Een kat met negen levens. De politieke carrière van Jan Nagel.

Vanwege de val van Henk Krol en de voortdurende onrust in 50+ is hij weer in het nieuws: Jan Nagel. Nagel’s politieke carrière toont een uitzonderlijk overlevingsvermogen.

Jan Nagel komt uit de sociaaldemocratische politieke familie: hij was redacteur bij de ‘rode’ VARA en voorzitter van een NVV-bond voor omroeppersoneel. Hij bedacht het populaire programma De Rode Haan en daar bracht hij samen met Maurice de Hond de maandelijkse zetelpeiling naar de Nederlandse radio.

Nagel was tegelijkertijd actief in de PvdA: vanaf 1965 zat hij in het partijbestuur. Daar toonde hij al een dwarse en democratische inslag: hij sprak zich uit tegen de kabinetsdeelname van de PvdA aan het kabinet-Cals, omdat er geen nieuwe verkiezingen waren geweest. Hij verzette zich tegen het regenteske optreden van sociaaldemocratische voormannen van de vorige generatie. Hij sloot zich aan bij Nieuw Links. Nieuw Links was een verjongingsbeweging in de PvdA. Het was een generatiebeweging die een nieuwe generatie sociaaldemocraten aan de macht wil helpen. Een generatie die meer oog had voor democratische verhoudingen.

Nagel bleef tot 1977 lid van het partijbestuur.  In 1977 werd hij lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Hij bleef dat zes jaar. Hij stelde zich onafhankelijk op en stemde vaak met een minderheid van zijn fractie tegen wetsvoorstellen. Tegelijkertijd klom hij op in de VARA en schopte het tot hoofd radio en televisie. Bij de VARA richtte hij zich op de kloof tussen burger en politiek met het programma De Kloof. De relatie tussen Nagel en zijn collega’s bij de VARA was lastig: hij kwam in conflict met VARA-voorzitters André Kloos en Marcel van Dam.

Begin jaren ’90 was hij nog actief in de PvdA. Er was veel onvrede over de koers van de partij, die onder Kok een hardvochtig bezuinigingsbeleid voerde. Samen met oud-Nieuw Linkser André van der Louw zocht Nagel naar een manier om de achterban en de partijtop bij elkaar te brengen. De partijleiding zag dit als een coup.

In 1993 richtte Nagel Leefbaar Hilversum op. De partij boekt in de jaren ’90 grote successen en zo wordt Nagel het gezicht van een nieuwe politieke stroming die een grote onvrede in de maatschappij weet aan te spreken. Een stroming die zich verzette tegen de arrogantie van ambitieuze bestuurders, die geen oog hadden voor de leefbaarheid van de stad en met grote infrastructurele problemen slechts wilden bijdragen aan de prestige van de gemeente. Nagel moest wel er zijn PvdA-lidmaatschap voor inleveren. In 1998 had Leefbaar Hilversum één derde van de raadszetels in Hilversum. En kwam ze in het college, kortstondig want al binnen een half jaar ontstonden er conflicten binnen de coalitie. In 2001 wordt Nagel als nog wethouder voor Leefbaar Hilversum.

In 1999 bundelen deze lokale leefbaarheidspartijen zich in Leefbaar Nederland. Nagel werd voorzitter. De partij kwam eerst in een electorale stroomversnelling maar even later evenzeer in zwaar water als  Pim Fortuyn aantrad en aftrad als lijsttrekker. Het bestuur, geleid door Nagel, zette uiteindelijk Fortuyn de wacht aan vanwege zijn extreme uitspraken over de Islam.

Leefbaar Nederland koos crime fighter Fred Teeven tot lijsttrekker. In de verkiezingen werd Leefbaar Nederland overvleugelt door de LPF die dezelfde populistische retoriek koppelde aan een anti-Islam-sentiment. Leefbaar Nederland haalde twee zetels en ging vervolgens ten onder aan interne conflicten: de afwezigheid van een bindende leider, van een gedeelde ideologie of van een gemeenschappelijke partijcultuur brak de partij op.

Nagel, die raadslid in Hilversum bleef, laat zijn idee van een politieke partij die stem kan geven aan de onvrede van mensen, niet varen. In 2005 experimenteerde hij met een populistische middenpartij rondom om misdaadjournalist Peter R. de Vries, de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang. Die club kwam niet tot de grond. De partij moest de steun halen van 41% van de leden van het opiniepanel van Maurice de Hond. In 2009 volgde er een nieuw experiment, de Onafhankelijke Ouderen en Kinderunie (Ooku), een ouderenpartij. Formeel was dit een rechtsopvolger van de PRDV. Ooku werd op haar beurt omgevormd tot 50+. Deze partij raakte een sentiment onder ouderen die vanwege bezuinigingen (zoals de verhoging van de AOW-leeftijd) zich in hun financiële zekerheid  gepakt voelen. Net als Nieuw Links is 50+ een generatiebeweging: ze vertegenwoordigden dezelfde generatie die met Nieuw Links een nieuwe positie voor zichzelf moest bevechten.

In 2011 deed de partij mee aan de provinciale statenverkiezingen. In Noord-Brabant was oud-VVD’er en oud-homojournalist Henk Krol lijsttrekker. Veel andere 50+’ers waren afkomstig uit andere middenpartijen: CDA, PvdA en VVD. Ze wonnen genoeg zetels voor één senaatszetel. Via een slimme samenwerking met een aantal lokale partijen werden het er twee. Nagel raakte echter als snel gebrouilleerd met zijn collega senator De Lange. Ook binnen 50+ ontstonden er conflicten oud-PPR staatssecretaris (en politiek zwerver) Michel van Hulten verliet al snel de partij over de politieke koers. Nagel bleef de machtigste speler in 50+: het congres, dat hij als enige politieke vertegenwoordiger en partijvoorzitter ook nog eens zelf voorzat, bespeelde hij als een viool. In 2012 won Krol twee zetels. Na de vorming van het kabinet schoot de partij in de peilingen omhoog. Het wetenschappelijk bureau van de partij laat met name Maurice de Hond kiezersonderzoek doen.

In 2013 ontstonden er conflicten. Hoofdvraag was of de partij zou deelnemen aan gemeenteraadsverkiezingen. Nagel, die veel banden heeft met lokale partijen zag daar weinig in. Andere 50+ leden wilden dit wel: politieke zwerver Dick Schouw (ex-VVD, ex-Piraat, ex-DS70, ex-Trots) wil met lokale OPA’s aan de slag. Dit leidde tot een conflict. Parallel daaraan werd de positie van Krol vorige week onhoudbaar vanwege het niet-betalen van pensioenpremies.

Er zijn drie thema’s die voortdurend terugkomen in het politieke leven van Nagel. Het eerste thema is zijn anti-autoritaire houding. Hij verzet zich tegen paternalisme: ‘een houding van stil maar we weten wel wat goed voor u is’, aldus Nagel in een interview in 1999. Die houding tekende hem als Nieuw Linkser die zich verzette tegen de regenteske sociaaldemocraten, als VARA-journalist die de burger een stem wou geven, maar ook als oprichter van lokale en landelijke protestpartijen. Nagel behoorde nooit tot de inner circle van de Nederlandse politiek maar was voortdurend de outsider die stem vergeten groepen wou vertegenwoordigen. Een opvallende bondgenoot in deze is de opiniepeiler Maurice de Hond, die ook afkomstig was uit de rode familie maar die zich sindsdien tot geluidsversterker van de gewone man heeft gemaakt.

De tweede hoofdlijn is ruzie. Nagel is eigenzinnig en strategisch. Hij wordt wel de ‘Raspoetin van Hiversum’ genoemd. Bij de VARA, de PvdA, Leefbaar Nederland en 50+ waren er in de tijd dat Nagel er zat conflicten. Soms vanwege Nagel maar vaak ook buiten hem om. Politiek is voor Nagel, een getalenteerd schaker een spel van confrontatie. Een spel dat je speelt om te winnen. Maar nieuwe partijen en vernieuwingsbewegingen trekken ook een bepaald soort mensen aan.

Het derde thema is het politieke overlevingsinstinct van Nagel. In die zin lijkt het ook op Raspoetin die volgens de overlevering verschillende moordaanslagen overleefde. Als hij bij de PvdA definitief aan de zijkant geschoven is, vindt hij zichzelf opnieuw uit: de oud-senator en -partijbestuurder gaat als outsider de strijd voor de gemeenteraad van Hilversum aan. Daar blijft hij twaalf jaar lid van. Als Fortuyn hem Leefbaar Nederland uit zijn handen dreigt te slaan komt er een nieuwe lijsttrekker. Vlak na de uiteindelijke ondergang van Leefbaar Nederland in 2006 werkt hij zes jaar aan een nieuwe protestpartij van het midden. Die dreigt het tot twee keer toe niet te redden, maar Nagel geeft zich niet gewonnen: hij geeft nooit op.

Waltmans & progressieve samenwerking

Op 4 mei overleed Henk Waltmans. Waltmans was jarenlang een van de meest invloedrijke leden van de Politieke Partij Radikalen (PPR). Hij gold als een exponent van samenwerking met de PvdA. Zijn politieke biografie zegt veel over de PPR en misschien ook wel over GroenLinks.

In 1968 behoorde Waltmans tot de oprichters van de PPR. Hij was katholiek opgevoed en lid van de KVP. Midden jaren ’60 verliet hij katholieke kerk. Uit onvrede over de voorkeur van de KVP voor samenwerking met de VVD boven de PvdA verliet Waltmans met een groep andere zo geheten Christel-Radikalen de katholieke parij. Hun hoofddoel: een progressieve meerderheid van sociaal-democraten, sociaal-liberalen en een eigen progressief-Christelijke partij. In 1970 wordt Waltmans lid van de Provinciale Staten van Limburg. Een linkse meerderheid is daar nog ver weg. De combinatie van Christelijke partijen haalt 40 zetels en PvdA, D66 en PPR halen 13 zetels. Als de PPR onder leiding van Bas de Gaay-Fortman zeven zetels in de Tweede Kamer haalt, wordt Waltmans Tweede Kamerlid. Waltmans is een bondgenoot van De Gaay-Fortman en voorstander van samenwerking in het kabinet-Den Uyl.

Waltmans voert het woord over Buitenlandse Zaken. Hij is een groot voorstander van Europese integratie en wordt lid van het dan nog indirect verkozen Europees Parlement. Anders dan de leden van de PPR is hij ook voorstander van de lidmaatschap van de NAVO. De relatie tussen Waltmans en de leden is conflictueus. De leden verkiezen de meer links-radicale Ria Beckers boven de meer bestuurlijke De Gaay-Fortman als partijleider. De leden wijzen samenwerking met het CDA af en sluiten daarmee toetreding tot een nieuw kabinet uit. De PPR houdt in 1977 nog maar drie van haar zeven zetels over. Nadat voormalig staatssecretaris Michel van Hulten de Kamer verlaat vanwege een verschil van inzicht over koers van de PPR met Beckers, keert Waltmans terug in de Kamer.

Binnen de PPR ontstaat een discussie over samenwerking. Een groep verkiest samenwerking met de links-socialistische PSP en communistische CPN. De anti-gouvernementele en Euroskeptische PSP en de pro-Russische CPN zijn voor Waltmans geen goede bondgenoten. Hij ziet hen als klein links. Hij prefereert samenwerking met groot links: de PvdA, D66 en de linkse stroming in het CDA. De PPR moet zich richten op een progressieve meerderheid met PvdA en D66 en moet haar deuren openen voor de ontevreden CDA-leden uit de groep ‘Niet bij brood alleen’. Meer dan een inhoudelijk conflict is dit een conflict tussen pragmatisme en idealisme, tussen gelijk hebben en gelijk krijgen en tussen verantwoordelijkheid nemen en getuigenispolitiek. Een groep PPR-leden die dit ook vindt, organiseert zich in de Godebald-groep: hiervan zijn veel bestuurders lid, zoals NOS-voorzitter Erik Jurgens, oud-staatssecretaris Van Hulten, staatsraad Jacques Aarden, burgemeester Jacques Tonnaer en kandidaat-Europees Parlementslid Ad Melkert. Waltmans sluit zich hier als lid van de Tweede Kamer niet bij aan. Formeel kiest de partijtop niet voor linkse samenwerking. Ze hopen dat PPR kan functioneren als brug tussen ‘klein links’ en ‘groot links’.

De leden verkiezen echter klein linkse samenwerking. Electoraal betaalt dat zich niet uit: de PPR haalt in 1982 twee zetels zodat Waltmans uit de Kamer valt. De leden van de Godebald groep verlaten een-voor-een de PPR: Jurgens en Melkert gaan naar de PvdA, Van Hulten naar D66. Waltmans wordt burgemeester van Landsmeer en senator. Na de oprichting van GroenLinks, waarin klein linkse samenwerking vorm krijgt, gaat Waltmans, net als Tonnaer als onafhankelijke burgemeester door. De PPR is volgens hem ‘ten grave gedragen’ en hij had zelf geen politieke bondgenoten meer over en stond dus ‘met lege handen bij de kist’.

Waarom de Cypriotische spaardersheffing lijkt op de inkomensafhankelijke zorgpremie

Een achterafzaal van een groot grijs regeringsgebouw. Op tafel staan een aangebroken doos met broodjes kaas en ham en aantal lege potten koffie, erom heen liggen rapporten vol doorgerekende voorstellen. Om de tafel zitten de onderhandelaars van links en rechts. Sommige zijn wat ingedut na dagen onderhandelen. Ze worden voorgezeten door één van de slimste sociaaldemocraten van zijn generatie. Hij is op zijn scherpst als het lastig wordt.
“Nog een paar miljard, dan zitten we aan ons streefbedrag” zegt hij. De abstracte cijfers geven een gevoel van zekerheid. Een plus een blijft altijd twee. De aanwezigen bladeren door de mappen met door ambtenaren voorbereidde voorstellen. Een sociaaldemocraat heeft een idee: “Wat nou als we maatregel Q11B op pagina 315 tweede van onderen nemen en dan kiezen we voor de variant ‘meest progressief’?” Dan zij we er bijna.” Een tiental politici zoekt in de boeken naar 315.
Je kan de fonkeling in de ogen zien van de voorzitter: “Dat is net niet genoeg, maar als we de nominale heffing iets verhogen …” Hij kijkt naar de rekenmeesters aan de ene kant van de tafel. Een jonge in Amerika geschoolde econometrist vult hem naadloos aan “… als we de nominale heffing van variant Q11B.III nemen dat moet genoeg zijn.” Er wordt op tafel geroffeld. De zaal is moe maar tevreden. Een oudere collega klopt de voorzitter op de rug en zegt: “Een mooi compromis.”
De voorzitter zegt: “We kunnen dit uitleggen. Dit is de grootste crisis sinds de 1945. Iedereen moet meebetalen om de huidige economische problemen op te lossen. Bovendien is het een progressieve maatregel die mensen met een klein inkomen ontziet.”
Op een persconferentie wordt het voorstel gepresenteerd. Serieuze heren in grijze pakken met antwoorden op de economische vragen van onze tijd. De pijn wordt eerlijk verdeeld.
Als het voorstel uit is gekomen, is de onrust groot. In vox-popjes geven de media de burger het woord. Die ziet er niets in om mee te gaan betalen. Het was toch een crisis van de banken? Ze voelen zich geraakt in hun portemonnee. Populistische politici typen het item bijna letterlijk over en noemen het een persbericht. Maar ook weldenkende politici die niet aanwezig waren bij de vergadering vragen om opheldering. Een inkomensafhankelijke heffing is mooi maar dit gaat te ver. Oud-collega’s die nu voorzitter zijn van een of andere belangenclub spreken zich uit tegen de maatregel. De onrust is groot.
Er moet heronderhandeld worden. Dezelfde boeken komen weer op tafel. Op vergelijkbare toon worden bijna identieke gesprekken gevoerd: “… nog een paar miljard …”

Dit zou een beschrijving kunnen zijn van de huidige onrust over de Cypriotische spaardersheffing maar ook van het inkomensafhankelijke zorgtoeslagdebacle nog geen paar maanden geleden. Die gelijkenis is volgens mij veelzeggend over de aard van de politiek in de huidige  economische crisis.

Alles is doorgerekend op economische consequenties: economen kunnen narekenen wat de economische reacties zijn van consumenten en bedrijven. Nou ja, alles? De smalle marges van de politiek zijn steeds meer de smalle marges die worden getekend door de rekenmeesters. Politici hoeven geen eigen ideeën te hebben. Ze kunnen varianten kiezen die door ambtenaren zijn bedacht. Politiek is als multiple choice test.

Maar een doorrekening op politiek-electorale gevolgen is niet gemaakt. Aan de onderhandelingstafel voelt iedereen de verantwoordelijkheid van de economische crisis en het belang van noodmaatregelen drukken. In beide gevallen werd er gekozen voor een variant die alhoewel progressief de middenklasse zwaar aan te slaan. De middenklasse die in de betere jaren wat gespaard heeft maar nu voor hun gevoel lastig rondkomt. Een inkomensafhankelijke zorgpremie zou voor het gemiddelde gezin een paar honderd euro in de maand schelen. Een heffing van 6% op je spaargeld betekent dat je plannen voor de toekomst (een eigen huis, eerder stoppen met werken) moet herzien. In de abstracte termen van de onderhandelingstafel vindt iedereen dat we in crisis tijd onze verantwoordelijkheid moeten nemen en is iedereen het eens met het principe de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Maar alles het concreet wordt, dan moet de gewone man, zoals u en ik, ontzien worden.

En wat ik het meest fascinerend vindt, is dat mensen als Jeroen Dijsselbloem en Wouter Bos die vergaderingen voorzitten. Ongelofelijk slimme politici voor wie de spreadsheets van de rekenmeesters geen geheimen hebben. En die in hun retoriek tijdens verkiezingen altijd oog hebben gehad voor de middenklasse en hun zorgen. Maar twee keer achter elkaar blijkt dat een noodmaatregel wel het financiële kapitaal kunnen opleveren dat volgens de economische modellen nodig is, maar dat politici niet het politieke kapitaal hebben om het door te voeren.

De huidige voortslepende economische crisis vindt plaats in de context van een politiek die een sterk technocratisch karakter heeft. Waarin doorgerekende bezuinigingsvarianten het speelveld van de politiek markeren en het het doel van politici is om een bundel van maatregelen te kiezen die een door diezelfde economen gezet doel moet halen.

Maar bovendien lijken politici vergeten waar ze in verkiezingstijd zo goed in zijn: vertrouwen winnen. Op campagne vragen kandidaten met een duizend keer gepolijst verhaal even vaak om ons vertrouwen vragen. En dan vergeten sociaaldemocraten de middenklasse niet uit het oog. Want dat is een cruciale swing vote. Maar juist in de kern is onze economische crisis een crisis van vertrouwen: van vertrouwen van consumenten in hun eigen economische perspectieven en in de zekerheid van hun spaargeld.

En die electorale werkelijkheid lijkt vergeten te worden door mensen die het in verkiezingstijd bar goed begrijpen maar voor wie in de momenten daartussen de werkelijkheid wordt gemaakt door abstracte economische doorrekeningen.

Het socialisatiestreven en de sociaaldemocratie

Vorige maand nationaliseerde Jeroen Dijsselbloem SNS-Reaal. Hij was de tweede sociaaldemocratische minister van Financiën die zich door de voortdurende kredietcrisis genoodzaakt voelde om een bank in overheidshanden te nemen. Wordt hiermee het klassieke sociaaldemocratische streven naar socialisatie in de praktijk gebracht?

Het streven naar socialisatie van de productiemiddelen, dat wil zeggen deze middelen dienstbaar maken aan het welzijn van de gemeenschap en niet langer aan het particuliere belang van diegenen die deze middelen bezitten, is een klassiek sociaaldemocratisch streven dat terug te vinden is in de beginselprogramma’s van de SDAP.

In het eerste beginselprogramma van de PvdA uit 1947 wordt voor het eerst expliciet opgeroepen om het bankwezen te socialiseren. Deze sector wordt samen met industrie en transport genoemd. De op deze beginseluitspraak volgende verkiezingsprogramma’s bevatten geen voorstellen om dit streven in de praktijk te brengen. Wel vragen ze om verscherpt toezicht van het bankwezen en de socialisatie van het particuliere mijnbedrijf.

De socialisatie van het bankwezen is alweer uit het beginselprogramma van 1959 gevallen. Programma’s uit deze periode vragen om allerhande nationalisaties, zoals van het verzekeringsbedrijf en bodemschatten, maar niet van het bankwezen. In het sterk door Nieuw Links beïnvloedde beginselprogramma van 1977 roept de PvdA op om de banken in gemeenschapsbezit te brengen. Tussen 1981 en 1986 had de PvdA haar hoop gevestigd op de Postgiro/Rijkspostspaarbank. Deze in 1977 gevormde bank wás in overheidshanden, de sociaaldemocraten wilden dat deze bank tot een belangrijk financieel instituut kon uitgroeien. Deze bank werd echter in 1986 geprivatiseerd door CDA en VVD. Sindsdien zwijgt de PvdA in alle talen over de mogelijkheid van staatsbanken. Gedurende de jaren ’90 steunt de PvdA wel de verzelfstandiging van de NS en de liberalisering van de energiemarkt. Dat dit in strijd is met het beginselprogramma uit 1977 is voor de PvdA geen kwestie meer: Wim Kok schudde in de Den Uyl-lezing van 1995 de ideologische veren van de PvdA af.

In 2005 schrijft de nieuwe partijleider Wouter Bos, afkomstig uit het bedrijfsleven en bekend vanwege zijn sociaal-liberale sympathieën, samen met partijvoorzitter Ruud Koole (een vertegenwoordiger van de linkerflank van de PvdA) een nieuw beginselprogramma. Dit programma vormt een afsluiting van een periode van verregaande liberalisering van het gedachtegoed van de sociaaldemocraten. Het programma noemt een beschaafd kapitalisme waarin het marktmechanisme beperkt wordt door wetten en regels, een verworvenheid van de sociaaldemocratie. Van enig socialisatiestreven is geen spoor meer over: of de markt of de overheid diensten aanbiedt, is voor de PvdA geen principekwestie. Soms is de overheid hier beter in en soms de markt.

Eind 2008 wordt de PvdA geconfronteerd met het falen van de markt. Fortis verslikte zich in de overname van ABN-AMRO. Het Nederlandse deel van de bank werd door minister van Financiën Bos onder de naam ABN-AMRO in overheidshanden gebracht.

Anno 2010 dacht Bos anders over de vrije markt dan wat hij had opgeschreven in 2005. De kredietcrisis had de grond onder zijn naïeve geloof in de ondernemingsgewijze productie weggeslagen. In de Den Uyl-lezing begin dat jaar, vergeleek hij de vrije markt met de in Diergaarde Blijdorp uit zijn verblijf ontsnapte aap Bokito, om te illustreren dat regelgeving en toezichthouders soms onvoldoende sterk gebleken waren en dat de enige bescherming tegen de vrije markt een brede greppel was.

In het verkiezingsprogramma van 2012 was de PvdA kritisch over de bankensector: “Winsten van banken zijn privaat, maar de risico’s worden afgewenteld op de belastingbetaler.” Hierin schuilt een kritiek die door linkse economen als Ewald Engelen en Alfred Kleinknecht is geuit op de keuze om banken te redden: bankiers kunnen grote risico’s nemen omdat ze weten dat als ze ten ondergaan, ze wel gered zullen worden door de overheid. Het programma stelt voor om de ABN-AMRO niet naar de beurs te brengen en deze bank dienstbaar te maken aan het publieke belang. Hiervoor is een nieuwe organisatievorm nodig; één waarbij geduldige investeerders - en niet durfkapitalisten – aan het roer zitten. Hierin horen we iets van het oude socialisatiestreven van de PvdA terug. Socialisatie betekende namelijk niet per se het in overheidshanden brengen van productiemiddelen, maar deze richten op het welzijn van de gemeenschap.

De nationalisatie van de SNS-Reaal was noodzakelijk omdat de bankverzekeraar zich dreigde ten onder te gaan aan haar nieuwe vastgoedpoot. De opname van het Bouwfonds bracht de vijfde financiële instelling van Nederland aan de rand van de afgrond. De aankoop had plaatsgevonden in 2006, voordat strengere regels in werking getreden waren.

Is de nationalisatie van SNS-Reaal een uiting van diep verlangen van de PvdA? Er zijn twee belangrijke redenen omdat niet zo te zien:

  • In de eerste plaats streefden de sociaaldemocraten volgens haar beginselprogramma van 2005 en haar verkiezingsprogramma’s sinds 1986, niet meer naar het in overheidshanden brengen van banken. De partij had allerlei privatiseringen, verzelfstandigingen en liberaliseringen gesteund. Het nieuwe beginselprogramma sprak geen voorkeur uit voor de markt of de overheid. In een beschaafd kapitalisme had de overheid vooral een rol als marktmeester.
  • Ten tweede, in het laatste programma van de PvdA wordt niet het streven uitgesproken om nog meer banken in overheidshanden te brengen. De PvdA streefde naar een organisatievorm waarbij banken zich richten op het publiek belang. Dat is wel socialisering, maar geen nationalisering. Het sociaaldemocratisch programma onderschrijft juist de kritiek dat het redden van private banken met publiek geld leidt tot perverse prikkels voor bankiers om meer risico te nemen.

Hieruit blijkt dat de overname van SNS-Reaal een noodgreep was van een sociaaldemocratische bewindspersoon om erger te voorkomen. Het was geen power grab van een socialist voor wie het enige antwoord op alle maatschappelijke problemen de socialisatie van de productiemiddelen is.

Dit artikel verscheen ook in de Hofvijver van februari 2013.

Lessen van Nieuw Links & Niet Nix

Gisteren meldde Klub Kobalt zich, een vernieuwingsbeweging binnen GroenLinks. Al snel werd de vergelijking getrokken met Niet Nix en Nieuw Links twee vernieuwingsbewegingen binnen de PvdA. Ik kan me als medewerker niet te veel uitspreken over wat Kobalt wil. Maar ik kan wel mee denken: wat kan Kobalt leren van deze bewegingen?

Nieuw Links
Nieuw Links is een van de meest succesvolle interne vernieuwingsbewegingen geweest in de parlementaire geschiedenis. Midden jaren ’60 was de PvdA was electoraal als ideologisch in verval geraakt. De partij die nog geen twintig jaar geleden was opgericht om een economie te verwezenlijken zonder klassentegenstellingen was geworden tot gezappige bestuurderspartij die af en toe mocht aanschuiven bij de Christen-democraten om op de winkel te passen. Tussen 1965 en 1969 nam Nieuw Links geleidelijk het leiderschap van de PvdA over. Dat begon in 1965 met Nieuw Linkser Jan Nagel die tot het partijbestuur van de PvdA toetrad en had zijn hoogtepunt in 1969 toen Nieuw Linkser André Van der Louw verkozen werd tot voorzitter van de PvdA. Nieuw Links had toen een absolute meerderheid in het partijbestuur. In 1971 werd de beweging opgeheven. Een meerderheid van de PvdA-congresgangers bleef zich echter identificeren met Nieuw Links.

Nieuw Links had een heldere eigen agenda. Ze verwoordde dat in Tien over Rood: de vernieuwers wilden dat de PvdA naar links schoof op sociaaleconomisch en internationaalpolitieke vraagstukken. Zo moest inkomen radicaal herverdeeld worden op nationaal en internationaal niveau. De PvdA zou niet deelnemen aan een kabinet als de ontwikkelingshulp lager dan 2% van BBP zou zijn. Bovendien zette Nieuw Links zich in voor de democratisering van de politiek, de economie en de samenleving. Daar waren ze overigens niet alleen in: studenten eisten medezeggenschappen, jonge Christenen wilden een progressieve koers voor de kerken en de Christelijke partijen. D66 kwam in de Kamer op basis van verhaal over democratisering. Autoritaire structuren stonden in de hele samenleving onder druk. Ook voor de organisatie en strategie van de PvdA had Nieuw Links een helder plan: ze was voorstander van de democratisering van de PvdA en van een polarisatiestrategie waarbij de PvdA het conflict koos met de rechtse krachten in de samenleving.

Dat alles culmineerde in 1973 in de vorming van het linkse kabinet Den Uyl. Den Uyl, opvallend genoeg, was een uitgesproken tegenstander van Nieuw Links maar zag zich genoodzaakt om niet alleen de polarisatiestrategie van Nieuw Links over te nemen, de PvdA naar links toe te schuiven maar ook prominente Nieuw Linksers als Marcel van Dam in zijn kabinet te benoemen. Veel Nieuw Linksers bleven tot midden jaren ’90 prominente PvdA’ers en daarmee prominente bestuurders in Nederland: Van der Louw werd burgemeester van Rotterdam. Nieuw Linkser Han Lammers werd wethouder in Amsterdam en daarna Commissaris van de Koningin in Flevoland, Relus ter Beek was PvdA-Kamerlid en daarna Commissaris in Drenthe, Max van den Berg, een andere Nieuw Linkse partijvoorzitter werd Commissaris in Groningen. Nagel was een van de weinige Nieuw Linksers die niet tot het establishment ging behoren. Hij richtte juist de protestpartij Leefbaar Nederland op en later de ouderenpartij 50+

Niet Nix
Niet Nix had een heel andere achtergrond. In 1992 is Felix Rottenberg tot PvdA-partijvoorzitter verkozen. Hij wil de PvdA hervormen. Dat lukt hem maar mondjesmaat. De PvdA is een bestuurdersclub geworden. Opvallend genoeg zijn veel van de Nieuw Linksers uit de jaren ’70 de oude regenten van de jaren ’90. Toen twee brutale studenten, Lennart Booij en Erik van Bruggen, hem een brief stuurde dat het ‘anders’ moest in de PvdA en ‘opener’, werden zij met open armen ontvangen. Ze mochten de PvdA-campagne adviseren en kwamen later in dienst van Rottenberg om hem te helpen vorm te geven aan de partijvernieuwing. De twee studenten verzamelden een groep van jonge PvdA’ers om zich heen. Ze brachten samen een manifest uit, getiteld Niet Nix. In het manifest formuleerden ze een nieuwe koers van de PvdA: een sociaal-liberaal verhaal waarin milieu en onderwijs centraal stonden, Ook pleitten ze ervoor de PvdA om te vormen tot een democratische beweging. Bovendien moest de partij op zoek gaan naar jong talent uit de kunsten en het bedrijfsleven. In 1999 stelden Booij en Van Bruggen zich verkiesbaar voor het partijleiderschap. Ze verloren van de kandidaat van het establishment, Marijke van Hees. Het duurde nog bijna een jaar maar toen werd Niet Nix opgeheven. Het breed gedeelde gevoel was dat Niet Nix er niet in geslaagd was om de PvdA te hervormen.

In 2002 kreeg Nieuw Links als nog gelijk: de PvdA, die ook in de ogen van de kiezer een gesloten bestuurdersclub was geworden, werd door electoraal afgestraft. Ruud Koole (al verkozen in 2001) en Wouter Bos (verkozen in 2002) namen het roer over in de PvdA. Ze zetten in op vernieuwing van het gedachtegoed en de partij. Sommige Niet Nixers groeiden door: Van Bruggen leidde campagnes bij de PvdA, Frank Heemskerk werd staatssecretaris, Jan Vos Kamerlid, Co Verdaas gedeputeerde en Tino Wallaart persoonlijk assistent van een minister. Partijleiders Wouter Bos en Diederik Samsom waren geen lid van de beweging maar konden wel op sympathie van de club rekenen. Vervolgens accepteerde Samsom dat Nederland een historisch laag percentage van haar BBP besteedde aan ontwikkelingshulp, maar dat terzijde.

Lessen
Volgens mij leren Nieuw Links en Niet Nix vijf belangrijke lessen:

  • Vorm en inhoud gaan samen: het fundamentele verschil tussen Nieuw Links en Niet Nix is dat Nieuw Links een verhaal had toen ze werd opgericht. De PvdA moest naar links. Tien over rood is een praktisch democratisch-socialistisch programma. Daarbij hoorde een democratische partijorganisatie. Niet Nix vond dat de PvdA ‘anders’ moest en ‘opener’, maar hoe anders precies dat ontwikkelden de jongeren gaande weg.
  • Vergadertijgers winnen: Nieuw Links was van plan om de partij over te nemen en deed dit stapje voor stapje. In lokale afdelingen kregen ze congresafgevaardigden verkozen. Zo konden ze zich het partijbestuur toe eigenen. Met het congres en het partijbestuur achter zich namen ze ook de fractie in. Een klassieke infiltratietechniek. Niet Nix waren sympathieke jongens met leuke ideeën die al snel door de partij werden ingekapseld. Toen ze het onderste uit de kan wilden, namelijk het partijvoorzitterschap, kregen ze de partijtop op hun neus.
  • Begin in tijden van tegenslag: naar Niet Nix werd niet geluisterd. Midden jaren ’90 was de PvdA de grootste partij en leverde ze premier. Pas nadat de PvdA de verkiezingen had verloren, werden de lessen van Niet Nix overgenomen. Nieuw Links kon de PvdA overnemen toen de partij electoraal in verval was gekomen.
  • En wacht dan 20 jaar: maar als je er dan eenmaal bent gekomen door avonden lang te vergaderen om met een inhoudelijk verhaal te komen voor een partij in verval, en je hebt stap voor stap het congres, het partijbestuur en de fractie overgenomen, dan heb je een bestuurlijke carrière voor je liggen. Campaigner, het partijbestuur, persoonlijk assistent van een bestuurder,Tweede Kamerlid, wethouder, Commissaris van de Koningin, partijleider. De wereld ligt aan je voeten.

13 redenen waarom 2013 een ***-jaar wordt

We vonden al die aanhangers van de Maya-kalender die dachten dat de wereld verging volslagen gekkies. Maar 2013 wordt zo’n ongekend ***-jaar dat we die Maya-gekkies misschien beter gelijk hadden kunnen krijgen.

Bijsluiter: Dit stuk is volslagen speculatie zonder enige basis in de werkelijkheid.

1. “There is no clear winner of the Italian elections”
De Italiaanse verkiezingen van februari 2013 worden een volslagen ramp. De verkiezingen leveren geen heldere meerderheid op: noch voor de pro-Europese partijen, noch voor links of rechts. De grote winnaar van de verkiezingen is Beppe Grillo, de komiek die leiding geeft aan de Euroskeptische, anti-establishment partij Movimente 5 Stelle. Het wordt de tweede partij van Italie. De centrum-linkse Partito Democratico blijft de linkse populisten net voor maar weet geen meerderheid te krijgen. De populistische, separatistische en Euroskeptische Lega Nord wint overtuigend in het Noorden. Berlusconi geeft leiding aan het centrum-rechtse Popolo della Liberta maar verliest alle aanhang behalve in Zuid-Italie. De centristische vernieuwingsbeweging van Mario Monti, Agenda Monti per l’Italia, haalt een heel slechte score. Samen halen deze rechtse partijen wel een meerderheid maar hun hekel voor elkaar is nog net groter dan hun hekel voor links. De afwezigheid van een heldere verkiezingswinnaar en daardoor een heldere regeringsmeerderheid in Italie werpt de Europese beurzen in een grote crash.

2. “We must save the Italian banks … sorry … the Italian people.”
Vanwege de gekelderde beurskoerzen dreigden de Italiaanse banken om te vallen. Bovendien heeft de depressie een groot gat geslagen in de Italiaanse begroting. Maar centrum-links, centrum-rechts en de centrum-beweging van Monti komen er samen niet uit. Terwijl de Italiaanse groei- en werkgelegenheidcijfers steeds roder worden, het begrotingstekort stijgt en de beurzen blijven dalen, staat de Italiaanse politiek een half jaar stil. Dan grijpen de Europese regeringsleiders in. Ze dwingen wederom een zakenkabinet af, nu geleid door de voorzitter van de Europese centrale bank Mario Draghi. Dit kabinet is niet alleen verantwoording schuldig aan het Italiaanse parlement maar ook aan de Europese raad. In ruil voor het zakenkabinet krijgt de Italiaanse bankensector en de Italiaanse overheid financiele steun vanuit Brussel. Deze reddingsoperatie zuigt het grootste gedeelte van het Europese noodfonds leeg.

3. “This was common practice for Italian bankers”
Nog geen halve week nadat de reddingsoperatie rond is, breekt er een groot corruptieschandaal los in de Italiaanse bankensector. Deze blijkt structurele banden te hebben met de Maffia. In geheime afspraken werd door grote Italiaanse banken geld geleend aan de Maffia om politici om te kopen voor ‘goede diensten’, en vervolgens het geleende geld terug te betalen met forse rentes. Op het moment dat de Italiaanse banken onder Europese controle komen, blijkt deze constructie onhoudbaar, maar blijken daarmee de omzetcijfers van bijna alle grote Italiaanse banken gebaseerd op drijfzand. De Europese regeringsleiders voelen zich genoodzaakt om alle grote Italiaanse banken op te kopen.

4. “The coordinated VAT-increase will be a solidarity tax with the Italian people.”
Europese regeringsleiders willen het reddingsfonds en opkoop van Italiaanse banken niet langer uit hun (onder grote druk gekomen) begrotingen financieren en besluiten het te betalen uit een ‘gecoordineerde BTW-verhoging’ van 1%. Het is een vondst van de Finse commissaris Olli Rehn. Alle Europese lidstaten verhogen hun BTW met 1%. Maar eigenlijk wordt dit de eerste Europese belasting. Europese regeringsleiders verdedigen in de eerste maand de impopulaire maatregel met verve: het is een Europese solidariteitsbelasting. Maar in de lidstaten wordt dit niet zo gezien: mensen weigeren om de belasting te betalen, bedrijven weigeren om de belasting af te dragen. De Nederlandse publicist Ewald Engelen twittert dat de BTW verhoging “a tax on European solidarity” is. Op 9 november 2013 wordt in Odense een pizzeria in brand gestoken door een groep die zich “Vrede Skatteydere” noemt.

5. “Verdere bezuinigingen zijn noodzakelijk.”
De Italiaanse regerings- begrotings- en bankencrisis leidt tot een nieuwe ronde Catshuisonderhandelingen voor het fragiele kabinet Rutte/Asscher. Binnen de PvdA stuurt met name Jeroen Dijsselbloem, die als voorzitter van de Euro-raad een grote druk voelt om verantwoordelijkheid te nemen, aan op ernstige bezuigingen. In Mei 2013 wordt het pakket bekend:

  • verhoging van het eigen risico in de zorg en invoering van eigen bijdrages;
  • verhoging van de nominale zorgpremie;
  • een grote bezuiniging op het onderwijs;
  • een algemene verlaging van alle uitkeringen (behalve de AOW) met 10%;
  • en een algemene verhoging van de inkomensbelasting.

De PvdA verdedigt het Catshuisakkoord met verve. De PvdA-ministers kloppen zichzelf op de borst om hun vermogen om over hun eigen schaduw heen te springen. De PvdA-ministers vertellen het eerlijke verhaal: de crisis raakt iedereen maar het begrotingspakket is sterk en sociaal. Sterk door de nadruk op bezuigingen en sociaal door de verhoging van de inkomstenbelasting.
Er wordt een onwaarschijnlijke meerderheid in de Eerste Kamer gevonden die naast de coalitiepartijen bestaat uit ChristenUnie, SGP, D66 en de dissidente 50Plus-senator Kees de Lange.

6. “Nu doet u het weer!”
Voor oppositieleider Roemer is dit echter het draaipunt. Hij zegt tegen PvdA-leider Samsom in het debat over het begrotingsakkoord 2014: “Nu doet u het weer. In het regeerakkoord liet u uw rode veren al door Rutte plukken, maar er is niets meer te plukken, meneer Samsom, u laat zich hier publiekelijk villen door Rutte en zijn begrotingsfundamentalisme. Er blijft niets over van de rode haan”. Na het akkoord daalt de PvdA sterk in de peilingen: er blijven nog maar 15 zetels over. Ook de VVD moet ernstig inleveren. Bovenaan de peilingen staan de SP en de PVV die stem geven aan de ontevredenheid over de aanhoudende Europese crisis, de solidariteitsbelasting met de Italianen en het hardvochtige begrotingsbeleid. Coalitiepartners VVD en PvdA houden elkaar innig vast. Maar met de Europese en gemeenteraadsverkiezingen van 2014 in beeld begint het verstandshuwelijk steeds meer op een gezamelijk zelfmoordpact te leiden

7. “Razzia’s keren naar 70 jaar terug in de Amsterdamse straten.”
In een poging om daadkracht te tonen in tijden van crisis voeren VVD en PvdA met steun van de PVV de strafbaarstelling van illegaliteit versneld door. Tijdens een ontspannen diner halen premier Rutte en vice-premier Asscher de Amsterdamse burgemeester Van der Laan over om in een gecoordineerde actie een groot deel van de Amsterdamse illegalen op te pakken. Asscher ziet het als de mogelijkheid om een eind te maken aan mensenhandel. “Operatie schone straten” noemen ze het. De Amsterdamse GroenLinks-fractie trekt zich -verblogen over dit plan- terug uit het college. De Amsterdamse GroenLinks-leider Van Poelgeest houdt een felle, emotionele speech tegen het voornemen van het college. Maar het baat niet. Vanaf kerstavond 2013 gaan er geuniformeerde mannen door Amsterdam, van de afdeling speciale politie-operaties, die bij ieder huis aankloppen om er te kijken of er geen illegalen wonen en zo ja, deze meenemen naar een detentiekamp.

Naast het internationale en nationale economische nieuws domineren drie onderwerpen de media:

8. “Ik heb nooit seksuele relaties gehad met Prins Charles.”
In april breekt de Story met een schokkend verhaal: Koningin Beatrix zou de buitenechtelijke minnaar zijn van Prins Charles. Na het ongeluk van Friso zouden via Mabel de contacten tussen het Nederlandse en Britse Koningshuis heel innig zijn geworden. Beatrix zou steun vinden in de flegmatische humor van de Britse kroonprins. Van het verhaal is volgens de Rijksvoorlichtingdienst weinig waar. Er zou sprake zij van goede contacten tussen de Koningin en de kroonprins, maar van nachtelijke escapades in Buckingham Palace, die door een rancuneuze ex-butler aan de Story gelekt zijn, is niets waar. De mediastorm is enorm. Koningin Beatrix voelt zich genoodzaakt om afstand te nemen van het verhaal in een publieke toespraak aan het einde van Koninginnedag 2013. Hiermee drukt zij echter de speculaties over haar relatie met Charles, die zij in de speech ook niet ontkent, niet de kop in. Dit verhaal blijft de media domineren tot een nieuwe hype zich meldt.

9.  “Ik eis dat de minister naar Moskou gaat om te eisen dat ze hun duikbootoperaties in de Noordzee stoppen.”
In juni van 2013 spoelen er twee bultruggen aan in Nederland. Staatssecretaris Sharon Dijksma had de invoering van een zeezoogdierenprotocol echter uitgesteld omdat zij bezig was met Europese onderhandelingen over de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De creatieve Finse eurocommissaris Olli Rehn was namelijk met het innovatieve idee gekomen om de Italiaanse banken omhoog te houden met geld dat bedoeld was voor Italiaanse olijvenboeren. Nederland leidt de oppositie tegen dit ongelofelijke plan. PvdD-leider Marianne Thieme wil Dijksma echter aan de schandpaal nagelen voor haar nalatigheid. Zij eist een spoeddebat en dreigt met een motie van wantrouwen. Het debat krijgt een absurdistisch karakter omdat Dion Graus in De Telegraaf had gelezen dat de ‘tsunami van bultruggen’ veroorzaakt was door de verouderde sonar van Russische onderzeeboten die door internationale wateren varen. Maar ook de eigen PvdA-fractie is ontevreden over Dijksma, in de eerste plaats omdat een aantal fractieleden zichzelf geschikter had gevonden om staatssecretaris te worden. De staatssecretaris stelt zich koppig op in het debat en vindt zo de hele oppositie tegen zich… en zo blijkt in het debat in september 2013, zeven dissidente PvdA’ers, geleid door Lutz Jacobi. De bultruggen en de langzame val van staatssecretaris Dijksma domineren het nieuws.

10. “The internet ruined the Hobbit for everyone.”
In zomer van 2013 lekt The Hobbit II uit, in een versie met alles erop en eraan behalve de 3D-effecten. De fantasy/avonturenfilm wordt de meest gedownloade film van de zomer. Aidan Turner, die de enige dwerg speelt zonder prosthetics, laat menig meisjeshart sneller kloppen. Als in december 2013 de film uitkomt sterft een jongen met epilepsie in de filmzaal. Volgens zijn moeder vanwege de 3D-effecten die zijn epilepsie hadden verergert; volgens de autopsie omdat de jongen die 3 dagen in de regen had zitten wachten om een kaartje voor de premier te krijgen leed aan open TBS. De moeder brengt via YouTube haar ideeen over de gevaren van 3D-filmmaken de wereld in. Bange moeders verbieden massaal hun kinderen om naar The Hobbit II te gaan. De download van de normale 2D versie breekt alle piraterijrecords.
Peter Jackson verklaart dat The Hobbit III niet zal uitkomen. Internetpiraterij maar ook de manier waarop onzin zich via de sociale media met hoge snelheid over de planeet verspreidt, heeft het plezier (en de winst) filmmaken voor Jackson volslagen kapot gemaakt. Deze opvallende gang van zaken domineert het nieuws in de laatste maand van 2013.

Drie verhalen worden door de media-hypes echter buiten het gezichtsveld van het Nederlandse publiek gehouden.

11. “The climate crisis has taken much stronger forms much earlier then our models projected.”
Het internationale panel over klimaatverandering (IPCC) oordeelt in de herfst van 2013 dat de series van orkanen in 2012 en in 2013 het gevolg zijn van klimaatverandering. Ook de aanhoudende droogte in de de Amerikaanse mid-west zouden hier volgens het panel een directe gevolg van zijn. Datzelfde geldt voor de overstromingen van de Maas in Belgie en de Rijn in Duitsland in de lente van 2013. En van het verdwijnen van de eerste eilanden van Vanuatu onder de zeespiegel. Nederland blijft van overstromingen gespaard. De modellen waren volgens de klimaatwetenschappers te conservatief. Nu oordelen zij dat niet in 2090 maar in 2030 de temperatuur met 4 graden zal stijgen.
In Nederland krijgt het onderwerp nauwelijks aandacht. Alleen Helma Nepperus weet er gebruik van te maken. Zij buit de onzekerheid over de klimaatvoorspelling uit om alle conclusies van het IPCC op losse schroeven te zetten. Een spetterend optreden in Pauw en Witteman, waarin zij vakkundig de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving wegzet als een bureaucraat uit “1984″ die de ene dag zeker weet dat X waar is en de andere dag zeker weet dat Y waar is, kattapulteert haar naar het fractievoorzitterschap van de VVD nadat Halbe Zijlstra in 2013 voorzitter van de Raad van Cultuur wordt.

12. “Higgs Boson found. Scientific progress has come to its natural end.”
De gevolgen van de Europese bezuinigingen op wetenschap worden duidelijk. De Large Hadron Collider in Geneve wordt gesloten, net nu er grote stappen worden gemaakt met de ontdekking van de allerkleinste deeltjes. Maar op de Europese begrotingen is geen ruimte meer voor wetenschap, trouwens ook niet meer voor kunst of natuur, alleen nog maar voor steunpakketten voor banken en werkloosheidsuitkeringen. Het ongeloof van wetenschappers over het sluiten van deze wetenschappelijke instelling vindt geen aansluiting bij de media: het ‘goddeeltje’, de Higgs Boson was toch gevonden? De wetenschap was toch af? Voor de nuance dat 99.99% zekerheid iets anders is dan 100% en dat de wetenschap niet ‘af’ is nu dit deeltje met enige zekerheid waargenomen was, was geen ruimte; noch bij de media, noch bij de internationale politiek. Zelfs de brandbrief van Nobelprijswinnaars Veltman en ‘t Hooft dat hiermee fundamenteel natuurkundig onderzoek effectief de nek om wordt gedraaid, wordt niet geplaatst in de Volkskrant: te ingewikkeld.

13. “We all love Al-Assad. We always loved Al-Assad. We will always love Al-Assad.”
De Syrische burgeroorlog blijft doorsmeulen. De internationale gemeenschap blijft tot op het bot verdeeld over ingrijpen. De Russische president Poetin en de Chinese premier Wen steunen Assad. De Amerikaanse steun voor de Islamitische rebellen neemt af, als blijkt dat hun kans om te overwinnen steeds kleiner wordt. Ook het vertrek van interventionisten als Susan Rice en Clinton maakt Obama veel minder geneigd om in te grijpen. Nu bestuurt John Kerry, die door zijn eigen ervaring in Vietnam een afkeer heeft voor militair ingrijpen, het State Department. Op 27 augustus 2013 kleuren de straten van Damascus rood… rood van de duizende rozenblaadjes die worden neergegooid door aanhangers van Assad. De president verklaart op die dag dat de politionele operaties in Syrie gestopt zijn en alle stabiliteit in het land is teruggekeerd. De beelden van president Al-Assad, die, gekleed in een traditioneel Syrisch wit gewaad in een zee van rode rozenblaadjes loopt, bereiken de Nederlandse televisie nog wel, maar voor de verhalen van de tienduizenden politieke gevangen, de verhalen over martelingen en de verhalen over het verdwijnen van de aardbodem van complete dorpjes is geen ruimte in de “verschillige” praatprogramma’s, waar met name aandacht is voor het prive-leven van de Koningin, de bultrug en verhalen van Alexander Klopping over hoe Peter Jackson niet mee kan doen in de moderne informatiesamenleving.

Stelling 8: sociaaldemocraten en Christendemocraten zijn populisten

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de achtste: over de wortels van het populisme.

Stelling 8: “De sociaaldemocratie en de Christendemocratie zijn ontstaan als populistische bewegingen.”

Bij het proefschrift mag je ook vier stellingen leveren die wel over het vak gaan, maar niet over het boek. Dat geeft de mogelijkheid om mijn eigen favoriete verhalen te vertellen. Zo ook de notie dat populisme niet nieuws is, maar terug te zien is in het vroege socialisme en Christendemocratie. Je hoort dit soms wel in het debat over populisme. Historici Van de Velde, Vossen en Lucassen heb ik dit wel horen stellen, maar niet systematisch zien uitwerken. Ik heb er zelf twee kleine blogjes aangewijd.

Het idee is simpel: populisme maakt twee onderscheiden: tussen het pure volk en het corrupte elite, en tussen het goede volk en gevaarlijke anderen. Socialisten waren in hun beginperiode een zeer anti-elitaire beweging, de grote meerderheid van het volk, het proletariaat, wordt eronder gehouden door de elite, de bourgeoisie. In de elite zijn economische en politieke deelbelangen met elkaar gefuseerd: kerk, kapitaal, kroon, kazerne en kroeg vormen een vijfeenheid. Het socialisme wil dat de staat het belang van heel het volk vertegenwoordigt.

De deling tussen het volk en de ander vinden we terug in de vroege Christendemocratie, in het bijzonder in de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie. Ze verzetten zich tegen het Katholicisme Dit geloof strookte niet met de Nederlandse volksaard, het totalitaire trekjes, maar was bovenal onbetrouwbaar omdat Katholieken niet loyaal waren aan de Nederlandse kroon maar aan een buitenlandse mogendheid. De gelijkenissen met de hedendaagse populistische partijen zijn treffend: tegen de elite en tegen een vreemd, buitenlands geloof.

Het opvallende is dat de Anti-Revolutionairen en Christelijk Historici al snel gingen samenwerken met de Katholieken, en de Socialisten met de Liberalen. Het laat zien dat in Nederland populistische retoriek slechts betrekkelijk is en dat de politieke realiteit partijen inschikkelijk maakt. Ik heb wel eens gesteld dat Wilders zo vice-premier kan worden onder premier Marcouch, zoals de Anti-Revolutionaire Heemskerk minister was onder de Katholieke Ruijs de Beerenbrouck. Onder de druk van de politieke realiteit worden alle populisten realistisch.

Stelling 7: links/rechts is een culturele tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zevende: over de veranderende aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 7: “Wat betreft sociaaleconomische onderwerpen heeft de links/rechts-tegenstelling aan kracht ingeboet, terwijl deze wat betreft sociaalculturele onderwerpen nog steeds dominant is.”

Een van de meest interessante benaderingen van de politiek vind ik het modelleren van het politieke landschap in ruimtelijke modellen. Dit wordt in de laatste jaren steeds minder helder: onderwerpen als de AOW, het ontslagrecht, de studiefinanciering, het aanpakken van scheefhuurders, het eigen risico in de zorg. Volgens sommige mensen wordt de PVV steeds linkser omdat ze tegen hervormingen zijn, en GroenLinks steeds rechtser omdat ze hier voor zijn.

De opkomst van niet-economische onderwerpen als migratie en milieu maakt ruimtelijke modellen ook steeds gecompliceerder. Op migratie zien we PVV en VVD tegenover GroenLinks en SP elkaar staan. De ordening is vrij duidelijk. Op sociaaleconomische onderwerpen wordt de tegenstelling steeds minder helder: bijvoorbeeld bij het verhogen van de AOW-leeftijd staan GL en VVD tegenover PVV en SP. Daarnaast zijn er onderwerpen als belasting en privatisering waarop GL en SP tegenover VVD en PVV staan. Europese integratie is een onderwerp dat vrij goed samenvalt met de tegenstelling over sociaaleconomische hervorming.

 

 

 

 

 

 

Kortom: in het sociaaleconomische terrein vervaagt de links/rechts-tegenstelling. Maar juist op sociaalculturele onderwerpen en milieu zie je het voortduren van de tegenstelling SP en GroenLinks versus VVD en PVV. Wat betreft betekent dat op de sociaalculturele tegenstelling de links/rechtstelling van sterk belang is.

Bi de laatste verkiezingen zagen we in debatten het patroon links tegen rechts, PvdA versus VVD, over eerlijk delen, bezuinigen versus investeren. Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Mijn betoog over een nieuwe sociaaleconomische tegenstelling en zo’n evidente links/rechts-tegenstelling  tussen VVD en PvdA? Vlak voor de verkiezing sloot een hervormingsgezinde alliantie van VVD/CDA/CU/GL/D66 het Lenteakkoord dat zich hield aan Europese begrotingsregels, hervormingen en vergroeningen inzette. Na de verkiezingen sloten de PvdA en VVD een herfstakkoord dat de groene laag van het Lenteakkoord afpoetste maar de sociaaleconomische hervormingen (met name de AOW-leeftijd) versterkte.

Tijdens de campagne werd de illusie gewekt dat het gaat om links tegen rechts over bezuinigen of investeren, na de campagne liet de PvdA en de VVD zien waar het omgaat: Europese regels en sociaaleconomische hervormingen.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

1994 en 2012

Al bij het bekijken van de GroenLinks-lijst voor de Tweede Kamerverkiezingen viel me een ding op: de opvallende gelijkenissen en banden met de GroenLinks-lijst uit 1994. Maar tijdens de campagne dringen nog meer analogieën zich op.

Twee referenda
Laten we beginnen met het lijsttrekkersreferendum. Dat was er in 1994 en 2012. In 1994 werd Ina Brouwer gekozen. Ze vormde een koppel met Mohammed Rabbae. Ze won van het koppel Paul Rosenmoller/Leonie Sipkes. In 2012 betrof het referendum de keuze Sap of Dibi.
Sap en Brouwer haalden de slechtste en de een-na-slechtste verkiezingsuitslag in de geschiedenis van GroenLinks en verlieten allebei na deze uitslag de politiek.
Het meest interessante in mijn ogen is de relatie tussen Brouwer en Sap. In 1993 kwam Brouwer in contact kwam met een jonge promovenda, die aan de Universiteit van Amsterdam werkte aan een proefschrift over de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen: Jolande Sap. Ze ontmoette elkaar op een conferentie die Sap had georganiseerd over feministische economie. Brouwer betrok Sap bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma van GroenLinks. In 1994 verliet Brouwer de politiek en kwam te werken als directeur emancipatiezaken bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In 1996 kwam Jolande Sap ook te werken bij dat ministerie. Onder anderen als projectleider van het meerjarenbeleidsplan Emancipatie.

Op plek twee stond 1994 Rabbae, de woordvoerder van een generatie Nederlands-Marokkaanse arbeidsmigranten. Hij was de running mate van Brouwer. In 2012 is Dibi de tegenstrever van Sap. Hij is het gezicht van jonge generatie Nederlandse-Marokkanen. Het congres zette hem op plek #10. In beide gevallen deden deze twee Nederlands-Marokkaanse politici onhandige uitspraken die hun partij op achterstand stelden.

Bam! Daar is Bram!
Op plek twee stond in 2012 Bram van Ojik. Van Ojik stond namelijk in 1994 ook al op de lijst. Hij was toen nummer 7 en campagneleider. Hij verloor de verkiezingen en kwam zo net niet de Kamer in. Hij was namelijk al sinds 1993 lid. Van Ojik was afkomstig uit de groene PPR. In 1989 stond hij bekend als een pleitbezorger van het basisinkomen en werd hij woordvoerder landbouw; in 2012 na een periode als ambassadeur en topambtenaar bij BZ, heeft hij ook nog een buitenlandprofiel. Groen, sociaal en internationaal. Een all-round GroenLinkser. In 2012 stond de campagneleider ook op de lijst, Jesse Klaver. En in de diepte moment van de verkiezingsnacht zag het ernaar uit dat ook hij niet in de Tweede Kamer zou komen. Een lijstverbinding zorgde echter voor een restzetel voor Klaver.

Vakbond
Als linkse partij, heeft GroenLinks natuurlijk kandidaten met banden met de vakbeweging prominent op de lijst. Op plek 3 stond in 1994 de jonge charismatische vakbondsvoorzitter Paul Rosenmöller, die voor zijn tweede termijn ging. In 2012 gaat oud-CNV-jongerenvoorzitter Jesse Klaver (#4) op voor een tweede termijn. Op plek 8 stond in 1994 Ineke van Gent, op veel manieren is Linda Voortman (#5) haar opvolger: een Gronings sociaal gezicht met wortels in de FNV, een grote persoonlijke betrokkenheid en wortels in de partij.

Groen
Plek drie is in 2012 voor Liesbeth van Tongeren, de groene topkandidaat. Ook in 1994 was er een heldere groene kandidaat op vijf Marijke Vos. Van Tongeren heeft wortels in GreenPeace, Vos in MilieuDefensie (waar Van Ojik ook voorzitter van was). Maar Van Tongeren heeft (afhankelijk van hoe je telt) elf collega’s op de lijst met een groen profiel: waaronder vijf in de top tien naast Van Tongeren zijn er Grashofff, Van den Berge en De Jonge van Ellemeet. In 1994 waren er misschien twee kandidaten met een groen profiel, terwijl de lijst in 2012 veel groener is.

Eco-liberaal of eco-socialistisch
Voor de verkiezingen van 1994 was er binnen GroenLinks een debat opgekomen tussen zogenaamde eco-liberalen en eco-socialisten. De eco-liberalen waren meer gericht op samenwerking met D66, waren meer marktgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PPR. De eco-socialisten waren meer gericht op samenwerking met de SP, waren meer staatsgeoriënteerd en waren vaak afkomstig uit de PSP. De eerste groep noemden we sinds 2005 voorstanders van de middenkoers van Halsema, terwijl de tweede groep zichzelf Kritisch GroenLinks noemde.

Gratis water of geen XTC
De campagne van 1994 stond bekend als de slechtste campagne die GroenLinks heeft gevoerd. Onduidelijkheid over het tweehoofdige leiderschap van de partij droegen hieraan bij maar zeker ook een aantal incidenten zoals een door GroenLinks georganiseerd house feest. 3000 jongeren feesten tot diep in de nacht op kosten van GroenLinks. Volgens partijbestuurder Van Poelgeest zou hier geen XTC genomen worden. Natuurlijk vonden journalisten vonden dat wel. Tijdens de campagne van 2012 was er na enige media-aandacht voor het voorstel voor GroenLinks om gratis kraanwater te schenken in de media een heksenjacht naar flesjes water bij GroenLinks. In het bijzonder in het campagnecentrum waar net als in 1994 groepen jonge GroenLinksers nachten wakker bleven. Na de campagne van 1994 werd er geëvalueerd: de conclusies waren dat de interne strijd binnen GroenLinks over het lijsttrekkerschap grote onduidelijkheid over het leiderschap had geschapen. Daarnaast waren de verschillen met D66 niet voldoende duidelijk geworden.

Toekomstbeeld
De commissie-Van Dijk zal haar eigen conclusies trekken uit de uitslag. Maar de uitslag van 1994 laat zien dat een slechte uitslag niet het bestaansrecht van de partij hoeft aan te tasten. In het Paarse kabinet voerden PvdA en VVD een ongekend rechts bezuinigingsbeleid met weinig oog voor groen. GroenLinks voerde daar onder de charismatische Rosenmöller herkenbare oppositie tegen. Herkenbaar groen en sociaal, haalde GroenLinks vier jaar later de beste uitslagen uit haar geschiedenis: GroenLinks verdubbelde in 1998 het aantal Tweede Kamerzetels, won bij de gemeenteraadsverkiezingen, haalde ongekend goede uitslagen in de Europese en Provinciale Statenverkiezingen.