Weg van Christendemocratische principes, op naar linkse doelen

We vergeten vaak dat onze verzorgingstaat niet de realisatie is van echte linkse idealen, maar sterk beïnvloed is door Christendemocratische principes. Het doel van de sociale zekerheid is niet herverdeling maar het is een verplichte verzekering tegen inkomensverlies, omdat je niet meer kan werken omdat je te oud of te ziek bent bijvoorbeeld.

Sterker nog, dit stelsel staat in de weg van linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten: het moedigt bedrijven aan om in Nederland geen werknemers in dienst te nemen; het vraagt een gelijke bijdrage van een onderwijzer en een bankier. En het creëert ongelijkheid tussen een werknemer en een ZZP’er die op verschillende manieren hun werk organiseren.

Het kernidee van het Christelijk-sociale denken is dat werknemers en werkgevers naast de overheid een aparte verantwoordelijkheid hebben. Niet alles moet door de staat geregeld worden. Mensen moeten zelf betalen voor zulke verzekeringen. Maar omdat mensen niet goed zelf keuzes kunnen maken moet de overheid hen wel verplichten zich te verzekeren. De kern van de sociale zekerheid is dus niet een eerlijke verdeling van arbeid en inkomen maar verplichting en verzekering

Dat klinkt als mooie principes maar ondertussen is de uitvoering van de sociale zekerheid verbureaucratiseerd en is het allang al niet meer echt een gedeeld verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het is een andere vorm van belastinginning geworden. Een die mensen werkloos houdt, inkomensverschillen in stand houdt en mensen die hetzelfde werk doen anders behandelt

Het verzekeringsstelsel maakt arbeid onnodig duur

Het idee achter het Christelijk-sociale verzekeringsstelsel is vrij simpel. We verzekeren ons verplicht voor ouderdom, ziekte en werkloosheid. Voor het gemak int de belastingdienst de verzekeringskosten. Het grootste deel van de lasten die mensen met een laag inkomen betalen zijn niet belastingen maar premies van volksverzekeringen.(1) De lasten voor de werknemersverzekeringen worden voor iedere werknemer, door werkgevers, maar opnieuw als percentage van het uitbetaalde loon.

De volks- en werknemersverzekeringen worden bijna geheel gefinancierd arbeidskosten. Op die manier maken we datgene wat we waardevol vinden, namelijk dat mensen kunnen werken, duur. In crisistijd moeten werkgevers mensen ontslaan, omdat arbeidskosten een groot deel van hun begroting beslaat. Arbeidsintensieve productie verschuift naar landen met lage arbeidskosten. In de zorg zien we dat menselijk contact vervangen wordt door machines. Dat is  goedkoper voor de zorginstantie maar tegelijkertijd verliezen ouderen sociale contacten.

Het legt de zwaarste lasten niet bij de sterkste schouders

Bovendien is de redenering achter het Christendemocratische verzekeringsstelsel dat omdat je je verzekert voor een ongeval of ongeluk, iedereen evenveel moet betalen. Het is een verplichte verzekeringspremie: een premie die voor iedereen gelijk is, behalve voor mensen met een laag inkomen, zij betalen wel 30% van hun inkomen aan premies. Maar mensen met een laag inkomen betalen nauwelijks belasting. Voor belastingen geldt namelijk de sterkste schouders de zwaarste lasten. Bij sociale verzekeringen geldt juist dat de bankier en de onderwijzer evenveel betalen en niet fundamenteel meer dan de schoonmaker.

Als we de socialeverzekeringspremies zouden afschaffen zou dat twee positieve gevolgen hebben:

1) We maken arbeid en met name laagbetaalde arbeid veel goedkoper. Daardoor kunnen bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo kunnen we de groeiende werkloosheid bij de wortel aan te pakken: de prijs van arbeid.

2) En we verdelen de lasten eerlijker. Mensen met een laag loon hoeven minder lasten af te dragen en gaan er aan het eind van de maand op vooruit. Werk gaat weer lonen.

GroenLinks heeft een uitgebreid programma van belastingvergroening, progressieve belasting en vermogensbelastingen om de achteruitgang van de overheidsfinanciën te compenseren.

Het creëert ongelijkheid tussen mensen

Als we het verouderde verzekeringsstelsel afschaffen, maken we tegelijkertijd een eind aan de rechtsongelijkheid die daarmee geïnstitutionaliseerd is.

Omdat we nu de werknemersverzekeringen laten betalen door werkgevers worden mensen die niet in loondienst zijn hiervan uitgesloten. Dat is met name een probleem als kleine zelfstandigen arbeidsongeschikt of ziek worden. Voor hen is er nauwelijks sociale bescherming. Dat was logisch omdat werknemers en werkgevers in de Christelijk-sociale visie een andere verantwoordelijkheid hadden. Maar dat is een raar onderscheid in de huidige arbeidsmarkt: we zien in veel sectoren, zoals de bouw, dat mensen die eerst in dienst waren van een bedrijf het zelfde werk bij het zelfde bedrijf kunnen doen als zelfstandige. Dat is fijn voor de werkgever omdat deze minder lasten hoeft te betalen en flexibeler kan reageren als de vraag plotseling toe- of afneemt. Maar dat is minder fijn voor de tot het ondernemerschap veroordeelde ex-werknemer. Want hij heeft minder werkzekerheid, de opdrachten kunnen opdrogen, en minder sociale zekerheid: als hij als werknemer van een dak af valt komt hij in de WIA, als hij als zelfstandige van het zelfde dank af valt, is er geen vangnet.(2)

Als we de arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen uit de algemene middelen is het gerechtvaardigd om zowel werknemers als ondernemers hier recht op te geven. De overheid verzorgt universele bescherming tegen inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid, onafhankelijk van wat je deed om je inkomen te verdienen.

Een aparte werkloosheidsuitkering voor werknemers kan ik me wel voorstellen, want als werknemer ben je afhankelijk van je werkgever, maar een  arbeidsongeschiktheidsregeling die alleen voor werknemers geldt, is niet meer van deze tijd.

Als we afstappen van het verouderde Christendemocratische verzekeringsprincipe en dan kunnen we linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten bewerkstelligen. De Christelijk-sociale uitgangspunten leken in 1953 misschien eerlijk, maar houden anno 2013 in de praktijk ongelijkheid, armoede en werkloosheid in stand.

(1) Onder de 20.000 euro betaalt iemand 6% van zijn inkomen aan belastingen en 30% aan verplichte socialeverzekeringspremies.

(2) Natuurlijk is de aannemer wel aansprakelijk als het op zijn terrein gebeurt, maar het punt is dat de een wel toegang heeft tot de WIA en de ander niet.

 

De economie van meer, meer, meer of de economie van ervaringen.

Gisteren nam Pepijn Vloemans afscheid van Bureau de Helling, het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Voor zijn afscheid schreef ik het volgende:

Het materialisme. Dat is het grootste problemen van onze tijd. Onze obsessie met meer, meer, meer is een teken van een beschaving die zichzelf naar de rand van de ecologische catastrofe consumeert. Bureau de Helling ging op onderzoek uit. We zoeken een materialist op en een postmaterialist en we laten hun levenspatronen doorrekenen door een milieukundige.

De materialist

JP Toys

Ik ontmoet Hans bij hem thuis. Hij woont in een appartement in Nieuw Vennep. Zijn huis staat vol met plastic dinosauruspoppetjes. Hij heeft er honderden, misschien wel duizenden. We lopen langs zijn collectie. Zijn kasten puilen uit. Sommigen zijn ‘mint-on-card‘, anderen zijn tamelijk beschadigd: ‘Battle damage‘. Als ik naar twee dinosauriërs wijs, ‘Velociraptors’ zegt Hans snel, en vraag waarom hij twee dezelfde heeft, schudt hij nee: ‘De eens is een repaint van de ander. Kijk deze heeft magenta klauwen en hier zijn ze fuchsia.’

Hans is overduidelijk trots op zijn collectie. Op internet zit hij op fora met verzamelaars uit heel de wereld. Op internet vertellen ze trots over wat ze hebben vergaard. ‘Ja, eigenlijk is er niets leukers dan iemand jaloers maken omdat je net één euro meer hebt geboden op eBay’. De collectie van Hans is één van de grootste en meest complete. ‘Zeker nadat ik een deel van de collectie van een Amerikaan had over gekocht. Toen hij ging samenwonen met zijn vriendin moest hij zijn verzameling weg doen.’ Ik durf hem niet te vragen wat hij dat kostte. Maar hij vertelt er monter over: ‘Een deel daarvan verkoop ik op eBay. Dan krijg je er zo 30 dollar voor.’ Hij wijst naar een plastic speelgoeddinosaurus. ‘Mint-in-box hè. Zo houd ik misschien wel meer over aan deze aankoop dan ik er origineel voor heb betaald.’

We eten een broodje pindakaas. ‘Sorry dat er niet zo veel keuze is, wil je me misschien een peer?’ Hans eet strikt vegetarisch. Hij is geen foodie, de snoep- en chipskasten zijn goed gevuld.

Iedere dag pendelt hij met de trein op en neer naar Rotterdam. Daar werkt hij in een bioscoop. Eén van de voordelen van die baan is duidelijk zichtbaar. Waar geen ruimte was voor een kast hangt een filmposter. ‘Als een film niet meer draait dan worden de posters teruggestuurd naar de distributeur.’ Het is een soort van hergebruik. Dat past hem wel: bijna al zijn dino’s zijn tweede- of derdehands. Op vakantie gaat hij nauwelijks. In zijn weekenden struint hij verzamelaarbeurzen af, op zoek naar net die ene dino die hij mist. ‘De Jurassic Park collectie heb ik bijna compleet. Ik mis er nog 10.’

Hans is overduidelijk geobsedeerd door spullen. Op mijn vraag of hij een materialist is, zegt hij: ‘Tsja, het zijn er wel veel, hè. Soms kan je je gewoon niet inhouden. Dan moet je er een hebben.’ Het moge duidelijk zijn: Hans put zijn geluk en misschien zelfs wel zijn identiteit uit spullen. Het materialisme, competitiedrang en consumentisme zit hem in de wortels. Zijn huis staat vol met prehistorisch plankton dat door Chinese fabrieken in de mal van prehistorische dieren is gegoten.

De postmaterialist

De patio van Cafe van Zuylen aan de Amsterdamse grachtengordel

Het was lastig om met Merijn een afspraak te maken. Nu woont hij nog in Utrecht, maar over een paar dagen vliegt hij naar Mumbai. ‘Voor mijn nieuwe boek over sociaal en duurzaam ondernemen. Ik ga ook bloggen voor De Correspondent.’ Daarna gaat hij een tijdje in Parijs wonen: ‘Ik was Nederland zo zat. Hier heerst een economische sfeer. Maar Parijs. Daar gebeurt het. Daar zie je hoe mensen bezig zijn met nieuwe initiatieven.’ Ik tref hem in zijn favoriete restaurant: Van Zuylen aan de Singel in Amsterdam. Hij pakt de kaart en bestelt een broodje filet americain. Ik vraag hem of hij een foodie is: ‘Dat moet je zo zien. Nederlanders kunnen niet koken. Nederlanders zien eten als een noodzakelijk kwaad, als een brandstof. Voor mijn laatste boek heb ik een half jaar door Azië en Australië gereisd. Ik heb alles geproefd: koe, kat, kangoeroe. Maar dit blijft toch wel mijn favoriet.’ Hij smeert nog wat extra filet op zijn broodje. Het is al ruim twee centimeter. Je kan het niet aan hem zien. Merijn fietst veel en loopt hard. ‘Veel mensen fietsen tegenwoordig de Alp d’Hues. Maar ik weet: in je eentje mountainbiken door de Gobiwoestijn. Dat is pas een uithoudingsstrijd.’

Of hij materialistisch is: ‘Nee. Helemaal niet. Ik wil geen spullen verzamelen. Als Flop en ik naar Parijs gaan past alles in onze Mini Cooper: wat kleren en wat boeken. Ik ben niet op zoek naar spullen, maar naar ervaringen. Dat merk ik trouwens helemaal met mijn radiodocumentaire over de consumptiesamenlevingen: we willen geen producten meer maar experiences Ik denk dat daar een kans ligt voor een nieuwe economie.’

Ik vraag hem naar wie voor hem als schrijver zijn voorbeeld is. Het is even stil. ‘Zo moet je dat niet zien. Je baant als schrijver je eigen weg. Nietzsche noemen ze wel de filosoof met de hamer, maar volgens heeft iedere filosoof een kapmes nodig.’ Ik probeer het anders: zijn er Nederlandse schrijvers met wij hij wedijvert. Resoluut: ‘Nee daar gaat het niet om. Dat is zo’n houding van: ‘it is not enough to win, others must lose.’ Die primitieve competitiedrang daar ben ik wel bovenuit gestegen.’

Hij bestelt nog een focaccia met mozzarella en tonijn. Verontschuldigend zegt hij: ‘Ik ben wel vegetariër geweest, maar ik hield het gewoon niet uit, weet je.’ Hij speelt met zijn wijnglas. ‘Je gaat het toch missen. Ik in elk geval. En trouwens in Australië kan je dat echt niet volhouden. Ik eet eigenlijk alleen biologisch vlees.’

Merijn doet aan participant-observation. Hij zoekt het op: hij vertrekt naar Parijs. Hij doet mee: hij eet kat in Thailand. En hij probeert te ontleden wat mensen drijft als blogger voor De Correspondent. ‘De moderne mens verzamelt geen schelpen, muntjes of steentjes meer als aandenken van reizen en ontdekkingen. En zelfs ook geen foto’s. Je verzamelt ervaringen, herinneringen, verhalen. Eigenlijk gaan we daarmee terug naar de prehistorie. De tijd van jagers en verzamelaars. Daar paste ook alles in Mini Cooper. Bij wijze van spreken.’

De wetenschapper

‘Het is een rare opdracht’ zegt Sophie de Vries, de gepromoveerde milieukundige werkt aan de klimaatdoorrekeningen voor het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Normaal rekenen we hele voorstellen voor het kabinet. Maar we kunnen wel even kijken.’ We spreken haar op haar werkkamer in Bilthoven, het raam kijkt uit op een natuurgebied. Aan de muur hangt een groot wit bord met daarop formules en lijnen verbonden met pijlen.

Ik geef haar de twee lijstjes: Hans en Merijn. Man, beiden in het zelfde jaar geboren. De één met een materialistische levensstijl. De ander met een postmaterialistische levensstijl. Met een rode pen gaat ze langs de beschrijvingen: ‘Hoeveel plastic dinopoppetjes? Hoe zwaar ongeveer? En van hoever komen ze?’  Ze knikt. Achter alle posten komt een getal te staan. ‘Normaal gaat het in kiloton CO2 maar we rekenen nu even in een ander orde van grootte.’

Na een minuut of vijf zijn aan alle posten aantallen toegekend. Ze pakt een rekenmachine. ‘Ik had het al verwacht. Kijk, de helft van die dinopoppetjes van Hans zie ik als tweedehands consumptiegoederen. Dat heeft netto een negatief CO2-resultaat omdat ze anders de verbrandingsoven in zouden gaan. En als je dan kijkt: vegetarisch dieet, geen auto, geen vliegreizen. Dan kom ik op een klein CO2 saldo uit. Maar die Merijn: vleesconsumptie, autogebruik, en met name die vliegreizen, hè. Amerika, Azië, Australië. Dat hakt er toch in. Maar het grootste verschil is toch wel wat je dagelijks doet. Een aankoop is incidenteel: maar iedere dag waarop je kiest voor rijst met tofu of stamppot met worst, maak je een keuze voor het milieu. En biologisch vlees is slechter voor het klimaat, dan niet-biologisch vlees. In een megastal kunnen alle gassen worden afgevangen, maar in de vrije natuur gaat dat zo hop de atmosfeer in’

Aantekening van Sophie de Vries

Ik wijs haar nog op zijn boeken over duurzaam ondernemen. ‘Lastig, lastig. In de eerste plaats heeft zo’n boek natuurlijk een positief CO2-resultaat.’ Ik probeer bewustwordingseffecten. Op de achterkant van mijn lijstje tekent ze een lijn: ‘Kijk dit is de opwarming van het klimaat. En deze lijn …’ Ze tekent een lijn vlak boven de opgaande lijn van het klimaat ‘… is het aantal boeken over duurzaamheid. Zo op het eerste gezicht betekent extra boeken over duurzaamheid meer klimaatverandering.’

Don Quichot

Een poster van de anti-windmolenbeweging

Laatste fietste ik door Drente. Daar stonden allerlei borden en doeken “Windmolens nee”. Voor iemand die afkomstig is uit Noord-Holland vrij onbegrijpelijk: voor mij staan windmolens voor vooruitgang. Ik sprak een van de lokale boeren, een biologische tuinder die zich heeft gespecialiseerd in vergeten groentes en eetbare bloemen.

Ze legde het rustig uit: “Er zijn drie soorten duurzame energie: windenergie, zonne-energie en bio-massa. Ik vind dat bij de afweging welke duurzame energiebron we kiezen in Drente esthetische argumenten een rol moeten spelen. Ik vind zonne-panelen beter, want windmolens verstoren het Drentse landschap.”

Was het kruidenvrouwtje de moderne incarnatie van Don Quichot? Ze klonk bijzonder redelijk. Windenergie, zonne-energie en bio-massa zijn inderdaad de belangrijkste bronnen van duurzame energie. Op de duurzaamheid van sommige daarvan kunnen we wat afdingen. De vraag is dan welke criteria we moeten toepassen bij het selecteren van energiebronnen.

De duurzaamheid van duurzame energiebronnen
De duurzame drieslag: bio-massa, zonne-energie en windenergie. De laatste echter is als duurzame energiebron in grijs gebied. Bio-massa komt of direct uit de landbouw of indirect uit afval.
De bio-brandstoffen uit de landbouw komen (nu nog) met name uit palmolie. Om palmolie te winnen worden (nu nog) oerwoud gekapt. Dat lijkt me niet duurzaam (zie hier). Er komen ook bio-brandstoffen uit suikers (bv. mais). Om die te krijgen, wordt landbouwgrond en water gebruikt die anders voor voedsel gebruikt zou worden. Dit drijft de prijs van voedsel omhoog, wat ten koste gaat van de allerarmsten (zie hier en hier).
Dan is er ook nog optie afval. We kunnen biologisch afval gaan verbranden. Denk bijvoorbeeld aan mest uit de landbouw. Daar zijn wel wat bezwaren tegen te formuleren: zoals dat de intensieve veehouderij een belangrijke bron is van klimaatverandering, omdat koeien productenten zijn van bijzonder effectieve klimaatgassen. Je zou ook bijproducten van boskap kunnen verbanden, maar dat onttrekt koolstof uit het bos en pompt dat in het atmosfeer (zie hier). Maar bovendien we moeten toe naar een economie met minder afval waarin meer wordt hergebruikt. Het verbranden van afval is met het streven naar een cyclische economie niet duurzaam.

Zonne-energie is een stuk duurzamer, maar niet perfect (zie hier en hier). Zonne-panelen zijn, in vergelijking met windenergie, relatief complexe aparaten. Er zitten zware metalen in verwerkt, zoals cadmium, kwik en chroom. Deze zijn relatief schaars, de winning ervan is slecht voor het milieu en bovendien kan daardoor een zonne-paneel niet zo maar bij het grofvuil. Zonne-energie is daarmee niet het meest duurzame van het drietal.

Dat is windenergie. Windturbines zijn niet alleen een energiebron die Nederland al sinds mensenheugenis gebruikt, maar bovendien de manier waarop bijna alle andere energiebronnen werken. De techniek ervan is dus al bekend. Het enige milieuprobleem dat eraan gerelateerd is, is landschapsvervuiling (zie hier). Vanuit duurzaamheidsperspectief is het een trio met een voorkeursordening: windenergie, zonne-energie en dan bio-brandstoffen.

Kracht van de zon in Duitsland

Efficientie
Maar er is niet alleen sprake van een algemene voorkeursordening. Volgens mij is het andere belangrijke criterium bij de toepassing van duurzame energie efficientie. Als we duurzaam willen omgaan met onze energie dan zullen we energiebronnen moeten inzetten waar ze het meeste energie op leveren. Dus geen windenergie in een windstil gebied, geen zonne-energie in een schemerrijk gebied en geen bi- massa op verre afstand van de regenwouden, akkerbouwgebieden, veestapels, bossen en bevolkingscentra waar ze vandaan kwamen. Drente past dan qua profiel het beste bij windenergie. Een vlak land waar het hard waait. We horen veel over het succes van Duitse zonne-energie. Dat is toch een vergelijkbaar land? Maar het is vrij simpel: hoe zuidelijker in Duitsland hoe meer zon, hoe passender zonne-energie

Kracht van wind in Europa

Maar qua wind zijn er alleen gebieden in het Verenigd Koninkrijk en Denenmarken die gepaster zijn voor windenergie, dan Noord- en West-Nederland.

Esthetiek
Als je esthetiek dan als criterium wil toepassen, naast de duurzaamheid van het middel en de gepastheid van het middel in het specifieke gebied dan moet je twee aantekeningen maken: ten eerste het utilitische beginsel en ten tweede kostenbeginsel.

Laten we de notie onderschrijven dat windmolens het geluk van de bewoners vermindert want daar hebben we het over: bij andere vormen van NIMBY-gedrag, zoals radio-actieve energie, gaat het om gezondheid. Hier gaat het om geluk. Dan we zullen windmolens moeten plaatsen daar waar het niet alleen het meest passend is, maar ook waar de minste mensen er last van hebben. De provincie met de laagste bevolkingsdichtheid is: Drente, met 185 inwoners per vierkante kilometer.

Maar ten tweede, is er een morele vraag: klimaatverandering is een abstract ver-van-mijn-bed-probleem. Over 100 jaar is het misschien op aarde zes graden warmer. De urgentie van het probleem valt weg bij alledaagse problemen als zorgen over werk, je pensioen en het uitzicht vanuit je huis. Het klimaat verandert. So what? De gevolgen van klimaatverandering worden echter heel direct zichtbaar in de armste landen. In Bangladesh zorgt het veranderende klimaat nu al voor watertekorten in sommige gebieden en overstromingen in andere gebieden. Dat kost op dit moment al mensenlevens: mensen die verdrinken bij overstromingen of die te weinig eten krijgen door droogte. De simpele vraag is dan: hoeveel mensen levens is het je waard om geen windmolen te hoeven zien?

“Een waardeloze economie”

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Ewald Engelen.

“Tegenover een ‘waardevolle economie’ staat een ‘waardeloze economie’.” stelt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie. “Het type economische groei die Nederland in de afgelopen 15 tot 20 jaar heeft meegemaakt, is waardeloos. Om te zien hoe waardeloos die groei is, dalen we af naar de krochten van het bankbedrijf”.

De bankencrisis aan weerzijde van de Oceaan
De aanleiding van de crisis lag in de Verenigde Staten: “In Amerika hadden Democraten en Republikeinen geprobeerd om inkomensongelijkheden weg te plaveien door mensen eigen huizen te geven zonder oog of mensen de hypotheken konden terugbetalen. Banken zetten die hyptoheken niet op de balans. De banken verpakten die hypotheken en verkochten ze door. Het zo geheten securitiseren.”

Er waren mensen die uiteindelijk die hypotheek niet meer op konden brengen: “Dan kan je in Amerika de sleutels naar de bank toe sturen. Steeds meer huizen stonden leeg. De huizenprijzen daalden. De gesecuritiseerde producten waren de prijs niet meer waard waarvoor ze op de boeken stonden. Niemand wist wie de verpakte hypotheekcontracten had gekocht. Er ontstond wantrouwen tussen banken. Er werden tussen banken geen geld meer geleend.” In 2008 gingen verschillende banken daardoor failliet.

“Deze gesecuritiseerde producten waren niet alleen verkocht aan Amerikaanse banken maar ook aan Europese banken. De schokgolf raakte zo ook het Europese continent. Staten in de hele Eurozone konden zich de meltdown van de financiële infrastuctuur niet permitteren. Het bankwezen was technisch failliet maar mocht niet failliet gaan. De overheden gaven kapitaalinjecties, namen de risico’s over van de banken en leverden garanties. In Nederland komt dat neer op 26% van het bruto binnenlands product.” Dat is de reden voor de grote staatsschulden nu, want “voor de crisis ging Bos met een overschot naar de Tweede Kamer”. In de onderstaande figuur is te zien hoe de staatsschuld in verschillende Westerse landen scherp steeg: voor de crisis daalde de schuld in Spanje met 10% na de crisis steeg de schuld met 10% per jaar.

Bankieren op anabole steroïden
“Het was een gigantische implosie van een financiële kathedraal, die de laatste twintig jaar is opgebouwd, waar toezichthouders geen zicht op hadden. Bankiers ook niet. They didn’t know shit. Ze wisten niet hoe markten eruit zagen, niet hoe kwetsbaar hun eigen bank was of hoe onderling verbonden en onderling afhankelijk de internationale bankwereld was. Wat wij sinds midden jaren ’80 zien is een nog nooit eerder vertoonde groei van de financiële economie ten opzicht van de de reële economie. Bancaire balansen zijn twee keer zo groot zijn als het mondiale bruto binnenlands product. Dat is bankieren op anabole steroïden.” De rode lijn in de onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de bankensector weer tegenover het gecombineerde bruto binnenlands product van de 14 rijkste landen.

Dat is nog maar wat de banken rapporteren. In de schaduwbancaire stelsel gaat nog een keer een heel mondiaal bruto binnenlands product om.  “Het schaduwbancaire stelsel bestaat uit alle transacties die verricht worden buiten het toezicht van bancaire toezichthouders. Ongeveer een derde van de financiële transacties vindt zo plaats. Dat weten we pas sinds de crisis. Er wordt daar geld gecreëerd door schuldtitels. Hetzelfde onderpand wordt gebruikt in vijf leentransacties. Dat is: hetzelfde onderpand wordt vijf keer heen en weer gedaan om enorme balansen te creëren. Nederland is de vierde grote draaischijf van het schaduwbancaire stelsel.”

Het gefinancialiseerde kapitalisme had haar oorsprong eind jaren ’70. “Door het  ineenstorten van de internationale monetaire orde in de jaren 70 verdween de quasi-goudstandaard die als ankerpunt fungeerde. Vervolgens zijn de financiële markten zijn geïnternationaliseerd en gedereguleerd.”

“We denken allemaal dat in de Verenigde Staten de grootste klootzakken rondlopen. Maar de VS heeft een kleine financiële sector. Deze is net zo groot als de Amerikaanse economie. De grootste klootzakken dat zijn de Europese banken. De landen met de grootste balansen in verhouding tot hun eigen economieën zijn Nederland en het Verenigd Koninkrijk.” De verhouding tussen de binnenlandse producten en de bankensectoren zijn weergegeven in de onderstaande figuur. “De Nederlandse banken zijn nog steeds vijf keer zo groot als de Nederlandse economie. Dat is too big to fail. Maar we kunnen ons niet een tweede reddingsoperatie permitteren.”

“Wat is hier gebeurd? Hoe kan dit gebeuren? Hoe kon het dat wij dit niet zagen? We hebben ons bezig gehouden met futiele kwesties, zoals hoofddoekjes, terwijl we ons financiële stelsel uit het oog verloren hebben. De financiële sector heeft een grote lobbymacht. Er is sprake van een draaideureffect: de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken is Eerste Kamerlid van D66. Banken krijgen de wetgeving die ze insteken. Europese wetgeving vindt plaats op basis van consultatierondes. Alleen de financiële sector reageert. Ze hebben een enorm batterij aan juristen.” Maar er is sprake van kennisfalen: “Economen zijn gelobotomiseerde krankzinnigen die niets begrijpen van de reële economie. Alleen heterodoxe economen zagen de zeepbel aankomen.”

Hefbomen
“Als je de winstgevendheid van banken afzet tegen de totale balans, dan zien we dat de winstgevenheid van banken niet veel is. In de VS is het hoogst: een winstpercentage van 1 tot 1.2%. In Europa is het nog lager. We kunnen ook naar hetzelfde rendement kijken in termen van het eigen kapitaal. Dat is wat de aandeelhouders en de bankiers zelf krijgen. Het rendement is midden jaren ’90 7% en loopt op naar 15%. Dit type rendementen maakt de banken tot een zeer winstgevende sector. Hoe kan een bank zo’n laag rendement hebben op de totale balans en zo’n hoog rendement per aandeel hebben?” De twee figuren hieronder geven de winst uitgedrukt in termen van de balans en uitgedrukt in termen van het eigen vermogen weer.

De hefboom is de simpelste reden voor het hoge rendement per aandeel: “De hefboom is niet anders dan de verhouding tussen het eigen vermogen en de omvang van de balans. In 1850 was de balans van het bankwezen twee keer zo groot als het eigen vermogen. De partners van een bank gokten met hun eigen vermogen. Dat betekent dat als je 1.2% winst haalt op je totale balans, je 2.4% winst haalt op je eigen vermogen. Rond 1970 zijn er hefbomen van 25%. Dit betekent dat banken nog maar 4% van hun eigen balans als eigen vermogen hebben. 1.2% winst betekent dan een winst van 30% op het eigen vermogen.”

“Hoe werkt dit? Een bank heeft heel weinig eigen vermogen. Voor een korte periode, één of twee dagen, lenen ze goedkoop geld. Dat lenen ze vervolgens uit voor hogere rentes of daar kopen ze financiële producten voor met hoge rendementen. Het verschil tussen die goedkope kortdurende leningen en die langdurige duurdere leningen dat is de winst die een bank maakt.”

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er internationale regels voor de verhouding die banken moeten hebben tussen eigen kapitaal en de totale balans. “Als een bank risicovolle activa op hun balans zetten, dan maakt dat ze tot een onveilige bank. Daarvoor moet veel eigen vermogen achter de hand gehouden. Voor overheidsobligaties van landen met een AAA-rating hoeven banken 0% eigen vermogen achter de hand te houden. Hypotheken zijn relatief onveilig daar moeten banken 8% eigen vermogen voor achter de hand houden. Dat betekent dat banken rekening houden met het mogelijke faillissement. Banken willen dus onveilige producten omzetten in producten met een AAA-rating. Het totale eigen vermogen is zo veel lager dan het cijfer dat volgt uit de risico-gewogen activa.” Hieronder zie je het risicogewogen eigen kapitaal van Nederlandse banken (waar ze in de top-4 staan) maar ook het niet risico-gewogen eigen kapitaal van banken (waar ze bij de onderste 4 staan).

“De toezichthouders van banken hebben afgesproken dat banken zelf hun eigen risico’s mogen inschatten, zolang dit maar voldoet aan een aantal procedurele voorwaarden. Bij grote banken keurt de slager het eigen vlees. De risico’s die verbonden waren aan veel financiële producten werd schromelijk onderschat. Ze kunnen zo kunstmatig hun eigen winsten oppompen.”

Securitisatie
“Banken hebben een intermediaire functie. Of ten minste dat is het zeehondjesverhaal dat ze graag vertellen. Mensen hebben geld over. De banken zetten dat surplusgeld uit bij mensen en bedrijven die geld nodig hebben. Tijdens de bancaire revolutie zijn banken andere dingen gaan doen. Ze zijn gebruik gaan maken van securitisatie. Dat is een vrij eenvoudig proces: we hebben een hypotheekbank die leent geld uit aan mensen die een lening willen. Door te securitiseren kunnen banken datzelfde beetje geld nog een keer uitgeven. Securitiseren is niet meer dan een contract als een op financiële markten verhandelbaar product doorverkopen aan andere partijen. Je hebt een bank die verkoopt aan een special purpose vehicle. Die koopt van die bank de hypotheken door evenveel obligaties uit te geven als hypotheekcontracten. De rente uit deze obligaties worden betaald uit de rente van de hypotheekcontracten. Er worden producten verkocht die tot in de tweede of de derde trap verwijderd zijn van het oorspronkelijke hypotheekcontract. In Nederland werden zulke producten gekocht door onze eigen pensioenfondsen. Nederland staat in de top-4 van markten in gesecuritiseerde schulden. Toen er geen hypotheekcontracten meer te slijten waren, bleek hoe enorm raar het vlechtwerk van afhankelijkheden in elkaar zat.”

Een schuldgedreven groeimodel
“Nederland is een verderfelijk land. We zijn een grote partij in het casinospel dat banken opgetuigd hebben. Wij hebben zelf een heel precair groeimodel gehanteerd.” Een onderdeel daarvan wordt in de volgende lezing uitgelicht door Alfred Kleinknecht: het exportgedreven groeimodel. “Sinds midden jaren ’80 krimpt onze binnenlandse economie zodat grote bedrijven kunnen exporteren. Daarvoor laten we onze lonen dalen.”

“Er is geprobeerd het tekort aan binnenlandse bestedingen op lossen door de vastgoedsector.” Dit is grotendeels gedreven door schulden: “Dit is een grote misallocatie van kapitaal: ons grote commerciële vastgoedprobleem. In Groot-Amsterdam staat 18% van de kantorenparken leeg. Dat wordt nooit meer verhuurd. Honderden miljoenen euro’s die gestoken zijn in vastgoed: vroeg of laat moet dat ergens afgeboekt worden. Laten we hopen dat het bij de banken zal zijn en dat niet de burgers ervoor moeten betalen. Woningbouwcorporaties, universiteiten en ziekenhuizen zijn sterk financieel gedreven. Hun hoofdtaak is niet meer onderwijs, onderzoek of zorg, maar het managen en beheren van een vastgoedportefeuille.” Maar ook huishoudens zijn gelinkt aan de vastgoedbubbel: “Nederland heeft een gigantische hypothecaire schuld. Alleen Zwitserland en Denenmarken hebben zo’n grote hypotheekschuld.” Het wordt voor huishoudens vanwege de bezuinigingen moeilijker om hun hypotheek te betalen of anders hun huis te verkopen. “We moeten af van onze geldverslaving en onze economie moet af van de vastgoedverslaving van de bouwsectoren.”

De illusoire winstgevendheid van het bankenstelsel heeft geleid tot een gigantische misallocatie van kapitaal en arbeid. Dit is een reset moment, een moment van herbezinning, een therapeutisch moment dat we met z’n allen moeten doormaken. We zitten nu in de nasleep van een sterk door marktdenken gedomineerd bedrijf. Er is nu veel meer ruimte voor het nadenken over alternatieven, andere vormen van markten, zoals duurzame markten. Maar eerst zal er een vlijmscherpe scalpel gezet moeten worden in de mondiale financiële sector zodat banken weer in dienst staan van mensen en niet in dienst van zichzelf.

‘GroenLinks is de meest radicale partij van Nederland’

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Jesse Klaver.

In de economische visie van GroenLinks staan ecologische, sociale en financiële duurzaamheid centraal. Als je vanuit deze waarden politiek bedrijft, leidt dat tot een radicaal andere inrichting van de economie, aldus Jesse Klaver tijdens de laatste lezing in de reeks Waardevolle economie.

De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie
‘In de campagne leek het alsof links en rechts tegenover elkaar te stonden’. Links verweet rechts dat zij ‘de economie kapot bezuinigde’. GroenLinks werd, omdat zij het Lenteakkoord onderschreef gemakshalve bij rechts gerekend. ‘Maar uiteindelijk bezuinigden wij in ons programma evenveel als de PvdA. Het is namelijk geen zwart/wit-keuze: investeren of bezuinigen, je kan én investeren én bezuinigen. ‘Voor ons was niet de grootte van de bezuiniging leidend, maar drie waarden: ecologische, sociale en financiële duurzaamheid’. Ecologische duurzaamheid betreft leven binnen de ecologische grenzen. ‘”De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie”, aldus een van mijn helden, Talma. Hij was een van de grondleggers van de verzorgingsstaat. Het gaat over meer dan een fatsoenlijk inkomen. Het gaat ook om erkenning. Denk aan de schoonmakers die staakten, ze wilden niet alleen een beter inkomen, maar ook gezien worden voor het werk dat ze deden. Met financiële duurzaamheid bedoel ik niet alleen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën maar ook de stabiliteit van ons financiële systeem.’

Leven als de koningin van Versailles
‘De economische crisis waar we nu inzitten is geen klassieke bestedingscrisis, het is een crisis van de schuldeneconomie. Daarom moeten we niet extra schulden maken om uit de crisis te komen. We leven net als de Queen of Versailles: een documentaire over een Amerikaanse man en zijn vrouw. Die man was miljardair geworden met een bedrijfsmodel waarbij mensen een appartement konden kopen, terwijl ze dat eigenlijk niet konden betalen. Toen er nog veel goedkoop krediet was, ging het hem voor de wind. Hij was van plan om het grootste huis in Amerika te bouwen, ongeveer zoiets als Versailles in Frankrijk. Maar zijn hele bedrijfsmodel was gebaseerd op lucht: na de financiële crisis bleef hij alleen maar zitten met de waardepapieren. Weg goedkoop krediet, weg bedrijf en weg huis. Dat is de kern van het probleem waar we nu in zitten. We leven op de pof, van geld dat er niet is. Die luchtbel moet uit de economie.’ En juist daarom moet volgens Klaver de Nederlandse economie radicaal anders ingericht worden: ‘Nederland heeft een begroting van 250 miljard. In de doorrekening sleutel je daaraan. Wij verschuiven 68 miljard. De PvdA verschuift 40 miljard. GroenLinks bezuinigt 23 miljard. We investeren ook 13 miljard in extra. We verhogen de milieulasten met 12 miljard en verlagen de arbeidslasten met 14 miljard. Omdat we zoveel verschuiven, zijn we de meest radicale partij van Nederland. De modellen van het CPB kraken bij onze plannen.’

Ecologische duurzaamheid
‘Wij laten de vervuiler betalen. We repareren markten die niet goed functioneren. Neem het weggebruik. Daar betaalt iedereen hetzelfde voor. En dat is raar: want op de ring van Roosendaal is het wegdek minder schaars dan op de ring van Amsterdam. Roosendaal stroomt het verkeer goed door, terwijl bij Amsterdam is de auto’s in file staan. Files zijn enorm vervuilend: fijnstof is ontzettend slecht voor de gezondheid van mensen. Juist als je een prijs geeft aan weggebruik dan rijden we beter door: bij autopartij VVD stijgen de files volgens het Planbureau voor de Leefomgeving met 10%, bij ons dalen de files met 67%’. Gaan groen en groei samen? ‘Voor GroenLinks is economische groei geen doel op zich. In een eerdere lezing zei Alfred Kleinknecht dat we onder onze stand leven en dat we juist meer moeten consumeren, om de economie te stimuleren. Ik zeg: “we leven boven onze stand”. We hebben de grenzen van onze planeet bereikt. Bomen groeien niet tot in de hemel. Er zijn ecologische grenzen aan onze economische groei. We moeten toe naar een economie waarin consumptiegoederen niet worden weggegooid als ze opgebruikt zijn, maar worden hersteld.’ En zo’n economie zal minder groeien: ‘Economische groei of krimp zijn voor ons geen heilige huisjes. Ik denk dat we in Nederland toegaan naar een situatie van nulgroei.’ Niet omdat dat wenselijk is, maar omdat dat past bij een economie met minder input. ‘Je kan dan niet meer uit de schulden kan groeien. Onder Bill Clinton kromp voor het eerst in een lange tijd de Amerikaanse staatsschuld in verhouding tot het bruto binnenlands product. Dat kwam omdat de economie toen zo sterk groeide, niet omdat de staatsschuld terugliep. In de jaren ’90 kon je je zo uit de schulden helpen. Je kan nu ook een schuld maken om die te investeren in economische groei. Maar dat kan je alleen terugbetalen mét rente, als je verwacht dat de economie structureel blijft groeien. Het scenario van economische groei komt niet terug. We moeten af van de schuldeneconomie en naar een economie die reële waarde vertegenwoordigt’.

Sociale duurzaamheid
‘Sociale duurzaamheid betekende in deze doorrekening heel concreet onderwijs en werk. GroenLinks schept, van alle linkse partijen de meeste banen – zij het na 2017, tot 2017 loopt bij alle linkse partijen de werkeloosheid op. GroenLinks creëert zoveel banen door de belasting te verschuiven van werk naar vervuiling. Werk moet zo lang mogelijk blijven lonen. Daarom verlaagt GroenLinks de loonbelasting juist voor de lagere inkomens. Bovendien investeren we in de participatie voor mensen boven de vijftig, die nu weinig kans hebben op de arbeidsmarkt. Het vorige kabinet zei over mensen die aan de kant stonden: “er zijn nog zoveel vacatures. Mensen die niet werken zijn lui.” Dat is niet het geval.’ Iemand die ontslagen wordt in de bouw kan niet meteen aan de slag in de zorg. ‘Er is een mismatch tussen de kwaliteiten van mensen die aan de kant staan en wat er nu nodig is op de arbeidsmarkt.’ ‘De belangrijkste investering in jongeren doe je via het onderwijs. GroenLinks investeert in vroege en voorschoolse educatie. Zo voorkom je dat kinderen een achterstand oplopen. We investeren ook extra geld om ervoor te zorgen dat de best betaalde docenten lesgeven op het VMBO. GroenLinks investeert van alle partijen het meeste geld in onderwijs, maar dat droeg volgens het CPB niet allemaal bij aan economische groei: bij D66 droeg het onderwijs het meest bij aan het binnenlands product. Wil je dat je economie groeit door het onderwijs dan moeten docenten prestatiebeloningen geven, studenten sneller laten studeren en kinderen in grotere klassen zetten. Maar GroenLinks wil niet de maximale economische groei maar het beste onderwijs. Onderwijs is geen leerfabriek die mensen voorbereid op de arbeidsmarkt. Onderwijs gaat erover dat je jezelf kan vormen.’

Financiële duurzaamheid
‘GroenLinks kiest voor een aantal hervormingen, die op de lange termijn de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeteren. Dat is noodzakelijk om op lange termijn de sociale voorzieningen betaalbaar te houden. Zo schaffen we de hypotheekrente op termijn af. 20% van de hoogste inkomens krijgen 50% van de inkomsten hiervan. Het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek is goed voor de overheidsfinanciën maar ook voor een eerlijkere inkomensverdeling. Alle andere partijen laten de hypotheekrenteaftrek op een of andere manier in stand.’ ‘Maar het anders inrichten van de overheidsfinanciën is niet genoeg om de financiële risico’s van de overheid te beperken. Als je geen controle hebt over de banken dan heeft het geen zin. Het ging Ierland economisch voor de wind voordat de banken failliet gingen. De Nederlandse systeembanken zijn samen vier keer zo groot is als het Nederlands binnenlands product. Die banken kunnen niet nog een keer omvallen, want het risico voor de staat is te groot. Bankiers zijn eigenlijk nepkapitalisten. Als een bankier failliet gaat dan moet hij gered worden door de overheid. We moeten ervoor zorgen dat banken niet langer too big to fail zijn. De banken zijn zo groot omdat er tegenover het geld dat ze uitlenen nauwelijks geld op hun eigen rekening hoeft te staan. In de jaren ’90 klotste het geld klotste over de plinten. Van dat geld zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen gebouwd. Toen ik vroeger met mijn opa door Brabant fietste, vertelde hij me dat die bedrijventerreinen voor leegstand werden gebouwd. Projectontwikkelaars hadden plannen waardoor ze nog steeds winst konden boeken als die panden vijf jaar leeg stonden. Als ik nu terug naar Roosendaal rij zie ik dat mijn opa gelijk heeft gekregen.’ ‘Hoe gaan we de financiële sector beteugelen? In de eerste plaats door hogere buffers. We willen dat banken tegenover het geld dat ze uitlenen meer op hun eigen rekening moeten hebben staan. Bovendien willen we nuts- en zakenbanken scheiden: zo proberen we het spaargeld van mensen dat de overheid moet beschermen en de risicovolle activiteiten van banken te scheiden.’

Het verhaal van GroenLinks
‘Mensen snakken naar een nieuw verhaal. Dat zijn mensen die zelf actief zijn met duurzaamheid, ze zijn bijvoorbeeld bezig met urban farming. De belangrijkste vraag voor GroenLinks is: hoe krijgen we als GroenLinks die mensen terug? Hier zijn we denk ik als GroenLinks in de laatste jaren niet goed in geslaagd: met pragmatische stappen brengen we ons ideaal iedere keer een stapje dichterbij. Maar de compromissen die GroenLinks sluit, zijn niet de standpunten van GroenLinks. We moeten ons eigen verhaal vertellen. GroenLinks moet een veranderingsbeweging worden waar mensen bij willen horen. GroenLinks kiest nooit voor de belangen van gevestigde instellingen, maar voor de belangen van mensen. Wij zijn niet de gevestigde orde, wij willen de orde juist omgooien. Wij willen verandering!’

Belasting is diefstal?

Daar kon ik mijn linkse vingers bij aflikken. Dat regeerakkoord en dat re-regeerakkoord: nivelleren. Echt zo’n mooie linkse hobby, toch?

De cijfers zijn simpel: in landen met een gelijkmatigere inkomensverdeling is alles beter: er is minder criminaliteit, er zijn minder tienerzwangerschappen, men heeft een groter vertrouwen in de politiek, men is gezonder. Al met al: in landen met een gelijkere inkomensverdeling is men gelukkiger. Omdat de verschillen minder groot zijn, is de sociale samenhang sterker.

Deze rechtvaardiging heeft een heldere structuur: omdat het bepaalde positieve gevolgen heeft, is een bepaalde handeling rechtvaardig. Diederik Samsom gelooft in gelijke uitkomsten. Om die bereiken is van alles rechtvaardig. Naar de moraliteit van de handeling zelf wordt niet gekeken: het doel heiligt de middelen. Stellig gezegd: in een samenleving met gelijkere inkomens, is er minder criminaliteit. Er wordt niet minder gestolen: de diefstal vindt alleen via de belastingen plaats. De overheid is gerechtvaardigd om mensen hun bezit te ontnemen, omdat er dan minder bezit van mensen wordt ontnomen door hun medeburgers. Paradoxaal.
The needs of the many outweigh the needs of the few or the one. Dat is het principe van deze redenering: we halen wat geld weg bij de rijken omdat dit goed is voor de sociale samenhang, de gezondheid van mensen en het geluk van de samenleving: stel dat er in een dorp grote onrust heerst over de komst van een homoseksueel echtpaar. Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen naar een ander dorp te verhuizen omdat hun komst de sociale samenhang van het dorp ondermijnt? Is het gerechtvaardigd hen te vragen weg te gaan omdat mensen zich minder gezond voelen, nu homo’s aanwezig zijn? Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen te verhuizen als mensen dan gelukkiger van worden?
U begrijpt: ik zie niet bijzonder veel in herverdeling van inkomen met alleen de rechtvaardigingsgrond dat de samenleving daar beter van wordt. Aangezien dat het niet zeker is wat de uitkomsten van een handeling zijn, lijkt het me onmogelijk om een handeling daardoor te rechtvaardigen. Deze redenering ontleen ik overigens aan Kant. En aangezien mensen van elkaar onderscheiden zijn, ben ik geen voorstander van de holistische optellingen die onder deze redenering ligt. Dat idee ontleen ik aan Rawls.

Ik zie u denken: wat doet u eigenlijk nog bij een linkse partij? Als u vindt dat belasting diefstal is of een vorm van discriminatie?
Ik heb hier al vaak over geschreven en het is een breed gedeeld ideaal in GroenLinks: gelijke kansen. Ik geloof dat inkomensverschillen rechtvaardig zijn als mensen daar zelf voor kiezen. Als een bedrijf mij wil inhuren om onderzoek te doen en me daar 100 euro voor wil geven is dat prima. Die 100 mag ik houden, die heb ik verdiend.
Niet helemaal: een gedeelte van mijn inkomen kan ik verdienen omdat ik het bijzonder getroffen heb, gezond geboren, met -al zeg ik het zelf- een goed stel hersenen, goed opgeleide ouders maar misschien wel nog belangrijker: geboren in Nederland. Daar heb ik niets voor gedaan. Daar zit mijn werk niet in. Op het inkomen dat ik daardoor verdien heb ik geen recht.
Dat betekent dat ik radicaal wil herverdelen: tussen gezond en gehandicapt, tussen getalenteerd en ongetalenteerd, tussen geboren in een gezin met veel sociaal kapitaal en geboren in een gezin met weinig sociaal kapitaal, maar belangrijker nog tussen Noord en Zuid.
Als de beginposities gelijk zijn en de transacties in vrijheid genomen zijn, dan is iedere uitkomst rechtvaardig. Herverdeling is rechtvaardig om verschillen in inkomen die komen door verschilen in beginposities te vereffenen. Ik heb recht op het inkomen dat ik verdien door hard te werken, maar niet door het inkomen dat ik heb door mijn intelligentie, die ik bij toeval heb gekregen. Dat is geen diefstal omdat dat niet mijn bezit is, immers ik heb er niets voor gedaan.
En als gelijke kansen ook een mooiere, gezondere, gelukkigere samenleving oplevert is dat een mooi bijproduct, maar dat kan het doel nooit zijn.

Links Marktliberalisme

Ik geloof in marktwerking. Dat is heel wat omdat te schrijven. Want in linkse kring is marktwerking niet in. We willen geen martkwerking in de zorg, in het onderwijs of op de huizenmarkt. Links staat voor een sterke staat die garant staat voor goed toegankelijk onderwijs, zorg en huizen. En dat moet de overheid zelf doen toch?

Het PGB
Wat mij erg verwonderde was dat het rechtse kabinet de Persoonsgebonden Budgetten voor mensen met een beperking wilden beeindigen. Ze zei: laat de overheid dit maar doen. Maar wat betekent dat? Iedereen in een gemeente krijgt zorg geleverd door dezelfde bureaucratische zorgverlener. Mensen verliezen grip over hun eigen leven omdat de zorgverlener bepaalt wanneer mensen uit bed gehaald worden of gewassen, en niet die mensen zelf. Terwijl met een PGB mensen zelf hun eigen zorg kunnen inhuren op hun eigen tijden onder hun eigen voorwaarden. We moeten, zoals Bart Snels stelt, niet geloven in het sjabloon dat links staat voor de bureaucratische maar toegankelijke overheid en rechts voor de kille, maar efficiente markt. Markten waar mensen zelf diensten kunnen kopen kunnen juist bij uitstek aansluiten bij linkse doelen als zelfontplooiing.

Als we ten minste maar het grootste probleem van markten oplossen. En dat is dat het ruilmiddel dat centraal staat in markten niet verdeeld is naar hoeveel mensen diensten nodig hebben, maar op basis van wat erven van onze ouders aan financieel kapitaal, sociaal kapitaal en genetisch materiaal. Het PGB is hier een prachtig voorbeeld van: iemand die geen handicap heeft en veertig uur in de week kan werken zonder ondersteuning kan een boel zorg kopen, maar hij heeft het niet nodig. Iemand die zonder ondersteuning niet kan werken, heeft het wel nodig. De belangrijkste rol van de overheid is ervoor zorgen dat we dit soort verdelingsvraagstukken oplossen. In de terminologie van luck egalitarians: ervoor zorgen dat mensen gecompenseerd worden voor die eigenschappen die ze achterstellen ten op zichte van anderen, die ze buiten hun schuld om hebben gekregen.

Linkse marktutopie
Voor veel diensten waar de publieke sector ons nu in voorziet zou volgens mij ook een marktpartij dat kunnen doen, als we een eerlijke toegang voor deze diensten kunnen verzekeren. De overheid zou ervoor moeten zorgen dat mensen die met een handicap geboren worden, een persoonsgebonden budget krijgen om zelf hun eigen zorg in te kopen, mensen die leerachterstand hebben, de middelen krijgen om die in te lopen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te leven omdat hij de huur niet kan veroorloven.

Wat betekent dit concreet, voor de diensten die de overheid nu verleent: in het onderwijs, de arbeidsmarkt, de zorg, infrastructuur, de publieke omroep en huizenmarkt?

  • Over het onderwijs heb ik in het verleden als een aantal keer geschreven (hier en hier). Kortgezegd: ik ben dol op de vrijheid van onderwijs. Maak scholen onafhankelijk van de overheid en stel ze in staat om hun eigen beleid te voeren. Laat vervolgens leerlingen met vouchers toegang tot onderwijs kopen, maar verdeel dit zo dat leerlingen die een achterstand hebben (arme of niet-Nederlandstalige ouders, bijvoorbeeld, maar ook vastgestelde beperkingen) meer vouchers hebben om meer onderwijs te kopen. En beloon vervolgens mensen die excelleren in onderwijs met extra vouchers waarmee ze beter en meer hoger onderwijs kunnen kunnen kopen.
  • Ik vind het Nederlandse zorgstelsel zo slecht nog niet. Ook in internationale vergelijkingen doen we het heel goed. Een verplichte verzekering voor risico’s die iedereen loopt en een regeling voor onverzekerbare risico’s, waar iedereen aan bijdraagt. Ik zou meer gebruik willen maken van het pgb-model voor zorginkoop, omdat dat mensen grip geeft over hun eigen leven: of mensen kiezen voor een flexibele zelfstandige zorgverlener of een goedkope, maar onpersoonlijke en bureaucratische, zorgmoloch is dan hun eigen keuze. Natuurlijk zijn er irrationale aspecten aan de zorgmarkt: denk het feit dat iedereen recht heeft op een nieuwe rollator. Als je mensen een budget geeft om op een zorgmarkt mobiliteitsmiddelen te kopen ontstaat er natuurlijk een gezonde markt in tweedehandsrollators.
  • Op de arbeidsmarkt heb ik misschien wel de radicaalste ideeen. Van mij mag alle bescherming worden opgeheven: ontslagbescherming en het minimumloon. Ze verstoren de arbeidsmarkt en houden daarmee mensen ‘met beperkte verdiencapaciteiten’ in armoede. Neem iemand die achter een lopende band werkt. Om het minimumloon te verdienen moet hij 100 dopjes op een tube tandpasta schroeven, maar door een beperking kan hij er maar 90 opschroeven. Dat betekent dat een bedrijf hem nu niet zal inhuren omdat hij het ‘minimumloon’ niet waard is. Dat betekent dat hij veroordeeld is tot een uitkering (70% van het minimumloon). Terwijl als er geen minimumloon was dan zou hij dus 90% van het minimumloon, en dus 130% van het bijstandsniveau verdienen. Dat betekent niet dat ik vind dat deze persoon maar 90% waard is van zijn collega. Ik geloof alleen niet dat het de rol van de werkgevers is om voor een eerlijk inkomen te zorgen. Dat moeten we als gemeenschap samen doen, bijvoorbeeld door een basisinkomen, dat ervoor zorgt dat iedereen onafhankelijk van zijn ‘verdiencapaciteit’ een menswaardig bestaan kan hebben.
  • Op de huizenmarkt heeft GroenLinks volgens mij de mooiste linkse marktliberale oplossingen: sta verhuurders toe om marktconforme huren te vragen.  Maar compenseer via hogere huurtoeslag die mensen die een zodanig inkomensniveau hebben dat ze ondersteuning verdienen bij het huren van een woning . Zo maak je een eind aan scheefhuurders die in een woning zitten met een sociale huur, maar een inkomen hebben dat ze daar geen recht meer op geeft. (Van mij mag het overigens nog wel wat radicaler: maak van mijn apart alle huren ‘marktconform’ en hef het onderscheid tussen sociale huursector en vrije huursector op). Je moet via de huizenmarkt geen inkomenspolitiek willen voeren. Dat geldt natuurlijk ook voor de hypotheekrenteaftrek. Afbouwen! Het houdt de huizenprijs hoger dan hij zou zijn op een vrije markt. En dat houdt ook starters buiten.
  • Ik heb nooit begrepen waarom de overheid wel radio en televisie verzorgt maar geen kranten. En waarom ik moet betalen voor Lingo dat ik nooit kijk, maar niet voor de volkskrant-website waar ik al mijn nieuws vandaan haal. Volgens mij moeten we dat allemaal over laten aan de markt. Om ervoor te zorgen dat er wel goede journalistiek bedreven wordt, zouden we een fonds voor kwaliteitsjournalistiek moeten hebben, betaald uit belastinggeld, die onafhankelijke nieuwsgaring mogelijk maakt.
  • De voorstellen voor een kilometerheffing waar linkse partijen voor zijn, komen neer op het nadoen van marktwerking. Maar waarom iets nadoen wat de markt zo goed zelf kan. Gewoon stukken weg privatiseren. Rijden iedere dag honderden auto’s over, dat lijkt me een flinke duit waard. In de vrije markt betaalt de gebruiker echt.

Binnen GroenLinks is er een discussie tussen een linkerflank en een middenflank. Linda Voortman staat bekend als een gezicht van de linkerflank. En het is juist zij die in de vorige periode pal voor het PGB stond, en zij verdedigde de innovatieve oplossing van GroenLinks voor scheefhuren. Kortom: de tegenstelling binnen GroenLinks tussen links en midden betreft niet de keuze tussen staat en markt.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

Meer Overheid, Meer Vrijheid.

Het klinkt als een mooi axioma: “meer overheid, minder vrijheid”. Ieder ingrijpen van de overheid beperkt de individuele vrijheid van mensen. Ieder regel die afgeschaft wordt, betekent dat we vrijer worden. Of zoals D66′er Pieter Rietman stelde op DeJaap: “minder ambtenaren betekent minder regeltjes en dus meer vrijheid.”

De vrijheid van de moordenaar en de vrijheid van het slachtoffer

Vrijheid is een goed, een groot goed. Hoe meer hoe beter dus. Maar is iedere regel een gevaar voor de vrijheid? Er zijn een boel regels die de vrijheid beschermen Het verbod op moorden, volgens mij vrij oncontroversieel, bijvoorbeeld, beperkt de vrijheid van de moordenaar, maar beschermt de vrijheid van zijn potentiële slachtoffers. Uit dit verbod spreekt een belangrijk principe: sommige vrijheden hebben prioriteit boven andere vrijheden. Het recht op leven heeft prioriteit boven het recht op vrije beroepskeuze (voor zover moordenaar een beroep is).
Dit voorbeeld klinkt misschien absurd, maar een groot deel van het overheidsingrijpen is volgens mij rechtvaardig omdat het op deze manier fundamentele vrijheden beschermt. Een overheid die regels oplegt aan de vervuiling die bedrijven produceren, kan dat doen om dat het recht op een gifvrij leven van de burgers belangrijker is dan het recht op vrije ondernemingsgewijze productie van ondernemers.
Het is onvermijdelijk dat regels vrijheden beperken, maar regels zijn volgens mij voor liberalen rechtvaardig waar die vrijheden die minder prioriteit hebben beperkt worden ten bate van fundamentele vrijheden. Kwesties zoals het verbod op rituele slacht, zijn zo lastig omdat daar fundamentele vrijheden met elkaar botsen (het recht op een lijdensvrij leven van een dier en de godsdienstvrijheid van de gelovige).

Bestedingsvrijheid

Maar dat is eigenlijk niet wat Rietman bedoelt. Hij stelt even verder op welke vrijheid hij het belangrijkst vindt: “inkomstenbelasting verder omlaag zodat er ook meer bestedingsvrijheid voor consumenten ontstaat.” Zijn ideaal is duidelijk: “Lachende mensen (…) met heel veel eigen geld in hun eigen zakken.”
Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te betalen (en daarmee de bestedingsvrijheid te beperken) als we daarmee ambtenaren, zoals politieagenten, rechters, brandweermensen en militairen, kunnen betalen die onze fundamentele vrijheden beschermen. Minder belasting betekent volgens mij dus niet automatisch meer vrijheid. Als Rietman hier nog steeds wel van overtuigd is, verwijs ik hem vriendelijk naar landen als Somalië waar er geen centrale overheid is en het volgens mij met de vrijheden van mensen (om te leven vrij van geweld) een stuk slechter gesteld is.
Volgens mij als je deze lijn consequent doortrekt, is er een derde grond om belastingen en overheidsingrijpen te rechtvaardigen. Als we bepaalde fundamentele vrijheden prioriteren boven bestedingsvrijheid, moet je je volgens mij ook afvragen of alle bestedingsvrijheden gelijk zijn. De euro waarmee een weeskind in de derde wereld een dag in zijn levensonderhoud kan voorzien, heeft volgens mij prioriteit boven de euro die bijdraagt aan de Jaguar van iemand in het Westen. Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen in hun levensoverhoud kunnen voorzien: zowel op wereldschaal als in Nederland. Het recht om hongervrij te gaan slapen heeft volgens mij prioriteit boven het recht om Jaguarbehoefte-gestild te gaan slapen. Je kan je afvragen of inkomensoverdrachten de meest efficiënte manier zijn om duurzaam armoede te bestrijden. Onderwijs is misschien een betere manier om daarvoor te zorgen. Volgens mij is het dus rechtvaardig als de rijke volwassenen meebetalen aan het onderwijs van arme kinderen, omdat je er daarmee voor zorgt dat zij een veel grotere kans hebben om zelf te kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud in de toekomst.

Vrijheid en overheid

Kortom: minder regels betekent volgens mij niet meer vrijheid. Onze vrijheid als consumenten om gifvrij te leven wordt beschermd door de vrijheid van ondernemers om gif te dumpen te beperken. Minder ambtenaren betekent volgens mij niet meer vrijheid. Politieagenten en brandweermannen beschermen onze vrijheid door deze regels op te handhaven. Minder belasting betekent tenslotte ook niet per definitie meer vrijheid. Herverdeling van inkomen en kansen betekent volgens mij meer vrijheid, omdat bevrijding van armoede zwaarder telt dan extra bestedingsvrijheid aan de top.

Kabinet valt over de spanning tussen conservatief en rechts.

‘Kabinetten vallen niet op inhoud’, is een politicologische regel. Geldt dit ook voor dit kabinet?

Les 1 in de politiek is: ‘kabinetten vallen niet over inhoud’. Het kabinet Balkenende IV viel omdat de PvdA bang was de gemeenteraadsverkiezingen te verliezen, vanwege haar gebrek aan ruggengraat. Het kabinet Balkenende II viel omdat D66 zich wilde afzetten tegen minister Verdonk. Het kabinet Balkenende I viel omdat CDA en VVD niet meer tegen de chaos in de LPF konden. Moet ik doorgaan?
Persoonlijke verhoudingen tussen de coalitiepartners en in het kabinet en de electorale strategie van de deelnemende partijen zijn veel belangrijker dan de inhoud. Je kan op inhoud vrijwel alles regelen als de verhoudingen maar goed zijn. Inleveren op inhoud wordt echt lastig als partijen zich zorgen maken over de komende verkiezingen.

Maar waarom is dit kabinet dan gevallen? Aan de verhouding kan het niet gelegen hebben. De heren stonden nogal glunderend elkaars vingers af te likken op allerlei foto’s. Ja, de weigerachtige houding van Wilders zullen de gesprekken niet gemakkelijk gemaakt hebben. Maar zoveel wantrouwen als tussen Balkenende en Bos kan er niet geweest zijn.
Wat is dan wel de verklaring voor de val van dit kabinet? Ik denk dat de kern van het probleem niet zit in de coalitie maar in één van de deelnemende partijen. Voor de VVD was dit de best mogelijke coalitie. Zij zijn de middelste partij in het kabinet. Ze kunnen min-of-meer integraal hun programma uitvoeren. Ze leveren de premier die door veel mensen wordt gezien als competent en sympathiek.
Het CDA gaat al een tijdje een electorale neergang door. De partij weet niet precies meer wat ze wil: een rechtse hervormingspartij? een sociaal-conservatieve partij? Links? Rechts? Progressief? Conservatief? Een paar jaar meeregeren had de partij de kans gegeven om daar beter uit te komen. Nu gaan de nog leiderloze Christen-democraten stuurloos de verkiezingen in. Ja, de eerste stappen (‘het radicale midden’) hadden het lastig gemaakt voor het CDA om door te gaan in deze coalitie. Daarom is er in Limburg ook gebroken. Maar op landelijk niveau zitten de Christen-democraten echt niet te wachten op verkiezingen.

Blijft er één partij over: de PVV. Een groot gedeelte van de spanning in deze tussenformatie zit in de PVV zelf. De PVV is in de kern een populistische partij, die leeft van anti-elitegevoelens,. Maar nu is ze dichtbij het minderheidskabinet betrokken. Een anti-establishment partij die verantwoordelijkheid draagt. Sommige partijen lukt het: Berlusconi wist zich tot in zijn laatste dagen zelfs als premier te verzetten tegen de linkse elite, die volgens hem met name in de rechterlijke macht geconcenteerd was. Maar andere partijen gaan ten onder aan die tegenstelling: denk aan de Vrijheidspartij in Oosterrijk (FPÖ) of de LPF.
Met één voet op de straat en met één voet in de Trêveszaal werd  hetvoor Wilders steeds lastiger. Wilders had een simpele scheiding gemaakt. Meebuigen op economische onderwerpen, en een keiharde, zelfs oppositionele houding op Europa en immigratie. Maar vanwege de Europese begrotingscrisis zijn economische en Europese politiek steeds sterker verweven geraakt. De Europese begrotingseisen bepalen mede de hoogte van de AOW in Nederland. Euroscepsis en een ruimer begrotingsbeleid gaan hand in hand. Dat is het verhaal dat Wilders nu vertelt: ‘Brussel wou oma haar AOW afpakken, Rutte vond het goed. Ik niet.’
Maar de spanning zit een laag dieper:  de PVV onderschrijft de noodzaak van bezuinigingen. In haar eigen verkiezingsprogramma én in het gedoogakoord. Ze wil alleen bepaalde groepen zoals ouderen niet raken. Dus waren er al rare kronkels gemaakt bij de tussenformatie: de nul-lijn voor iedereen behalve AOW’ers. De PVV is anders dan veel commentatoren stellen geen linkse partij in economisch opzicht. Het is een partij met een conservatief-rechtse economisch programma. Wel bezuinigen maar niet hervormen. En dat blijkt steeds meer een contradictio in terminis te zijn. Zonder ingrijpende hervormingen kan er niet bezuinigd worden. De SP (links en conservatief) wil om de AOW-leeftijd te behouden en de zorg collectief blijven te betalen, de inkomstenbelasting verhogen. Misschien niet zo slim, maar wel consequent. De PVV wil een kleine overheid (rechts) maar de gulle verzorgingsstaat behouden (conservatief). En dat bleek onmogelijk te zijn.
Het kabinet is niet op een inhoudelijk meningsverschil gevallen, maar op een onhoudbare inhoudelijke positie van één van de deelnemende partijen.