.

Het legt de zwaarste lasten niet bij de sterkste schouders

Bovendien is de redenering achter het Christendemocratische verzekeringsstelsel dat omdat je je verzekert voor een ongeval of ongeluk, iedereen evenveel moet betalen. Het is een verplichte verzekeringspremie: een premie die voor iedereen gelijk is, behalve voor mensen met een laag inkomen, zij betalen wel 30% van hun inkomen aan premies. Maar mensen met een laag inkomen betalen nauwelijks belasting. Voor belastingen geldt namelijk de sterkste schouders de zwaarste lasten. Bij sociale verzekeringen geldt juist dat de bankier en de onderwijzer evenveel betalen en niet fundamenteel meer dan de schoonmaker.

Als we de socialeverzekeringspremies zouden afschaffen zou dat twee positieve gevolgen hebben:

1) We maken arbeid en met name laagbetaalde arbeid veel goedkoper. Daardoor kunnen bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo kunnen we de groeiende werkloosheid bij de wortel aan te pakken: de prijs van arbeid.

2) En we verdelen de lasten eerlijker. Mensen met een laag loon hoeven minder lasten af te dragen en gaan er aan het eind van de maand op vooruit. Werk gaat weer lonen.

GroenLinks heeft een uitgebreid programma van belastingvergroening, progressieve belasting en vermogensbelastingen om de achteruitgang van de overheidsfinanciën te compenseren.

Het creëert ongelijkheid tussen mensen

Als we het verouderde verzekeringsstelsel afschaffen, maken we tegelijkertijd een eind aan de rechtsongelijkheid die daarmee geïnstitutionaliseerd is.

Omdat we nu de werknemersverzekeringen laten betalen door werkgevers worden mensen die niet in loondienst zijn hiervan uitgesloten. Dat is met name een probleem als kleine zelfstandigen arbeidsongeschikt of ziek worden. Voor hen is er nauwelijks sociale bescherming. Dat was logisch omdat werknemers en werkgevers in de Christelijk-sociale visie een andere verantwoordelijkheid hadden. Maar dat is een raar onderscheid in de huidige arbeidsmarkt: we zien in veel sectoren, zoals de bouw, dat mensen die eerst in dienst waren van een bedrijf het zelfde werk bij het zelfde bedrijf kunnen doen als zelfstandige. Dat is fijn voor de werkgever omdat deze minder lasten hoeft te betalen en flexibeler kan reageren als de vraag plotseling toe- of afneemt. Maar dat is minder fijn voor de tot het ondernemerschap veroordeelde ex-werknemer. Want hij heeft minder werkzekerheid, de opdrachten kunnen opdrogen, en minder sociale zekerheid: als hij als werknemer van een dak af valt komt hij in de WIA, als hij als zelfstandige van het zelfde dank af valt, is er geen vangnet.(2)

Als we de arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen uit de algemene middelen is het gerechtvaardigd om zowel werknemers als ondernemers hier recht op te geven. De overheid verzorgt universele bescherming tegen inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid, onafhankelijk van wat je deed om je inkomen te verdienen.

Een aparte werkloosheidsuitkering voor werknemers kan ik me wel voorstellen, want als werknemer ben je afhankelijk van je werkgever, maar een  arbeidsongeschiktheidsregeling die alleen voor werknemers geldt, is niet meer van deze tijd.

Als we afstappen van het verouderde Christendemocratische verzekeringsprincipe en dan kunnen we linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten bewerkstelligen. De Christelijk-sociale uitgangspunten leken in 1953 misschien eerlijk, maar houden anno 2013 in de praktijk ongelijkheid, armoede en werkloosheid in stand.

(1) Onder de 20.000 euro betaalt iemand 6% van zijn inkomen aan belastingen en 30% aan verplichte socialeverzekeringspremies.

(2) Natuurlijk is de aannemer wel aansprakelijk als het op zijn terrein gebeurt, maar het punt is dat de een wel toegang heeft tot de WIA en de ander niet.

 

Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

Het socialisatiestreven en de sociaaldemocratie

Vorige maand nationaliseerde Jeroen Dijsselbloem SNS-Reaal. Hij was de tweede sociaaldemocratische minister van Financiën die zich door de voortdurende kredietcrisis genoodzaakt voelde om een bank in overheidshanden te nemen. Wordt hiermee het klassieke sociaaldemocratische streven naar socialisatie in de praktijk gebracht?

Het streven naar socialisatie van de productiemiddelen, dat wil zeggen deze middelen dienstbaar maken aan het welzijn van de gemeenschap en niet langer aan het particuliere belang van diegenen die deze middelen bezitten, is een klassiek sociaaldemocratisch streven dat terug te vinden is in de beginselprogramma’s van de SDAP.

