Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

Dick’s Dialectische Denken

1 februari stopte Dick Pels als directeur van het Wetenschappelijk Bureau. Voor zijn afscheid gisteren zocht ik naar de rode draad in zijn denken: zijn Marxistische methodologie.

In zijn jonge jaren was Dick modieus Marxist en natuurlijk lid van de CPN. Hoewel typische Marxistische geloofsartikelen als de socialisering van de productiemiddelen en de klassenstrijd in zijn denken niet meer naar voren komen, is er een typisch Marxistisch element dat nog steeds in Pels’ denken terugkeert: de dialectiek.

In de Marxistische dialectiek is er eerst een positie (these). Daartegenover kan een tweede positie gesteld worden (antithese). De tegenstelling tussen deze twee polen wordt opgeheven door de synthese. De synthese verenigt de twee ogenschijnlijk tegengestelde polen met elkaar in een derde vernieuwende positie.

In zijn meest recente monografie Het Volk Bestaat Niet staat de spanning tussen de elite en het volk centraal. De klassieke Nederlandse regentendemocratie werd uitgedaagd door het populisme van Fortuyn. Dick zoekt de synthese in een wisselwerkingsdemocratie: politici moeten durven om vooruit te lopen en burgers moeten politici terug kunnen roepen als ze te ver gaan.

Maar dezelfde dialectiek is ook zichtbaar in Zwak voor Nederland. Dick onderzoekt hier de spanning tussen de Islam en haar liberale critici zoals Ayaan Hirsi Ali. Hij vindt in deze tegengestelde posities een grote gelijkenis: de absolute waarheidspretentie. Zowel de fundamentalistische Islam als het Verlichtingsfundamentalisme denken de absolute waarheid in handen te hebben. Pels vindt dan ook de synthese in een kritisch relativisme, dat zich verzet tegen harde zekerheden van de gelovigen en atheïsten en uit gaat van twijfel en onzekerheid.

Dick laat zich graag inspireren door het sociaal-individualisme van Jacques de Kadt. In deze positie worden ook twee posities met elkaar verenigd. Tegenover het liberale individualisme ontstond een socialistische tegenbeweging. De Kadt en Pels verenigen dit in een ‘socialisme ter wille van het individualisme’. Dit brengt de individuele vrijheid van het liberalisme samen met het gelijkheidsideaal van het socialisme. Een eerlijke verdeling van inkomen en kansen is nodig om persoonlijke autonomie voor iedereen mogelijk te maken.

Later voegde Dick aan deze dialectische driehoek een nieuwe dimensie toe: het paternalisme. Persoonlijke autonomie dreigt te ontaarden in de hufterigheid van de dikke ikken. Het roept zo een conservatieve tegenreactie op. Pels komt met een synthese: vrijzinnig paternalisme. Mensen weten niet altijd wat het beste is voor hen zelf. Maar ook de overheid weet niet altijd wat het beste is voor het individu. Eén van de oplossingen die Pels biedt, is de democratische dialoog waarin samen onderzoeken wat het goede leven is.

En zo brengt Pels twee schijnbaar tegenovergestelde posities samen: een Marxistische scholing, waarin het dogma van het Marx centraal staat, en een vrijzinnige houding, die uitgaat van de vrijheid om anders te denken, om te twijfelen aan gevestigde ideeën en overtuigingen. Marxistische dialectiek en vrijzinnig relativisme verenigd.

‘GroenLinks is de meest radicale partij van Nederland’

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Jesse Klaver.

In de economische visie van GroenLinks staan ecologische, sociale en financiële duurzaamheid centraal. Als je vanuit deze waarden politiek bedrijft, leidt dat tot een radicaal andere inrichting van de economie, aldus Jesse Klaver tijdens de laatste lezing in de reeks Waardevolle economie.

De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie
‘In de campagne leek het alsof links en rechts tegenover elkaar te stonden’. Links verweet rechts dat zij ‘de economie kapot bezuinigde’. GroenLinks werd, omdat zij het Lenteakkoord onderschreef gemakshalve bij rechts gerekend. ‘Maar uiteindelijk bezuinigden wij in ons programma evenveel als de PvdA. Het is namelijk geen zwart/wit-keuze: investeren of bezuinigen, je kan én investeren én bezuinigen. ‘Voor ons was niet de grootte van de bezuiniging leidend, maar drie waarden: ecologische, sociale en financiële duurzaamheid’. Ecologische duurzaamheid betreft leven binnen de ecologische grenzen. ‘”De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie”, aldus een van mijn helden, Talma. Hij was een van de grondleggers van de verzorgingsstaat. Het gaat over meer dan een fatsoenlijk inkomen. Het gaat ook om erkenning. Denk aan de schoonmakers die staakten, ze wilden niet alleen een beter inkomen, maar ook gezien worden voor het werk dat ze deden. Met financiële duurzaamheid bedoel ik niet alleen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën maar ook de stabiliteit van ons financiële systeem.’

Leven als de koningin van Versailles
‘De economische crisis waar we nu inzitten is geen klassieke bestedingscrisis, het is een crisis van de schuldeneconomie. Daarom moeten we niet extra schulden maken om uit de crisis te komen. We leven net als de Queen of Versailles: een documentaire over een Amerikaanse man en zijn vrouw. Die man was miljardair geworden met een bedrijfsmodel waarbij mensen een appartement konden kopen, terwijl ze dat eigenlijk niet konden betalen. Toen er nog veel goedkoop krediet was, ging het hem voor de wind. Hij was van plan om het grootste huis in Amerika te bouwen, ongeveer zoiets als Versailles in Frankrijk. Maar zijn hele bedrijfsmodel was gebaseerd op lucht: na de financiële crisis bleef hij alleen maar zitten met de waardepapieren. Weg goedkoop krediet, weg bedrijf en weg huis. Dat is de kern van het probleem waar we nu in zitten. We leven op de pof, van geld dat er niet is. Die luchtbel moet uit de economie.’ En juist daarom moet volgens Klaver de Nederlandse economie radicaal anders ingericht worden: ‘Nederland heeft een begroting van 250 miljard. In de doorrekening sleutel je daaraan. Wij verschuiven 68 miljard. De PvdA verschuift 40 miljard. GroenLinks bezuinigt 23 miljard. We investeren ook 13 miljard in extra. We verhogen de milieulasten met 12 miljard en verlagen de arbeidslasten met 14 miljard. Omdat we zoveel verschuiven, zijn we de meest radicale partij van Nederland. De modellen van het CPB kraken bij onze plannen.’

Ecologische duurzaamheid
‘Wij laten de vervuiler betalen. We repareren markten die niet goed functioneren. Neem het weggebruik. Daar betaalt iedereen hetzelfde voor. En dat is raar: want op de ring van Roosendaal is het wegdek minder schaars dan op de ring van Amsterdam. Roosendaal stroomt het verkeer goed door, terwijl bij Amsterdam is de auto’s in file staan. Files zijn enorm vervuilend: fijnstof is ontzettend slecht voor de gezondheid van mensen. Juist als je een prijs geeft aan weggebruik dan rijden we beter door: bij autopartij VVD stijgen de files volgens het Planbureau voor de Leefomgeving met 10%, bij ons dalen de files met 67%’. Gaan groen en groei samen? ‘Voor GroenLinks is economische groei geen doel op zich. In een eerdere lezing zei Alfred Kleinknecht dat we onder onze stand leven en dat we juist meer moeten consumeren, om de economie te stimuleren. Ik zeg: “we leven boven onze stand”. We hebben de grenzen van onze planeet bereikt. Bomen groeien niet tot in de hemel. Er zijn ecologische grenzen aan onze economische groei. We moeten toe naar een economie waarin consumptiegoederen niet worden weggegooid als ze opgebruikt zijn, maar worden hersteld.’ En zo’n economie zal minder groeien: ‘Economische groei of krimp zijn voor ons geen heilige huisjes. Ik denk dat we in Nederland toegaan naar een situatie van nulgroei.’ Niet omdat dat wenselijk is, maar omdat dat past bij een economie met minder input. ‘Je kan dan niet meer uit de schulden kan groeien. Onder Bill Clinton kromp voor het eerst in een lange tijd de Amerikaanse staatsschuld in verhouding tot het bruto binnenlands product. Dat kwam omdat de economie toen zo sterk groeide, niet omdat de staatsschuld terugliep. In de jaren ’90 kon je je zo uit de schulden helpen. Je kan nu ook een schuld maken om die te investeren in economische groei. Maar dat kan je alleen terugbetalen mét rente, als je verwacht dat de economie structureel blijft groeien. Het scenario van economische groei komt niet terug. We moeten af van de schuldeneconomie en naar een economie die reële waarde vertegenwoordigt’.

Sociale duurzaamheid
‘Sociale duurzaamheid betekende in deze doorrekening heel concreet onderwijs en werk. GroenLinks schept, van alle linkse partijen de meeste banen – zij het na 2017, tot 2017 loopt bij alle linkse partijen de werkeloosheid op. GroenLinks creëert zoveel banen door de belasting te verschuiven van werk naar vervuiling. Werk moet zo lang mogelijk blijven lonen. Daarom verlaagt GroenLinks de loonbelasting juist voor de lagere inkomens. Bovendien investeren we in de participatie voor mensen boven de vijftig, die nu weinig kans hebben op de arbeidsmarkt. Het vorige kabinet zei over mensen die aan de kant stonden: “er zijn nog zoveel vacatures. Mensen die niet werken zijn lui.” Dat is niet het geval.’ Iemand die ontslagen wordt in de bouw kan niet meteen aan de slag in de zorg. ‘Er is een mismatch tussen de kwaliteiten van mensen die aan de kant staan en wat er nu nodig is op de arbeidsmarkt.’ ‘De belangrijkste investering in jongeren doe je via het onderwijs. GroenLinks investeert in vroege en voorschoolse educatie. Zo voorkom je dat kinderen een achterstand oplopen. We investeren ook extra geld om ervoor te zorgen dat de best betaalde docenten lesgeven op het VMBO. GroenLinks investeert van alle partijen het meeste geld in onderwijs, maar dat droeg volgens het CPB niet allemaal bij aan economische groei: bij D66 droeg het onderwijs het meest bij aan het binnenlands product. Wil je dat je economie groeit door het onderwijs dan moeten docenten prestatiebeloningen geven, studenten sneller laten studeren en kinderen in grotere klassen zetten. Maar GroenLinks wil niet de maximale economische groei maar het beste onderwijs. Onderwijs is geen leerfabriek die mensen voorbereid op de arbeidsmarkt. Onderwijs gaat erover dat je jezelf kan vormen.’

Financiële duurzaamheid
‘GroenLinks kiest voor een aantal hervormingen, die op de lange termijn de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeteren. Dat is noodzakelijk om op lange termijn de sociale voorzieningen betaalbaar te houden. Zo schaffen we de hypotheekrente op termijn af. 20% van de hoogste inkomens krijgen 50% van de inkomsten hiervan. Het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek is goed voor de overheidsfinanciën maar ook voor een eerlijkere inkomensverdeling. Alle andere partijen laten de hypotheekrenteaftrek op een of andere manier in stand.’ ‘Maar het anders inrichten van de overheidsfinanciën is niet genoeg om de financiële risico’s van de overheid te beperken. Als je geen controle hebt over de banken dan heeft het geen zin. Het ging Ierland economisch voor de wind voordat de banken failliet gingen. De Nederlandse systeembanken zijn samen vier keer zo groot is als het Nederlands binnenlands product. Die banken kunnen niet nog een keer omvallen, want het risico voor de staat is te groot. Bankiers zijn eigenlijk nepkapitalisten. Als een bankier failliet gaat dan moet hij gered worden door de overheid. We moeten ervoor zorgen dat banken niet langer too big to fail zijn. De banken zijn zo groot omdat er tegenover het geld dat ze uitlenen nauwelijks geld op hun eigen rekening hoeft te staan. In de jaren ’90 klotste het geld klotste over de plinten. Van dat geld zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen gebouwd. Toen ik vroeger met mijn opa door Brabant fietste, vertelde hij me dat die bedrijventerreinen voor leegstand werden gebouwd. Projectontwikkelaars hadden plannen waardoor ze nog steeds winst konden boeken als die panden vijf jaar leeg stonden. Als ik nu terug naar Roosendaal rij zie ik dat mijn opa gelijk heeft gekregen.’ ‘Hoe gaan we de financiële sector beteugelen? In de eerste plaats door hogere buffers. We willen dat banken tegenover het geld dat ze uitlenen meer op hun eigen rekening moeten hebben staan. Bovendien willen we nuts- en zakenbanken scheiden: zo proberen we het spaargeld van mensen dat de overheid moet beschermen en de risicovolle activiteiten van banken te scheiden.’

Het verhaal van GroenLinks
‘Mensen snakken naar een nieuw verhaal. Dat zijn mensen die zelf actief zijn met duurzaamheid, ze zijn bijvoorbeeld bezig met urban farming. De belangrijkste vraag voor GroenLinks is: hoe krijgen we als GroenLinks die mensen terug? Hier zijn we denk ik als GroenLinks in de laatste jaren niet goed in geslaagd: met pragmatische stappen brengen we ons ideaal iedere keer een stapje dichterbij. Maar de compromissen die GroenLinks sluit, zijn niet de standpunten van GroenLinks. We moeten ons eigen verhaal vertellen. GroenLinks moet een veranderingsbeweging worden waar mensen bij willen horen. GroenLinks kiest nooit voor de belangen van gevestigde instellingen, maar voor de belangen van mensen. Wij zijn niet de gevestigde orde, wij willen de orde juist omgooien. Wij willen verandering!’

Stelling 10: Politicoloog, computerprogrammeur, journalist en filosoof

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 10: “Een politicoloog is een computerprogrammeur in de ochtend, een journalist in de middag en een filosoof in de avond.”

Politicologie is een bijzondere discipline. Een politicoloog combineert veel verschillende perspectieven. In mijn proefschrift heb ik verschillende perspectieven gecombineerd: kwantitatief onderzoeker, kwalitatief onderzoeker en theoreticus.

Een belangrijk deel van mijn proefschrift bestaat uit een statistische analyse. Dit is gebaseerd op data over parlementaire stemmingen die ik samen met mijn collega heb verzameld uit online bestanden. In dat werk ben je eigenlijk meer een computerprogrammeur dan een politiek wetenschapper. Websites geautomatiseerd downloaden, de gedownloadde bestanden parsen, data bestanden maken en statistische analyse draaien. Dat hadden ze me allemaal niet tijdens de bachelor geleerd. Ik had me veel nieuwe methoden eigen moeten maken, waaronder het statistische programma R. R is meer dan een statistiekprogramma, het is een computertaal. Je bent bezig met for-loops, if … else statements etc. Zo krijg je uiteindelijk cijfers, die je kan analysere en mooi als figuur weer kan geven.

Daarmee was met mij betreft het onderzoek af, maar mijn promotor wees me er terecht op dat al die statistiek wel leuk is maar betekenisloos is zonder context. Dus moest ik ook een historische analyse schrijven. Het effect van nieuwe partijen in context plaatsen. Waar het werk van een kwantitatief politicoloog steeds meer lijkt op een computerprogrammeur zonder formele training, lijkt het werk van een kwalitatief politicoloog nog steeds op een journalist zonder deadline. Uiteindelijk heeft dat een mooie historische beschrijving van alle nieuwe partijen in Nederland opgeleverd in de context van de Nederlandse politieke geschiedenis: de democratisering van de jaren ’60, de debatten over abortus in de jaren ’70, de kernwapendebatten van de jaren ’80.

De laatste rol van de politicoloog is de filosoof. Los van de data en de context een theoretisch argument maken. Mij lag de rol het minst omdat ik een vrij platte empiricus ben en een gediplomeerd filosoof. Rollen die ik altijd gescheiden had. Meer dan de theorievorming over nieuwe partijen (alhoewel ik ook wel gestoeid heb met de klassieke definities en schema’s van nieuwe partijen) heb ik proberen bij te dragen aan het begrip van de arena’s waarin partijen opereren, de parlementaire arena en de electorale arena. Toen ik er achter kwam dat nieuwe partijen geen effect hebben in de electorale arena, maar wel in de parlementaire arena, was dat voor mij eerst een teleurstellende uitkomst, maar uiteindelijk een waardevolle uitkomst.

En zo ben je als politicoloog een computerprogrammeur, een journalist en een filosoof. Bezig met for loops, bronnenonderzoek en grote verhalen.

Links Marktliberalisme

Ik geloof in marktwerking. Dat is heel wat omdat te schrijven. Want in linkse kring is marktwerking niet in. We willen geen martkwerking in de zorg, in het onderwijs of op de huizenmarkt. Links staat voor een sterke staat die garant staat voor goed toegankelijk onderwijs, zorg en huizen. En dat moet de overheid zelf doen toch?

Het PGB
Wat mij erg verwonderde was dat het rechtse kabinet de Persoonsgebonden Budgetten voor mensen met een beperking wilden beeindigen. Ze zei: laat de overheid dit maar doen. Maar wat betekent dat? Iedereen in een gemeente krijgt zorg geleverd door dezelfde bureaucratische zorgverlener. Mensen verliezen grip over hun eigen leven omdat de zorgverlener bepaalt wanneer mensen uit bed gehaald worden of gewassen, en niet die mensen zelf. Terwijl met een PGB mensen zelf hun eigen zorg kunnen inhuren op hun eigen tijden onder hun eigen voorwaarden. We moeten, zoals Bart Snels stelt, niet geloven in het sjabloon dat links staat voor de bureaucratische maar toegankelijke overheid en rechts voor de kille, maar efficiente markt. Markten waar mensen zelf diensten kunnen kopen kunnen juist bij uitstek aansluiten bij linkse doelen als zelfontplooiing.

Als we ten minste maar het grootste probleem van markten oplossen. En dat is dat het ruilmiddel dat centraal staat in markten niet verdeeld is naar hoeveel mensen diensten nodig hebben, maar op basis van wat erven van onze ouders aan financieel kapitaal, sociaal kapitaal en genetisch materiaal. Het PGB is hier een prachtig voorbeeld van: iemand die geen handicap heeft en veertig uur in de week kan werken zonder ondersteuning kan een boel zorg kopen, maar hij heeft het niet nodig. Iemand die zonder ondersteuning niet kan werken, heeft het wel nodig. De belangrijkste rol van de overheid is ervoor zorgen dat we dit soort verdelingsvraagstukken oplossen. In de terminologie van luck egalitarians: ervoor zorgen dat mensen gecompenseerd worden voor die eigenschappen die ze achterstellen ten op zichte van anderen, die ze buiten hun schuld om hebben gekregen.

Linkse marktutopie
Voor veel diensten waar de publieke sector ons nu in voorziet zou volgens mij ook een marktpartij dat kunnen doen, als we een eerlijke toegang voor deze diensten kunnen verzekeren. De overheid zou ervoor moeten zorgen dat mensen die met een handicap geboren worden, een persoonsgebonden budget krijgen om zelf hun eigen zorg in te kopen, mensen die leerachterstand hebben, de middelen krijgen om die in te lopen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te leven omdat hij de huur niet kan veroorloven.

Wat betekent dit concreet, voor de diensten die de overheid nu verleent: in het onderwijs, de arbeidsmarkt, de zorg, infrastructuur, de publieke omroep en huizenmarkt?

  • Over het onderwijs heb ik in het verleden als een aantal keer geschreven (hier en hier). Kortgezegd: ik ben dol op de vrijheid van onderwijs. Maak scholen onafhankelijk van de overheid en stel ze in staat om hun eigen beleid te voeren. Laat vervolgens leerlingen met vouchers toegang tot onderwijs kopen, maar verdeel dit zo dat leerlingen die een achterstand hebben (arme of niet-Nederlandstalige ouders, bijvoorbeeld, maar ook vastgestelde beperkingen) meer vouchers hebben om meer onderwijs te kopen. En beloon vervolgens mensen die excelleren in onderwijs met extra vouchers waarmee ze beter en meer hoger onderwijs kunnen kunnen kopen.
  • Ik vind het Nederlandse zorgstelsel zo slecht nog niet. Ook in internationale vergelijkingen doen we het heel goed. Een verplichte verzekering voor risico’s die iedereen loopt en een regeling voor onverzekerbare risico’s, waar iedereen aan bijdraagt. Ik zou meer gebruik willen maken van het pgb-model voor zorginkoop, omdat dat mensen grip geeft over hun eigen leven: of mensen kiezen voor een flexibele zelfstandige zorgverlener of een goedkope, maar onpersoonlijke en bureaucratische, zorgmoloch is dan hun eigen keuze. Natuurlijk zijn er irrationale aspecten aan de zorgmarkt: denk het feit dat iedereen recht heeft op een nieuwe rollator. Als je mensen een budget geeft om op een zorgmarkt mobiliteitsmiddelen te kopen ontstaat er natuurlijk een gezonde markt in tweedehandsrollators.
  • Op de arbeidsmarkt heb ik misschien wel de radicaalste ideeen. Van mij mag alle bescherming worden opgeheven: ontslagbescherming en het minimumloon. Ze verstoren de arbeidsmarkt en houden daarmee mensen ‘met beperkte verdiencapaciteiten’ in armoede. Neem iemand die achter een lopende band werkt. Om het minimumloon te verdienen moet hij 100 dopjes op een tube tandpasta schroeven, maar door een beperking kan hij er maar 90 opschroeven. Dat betekent dat een bedrijf hem nu niet zal inhuren omdat hij het ‘minimumloon’ niet waard is. Dat betekent dat hij veroordeeld is tot een uitkering (70% van het minimumloon). Terwijl als er geen minimumloon was dan zou hij dus 90% van het minimumloon, en dus 130% van het bijstandsniveau verdienen. Dat betekent niet dat ik vind dat deze persoon maar 90% waard is van zijn collega. Ik geloof alleen niet dat het de rol van de werkgevers is om voor een eerlijk inkomen te zorgen. Dat moeten we als gemeenschap samen doen, bijvoorbeeld door een basisinkomen, dat ervoor zorgt dat iedereen onafhankelijk van zijn ‘verdiencapaciteit’ een menswaardig bestaan kan hebben.
  • Op de huizenmarkt heeft GroenLinks volgens mij de mooiste linkse marktliberale oplossingen: sta verhuurders toe om marktconforme huren te vragen.  Maar compenseer via hogere huurtoeslag die mensen die een zodanig inkomensniveau hebben dat ze ondersteuning verdienen bij het huren van een woning . Zo maak je een eind aan scheefhuurders die in een woning zitten met een sociale huur, maar een inkomen hebben dat ze daar geen recht meer op geeft. (Van mij mag het overigens nog wel wat radicaler: maak van mijn apart alle huren ‘marktconform’ en hef het onderscheid tussen sociale huursector en vrije huursector op). Je moet via de huizenmarkt geen inkomenspolitiek willen voeren. Dat geldt natuurlijk ook voor de hypotheekrenteaftrek. Afbouwen! Het houdt de huizenprijs hoger dan hij zou zijn op een vrije markt. En dat houdt ook starters buiten.
  • Ik heb nooit begrepen waarom de overheid wel radio en televisie verzorgt maar geen kranten. En waarom ik moet betalen voor Lingo dat ik nooit kijk, maar niet voor de volkskrant-website waar ik al mijn nieuws vandaan haal. Volgens mij moeten we dat allemaal over laten aan de markt. Om ervoor te zorgen dat er wel goede journalistiek bedreven wordt, zouden we een fonds voor kwaliteitsjournalistiek moeten hebben, betaald uit belastinggeld, die onafhankelijke nieuwsgaring mogelijk maakt.
  • De voorstellen voor een kilometerheffing waar linkse partijen voor zijn, komen neer op het nadoen van marktwerking. Maar waarom iets nadoen wat de markt zo goed zelf kan. Gewoon stukken weg privatiseren. Rijden iedere dag honderden auto’s over, dat lijkt me een flinke duit waard. In de vrije markt betaalt de gebruiker echt.

Binnen GroenLinks is er een discussie tussen een linkerflank en een middenflank. Linda Voortman staat bekend als een gezicht van de linkerflank. En het is juist zij die in de vorige periode pal voor het PGB stond, en zij verdedigde de innovatieve oplossing van GroenLinks voor scheefhuren. Kortom: de tegenstelling binnen GroenLinks tussen links en midden betreft niet de keuze tussen staat en markt.

Groene dilemma’s

“Groen” twitterde Liesbeth van Tongeren op mijn vraag of GroenLinks een groene, rode of blauwe koers moest varen. Maar de vraag is of groen een eenduidige koers inhoudt.

Recente uitspraken van Louise Fresco over “vanuit het milieu gezien is er niets mis met plofkip en megastal” en nieuws dat elektrische auto’s “allerminst duurzaam” zijn, laten zien dat groene doelen (klimaat, dierenwelzijn, grondstoffen) lang niet altijd hand in hand gaan. Ik wil hier een aantal verschillende groene doelen bekijken en afwegen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan.

Instrumentele waarde van natuur: inputs en outputs
Niets is economisch verstandig wat ecologisch onverstandig is, stelde Kathalijne Buitenweg. We kunnen onze natuur zien als een onderdeel van ons economische systeem. Het stelt grenzen aan wat we kunnen doen: wat we kunnen verbruiken, vervuilen en verspillen. In deze visie is natuur instrumenteel, waardevol voor menselijk leven. Wij mensen produceren, verplaatsen en consumeren en dat kost grondstoffen, die door de natuur geleverd worden en levert vervuiling op, die door de natuur wordt afgebroken. Ons economisch systeem heeft inputs nodig en levert outputs op die uiteindelijk uit de natuur komen of naar de natuur toegaan. De vraag is dan hoe we zo efficient mogelijk omgaan met grondstoffen en zo weinig mogelijk vervuiling maken, zodat menselijk leven duurzaam door kan gaan. Technologische innovaties of beprijzingsmechanismen liggen hierbij voor de hand. Een belangrijke vraag is of onze economisch systeem kan blijven groeien gegeven de ecologische grenzen. Het is in deze context, zoals ik daar net al heb gedaan een onderscheid te maken tussen grondstofproblemen (oprakende inputs) en vervuilingsproblemen (te veel negatieve externaliteiten of outputs). Het meest prominente vervuilingsprobleem is op dit moment CO2-uitstoot. We stoten met z’n allen zoveel broeikasgassen uit dat de natuur dit niet meer kan verwerken. De broeikasgassen blijven hangen in de lucht en veroorzaken klimaatverandering.

Intrinsieke waarde van natuur: dierenwelzijn en natuurbehoud
Maar er zijn dingen in de natuur die waarde op zichzelf hebben. Maar ook hier kunnen we onderscheid maken tussen dieren (wiens welzijn waardevol is, ten minste voor het dier zelf) en hele eco-systemen. Dierenwelzijn richt zich op individuen; natuurbehoud richt zich op hele systemen. Dat dierenwelzijn intrinsiek waardevol is, lijkt me self evident, maar gezien het feit dat nog niet iedereen vegetarier is, vereist dat misschien wat verklaring. Een dier heeft waarde op zich, net als mensen. Het is voor een koe niet fijn om te lijden, net als het voor mens niet fijn is om te lijden. De reacties van koeien en mensen op pijn zijn redelijk vergelijkbaar. Als je een koe een schok geeft als ze te dicht bij het rand van het veld komt, dan gaat ze niet meer aan de rand staan.
Waarom is een natuurgebied dat veel soorten heeft (zoals een oerwoud) op zich zelf waardvoller dan een landbouwgebied dat weinig soorten heeft (zoals een grasveld). Komt het omdat deze gebieden mooier zijn om in te ontspannen, of omdat daar meer dieren leven? Dan is natuurbehoud niet intrinsiek waardevol maar mensen- of dierenwelzijn. Of komt omdat we denken dat het voortbestaan van een natuurgebied waardevol is. Het voortbestaan van natuur die er al was voordat de  mens bestond en ook zal bestaan nadat mensen zijn uitgestorven waarde heeft, is waardevol op zich. Gewoon omdat het altijd is geweest.[1]
Als we erkennen dat dingen intrinsiek waardevol zijn, dan voldoet het niet om er efficienter mee om te gaan of er door prijsmechanisme minder van te gebruiken. We zullen moeten stoppen. Als het moreel onjuist is om dieren te eten of bomen te kappen. Dan moeten we onze leven veranderen. Mensen mogen geen vlees meer eten en samenlevingen mogen geen natuurgebieden meer aantasten.

Conflicten tussen verschillende groene doelen
Nu kunnen we in beeld brengen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan:

  • Inputs vs. outputs: onze fossiele brandstoffen hebben zowel een inputprobleem (want er is te weinig om op lange termijn door te gaan met olieconsumptie) en een outputprobleem (want door fossiele brandstoffen te verbranden veroorzaken klimaatverandering). Omdat elektrische auto’s grote batterijen nodig hebben waar heel zeldzame metalen in moeten, leveren ze als ze op windenergie rijden (outputprobleem opgelost) weer een nieuw inputprobleem op.
  • Inputs vs. dierenwelzijn: land is een schaarse grondstof. Onze vleesconsumptie kost een boel land (voor dierenvoeder). Minder vlees betekent meer dierenwelzijn en minder land. Maar door mest te vergisten en te verbranden kunnen we een deel van onze olieconsumptie verminderen. Goed voor de inputproblemen maar niet voor dierenwelzijnsproblemen.
  • Inputs vs. natuurbehoud: als we efficienter met onze grondstoffen omgaan hoeven we geen grondstoffen uit natuurgebieden te halen: gas boren onder de Waddenzee, olie boren in de Artic National Wildlife Reserve. Maar schone energie is geen natuurvriendelijke energie. Windmolens tasten natuurgebieden aan. En als we de hele Sahara vol leggen met zonnepanelen blijft er weinig van dat natuurgebied over.
  • Outputs vs. dierenwelzijn: in Meat the Truth laat Marianne Thieme vakkundig zien dat klimaatverandering deels veroorzaakt wordt door intensieve veehouderij. Maar als we vee houden in luchtdichte stallen waar we de door hen geproduceerde broeikasgassen afvangen en onder de grond opslaan, dan is dat niet goed voor het welzijn van de dieren.
  • Outputs vs. natuurbehoud: dat het produceren van vervuiling slecht is voor natuurgebieden lijkt me evident. Maar oplossing voor outputproblemen hoeven niet goed te zijn voor natuurbehoud. Als we de Sahara volplanten met bossen (om CO2 op te slaan), dan tasten we dat originele natuurgebied aan.
  • Dierenwelzijn vs. natuurbehoud: het lijkt alsof dierenwelzijn en natuurbehoud hand in hand gaan. Immers als er geen regenwoud was dan zouden ook allerlei dieren geen huis meer hebben. Echter in de natuur lijden dieren ook. Wolven eten herten. Dat is niet fijn voor het hert. Als mensen ze niet bijvoederen dan gaan in een harde winter een boel herten dood. Dat is de “manier” van het hele ecosysteem om de populatie herten niet te groot te laten groeien. En als we het regenwoud kappen voor sojavelden om koeien te voeden, dan is dat slecht voor die natuurgebieden. En als we de koeien voeden, niet melken en niet op eten, dan is dat niet slecht voor die dieren.

Het oplossen van input en outputproblemen, het zorgen voor dierenwelzijn of natuurbehoud zijn niet per se hetzelfde. Voor GroenLinks staat de laatste jaren klimaat bovenaan en voor de Partij voor de Dieren dierenwelzijn. In Australie is er een partij “Liberals for the Forest”. In het spectrum van de mogelijke groene problemen die je centraal zou kunnen zetten, hebben deze allemaal bestaansrecht, omdat dit onderscheiden problemen zijn.

[1] Hierbij breken we dus de is/ought-distinctie. Iets is waardevol op zichzelf omdat het er altijd is geweest. U begrijpt, ik geloof niet helemaal in de intrinsieke waarde van natuur.

Maak van het VMBO het vlaggenschip

Waarom ik GroenLinks stem? Vanwege hooggestemde idealen als kansengelijkheid. Dat ideaal komt prachtig tot uiting in het voorstel om er voor te zorgen dat de beste en best betaalde docenten zich inzetten voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken. Want niemand mag voorbestemd zijn voor armoede en achterstand. 

Je zou denken dat in Nederland iedereen een gelijke kans heeft om vooruit te komen in het leven. Van links tot rechts delen we de idealen van kansengelijkheid en eigen verantwoordelijkheid: mensen mogen hun maatschappelijke positie niet te danken hebben aan de plaats waar ze geboren zijn, de achternaam die ze hebben of het inkomen van hun ouders. Mensen moeten hun plek in de samenleving enkel te danken hebben aan hun eigen inzet. Inkomensverschillen zijn alleen eerlijk als deze het gevolg zijn van verschillen in inspanning. Als je kiest voor een minder zware baan, dan betekent dat dat je minder hoog beloond wordt. Dat is je eigen keuze. In Nederland geloven we niet dat iedereen recht heeft op het zelfde inkomen: verschillen kunnen productief zijn omdat ze mensen stimuleren om zich in te zetten. Maar als verschillen niet komen door inspanning, maar door ongelijkheden in de structuur van de samenleving, dan zijn ze niet te rechtvaardigen.

Onverdiende verschillen in inkomen

Ongelijkheid zit echter diep in onze samenleving. In Nederland is armoede nog steeds erfelijk. Meer dan 300.000 kinderen in Nederland groeien op in armoede. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat kinderen die in armoede zijn opgegroeid bijna twee keer zo veel kans hebben om arm te blijven als kinderen uit een welgesteld gezin. Het inkomen van je ouders is van invloed op je eigen inkomen. Of je geboren bent in Rotterdam-Zuid of in Bilthoven-Noord maakt uit voor waar je terecht kan komen. Dit geldt des te meer als je ouders laagopgeleid zijn, werkloos zijn of een niet-westerse achtergrond hebben: of je Klaassen heet of Khoury maakt uiteindelijk uit voor hoeveel je gaat verdienen. Daar heb je als kind niet zelf voor gekozen. Dat zijn onverdiende verschillen in inkomen. Die hebben niets te maken met hoeveel je je inspant. Armoede is erfelijk omdat kinderen van arme ouders minder sociaal kapitaal meekrijgen, minder gestimuleerd worden om het beste uit zichzelf te halen en het daarom slechter doen op school. Leraren in kleuterklassen kunnen nu al zien welke leerlingen op het VMBO terecht zullen komen en welke daar zullen uitvallen.

Onderwijs is de sleutel tot emancipatie

Hoe zorgen we ervoor dat alle jonge mensen echt een eerlijke kansen maken? Het is een cliché om te zeggen dat onderwijs de sleutel is tot emancipatie uit armoede en achterstelling. Alle Nederlandse partijen zeggen het. Sociaaldemocraten staan klaar met de zoveelste onderwijsvernieuwing. Sociaalliberalen willen natuurlijk meer geld uittrekken voor het onderwijs. Maar de onderwijsvernieuwingen van de jaren ’90 zijn uiteindelijk weinig meer geweest dan een hele dure naamswijziging: aan het afvoerputje van het middelbaar onderwijs, het VBO, is een M toegevoegd. En geld gooien naar een probleem zonder prioriteiten te stellen, is een weinig efficiënte of verantwoordelijke oplossing.
Aan de hand van een kleine stap naar het grotere ideaal van kansengelijkheid kunnen we zien wat we moeten doen om ervoor te zorgen dat armoede niet meer erfelijk is: als we willen dat in de samenleving als geheel inspanning en inzet worden beloond, dan moeten we ervoor zorgen dat dit simpele principe ook op school wordt toegepast. Wie levert de grootste inspanning op een middelbare school? Is dat de docent Grieks voor de halflege gymnasiumklas? Natuurlijk niet, dat zijn de leraren voor overvolle VMBO-klassen. In hun klassen zitten vaak leerlingen met meerdere problemen: ze hebben vaak leerproblemen, thuis problemen en helaas ook problemen met autoriteit. Voor de klas staan betekent dan docent, psycholoog en politieagent tegelijkertijd zijn. We moeten de beste docenten op het VMBO zetten: docenten die als eerste op school komen om extra bijles te geven aan de zwakste leerlingen en het langst op school blijven om nablijvers bij de les te houden. Deze docenten kunnen het verschil maken voor de leerlingen die hen het best kunnen gebruiken: zo maakt een docent techniek vakmannen van straatjongens.

Eerste- en tweedegraadsdocenten betekent eerste en tweedegraadsleerlingen

Je vraagt dus veel van een VMBO-docent: zij moeten de beste pedagogen zijn maar ook orde kunnen houden in de lastigste klassen. In veel bedrijven geldt dat zwaarder werk ook beter wordt betaald. Maar in het onderwijs geldt het tegenovergestelde: naar mate het werk minder zwaar wordt, wordt de beloning hoger. Een eerstegraadsdocent die les mag geven aan bovenbouw gymnasiumklassen, verdient meer dan een tweedegraadsdocent die les moet geven aan de lastige VMBO-klassen.
Het lijkt misschien een artefact van de bureaucratie: een eerstegraadsdocent heeft een universitaire opleiding, daarom heeft hij recht op een hoger inkomen. Omdat hij de hoogste opleiding heeft genoten, zetten we hem voor de klas met de slimste leerlingen. Het is echter een teken van een mentaliteit: we hebben eerste- en tweedegraadsdocenten voor eerste- en tweedegraadsleerlingen. Waarom zetten we de docent met de beste papieren eigenlijk niet voor de leerlingen die hem het meest nodig hebben? Waarom stellen we geen hogere opleidingseisen aan VMBO-docenten en zorgen we ervoor dat zij de beste pedagogische achtergrond hebben? En waarom zorgen we er niet voor dat zij een loon krijgen dat past bij de inspanning die ze leveren?
We moeten af van het idee dat tweedegraadsdocenten maar op het VMBO moeten lesgeven, omdat andere mensen recht hebben op de hogere klassen in het VWO. We hebben op het VMBO geniale leraren nodig. Zij doen zwaar werk: orde houden, opvoeden en lesgeven tegelijkertijd. Geef hen de waardering en beloning die daarbij past.

Kansengelijkheid

Zo kunnen we een verschil maken voor de kinderen met de grootste achterstand: door hun docenten de best betaalde krachten te maken, maakt de politiek dit werk aantrekkelijker en wordt pedagogisch talent aangetrokken. Dit is natuurlijk maar één stap in een nieuwe benadering van onderwijs, waarbij het VMBO niet het afvoerputje is van het onderwijs, maar het vlaggenschip. Het bredere ideaal hierachter is dat je de inspanning van de overheid moet focussen op de groep die het het meest nodig heeft. Kansengelijkheid betekent dat de mensen die minste kansen hebben de meeste ondersteuning moeten krijgen zodat zij een eerlijke startpositie hebben. Als de startpositie voor iedereen gelijk is en iedereen vrije keuzes maakt dan zijn verschillen die als gevolg van die keuzes ontstaan rechtvaardig.

Het voorbeeld van de beloning en waardering van VMBO-docenten laat zien hoe we heel praktisch vorm kunnen geven aan kansengelijkheid. Het laat zien hoe we samen de verantwoordelijkheid kunnen nemen om ervoor te zorgen dat iedereen de kans krijgt om zich te ontworstelen aan armoede en achterstelling. We moeten op scholen niet vasthouden aan de bestaande structuren, maar inspanning belonen. We moeten als politiek niet denken dat we vanuit Den Haag de hele les, van minuut tot minuut kunnen regelen, maar ervoor zorgen dat de beste mensen op de plek zijn waar ze het hardst nodig zijn. Zo zorgen we ervoor dat iedereen een eerlijke kans heeft en mensen zelf meester kunnen zijn over hun eigen leven.

Religieuze voorrechten en gelijkheid voor de wet

Martijn Samsom verdedigt op de website van de Trouw vandaag religieuze voorrechten, zoals het recht van Joden en Moslims om hun kinderen te besnijden en hun vee onverdoofd ritueel te slachten. Klopt de argumentatie? Is traditie een reden om privileges uit te delen?

Er zijn aardig wat sterke argumenten om besnijdenis en onverdoofde rituele slacht te verbieden. Toch laten ‘religieuze voorrechten’ zich wel degelijk verdedigen. Besnijdenis en onverdoofde rituele slacht worden bijvoorbeeld niet uitgevoerd om te mishandelen, maar als onderdeel van een traditie. Veel mensen horen het niet graag, maar verminking is een relatief begrip.’

Het cruciale punt van Samsom is dat een kleine inbreuk van de fysieke integriteit van het kind en beperkte leiden van het rund opweegt tegen het respecteren van een culturele traditie. In mijn ogen is dat een onterecht uitruil. Burgerrechten zijn geen kleren van H&M die je zomaar mag omruilen.

‘Als iedereen decennialang zijn kleine teen laat afhakken, spreken we niet meer zozeer van verminking, maar vooral van traditie. Voor Joden en moslims is besnijdenis geen verminking, precies zoals het heel ver oprekken van oorlellen in veel culturen ook geen verminking maar traditie is.’

Die kleine teen is een uitermate slecht gekozen voorbeeld, dat de discussie geheel kan afleiden. Want we hebben niet zomaar zonder reden een kleine teen. Dat is geen zinloze appendix. Een kleine teen is uitermate belangrijk om te balanceren. Als we iemand’s kleine teen afhakken doen we schade aan zijn of haar vermogen om te lopen. Volgens mij kunnen we verminking definiëren als een inbreuk op essentiële menselijke vermogens.

‘Nu kun je natuurlijk niet alles verdedigen met een beroep op ‘traditie’. Een traditie die extreme ellende voortbrengt moet worden gestopt. Maar volgens mij is bij besnijdenis noch bij ritueel slachten sprake van extreme ellende.’

Het cruciale begrip dat Samsom hier introduceert is het begrip ‘extreme ellende’. We mogen tradities verbieden als ze leiden tot extreme ellende. Ik zou hier kunnen voorstellen om de keel van Samsom door te snijden en hem te laten dood bloeden. En hem daarna te vragen wat extreme ellende is. Gelukkig mag dat niet. Ik zou kunnen stellen dat de term ‘extreme ellende’ niet hanteerbaar is, en het alternatief ‘essentiële vermogens’ kunnen introduceren. Dat lijkt me gezien de laatste stand van de ontwikkeling van de filosofie een beter principe (omdat we niet geluk c.q. ongeluk centraal stellen zoals in de doodlopende weg van het utilisme, maar vermogens zoals in de nieuwe capabilities-stroming). Doodbloeden is extreme ellende en ‘essentiële vermogens’ zijn wat het leven waardevol maakt en wat we dus niet mogen schaden.

Dan komen we terecht in een discussie of besnijdenis een inbreuk is op essentiële vermogens. Dat vrouwenbesnijdenis een inbreuk op essentiële vermogens is, staat volgens mij buiten kijf. Hierbij worden de genitialen van vrouwen zo verminkt dat allerlei vermogens (urineren, seks, baren) ernstig bemoeilijkt worden. Maar geldt dat ook voor mannenbesnijdenis? Het schijnt seksualiteit niet plezieriger te maken.

Maar dat gaat allemaal uit van de verkeerde assumptie. Namelijk dat het rechtvaardig zou zijn om mensen toe te staan dingen te doen met een verwijzing naar traditie, behalve als dat ernstige schade doet (in welke vorm dan ook). Maar volgens mij is het de rol van de overheid om het maatschappelijk leven te ordenen. Zij maakt hierbij regels die voor iedereen gelden. ‘We laten het lichaam van kinderen heel, behalve als een inbreuk nodig is voor de gezondheid van het kind’ is zo’n regel. Als mensen vanwege religieuze tradities uitzonderingen zouden krijgen op die regels, toon je geen respect voor religie. Waarom niet? Als je dingen toe staat voor religieuze mensen die niet voor ongelovige mensen gelden, dan moedig je dus eigenlijk mensen aan om of lid te worden van een religie als ze bepaalde voordelen willen, of om hun eigen religie op te richten. Dat betekent dat mensen religie gaan veinzen om daar voordeel van te hebben. En dat moet je nooit willen. Religie is alleen waardevol als het een vrije keuze is.

‘Inderdaad, bij het maken van de keuze of je baby religieus besneden moet worden, staat het kind buitenspel. Is dat erg? Je zou kunnen zeggen: voor baby’s en kinderen worden duizenden besluiten genomen die veel ingrijpender zijn. Wie je ouders zijn, heeft bijvoorbeeld een erg grote invloed op het verloop van je leven. Aan dergelijke factoren kunnen we nauwelijks iets veranderen – niet op persoonlijk en niet op politiek niveau. Willekeur en beslissingen door anderen spelen nu eenmaal een grote rol in ieders leven.’

Dit is een curieus standpunt. Eigenlijk zegt Samsom hier: ouders kunnen besluiten hun kinderen op andere manieren te verminken, dus dan valt dat besnijden nog best mee. Maar een ouder heeft een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij of zij voedt het kind op, in relatieve vrijheid, naar eigen inzicht. Dat kind staat daar relatief willoos tegenover. De overheid heeft een rol om kinderen te beschermen tegen mishandeling, ondervoeding en andere vormen van kindermisbruik. De grens van de ouderlijke autoriteit is het belang van het kind. Als dat geschaad wordt, dan eindigt de ouderlijke autoriteit. Je kan een gelijkenis trekken met de macht van de Chinese keizer. Hij mocht voor zijn volk beslissen. Hij wist het beter. Maar als hij de belangen van zijn volk schaadde, dan mocht het volk in opstand komen. En omdat kinderen niet in opstand kunnen komen, hebben we een overheid die hun belang verdedigt, als hun ouders verzaken.

‘Wie (zoals de Partij voor de Dieren of de Duitse rechter die besnijdenis ‘mishandeling’ noemde) strikt rationeel naar dit soort problemen kijkt, ziet enkel fysiek leed. Dat is maar de helft van het verhaal. Rituelen zijn ook een kwestie van religie en cultuur, van zaken die ons maken tot wat we zijn. Als we mensen dat ontnemen, dan ontnemen we ze een deel van hun identiteit en vrijheid. Een goede reden om religieuze voorrechten niet zonder meer af te schaffen.’

Dit is in mijn ogen het cruciale punt van Samsom. Traditie is niet op zich waardevol, maar waardevol omdat het mensen identiteit en zelfs vrijheid geeft. Cultuur vormt ons. Zonder cultuur zijn we niemand. Cultuur is het kompas in ons leven dat ons richting geeft. Zonder cultuur weten we niet wat we willen.

Dit is de kern van het multiculturele denken. Culturen vormen mensen. Het is de rol van de overheid om een minderheidscultuur te verdedigen tegen de conventionele cultuur. En ik kan daar een stuk in meegaan. Ik vind dat we best kinderen in Friesland Fries mogen leren op school, om die taal te beschermen. En als een Sikh geen helm wil dragen op een scooter, omdat hij zijn tulband op wil houden, prima.

Het Fries-voorbeeld gaat om kinderen, net als de besnijdenis. In beide gevallen houden we een traditie in stand, namelijk het spreken van een taal en het mishandelen van kinderen. De vraag is waarom zijn die twee anders? Ieder kind moet onvermijdelijk taalonderwijs krijgen om te kunnen communiceren, terwijl besnijdenis geen ander doel dient dan de godsdienstige traditie. De eerste is een traditie-respecterende inkleuring van een bestaande maatschappelijke functie; de ander is een uitzondering op een nogal belangrijke maatschappelijke regel (ouders dienen het belang van hun kind) met geen andere grond dan het respecteren van traditie.

Het Sikh-voorbeeld gaat om de individuele vrijheid van iemand om zijn eigen leven op het spel te zetten. Daar heeft niemand anders last van. Vergelijk dit met het voorbeeld van de rituele slacht. Dat betekent dat we juist een ander wezen laten lijden, vanwege een godsdienstige traditie. Als we rituele slacht verbieden, verbieden we niemand om zijn of haar geloof te beleiden. Het zorgt er alleen maar voor dat religieuze mensen geen vlees kunnen eten. Het is geen inbreuk van de godsdienstvrijheid van vleeseters, maar een inbreuk van het recht om vlees te eten voor godsdienstigen. En dat laatste recht staat niet in de Grondwet (en terecht!).

De vrijheid van godsdienst is in Nederland geperverteerd: hij was ooit bedoeld om mensen te beschermen tegen een overheid die bepaalde handelingen verbood vanwege het enkele feit dat ze religieus waren. Die vrijheid is in mijn ogen inderdaad rechtvaardig. Nu wordt voorgesteld om handelingen die anders verboden zijn, toe te staan vanwege het enkele feit dat ze religieus zijn. Dat is volgens mij onrechtvaardig. De kern van een rechtsstaat is gelijkheid voor de wet voor iedereen, niet het privilege van enkele.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself