Groene dilemma’s

“Groen” twitterde Liesbeth van Tongeren op mijn vraag of GroenLinks een groene, rode of blauwe koers moest varen. Maar de vraag is of groen een eenduidige koers inhoudt.

Recente uitspraken van Louise Fresco over “vanuit het milieu gezien is er niets mis met plofkip en megastal” en nieuws dat elektrische auto’s “allerminst duurzaam” zijn, laten zien dat groene doelen (klimaat, dierenwelzijn, grondstoffen) lang niet altijd hand in hand gaan. Ik wil hier een aantal verschillende groene doelen bekijken en afwegen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan.

Instrumentele waarde van natuur: inputs en outputs
Niets is economisch verstandig wat ecologisch onverstandig is, stelde Kathalijne Buitenweg. We kunnen onze natuur zien als een onderdeel van ons economische systeem. Het stelt grenzen aan wat we kunnen doen: wat we kunnen verbruiken, vervuilen en verspillen. In deze visie is natuur instrumenteel, waardevol voor menselijk leven. Wij mensen produceren, verplaatsen en consumeren en dat kost grondstoffen, die door de natuur geleverd worden en levert vervuiling op, die door de natuur wordt afgebroken. Ons economisch systeem heeft inputs nodig en levert outputs op die uiteindelijk uit de natuur komen of naar de natuur toegaan. De vraag is dan hoe we zo efficient mogelijk omgaan met grondstoffen en zo weinig mogelijk vervuiling maken, zodat menselijk leven duurzaam door kan gaan. Technologische innovaties of beprijzingsmechanismen liggen hierbij voor de hand. Een belangrijke vraag is of onze economisch systeem kan blijven groeien gegeven de ecologische grenzen. Het is in deze context, zoals ik daar net al heb gedaan een onderscheid te maken tussen grondstofproblemen (oprakende inputs) en vervuilingsproblemen (te veel negatieve externaliteiten of outputs). Het meest prominente vervuilingsprobleem is op dit moment CO2-uitstoot. We stoten met z’n allen zoveel broeikasgassen uit dat de natuur dit niet meer kan verwerken. De broeikasgassen blijven hangen in de lucht en veroorzaken klimaatverandering.

Intrinsieke waarde van natuur: dierenwelzijn en natuurbehoud
Maar er zijn dingen in de natuur die waarde op zichzelf hebben. Maar ook hier kunnen we onderscheid maken tussen dieren (wiens welzijn waardevol is, ten minste voor het dier zelf) en hele eco-systemen. Dierenwelzijn richt zich op individuen; natuurbehoud richt zich op hele systemen. Dat dierenwelzijn intrinsiek waardevol is, lijkt me self evident, maar gezien het feit dat nog niet iedereen vegetarier is, vereist dat misschien wat verklaring. Een dier heeft waarde op zich, net als mensen. Het is voor een koe niet fijn om te lijden, net als het voor mens niet fijn is om te lijden. De reacties van koeien en mensen op pijn zijn redelijk vergelijkbaar. Als je een koe een schok geeft als ze te dicht bij het rand van het veld komt, dan gaat ze niet meer aan de rand staan.
Waarom is een natuurgebied dat veel soorten heeft (zoals een oerwoud) op zich zelf waardvoller dan een landbouwgebied dat weinig soorten heeft (zoals een grasveld). Komt het omdat deze gebieden mooier zijn om in te ontspannen, of omdat daar meer dieren leven? Dan is natuurbehoud niet intrinsiek waardevol maar mensen- of dierenwelzijn. Of komt omdat we denken dat het voortbestaan van een natuurgebied waardevol is. Het voortbestaan van natuur die er al was voordat de  mens bestond en ook zal bestaan nadat mensen zijn uitgestorven waarde heeft, is waardevol op zich. Gewoon omdat het altijd is geweest.[1]
Als we erkennen dat dingen intrinsiek waardevol zijn, dan voldoet het niet om er efficienter mee om te gaan of er door prijsmechanisme minder van te gebruiken. We zullen moeten stoppen. Als het moreel onjuist is om dieren te eten of bomen te kappen. Dan moeten we onze leven veranderen. Mensen mogen geen vlees meer eten en samenlevingen mogen geen natuurgebieden meer aantasten.

Conflicten tussen verschillende groene doelen
Nu kunnen we in beeld brengen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan:

  • Inputs vs. outputs: onze fossiele brandstoffen hebben zowel een inputprobleem (want er is te weinig om op lange termijn door te gaan met olieconsumptie) en een outputprobleem (want door fossiele brandstoffen te verbranden veroorzaken klimaatverandering). Omdat elektrische auto’s grote batterijen nodig hebben waar heel zeldzame metalen in moeten, leveren ze als ze op windenergie rijden (outputprobleem opgelost) weer een nieuw inputprobleem op.
  • Inputs vs. dierenwelzijn: land is een schaarse grondstof. Onze vleesconsumptie kost een boel land (voor dierenvoeder). Minder vlees betekent meer dierenwelzijn en minder land. Maar door mest te vergisten en te verbranden kunnen we een deel van onze olieconsumptie verminderen. Goed voor de inputproblemen maar niet voor dierenwelzijnsproblemen.
  • Inputs vs. natuurbehoud: als we efficienter met onze grondstoffen omgaan hoeven we geen grondstoffen uit natuurgebieden te halen: gas boren onder de Waddenzee, olie boren in de Artic National Wildlife Reserve. Maar schone energie is geen natuurvriendelijke energie. Windmolens tasten natuurgebieden aan. En als we de hele Sahara vol leggen met zonnepanelen blijft er weinig van dat natuurgebied over.
  • Outputs vs. dierenwelzijn: in Meat the Truth laat Marianne Thieme vakkundig zien dat klimaatverandering deels veroorzaakt wordt door intensieve veehouderij. Maar als we vee houden in luchtdichte stallen waar we de door hen geproduceerde broeikasgassen afvangen en onder de grond opslaan, dan is dat niet goed voor het welzijn van de dieren.
  • Outputs vs. natuurbehoud: dat het produceren van vervuiling slecht is voor natuurgebieden lijkt me evident. Maar oplossing voor outputproblemen hoeven niet goed te zijn voor natuurbehoud. Als we de Sahara volplanten met bossen (om CO2 op te slaan), dan tasten we dat originele natuurgebied aan.
  • Dierenwelzijn vs. natuurbehoud: het lijkt alsof dierenwelzijn en natuurbehoud hand in hand gaan. Immers als er geen regenwoud was dan zouden ook allerlei dieren geen huis meer hebben. Echter in de natuur lijden dieren ook. Wolven eten herten. Dat is niet fijn voor het hert. Als mensen ze niet bijvoederen dan gaan in een harde winter een boel herten dood. Dat is de “manier” van het hele ecosysteem om de populatie herten niet te groot te laten groeien. En als we het regenwoud kappen voor sojavelden om koeien te voeden, dan is dat slecht voor die natuurgebieden. En als we de koeien voeden, niet melken en niet op eten, dan is dat niet slecht voor die dieren.

Het oplossen van input en outputproblemen, het zorgen voor dierenwelzijn of natuurbehoud zijn niet per se hetzelfde. Voor GroenLinks staat de laatste jaren klimaat bovenaan en voor de Partij voor de Dieren dierenwelzijn. In Australie is er een partij “Liberals for the Forest”. In het spectrum van de mogelijke groene problemen die je centraal zou kunnen zetten, hebben deze allemaal bestaansrecht, omdat dit onderscheiden problemen zijn.

[1] Hierbij breken we dus de is/ought-distinctie. Iets is waardevol op zichzelf omdat het er altijd is geweest. U begrijpt, ik geloof niet helemaal in de intrinsieke waarde van natuur.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

Eigen weg. Alleen betreden met toestemming.

David Cameron stelt het voor in het Verenigd Koninkrijk: de wegen privatiseren. In Nederland zien we het als het zoveelste gotspe van de knetterrechtse Britse regering. Maar ik zie er wel brood in.

Ik reis bijna iedere dag met de trein. De NS is geprivatiseerd. Ik betaal iedere dag met plezier aan de monopolist en erger me af en toe dat ik geen alternatief heb voor vertraagde stoptrein die op enkel spoor stil staat voor Bodegraven. Ik verbaas me over de files die naast me stil staan. De wegen zijn namelijk niet in private handen. Dat is een publiek goed.

Overheidsfalen
Files zijn een typisch geval van overheidsfalen. Alle burgers betalen nu mee aan de wegen. Mensen met een auto betalen extra mee vanuit de motorrijtuigenbelasting. Maar die maakt geen verschil tussen een forens die iedere dag 100 kilometer heen en weer reist en een oma die alleen op zondag 5 kilometer naar haar kleinkind rijdt. Er is geen relatie tussen het gebruik en wat mensen betalen voor de wegen. Daarom rijdt iedereen op het zelfde moment over de wegen heen, namelijk wanneer ze naar hun werk moeten of daar van af komen. Omdat iedereen op hetzelfde moment wil rijden, staat iedereen stil.

Politici leggen wegen aan. Dat doen ze niet op basis van bedrijfskundige argumenten maar op basis van politiek-electorale argumenten. Mensen staan stil in de file en denken dat dat komt omdat er te weinig weg is. Ze willen dat politici meer wegen aan leggen. Rechtse partijen doen wat het volk wil: dit kabinet bezuinigt op alles wat los en vast zit, maar voor een extra autoweg is altijd geld. Nieuwe autowegen moeten we vanuit Den Haag over heel Nederland uitvouwen, op kosten van de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler, zodat een deel van de Nederlanders daar over heen kunnen racen, zonder de echte kosten te betalen.

Het echte probleem is niet dat er te weinig wegen zijn, maar dat iedereen er op het zelfde moment overheen wil. Als we mensen laten betalen voor gebruik, dan zullen mensen gespreider gaan rijden.

Rekening rijden
Ik zie u denken. Laten betalen door gebruik noemen we ‘rekening rijden’. Dit maakt gebruik van het profijtbeginsel. Als er veel vraag is naar een wegstrek op een bepaald moment, laat de overheid de prijs van het gebruik toenemen. En zo kunnen we autoverkeer meer over de dag te spreiden.

Er zijn een aantal serieuze bezwaren tegen de Tineke ‘Tolpoort’-achtige constructie van het rekening rijden. In de eerste plaats, gaat rekening rijden ervanuit dat we vanuit Den Haag het weggebruik van heel Nederland kunnen plannen. Dat is het type Sovjet-Russiche maakbaarheidsdenken dat in de wereld niet meer gezien is sinds de val van de muur. Een private marktpartij zal veel responsiever zijn naar zijn consumenten.

Ten tweede, is er het 1984-argument. Er komt een centrale database die bijhoudt waar iedereen is geweest. Als we deze informatie laten bijhouden door private organisaties voor bepaalde strekken, dan valt dit argument weg: ze weten namelijk dan niet alles.

Daarmee hing het plan samen om in iedere auto een kastje neer te zetten. Maar als je een wegstrek privatiseert kan je gewoon aan beide kanten tolpoorten neerzetten. Dat hebben ze in Frankrijk ook. En dat is een land waarna we naar toe op vakantie gaan omdat het zo mooi is.

Dus rekeningrijden en privatiseren lopen grotendeels gelijk op: we creëren een monopolist die een bepaalde weg mag exploiteren. De tol zal naar gebruik en naar moment gedifferentieerd worden Hiermee kan het onderhoud van de weg betaald worden en zo nodig kunnen nieuwe projecten gefinancierd worden. Dat kan een staatsbedrijf doen of een private onderneming

Plankgaspopulisten
Maar er is een groot voordeel aan privatisering. Nu laten we politici beslissingen nemen over wegaanleg. Dat doen ze op basis van politiek-electorale reden, niet op basis van bedrijfskundige overwegingen. Dus leggen de plankgaspopulisten wegen aan, niet omdat ze echt nodig zijn als mensen de juiste prijs zouden betalen voor de wegen, maar omdat ze weten dat dat goed scoort onder kiezers. Meer auto wegen zou het antwoord zijn op de files. Rechts toont hier een naïviteit die we alleen maar kennen uit Communistisch Rusland. Als we ‘gratis’ een product aanbieden, dan zullen mensen daar verantwoordelijk gebruik van maken, en als ze dat niet doen, moeten we meer van het product aanbieden. Alsof je zegt: alle gezondheidszorg is gratis, en als mensen dan en-masse onnodige zorgkosten maken, dan is de oplossing dat we meer zorg aanbieden, niet dat we mensen zelf laten betalen voor hun zorgkosten.

Als we kiezen voor privatisering, zal een bedrijf brood moeten zien in een bepaalde alternatieve verbinding of wegverbreding. Ik denk dat als we mensen de echte prijs laten betalen, er minder auto wordt gereden. En als de beslissing om wegen aan te leggen op een bedrijfskundige logica wordt gebaseerd zullen er minder wegen worden aangelegd, omdat vraag zal afnemen.

De reden dat we moeten kiezen voor privatisering en niet voor rekeningrijden, is dat rekeningrijden maar een deel van het probleem oplost. Er zal minder gereden worden en het autorijden zal meer over tijd gespreid worden. Maar de beslissingen om wegen aan te leggen ligt dan nog steeds bij politici. Die kunnen volgens rechts met van alles niet vertrouwen: de zorg moet bijvoorbeeld zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Ik vertrouw rechtse politici niet met wegen. Die moeten zo snel mogelijk geprivatiseerd worden. Private wegen, een plus voor het milieu en voor ons landschap zou ik zeggen.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen.

John Locke

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

John S. Mill

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Karl Popper

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

 

John Rawls

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Phillippe van Parijs

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

Ontgroei de groei

Wat is het grote verhaal van GroenLinks over de groene economie? Is er een coherent verhaal dat verder gaat dan zonnepanelen en windmolens? Het Jong Wetenschappelijk Bureau Hellingproef organiseerde hierover een discussie tussen econoom Martijn van der Linden en Europarlementariër Bas Eickhout.

Martijn van der Linden is een intrigerende figuur. De bedrijfseconoom werkte een aantal jaar in de financiële sector als day trader. Maar hij voelde zich daar niet thuis: ‘In de financiële wereld is geld het enige wat telt. Mensen denken dat het onmogelijk is om dat systeem te veranderen. Maar natuurlijk zijn er alternatieven’. Hij besloot zich te verdiepen in economische filosofie. De day trader turned philosopher werkt nu aan een visie op een solidaire en ecologische economie: ‘planned degrowth‘.

‘Voor dat degrowth hebben we eigenlijk geen goede vertaling’, zegt Bas Eickhout, als Europarlementariër een invloedrijke groene politicus van GroenLinks. ‘De Fransen hebben het woord decroissance‘. ‘Krimp.’ merkt iemand uit de zaal op, en stelt voor dit woord gelijk te begraven.

Volgens Eickhout kan zijn dagelijkse politieke werk niet zonder een groter verhaal. ‘Ik worstel met mijn positie: aan de ene kant is er de politieke realiteit, waar ik dagelijks in zit, aan de andere kant is er een krachtige tegenstroom die oproept tot een groene economie. De vraag is hoe je die tegenstroom kunt verwoorden zonder je buiten de politieke realiteit te plaatsen.’ GroenLinks moet het grotere verhaal vertellen: ‘Laten we het idee dat we als samenleving de groei moeten ontgroeien naar het centrum van de politiek brengen’.

Minder groei: nu kiezen of straks laten gebeuren

‘De economie groeit op dit moment exponentieel’, stelt Van der Linden. ‘We lopen tegen ecologische grenzen op. Onze economie zal op een bepaald moment ingrijpend moeten krimpen. We kunnen ervoor kiezen om de degrowth gepland aan te pakken of we kunnen het ondergaan als het eindelijk gebeurt.’

Griekenland is een voorland voor de rest van het Westen, voegt Eickhout toe: ‘Daar zie je nu wat er gebeurt als mensen heel snel teruggaan in loon, consumptie en leengedrag.’ Het is een angstbeeld voor politici, volgens Van der Linden: ‘Mensen verliezen hun werk, hun huis en de kloof tussen de armsten en de rijksten groeit.’

Om een plotselinge klap te voorkomen moeten we volgens Eickhout ‘de economie langzaam afremmen’. In de politieke markt is dit een moeilijk te verkopen verhaal: ‘Als we proberen financiële producten te reguleren, dan staan niet alleen de Londonse bankiers op de achterste benen maar ook onze pensioenfondsen. Als je deze financiële producten aanpakt, zeggen ze, dan laten wij de pensioenpremies stijgen. Politici willen niet verantwoordelijk zijn voor hogere pensioenpremies.’

Ook volgens Eickhout komen er grenzen in zicht: ‘Normaal volgen energieprijzen de conjunctuurgolven, bij een economische crisis daalt de energieprijs. Maar nu is de energieprijs nog steeds hoog, terwijl het economisch steeds slechter gaat. Als dat echt zo blijft, dan is het gebeurd met de economische groei. Hoe erg moet het worden willen we toegeven dat dit systeem niet werkt?’

Groei en geluk

Van der Linden: ‘Economische groei is uiteindelijk onduurzaam en onstabiel. Groei leidt altijd tot meer gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Er is een relatie tussen inkomen en voetafdruk: naar mate mensen meer verdienen gaan ze meer energie gebruiken. Meer geld uitgeven betekent dus ook meer broeikasgassen. Er zijn mensen die tegen armoede strijden, mensen die overconsumeren en mensen die duurzaam consumeren. Die derde groep consumeert niet meer dan haar ecologische voetafdruk, maar heeft wel een menswaardig bestaan.’

Eickhout: ‘Tot een bepaald niveau worden mensen gelukkig van meer inkomen, maar daarboven vlakt het uit. Toch blijven we doorgaan. Mensen zeggen vaak, ik hoef geen hoger loon, maar ze willen ook niet achterblijven bij hun collega of buurman.’

Van der Linden: ‘Iedereen moet natuurlijk een bepaald minimum hebben, maar wel onder de grens van overconsumptie blijven. Dat betekent dat de armsten door moeten kunnen groeien, maar dat tegelijkertijd de overconsumerende klasse naar beneden moet’. Van der Linden maakt zich bijzonder veel zorgen over de superoverconsumerende klasse. ‘We weten precies wie het zijn: de mensen die nu echt onduurzaam leven. Het kan niet zo zijn dat wij ons peertje moeten vervangen door een spaarlamp, maar dat tegelijkertijd de allerrijksten blijven overconsumeren.’

Beprijzen en verschuiven

Volgens Eickhout hebben de groene maatregelen die GroenLinks verdedigt op termijn grote implicaties: ‘Onze politieke opdracht bestaat nu uit twee onderdelen: het beprijzen van vervuiling en het verschuiven van de belasting van arbeid naar het gebruik van grondstoffen. We hebben nu een lineaire economie: er is input, zoals arbeid en grondstoffen, waarmee we producten (output) produceren die geconsumeerd worden. Het systeem zit nu verkeerd in elkaar: er is altijd een hoge belasting geweest op arbeid, maar niet op grondstoffen. Zolang de arbeidsproductiviteit blijft stijgen kan hetzelfde werk door minder mensen gedaan worden. Economische groei is zo de enige manier om iedereen aan het werk te houden. Dus blijft groei een doel, ook voor ons.’

Van der Linden ziet wel een oplossing voor dat probleem. ‘We moeten afstappen van de veertigurige werkweek en uitgaan van een twintigurige werkweek. In plaats van een eigen baan, zullen mensen met elkaar een baan moeten gaan delen. Dat betekent minder stress en burn-outs.’ Er is een alternatief nodig voor de neoliberale economie die gericht is op ‘hard werken, competitie en geld verdienen’.

Eickhout ziet de oplossing in een circulaire economie. ‘Wanneer grondstoffen worden hergebruikt krijgen we vanzelf een lagere economische groei. We kunnen dit bereiken door grondstoffen meer te belasten en arbeid minder. De nadruk komt dan te liggen op de dienstensector. Deze creëert veel werkgelegenheid, maar legt minder druk op het milieu. Bovendien groeit deze sector veel minder dan industriële sectoren: het gevolg van het groene beleid is een economie die minder groeit, stabiliseert en misschien wel krimpt.’

Waar geld vandaan komt

Volgens Van der Linden is het niet mogelijk om alle milieukosten te internaliseren: ‘Het blijft altijd een benadering. Er altijd een business case om de kosten te externaliseren. We kunnen de intrinsieke waarde van de natuur nooit helemaal vermarkten.’ Grotere oplossingen zijn nodig. ‘Sinds de Industriële Revolutie zijn de groei van onze monetaire economie en onze materiële energie gelijk opgegaan. Dat komt in de knoop als we peak oil bereiken (het punt waarop het aanbod van olie gelijkblijft en begint te dalen – SO) en het monetaire systeem tegelijkertijd wil doorgroeien. De grote vraag is of we het huidige monetaire systeem kunnen hervormen tot een controlesysteem op het gebruik van grondstoffen.’

Volgens Van der Linden is hervorming van het financiële stelsel een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame economie.

Van der Linden: ‘Al het geld in onze economie is schuld. Geld wordt gecreëerd door commerciële banken op basis van een onderpand: je belooft het geleende bedrag terug te betalen binnen een bepaalde tijd mét rente. Als je het niet kan betalen dan moet je het onderpand afstaan.’ Het financiële systeem is zo ingericht dat niet alle leningen kunnen worden afgelost. ‘De banken creëren het geleende bedrag en niet de rente. Er is dus nooit genoeg geld om alle rente af te betalen.’ Dat betekent dat het systeem alleen maar werkt als mensen hun leningen niet kunnen aflossen.

Van der Linden: ‘Gemiddeld bestaat 40% van de prijs in de winkel uit rentekosten: als ik een brood koop, dan gaat een deel van de opbrengst direct naar de bank om de leningen voor de apparatuur af te lossen. Maar ook de prijs van apparatuur die de bakker kocht bestaat grotendeels uit rentekosten. Zo stroomt al het geld rechtstreeks naar de banken. 80% van de mensen betaalt meer rente dan ze krijgen. De armsten betalen via rente aan de rijksten.’

Maar dat is niet het enige probleem, Van der Linden: ‘Het zijn uiteindelijk commerciële bedrijven die bepalen waar het geld naartoe gaat. Er is geen democratische controle op. Het zijn banken die bepalen of wij als samenleving het geld lenen om consumptieve uitgaven te dekken of dat we investeren in nieuwe activiteiten.’

In de ogen van Van der Linden, ‘moeten we experimenteren met nieuwe vormen van geld, zoals rentevrij geld of geldcreatie zonder schuld. De overheid moet een monopolie op geldcreatie krijgen: dat maakt het veel democratischer.’ Als we de crisis zien aankomen, dan is dit volgens Van der Linden een kans: ‘Nu komen er nieuwe systemen. Als je daar zelf aan bijdraagt, kan je bepalen hoe de toekomst eruit zal zien.’

Climate control in het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Een van de minst bevredigende onderdelen van de Het Huis van de Vrijheid is de analyse van klimaatpolitiek. Claassen stelt dat we zouden kunnen denken dat we op basis van het schadebeginsel ecologische grenzen kunnen stellen aan economische ontwikkeling. Als we grondstoffen uitputten dat ontzeggen vrijheden aan toekomstige generaties.

Maar welke aanspraak maken toekomstige generaties op ons? Onze kinderen maken overduidelijk aanspraak op ons: zij zijn er en hebben recht op een evenredig deel van de natuurlijke grondstoffen. Maar hoe zit het met de generaties daarna: stel je twee scenario’s voor: in het eerste scenario leeft de mens duurzaam voor tien generaties en dan komt door een meteoriet een einde aan het leven op aarde. In het tweede scenario leeft de mens onduurzaam voor vijf generaties en dan komt de mensheid om door haar eigen vervuiling.

De vraag is of het leven van die extra vijf generaties menselijke inspanning waard is, als menselijk leven toch tot einde komt. De vraag is of we als mensheid kort en gelukkig moeten leven, of langer en minder gelukkig. Voor individuen laten liberalen die keuze aan mensen zelf, maar hoe zit dat het met de mensheid? Voor utilisten is de berekening simpel: volgens het principe van het meeste geluk, moeten gewoon kijken of het verlies aan welzijn door verminderde consumptie opweegt voor de groei van mensen. Het is een empirische vraag hoe die berekening uitvalt. Liberalen hebben echter geen voorkeur voor zoveel mogelijk menselijk leven.

Het fundamentele probleem is dat de vijf ongeboren generaties geen aanspraak maken op ons. Als je echt zou geloven dat  nog-niet geboren leven van ons kan eisen dat we hen moeten laten leven, dan betekent dat iedere vrouw zoveel mogelijk kinderen moet krijgen. Zij hebben als individu geen morele status.

Wat Claassen voorstelt is dat als we de toekomstige generatie niet zien als een groep individuen we dit probleem kunnen ontlopen. Een tweede is dat we de waarde van het bestaan van de toekomstige generatie als groep kunnen instrumentaliseren. Wat wij doen heeft alleen zin omdat er een volgende generatie is die het zal erven. Als we de volgende generatie de mogelijkheid ontzeggen om dingen te doen die blijvend zijn ontzeggen we hun zin in hun leven. Dat is een niet-liberale theorie van waarde, die dingen alleen waardevol vind als ze blijvend zijn. De gemeenschap van mensen heeft waarde op zich.

Hier stokt Claassen: hij besluit er is geen liberale grond om duurzaam te zijn, daarvoor moeten we een andere theorie van waarden hebben, dan wel gebaseerd op het voortbestaan van de mensheid, dan wel op het bestaan van individuele mensen.

Ik kan me een grondslag bedenken van een andere theorie van waarden: deze gaat uit van morele verantwoordelijkheid. Het is een Kantiaans principe dat iedereen zo moet handelen dat het principe van zijn handeling een universele wet is. Iedereen moet zo kunnen handelen als jij doet. Als je overweegt te liegen, dan moet je bedenken hoe de wereld eruit zou zijn als iedereen zou liegen. Dan heeft praten geen zin meer omdat je zeker weet dat mensen niet de waarheid spreken. Communicatie wordt dan zinloos. Je kan in analogie hiermee voorstellen dat iedereen duurzaam moet leven, want als alle generaties zo onduurzaam zouden hebben geleefd dan zou mijn generatie er niet zijn geweest. Kortom er is voor Kantianen een moreel imperatief om duurzaam te leven.

Voor gemeenschapsgezinden, utilisten en deontologische Kantianen is er een moreel imperatief om als individu duurzaam te leven. Er is echter vanuit liberaal perspectief geen politiek imperatief om als samenleving duurzaam te zijn. Het fascinerende is dat het klimaatvraagstuk als geen ander collectieve actie vereist: het handelen van mensen om duurzamer te leven heeft alleen zin als we het samen doen. Om ervoor te zorgen dat iedereen duurzamer leeft, moet de overheid iedereen daartoe verplichten.

Allemaal mooie theorie. We kunnen duurzaamheid niet verplichten tot de zesde tot tiende generatie. De problemen met het klimaat zijn veel groter dan de vraag of de zesde generaties nog kan leven, maar de vraag of onze kinderen in een zelfde rijkdom kunnen leven als wij. Dat dwingt nu tot het maken van keuzes voordat het klimaat onveranderdelijk is beschadigd voordat zij groot worden. De vraag die onder Claassen’s analyse ligt, is of we we meer moeten doen voor die zesde generatie. Maar volgens mij is die vraag verkeerd: we moeten al ongelofelijk veel doen door de tweede generatie en daar profiteert de zesde ook van. De volgende generatie zal voor een zelfde keuze komen te staan, of ze voor hun kinderen genoeg willen overlaten. En die vrijheid moeten we hen in essentie ook laten. Voor die vrijheid moeten wij ook voor inleveren.

Duurzaamheid: Overleven

De Panda. Dat is het symbool van de milieubeweging. Met onze vervuilende industrie en onze voortdurende behoefte aan nieuwe landbouwgrond bedreigen we de leefgebieden van de panda. De kern van het milieuprobleem is dat wij als mensen een nieuwe ecologische balans moeten slaan met onze natuurlijke omgeving.

10686829

Dat is een manier om naar het milieuprobleem te kijken: de mens is gevaar voor de natuur om ons heen. Wij bedreigen het natuurlijke evenwicht om ons heen. En daarmee het voorbestaan van allerlei soorten: pandas, berggorilla’s, Kakapo en neushoorns. Voor al deze soorten moeten wij, Groenen, het opnemen.

Maar dat lijkt me een verkeerde manier om te kijken naar de aard van ons probleem. We moeten de natuur niet beschermen uit natuurlievendheid of altruisme. Het uitsterven van diersoorten is een onderdeel van een natuurlijk proces van natuurlijke selectie. De panda plant zich erg langzaam voort en moet een groot deel van de dag het zeer onvoedzame bamboe eten. Nu komt er een andere diersoort in de habitat van de panda. Deze is beter in staat om gebruik te maken van de natuurlijke grondstoffen. Dan is het een onderdeel van het natuurlijke proces dat de dieren die minder geschikt zijn niet overleven. Het is hard, maar dat is de natuur.

De natuur is een harde wereld: het gaat om het overleven. Die soorten blijven voortbestaan die zich het beste hebben aangepast aan hun natuurlijke omgeving. De Kakapo, een loopvogel, die in reactie op een roofdier niet weg vlucht maar denkt “als ik stil ga staan, dan loopt’ie vast weg”, kon zich niet verdedigen tegen de binnenkomst van katten en dreigt nu uit te sterven. Of neem de neushoornsoort die zijn kinderen achter zich laat lopen, zodat hij niet kan zien dat ze gevangen worden door roofdieren. Nature is not kind to fools.

Strigops_habroptilus,_camouflage

"Ik ben er niet, let niet op" dacht de Kakapo

Moeten we dan niets doen om het milieu te beschermen? Ja: de mens is zelf ook een diersoort. Het ziet er nu naar uit dat de mens best is aangepast. Maar op termijn loopt de mens als diersoort gevaar. Door grondstoffen uit te putten, door natuurgebieden aan te tasten, bedreigt de mens zijn eigen bestaan. Als soort brengen we ons eigen voortbestaan in gevaar. Duurzaamheid gaat uiteindelijk om het voortbestaan van de menselijk soort. Alleen als wij minder grondstoffen gaan gebruiken, als we in onze productieprocessen rekening gaan houden met vervuiling, als we overstappen naar groene energie en op duurzaam voedsel (vlees noch vis, minder boter, kaas en eieren), dan heeft onze soort overlevingskansen.

Duurzaamheid gaat uiteindelijk niet om altruisme, maar om eigenbelang.