In het eerste beginselprogramma van de PvdA uit 1947 wordt voor het eerst expliciet opgeroepen om het bankwezen te socialiseren. Deze sector wordt samen met industrie en transport genoemd. De op deze beginseluitspraak volgende verkiezingsprogramma’s bevatten geen voorstellen om dit streven in de praktijk te brengen. Wel vragen ze om verscherpt toezicht van het bankwezen en de socialisatie van het particuliere mijnbedrijf.

De socialisatie van het bankwezen is alweer uit het beginselprogramma van 1959 gevallen. Programma’s uit deze periode vragen om allerhande nationalisaties, zoals van het verzekeringsbedrijf en bodemschatten, maar niet van het bankwezen. In het sterk door Nieuw Links beïnvloedde beginselprogramma van 1977 roept de PvdA op om de banken in gemeenschapsbezit te brengen. Tussen 1981 en 1986 had de PvdA haar hoop gevestigd op de Postgiro/Rijkspostspaarbank. Deze in 1977 gevormde bank wás in overheidshanden, de sociaaldemocraten wilden dat deze bank tot een belangrijk financieel instituut kon uitgroeien. Deze bank werd echter in 1986 geprivatiseerd door CDA en VVD. Sindsdien zwijgt de PvdA in alle talen over de mogelijkheid van staatsbanken. Gedurende de jaren ’90 steunt de PvdA wel de verzelfstandiging van de NS en de liberalisering van de energiemarkt. Dat dit in strijd is met het beginselprogramma uit 1977 is voor de PvdA geen kwestie meer: Wim Kok schudde in de Den Uyl-lezing van 1995 de ideologische veren van de PvdA af.

In 2005 schrijft de nieuwe partijleider Wouter Bos, afkomstig uit het bedrijfsleven en bekend vanwege zijn sociaal-liberale sympathieën, samen met partijvoorzitter Ruud Koole (een vertegenwoordiger van de linkerflank van de PvdA) een nieuw beginselprogramma. Dit programma vormt een afsluiting van een periode van verregaande liberalisering van het gedachtegoed van de sociaaldemocraten. Het programma noemt een beschaafd kapitalisme waarin het marktmechanisme beperkt wordt door wetten en regels, een verworvenheid van de sociaaldemocratie. Van enig socialisatiestreven is geen spoor meer over: of de markt of de overheid diensten aanbiedt, is voor de PvdA geen principekwestie. Soms is de overheid hier beter in en soms de markt.

Eind 2008 wordt de PvdA geconfronteerd met het falen van de markt. Fortis verslikte zich in de overname van ABN-AMRO. Het Nederlandse deel van de bank werd door minister van Financiën Bos onder de naam ABN-AMRO in overheidshanden gebracht.

Anno 2010 dacht Bos anders over de vrije markt dan wat hij had opgeschreven in 2005. De kredietcrisis had de grond onder zijn naïeve geloof in de ondernemingsgewijze productie weggeslagen. In de Den Uyl-lezing begin dat jaar, vergeleek hij de vrije markt met de in Diergaarde Blijdorp uit zijn verblijf ontsnapte aap Bokito, om te illustreren dat regelgeving en toezichthouders soms onvoldoende sterk gebleken waren en dat de enige bescherming tegen de vrije markt een brede greppel was.

In het verkiezingsprogramma van 2012 was de PvdA kritisch over de bankensector: “Winsten van banken zijn privaat, maar de risico’s worden afgewenteld op de belastingbetaler.” Hierin schuilt een kritiek die door linkse economen als Ewald Engelen en Alfred Kleinknecht is geuit op de keuze om banken te redden: bankiers kunnen grote risico’s nemen omdat ze weten dat als ze ten ondergaan, ze wel gered zullen worden door de overheid. Het programma stelt voor om de ABN-AMRO niet naar de beurs te brengen en deze bank dienstbaar te maken aan het publieke belang. Hiervoor is een nieuwe organisatievorm nodig; één waarbij geduldige investeerders - en niet durfkapitalisten – aan het roer zitten. Hierin horen we iets van het oude socialisatiestreven van de PvdA terug. Socialisatie betekende namelijk niet per se het in overheidshanden brengen van productiemiddelen, maar deze richten op het welzijn van de gemeenschap.

De nationalisatie van de SNS-Reaal was noodzakelijk omdat de bankverzekeraar zich dreigde ten onder te gaan aan haar nieuwe vastgoedpoot. De opname van het Bouwfonds bracht de vijfde financiële instelling van Nederland aan de rand van de afgrond. De aankoop had plaatsgevonden in 2006, voordat strengere regels in werking getreden waren.

Is de nationalisatie van SNS-Reaal een uiting van diep verlangen van de PvdA? Er zijn twee belangrijke redenen omdat niet zo te zien:

  • In de eerste plaats streefden de sociaaldemocraten volgens haar beginselprogramma van 2005 en haar verkiezingsprogramma’s sinds 1986, niet meer naar het in overheidshanden brengen van banken. De partij had allerlei privatiseringen, verzelfstandigingen en liberaliseringen gesteund. Het nieuwe beginselprogramma sprak geen voorkeur uit voor de markt of de overheid. In een beschaafd kapitalisme had de overheid vooral een rol als marktmeester.
  • Ten tweede, in het laatste programma van de PvdA wordt niet het streven uitgesproken om nog meer banken in overheidshanden te brengen. De PvdA streefde naar een organisatievorm waarbij banken zich richten op het publiek belang. Dat is wel socialisering, maar geen nationalisering. Het sociaaldemocratisch programma onderschrijft juist de kritiek dat het redden van private banken met publiek geld leidt tot perverse prikkels voor bankiers om meer risico te nemen.

Hieruit blijkt dat de overname van SNS-Reaal een noodgreep was van een sociaaldemocratische bewindspersoon om erger te voorkomen. Het was geen power grab van een socialist voor wie het enige antwoord op alle maatschappelijke problemen de socialisatie van de productiemiddelen is.

Dit artikel verscheen ook in de Hofvijver van februari 2013.

“Austeridad Basta Ya!”

In de nachttrein naar Madrid ontmoetten we een man. Laten we hem Louis noemen. Flegmatisch uiterlijk, zwart haar en een licht verdwaasde blik in zijn ogen. Uitermate spraakzaam. Terwijl het Spaanse winterlandschap voorbij trok en wij ons ontbijt aten, vertelde hij honderduit over zijn plan: hij was vanuit Parijs naar Madrid gekomen om te protesteren tegen de bezuinigingen van de regering-Rajoy. In zijn coupe had hij een groot bord met “Austeridad Basta Ya!” op een kant en “Urgencia social y ambiental” op de andere.

Toen we bij ons hotel aankwamen was er veel politie op de Plaza de Sol. Ook waren er wat anarchisten met honden en hand geschreven borden en een groepje activisten met oranje hesjes. Het leek niet als of er een heel grote demonstratie was. Het aantal straatartiesten die verkleed waren als Micky-Mouse-in-Uncle-Sam outfit en het aantal mensen die gele hesjes om hadden die mensen aanmoedigden om goud te kopen overtroefde op dit centrale plein van Madrid het aantal demonstranten.

Na een stadswandeling kwamen we terug bij het hotel. Het aantal mensen op het plein was aanzienlijk toegenomen. Op onze kamer nam het geluid vanaf de straat steeds verder toe: trommels, fluiten, brass-bands, mensen die “El Pueblo Unido” zongen of “Si se puede” scandeerden. Vanuit het raam kon ik een tamelijk grote mensenmassa zien: een horde communisten van Izquerda Unida, republikeinen met de rood-geel-paarse vlag, verpleegsters in uniform, leden van de anarcho-syndicalistische vakbond CNT, dames in bontjas, jongeren met opgeschoren haar én een enkeling met een bord met daarop de tekst “Urgencia Social y Ambiental”. Langzaam trokken de mensen langs mijn balkon. Op hun borden uitten ze hun onvrede met de bezuinigingen, de Partido Popular, het kapitalisme, de banken en het Franco-regime.

Terwijl de mensenmassa onder mij doorliep, kwam bij mij de vraag op: zijn dit de Good Guys? Moet ik niet mee lopen?

Spanje heeft een probleem. Vanuit de trein hadden we Amerikaans opgezette nieuwbouwwijken gezien met golfbanen en zwembaden. En toen we door het zakendistrict van Madrid reden zagen we hoge torens van glas en staal. Het metrostation waar we aankwamen was imposant: zo’n vijf verdiepingen, uitgevoerd in hout, glas en metaal. Spik-splinter-nieuw. Op een muur werd een patroon getoond dat leek alsof er cijfers en letters naar beneden stroomden zoals in de matrix. Maar er was bijna niemand. En als we naar beneden keken, zagen we de plekken waar metrorails zouden moeten liggen, maar waar alleen een lege bak was. In de trein vroeg een man zonder armen om geld. In het straatbeeld was armoede zichtbaar in de tientallen zwervers en bedelaars.

Want door de financiële crisis is de economische groei in Spanje hard geknakt. Toen de banken stopten met lenen verdween het geld dat er was voor huizen- en kantorenprojecten. En daarmee verdwenen ook de banen in de bouw. De conclusie is simpel. Spanje heeft jarenlang op te grote voet geleefd. De economie groeide op geld dat er niet was, geld dat geleend werd om grote bouwprojecten mee te financiëren. Zolang Spanje zou blijven groeien kon iedereen daarvan mee profiteren. Nu blijkt de belofte van groei een fata morgana. Maar de publieke sector in Spanje is wel meegegroeid met de economie: infrastructuurprojecten, ziekenhuizen en uitkeringen. Economische groei betekent ook meer belastingopbrengst. Het is dus niet meer dan logisch dat de regering-Rajoy moet bezuinigen. Een deel van haar economie bleek opgeklopte lucht. Nu de klap gekomen was, moest die lucht eruit.

De demonstranten zouden het niet met die analyse eens zijn: als de regering het gaspendaal van investeringen zou weten te vinden dan zou de groei terugkeren. Maar de manier waarop de overheid groei zou kunnen stimuleren is door zelf geld te lenen op de financiële markten. En Spanje heeft vanwege haar gekrompen economie en door haar niet-geslonken overheidsuitgaven een flink begrotingstekort dat haar onaantrekkelijk maakt voor banken en rating agencies. Het verzet tegen de banken die maar poker spelen met onze economie en het verzet tegen de bezuinigingen lijken hetzelfde verhaal maar is een essentie een radicaal ander verhaal. Spanje kan blijven lenen bij de banken en blijven geloven dat hun economie zal groeien en zo haar verzorgingsstaat betalen, of ze kan zich richten op reële economische ontwikkeling, maar dan moet zij haar verzorgingsstaat afslanken: geld lenen betekent in Spanje dat er een hypotheek op de toekomst wordt gelegd. Niet alleen is 25% van de Spaanse jeugd is werkloos, maar de Spaanse jeugd moet ook opdraaien voor de crisis door een hogere staatsschuld.

Maar wat kunnen we dan doen aan de Spaanse verpleegster die op straat komen te staan, aan het werk te houden en om de jeugdwerkloosheid terug te dringen? Misschien geeft Louis ons wel het goede voorbeeld. Zijn internationale solidariteit is uitzonderlijk. Wie gaat er twee dagen heen en weer naar Madrid alleen maar om mee te lopen in een demonstratie?

Het zou aanzienlijk goedkoper zijn om als Nederlandse overheid te gaan lenen en dat aan Spanje te geven. Vroeger zou Spanje uit haar slechte economische positie kunnen komen door de peso te herwaarderen. Dan zou de import afnemen en de export toenemen. Het zou duurder worden voor Spanjaarden om Nederlandse tomaten te kopen, maar bijvoorbeeld stedentrips naar Madrid worden voor Nederlanders aantrekkelijk. Nu kan dat niet meer door de monetaire unie en is Spanje een netto-importeur van goederen uit Nederland en Duitsland. Onze economie draait nog, houdt de Spaanse jongeren werkloos. Als het Noorden nou eens wat van haar rijkdom met het Zuiden zou delen? Een monetaire unie vereist herverdeling tussen arme en rijke landen.

Dick’s Dialectische Denken

1 februari stopte Dick Pels als directeur van het Wetenschappelijk Bureau. Voor zijn afscheid gisteren zocht ik naar de rode draad in zijn denken: zijn Marxistische methodologie.

In zijn jonge jaren was Dick modieus Marxist en natuurlijk lid van de CPN. Hoewel typische Marxistische geloofsartikelen als de socialisering van de productiemiddelen en de klassenstrijd in zijn denken niet meer naar voren komen, is er een typisch Marxistisch element dat nog steeds in Pels’ denken terugkeert: de dialectiek.

In de Marxistische dialectiek is er eerst een positie (these). Daartegenover kan een tweede positie gesteld worden (antithese). De tegenstelling tussen deze twee polen wordt opgeheven door de synthese. De synthese verenigt de twee ogenschijnlijk tegengestelde polen met elkaar in een derde vernieuwende positie.

In zijn meest recente monografie Het Volk Bestaat Niet staat de spanning tussen de elite en het volk centraal. De klassieke Nederlandse regentendemocratie werd uitgedaagd door het populisme van Fortuyn. Dick zoekt de synthese in een wisselwerkingsdemocratie: politici moeten durven om vooruit te lopen en burgers moeten politici terug kunnen roepen als ze te ver gaan.

Maar dezelfde dialectiek is ook zichtbaar in Zwak voor Nederland. Dick onderzoekt hier de spanning tussen de Islam en haar liberale critici zoals Ayaan Hirsi Ali. Hij vindt in deze tegengestelde posities een grote gelijkenis: de absolute waarheidspretentie. Zowel de fundamentalistische Islam als het Verlichtingsfundamentalisme denken de absolute waarheid in handen te hebben. Pels vindt dan ook de synthese in een kritisch relativisme, dat zich verzet tegen harde zekerheden van de gelovigen en atheïsten en uit gaat van twijfel en onzekerheid.

Dick laat zich graag inspireren door het sociaal-individualisme van Jacques de Kadt. In deze positie worden ook twee posities met elkaar verenigd. Tegenover het liberale individualisme ontstond een socialistische tegenbeweging. De Kadt en Pels verenigen dit in een ‘socialisme ter wille van het individualisme’. Dit brengt de individuele vrijheid van het liberalisme samen met het gelijkheidsideaal van het socialisme. Een eerlijke verdeling van inkomen en kansen is nodig om persoonlijke autonomie voor iedereen mogelijk te maken.

Later voegde Dick aan deze dialectische driehoek een nieuwe dimensie toe: het paternalisme. Persoonlijke autonomie dreigt te ontaarden in de hufterigheid van de dikke ikken. Het roept zo een conservatieve tegenreactie op. Pels komt met een synthese: vrijzinnig paternalisme. Mensen weten niet altijd wat het beste is voor hen zelf. Maar ook de overheid weet niet altijd wat het beste is voor het individu. Eén van de oplossingen die Pels biedt, is de democratische dialoog waarin samen onderzoeken wat het goede leven is.

En zo brengt Pels twee schijnbaar tegenovergestelde posities samen: een Marxistische scholing, waarin het dogma van het Marx centraal staat, en een vrijzinnige houding, die uitgaat van de vrijheid om anders te denken, om te twijfelen aan gevestigde ideeën en overtuigingen. Marxistische dialectiek en vrijzinnig relativisme verenigd.

Lessen van Nieuw Links & Niet Nix

Gisteren meldde Klub Kobalt zich, een vernieuwingsbeweging binnen GroenLinks. Al snel werd de vergelijking getrokken met Niet Nix en Nieuw Links twee vernieuwingsbewegingen binnen de PvdA. Ik kan me als medewerker niet te veel uitspreken over wat Kobalt wil. Maar ik kan wel mee denken: wat kan Kobalt leren van deze bewegingen?

Nieuw Links
Nieuw Links is een van de meest succesvolle interne vernieuwingsbewegingen geweest in de parlementaire geschiedenis. Midden jaren ’60 was de PvdA was electoraal als ideologisch in verval geraakt. De partij die nog geen twintig jaar geleden was opgericht om een economie te verwezenlijken zonder klassentegenstellingen was geworden tot gezappige bestuurderspartij die af en toe mocht aanschuiven bij de Christen-democraten om op de winkel te passen. Tussen 1965 en 1969 nam Nieuw Links geleidelijk het leiderschap van de PvdA over. Dat begon in 1965 met Nieuw Linkser Jan Nagel die tot het partijbestuur van de PvdA toetrad en had zijn hoogtepunt in 1969 toen Nieuw Linkser André Van der Louw verkozen werd tot voorzitter van de PvdA. Nieuw Links had toen een absolute meerderheid in het partijbestuur. In 1971 werd de beweging opgeheven. Een meerderheid van de PvdA-congresgangers bleef zich echter identificeren met Nieuw Links.

Nieuw Links had een heldere eigen agenda. Ze verwoordde dat in Tien over Rood: de vernieuwers wilden dat de PvdA naar links schoof op sociaaleconomisch en internationaalpolitieke vraagstukken. Zo moest inkomen radicaal herverdeeld worden op nationaal en internationaal niveau. De PvdA zou niet deelnemen aan een kabinet als de ontwikkelingshulp lager dan 2% van BBP zou zijn. Bovendien zette Nieuw Links zich in voor de democratisering van de politiek, de economie en de samenleving. Daar waren ze overigens niet alleen in: studenten eisten medezeggenschappen, jonge Christenen wilden een progressieve koers voor de kerken en de Christelijke partijen. D66 kwam in de Kamer op basis van verhaal over democratisering. Autoritaire structuren stonden in de hele samenleving onder druk. Ook voor de organisatie en strategie van de PvdA had Nieuw Links een helder plan: ze was voorstander van de democratisering van de PvdA en van een polarisatiestrategie waarbij de PvdA het conflict koos met de rechtse krachten in de samenleving.

Dat alles culmineerde in 1973 in de vorming van het linkse kabinet Den Uyl. Den Uyl, opvallend genoeg, was een uitgesproken tegenstander van Nieuw Links maar zag zich genoodzaakt om niet alleen de polarisatiestrategie van Nieuw Links over te nemen, de PvdA naar links toe te schuiven maar ook prominente Nieuw Linksers als Marcel van Dam in zijn kabinet te benoemen. Veel Nieuw Linksers bleven tot midden jaren ’90 prominente PvdA’ers en daarmee prominente bestuurders in Nederland: Van der Louw werd burgemeester van Rotterdam. Nieuw Linkser Han Lammers werd wethouder in Amsterdam en daarna Commissaris van de Koningin in Flevoland, Relus ter Beek was PvdA-Kamerlid en daarna Commissaris in Drenthe, Max van den Berg, een andere Nieuw Linkse partijvoorzitter werd Commissaris in Groningen. Nagel was een van de weinige Nieuw Linksers die niet tot het establishment ging behoren. Hij richtte juist de protestpartij Leefbaar Nederland op en later de ouderenpartij 50+

Niet Nix
Niet Nix had een heel andere achtergrond. In 1992 is Felix Rottenberg tot PvdA-partijvoorzitter verkozen. Hij wil de PvdA hervormen. Dat lukt hem maar mondjesmaat. De PvdA is een bestuurdersclub geworden. Opvallend genoeg zijn veel van de Nieuw Linksers uit de jaren ’70 de oude regenten van de jaren ’90. Toen twee brutale studenten, Lennart Booij en Erik van Bruggen, hem een brief stuurde dat het ‘anders’ moest in de PvdA en ‘opener’, werden zij met open armen ontvangen. Ze mochten de PvdA-campagne adviseren en kwamen later in dienst van Rottenberg om hem te helpen vorm te geven aan de partijvernieuwing. De twee studenten verzamelden een groep van jonge PvdA’ers om zich heen. Ze brachten samen een manifest uit, getiteld Niet Nix. In het manifest formuleerden ze een nieuwe koers van de PvdA: een sociaal-liberaal verhaal waarin milieu en onderwijs centraal stonden, Ook pleitten ze ervoor de PvdA om te vormen tot een democratische beweging. Bovendien moest de partij op zoek gaan naar jong talent uit de kunsten en het bedrijfsleven. In 1999 stelden Booij en Van Bruggen zich verkiesbaar voor het partijleiderschap. Ze verloren van de kandidaat van het establishment, Marijke van Hees. Het duurde nog bijna een jaar maar toen werd Niet Nix opgeheven. Het breed gedeelde gevoel was dat Niet Nix er niet in geslaagd was om de PvdA te hervormen.

In 2002 kreeg Nieuw Links als nog gelijk: de PvdA, die ook in de ogen van de kiezer een gesloten bestuurdersclub was geworden, werd door electoraal afgestraft. Ruud Koole (al verkozen in 2001) en Wouter Bos (verkozen in 2002) namen het roer over in de PvdA. Ze zetten in op vernieuwing van het gedachtegoed en de partij. Sommige Niet Nixers groeiden door: Van Bruggen leidde campagnes bij de PvdA, Frank Heemskerk werd staatssecretaris, Jan Vos Kamerlid, Co Verdaas gedeputeerde en Tino Wallaart persoonlijk assistent van een minister. Partijleiders Wouter Bos en Diederik Samsom waren geen lid van de beweging maar konden wel op sympathie van de club rekenen. Vervolgens accepteerde Samsom dat Nederland een historisch laag percentage van haar BBP besteedde aan ontwikkelingshulp, maar dat terzijde.

Lessen
Volgens mij leren Nieuw Links en Niet Nix vijf belangrijke lessen:

  • Vorm en inhoud gaan samen: het fundamentele verschil tussen Nieuw Links en Niet Nix is dat Nieuw Links een verhaal had toen ze werd opgericht. De PvdA moest naar links. Tien over rood is een praktisch democratisch-socialistisch programma. Daarbij hoorde een democratische partijorganisatie. Niet Nix vond dat de PvdA ‘anders’ moest en ‘opener’, maar hoe anders precies dat ontwikkelden de jongeren gaande weg.
  • Vergadertijgers winnen: Nieuw Links was van plan om de partij over te nemen en deed dit stapje voor stapje. In lokale afdelingen kregen ze congresafgevaardigden verkozen. Zo konden ze zich het partijbestuur toe eigenen. Met het congres en het partijbestuur achter zich namen ze ook de fractie in. Een klassieke infiltratietechniek. Niet Nix waren sympathieke jongens met leuke ideeën die al snel door de partij werden ingekapseld. Toen ze het onderste uit de kan wilden, namelijk het partijvoorzitterschap, kregen ze de partijtop op hun neus.
  • Begin in tijden van tegenslag: naar Niet Nix werd niet geluisterd. Midden jaren ’90 was de PvdA de grootste partij en leverde ze premier. Pas nadat de PvdA de verkiezingen had verloren, werden de lessen van Niet Nix overgenomen. Nieuw Links kon de PvdA overnemen toen de partij electoraal in verval was gekomen.
  • En wacht dan 20 jaar: maar als je er dan eenmaal bent gekomen door avonden lang te vergaderen om met een inhoudelijk verhaal te komen voor een partij in verval, en je hebt stap voor stap het congres, het partijbestuur en de fractie overgenomen, dan heb je een bestuurlijke carrière voor je liggen. Campaigner, het partijbestuur, persoonlijk assistent van een bestuurder,Tweede Kamerlid, wethouder, Commissaris van de Koningin, partijleider. De wereld ligt aan je voeten.

Belasting is diefstal?

Daar kon ik mijn linkse vingers bij aflikken. Dat regeerakkoord en dat re-regeerakkoord: nivelleren. Echt zo’n mooie linkse hobby, toch?

De cijfers zijn simpel: in landen met een gelijkmatigere inkomensverdeling is alles beter: er is minder criminaliteit, er zijn minder tienerzwangerschappen, men heeft een groter vertrouwen in de politiek, men is gezonder. Al met al: in landen met een gelijkere inkomensverdeling is men gelukkiger. Omdat de verschillen minder groot zijn, is de sociale samenhang sterker.

Deze rechtvaardiging heeft een heldere structuur: omdat het bepaalde positieve gevolgen heeft, is een bepaalde handeling rechtvaardig. Diederik Samsom gelooft in gelijke uitkomsten. Om die bereiken is van alles rechtvaardig. Naar de moraliteit van de handeling zelf wordt niet gekeken: het doel heiligt de middelen. Stellig gezegd: in een samenleving met gelijkere inkomens, is er minder criminaliteit. Er wordt niet minder gestolen: de diefstal vindt alleen via de belastingen plaats. De overheid is gerechtvaardigd om mensen hun bezit te ontnemen, omdat er dan minder bezit van mensen wordt ontnomen door hun medeburgers. Paradoxaal.
The needs of the many outweigh the needs of the few or the one. Dat is het principe van deze redenering: we halen wat geld weg bij de rijken omdat dit goed is voor de sociale samenhang, de gezondheid van mensen en het geluk van de samenleving: stel dat er in een dorp grote onrust heerst over de komst van een homoseksueel echtpaar. Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen naar een ander dorp te verhuizen omdat hun komst de sociale samenhang van het dorp ondermijnt? Is het gerechtvaardigd hen te vragen weg te gaan omdat mensen zich minder gezond voelen, nu homo’s aanwezig zijn? Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen te verhuizen als mensen dan gelukkiger van worden?
U begrijpt: ik zie niet bijzonder veel in herverdeling van inkomen met alleen de rechtvaardigingsgrond dat de samenleving daar beter van wordt. Aangezien dat het niet zeker is wat de uitkomsten van een handeling zijn, lijkt het me onmogelijk om een handeling daardoor te rechtvaardigen. Deze redenering ontleen ik overigens aan Kant. En aangezien mensen van elkaar onderscheiden zijn, ben ik geen voorstander van de holistische optellingen die onder deze redenering ligt. Dat idee ontleen ik aan Rawls.

Ik zie u denken: wat doet u eigenlijk nog bij een linkse partij? Als u vindt dat belasting diefstal is of een vorm van discriminatie?
Ik heb hier al vaak over geschreven en het is een breed gedeeld ideaal in GroenLinks: gelijke kansen. Ik geloof dat inkomensverschillen rechtvaardig zijn als mensen daar zelf voor kiezen. Als een bedrijf mij wil inhuren om onderzoek te doen en me daar 100 euro voor wil geven is dat prima. Die 100 mag ik houden, die heb ik verdiend.
Niet helemaal: een gedeelte van mijn inkomen kan ik verdienen omdat ik het bijzonder getroffen heb, gezond geboren, met -al zeg ik het zelf- een goed stel hersenen, goed opgeleide ouders maar misschien wel nog belangrijker: geboren in Nederland. Daar heb ik niets voor gedaan. Daar zit mijn werk niet in. Op het inkomen dat ik daardoor verdien heb ik geen recht.
Dat betekent dat ik radicaal wil herverdelen: tussen gezond en gehandicapt, tussen getalenteerd en ongetalenteerd, tussen geboren in een gezin met veel sociaal kapitaal en geboren in een gezin met weinig sociaal kapitaal, maar belangrijker nog tussen Noord en Zuid.
Als de beginposities gelijk zijn en de transacties in vrijheid genomen zijn, dan is iedere uitkomst rechtvaardig. Herverdeling is rechtvaardig om verschillen in inkomen die komen door verschilen in beginposities te vereffenen. Ik heb recht op het inkomen dat ik verdien door hard te werken, maar niet door het inkomen dat ik heb door mijn intelligentie, die ik bij toeval heb gekregen. Dat is geen diefstal omdat dat niet mijn bezit is, immers ik heb er niets voor gedaan.
En als gelijke kansen ook een mooiere, gezondere, gelukkigere samenleving oplevert is dat een mooi bijproduct, maar dat kan het doel nooit zijn.

Eigen weg. Alleen betreden met toestemming.

David Cameron stelt het voor in het Verenigd Koninkrijk: de wegen privatiseren. In Nederland zien we het als het zoveelste gotspe van de knetterrechtse Britse regering. Maar ik zie er wel brood in.

Ik reis bijna iedere dag met de trein. De NS is geprivatiseerd. Ik betaal iedere dag met plezier aan de monopolist en erger me af en toe dat ik geen alternatief heb voor vertraagde stoptrein die op enkel spoor stil staat voor Bodegraven. Ik verbaas me over de files die naast me stil staan. De wegen zijn namelijk niet in private handen. Dat is een publiek goed.

Overheidsfalen
Files zijn een typisch geval van overheidsfalen. Alle burgers betalen nu mee aan de wegen. Mensen met een auto betalen extra mee vanuit de motorrijtuigenbelasting. Maar die maakt geen verschil tussen een forens die iedere dag 100 kilometer heen en weer reist en een oma die alleen op zondag 5 kilometer naar haar kleinkind rijdt. Er is geen relatie tussen het gebruik en wat mensen betalen voor de wegen. Daarom rijdt iedereen op het zelfde moment over de wegen heen, namelijk wanneer ze naar hun werk moeten of daar van af komen. Omdat iedereen op hetzelfde moment wil rijden, staat iedereen stil.

Politici leggen wegen aan. Dat doen ze niet op basis van bedrijfskundige argumenten maar op basis van politiek-electorale argumenten. Mensen staan stil in de file en denken dat dat komt omdat er te weinig weg is. Ze willen dat politici meer wegen aan leggen. Rechtse partijen doen wat het volk wil: dit kabinet bezuinigt op alles wat los en vast zit, maar voor een extra autoweg is altijd geld. Nieuwe autowegen moeten we vanuit Den Haag over heel Nederland uitvouwen, op kosten van de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler, zodat een deel van de Nederlanders daar over heen kunnen racen, zonder de echte kosten te betalen.

Het echte probleem is niet dat er te weinig wegen zijn, maar dat iedereen er op het zelfde moment overheen wil. Als we mensen laten betalen voor gebruik, dan zullen mensen gespreider gaan rijden.

Rekening rijden
Ik zie u denken. Laten betalen door gebruik noemen we ‘rekening rijden’. Dit maakt gebruik van het profijtbeginsel. Als er veel vraag is naar een wegstrek op een bepaald moment, laat de overheid de prijs van het gebruik toenemen. En zo kunnen we autoverkeer meer over de dag te spreiden.

Er zijn een aantal serieuze bezwaren tegen de Tineke ‘Tolpoort’-achtige constructie van het rekening rijden. In de eerste plaats, gaat rekening rijden ervanuit dat we vanuit Den Haag het weggebruik van heel Nederland kunnen plannen. Dat is het type Sovjet-Russiche maakbaarheidsdenken dat in de wereld niet meer gezien is sinds de val van de muur. Een private marktpartij zal veel responsiever zijn naar zijn consumenten.

Ten tweede, is er het 1984-argument. Er komt een centrale database die bijhoudt waar iedereen is geweest. Als we deze informatie laten bijhouden door private organisaties voor bepaalde strekken, dan valt dit argument weg: ze weten namelijk dan niet alles.

Daarmee hing het plan samen om in iedere auto een kastje neer te zetten. Maar als je een wegstrek privatiseert kan je gewoon aan beide kanten tolpoorten neerzetten. Dat hebben ze in Frankrijk ook. En dat is een land waarna we naar toe op vakantie gaan omdat het zo mooi is.

Dus rekeningrijden en privatiseren lopen grotendeels gelijk op: we creëren een monopolist die een bepaalde weg mag exploiteren. De tol zal naar gebruik en naar moment gedifferentieerd worden Hiermee kan het onderhoud van de weg betaald worden en zo nodig kunnen nieuwe projecten gefinancierd worden. Dat kan een staatsbedrijf doen of een private onderneming

Plankgaspopulisten
Maar er is een groot voordeel aan privatisering. Nu laten we politici beslissingen nemen over wegaanleg. Dat doen ze op basis van politiek-electorale reden, niet op basis van bedrijfskundige overwegingen. Dus leggen de plankgaspopulisten wegen aan, niet omdat ze echt nodig zijn als mensen de juiste prijs zouden betalen voor de wegen, maar omdat ze weten dat dat goed scoort onder kiezers. Meer auto wegen zou het antwoord zijn op de files. Rechts toont hier een naïviteit die we alleen maar kennen uit Communistisch Rusland. Als we ‘gratis’ een product aanbieden, dan zullen mensen daar verantwoordelijk gebruik van maken, en als ze dat niet doen, moeten we meer van het product aanbieden. Alsof je zegt: alle gezondheidszorg is gratis, en als mensen dan en-masse onnodige zorgkosten maken, dan is de oplossing dat we meer zorg aanbieden, niet dat we mensen zelf laten betalen voor hun zorgkosten.

Als we kiezen voor privatisering, zal een bedrijf brood moeten zien in een bepaalde alternatieve verbinding of wegverbreding. Ik denk dat als we mensen de echte prijs laten betalen, er minder auto wordt gereden. En als de beslissing om wegen aan te leggen op een bedrijfskundige logica wordt gebaseerd zullen er minder wegen worden aangelegd, omdat vraag zal afnemen.

De reden dat we moeten kiezen voor privatisering en niet voor rekeningrijden, is dat rekeningrijden maar een deel van het probleem oplost. Er zal minder gereden worden en het autorijden zal meer over tijd gespreid worden. Maar de beslissingen om wegen aan te leggen ligt dan nog steeds bij politici. Die kunnen volgens rechts met van alles niet vertrouwen: de zorg moet bijvoorbeeld zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Ik vertrouw rechtse politici niet met wegen. Die moeten zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Private wegen, een plus voor het milieu en voor ons landschap zou ik zeggen.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen.

John Locke

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

John S. Mill

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Karl Popper

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

 

John Rawls

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Phillippe van Parijs

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself