Is Noorwegen vrijer zonder de Europese Unie?

Donderdag tijdens het lijsttrekkersdebat van Nieuwsuur verwees PVV-lijsttrekker Marcel de Graaff naar Noorwegen en Zwitserland. Landen die welvarend en vrij zouden zijn buiten de Europese Unie. Zijn dit de ideale landen voor Euroskeptici? We kijken naar Noorwegen.

De Noorse bevolking heeft twee keer in een referendum het lidmaatschap van de Europese Unie verworpen: ze zou origineel meegaan met de eerste uitbreiding (samen met Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) maar 54% van de bevolking wees dit af. In 1994 probeerde de regering het opnieuw (toen ook Oostenrijk, Zweden en Finland lid zouden worden). Maar dat werd met 52% afgewezen. Sindsdien wordt er over dit onderwerp in de politiek niet meer gesproken en is de steun onder de bevolking voor lidmaatschap (zeker na de Euro-crisis) alleen maar afgenomen.

Dictaten van Brussel
Je zou misschien denken dat Noorwegen de Europese Unie niet nodig heeft en dat het land, gelegen op grote oliereserves het zelf wel afkan. Niets is minder waar: het eerste wat opvalt als je naar Noorwegen reist, of wat eigenlijk niet opvalt is dat Noorwegen lid is van het Schengengebied. Je kan er dus zonder paspoortcontrole naartoe reizen.

Noorwegen is ook lid Europese Economische Ruimte, net als Zwitserland, Liechtenstein en IJsland. Deze landen vallen wel onder de Europese markt, alhoewel ze geen lid zijn van de Europese Unie. 63% van de import van Noorwegen komt uit de Europese Unie en 81% van haar export gaat naar de Europese Unie (bron). Het land is geïntegreerd in de Europese markt.

Maar het is niet zo dat Noorwegen alleen maar de economische vruchten plukt van Europa. Ze participeren ook in de politiesamenwerking (Europol), de grensbewaking (Frontex) en de defensiesamenwerking (AED).

Dat doen ze echter allemaal zonder stemrecht in het Europees Parlement en de Raad van Minister. Noorwegen heeft het recht om zich te onttrekken aan Europese besluiten maar heeft dat nog nooit gedaan. Dat betekent dat Noorwegen een groot deel van de Europese wetgeving (zeker op het gebied van de interne markt) overneemt, zonder daar invloed op te hebben.

Je kan klagen over de invloed die de Europese Unie op Nederland heeft: een groot deel van de wetten die in Den Haag gemaakt worden zijn implementaties van Europese wetten. Maar dat zijn ten minste wetten waar Nederlandse vertegenwoordigers in het Europees Parlement en de Raad van Ministers over hebben kunnen stemmen en meepraten.

Noorwegen heeft 75% van Europese wetgeving ingevoerd zonder dat ze daar invloed op hebben. Daarmee is Noorwegen buiten de Europese Unie niet vrijer dan Nederland, maar misschien juist wel minder vrij. Noorwegen heeft de illusie van vrijheid gekozen door buiten de Europese Unie te blijven maar wel Europese wetgeving te moeten accepteren. Dat zijn pas dictaten van uit Brussel.

Harde Euro’s
Om lid te zijn van de interne markt moet Noorwegen 340 miljoen euro per jaar betalen, als een soort lidmaatschapsgeld. Dat is 60 euro per inwoner. Nederland betaalt 6 miljard aan de Europese Unie. Dat is 360 euro per inwoner. Maar daar staat tegenover dat Nederland 2 miljard euro terugkrijgt via Europese fondsen. Dat is 130 euro per inwoner. Noorwegen maakt daar geen aanspraak op. Sterker nog: Noorwegen steekt nog eens 350 miljoen euro per jaar in een speciale Noorwegenbijdrage die ten goede komt aan de ontwikkeling van de economie in Oost-Europa. Dat is opnieuw 60 euro per inwoner. Netto betaalt Nederland dus 230 euro per inwoner bijdrage aan de Europese Unie. Voor Noorwegen is dat 120 euro per jaar. Het opgeven van soevereiniteit kost dus 110 euro per burger per jaar.

Noorwegen is echter geen lid van de Euro, maar heeft net als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken haar eigen munt nog. Dus moet je wel geld wisselen aan de grens. Dat betekent wel dat Noorwegen haar eigen geld kwijt is om haar eigen wisselkoers stabiel te houden maar aan de andere kant dat ze geen bijdrage heeft hoeven doen aan het Griekse noodfonds dat de Europese Commissie heeft ingesteld. Wel heeft ze sinds 2011 haar bijdrage aan het IMF vergroot. Het Internationaal Monetair Fonds was een van de andere leners aan Griekenland. De Griekse crisis heeft haar dus niet onberoerd gelaten.

Sinds 2009 heeft de Europese Commissie om de Euro-crisis te beslechten haar invloed over het nationale begrotingsproces uitgebreid. De Commissie kan lidstaten nu dringend adviseren haar economieën te hervormen om economische onevenwichtigheden, die ten grondslag lagen aan de crisis uit te effenen. Dat is noodzakelijk voor het voortbestaan van de euro, maar ook niet-Eurolanden Denemarken en Roemenië moeten zich aan adviezen van de Commissie houden. De Noren zijn vrij van deze vorm van inmenging. Maar aangezien Noorwegen vanwege de oliebaten geen begrotingstekort meer heeft, is het de vraag of dit land vanuit Brussel gedwongen zou worden om economisch te hervormen.

Europese integratie als een gletsjer
Dus is de vraag of Noorwegen vrijer was geweest in de Europese Unie dan daarbuiten. Het is onderdeel van het Europese gebied zonder binnengrenzen, van de Europese interne markt en het levert soldaten voor Europese militaire missies. Dat alles echter zonder invloed te hebben op de wetten die ze daarvoor moeten overnemen. In die zin is Noorwegen minder goed in staat om haar eigen lot te bepalen dan Nederland of het Verenigd Koninkrijk die ten minste kunnen meepraten en meestemmen over Europese besluiten.

Maar omdat Noorwegen net als het Verenigd Koninkrijk geen lid is van de Euro is ze ook niet gebonden aan Europese begrotingsregels. Maar ook andere lidstaten van de Europese Unie, zoals het Verenigd Koninkrijk en Polen hebben zich hieraan kunnen onttrekken.

Noorwegen is dus in mijn ogen minder vrij dan Nederland: het heeft haar soevereiniteit niet gepoold in de Europese Unie maar heeft haar vermogen om zelf te beslissen afgedragen aan Brussel. Ook staat ze geld af zonder te mogen beslissen wat daarmee gebeurt.

Ten slotte, er is een opvallende gelijkenis tussen het Nederlandse referendum in 2005 en de Noorse positie in de Europese Unie: de Nederland bevolking wees de Europese grondwet af: het verdrag werd iets aangepast en toch doorgevoerd. De Noorse bevolking wilde buiten de Europese Unie blijven, maar het land moest zich wel aansluiten bij de Europese Economische Ruimte gezien haar economische banden met landen die wel lid waren en werden. Europese economische integratie heeft haar eigen logica die zich weinig van publieke opinie aantrekt. Europese integratie is een soort gletsjer waar Europese landen zich lastig van kunnen onttrekken. En vanuit democratisch oogpunt is dat zorgwekkend.

Meer lezen over Europa en Noorwegen?

  • Lees dit blog van Prof. Erik O. Eriksen over het zelfbeschikkingsrecht van de Noren.
  • Dit advies van de huidige Noorse premier aan de Britten om lid te blijven van de Europese Unie.
  • De website van de Noorse vertegenwoordiger bij de Europese Unie.

Wilders moet tot zeven tellen

Gisteren bezocht Marine Le Pen Geert Wilders in Den Haag. Ze kwamen bij elkaar om te werken aan een Europese beweging die een vuist moest maken tegen Brussel.

Naast het Front National, is Wilders langs geweest bij het Vlaams Belang, die al langer goede contacten onderhoudt met zowel de FN als de PVV. Eerder bezocht Widers Heinz-Christian Strache van de Freiheitliche Partei Österreichs en Robert Maroni van de Italiaanse Lega Nord. Deze rechts-populistische partijen hebben allebei al eerder geregeerd. Het meest opvallende bezoek tot nu toe was dat aan Jimmie Åkesson van de Sverigedemokraterna. Deze partij heeft namelijk tot midden jaren ’90 banden gehad met nazistische organisaties.

Dit lijkt een veel belovend begin van een extreem-rechtse fractie in het Europees Parlement. Er is alleen één probleem: de regels van het Europees Parlement vereisen dat een fractie bestaat uit ten ten minste vijfentwintig leden uit ten minste zeven deelstaten.

Dat eerste is waarschijnlijk geen probleem: Het Front National zou volgens de laatste peilingen misschien wel 24% van de Franse stemmen halen voor het Europees Parlement. Dat betekent ongeveer 18 zetels. Tel daarbij de zetels op van Wilders op: die volgens de laatste landelijke peilingen genoeg stemmen zou halen voor vijf zetels. De FPÖ laatste landelijke uitslag vorige maand zou doorvertaald vier zetels opleveren. Het Vlaams Belang heeft het wat lastiger maar hun 7% in de laatste landelijke peilingen levert één zetel op. De 4% die de Lega Nord in peilingen haalt is goed voor drie zetels. De SD halen ongeveer 9% in de laatste landelijke peilingen: genoeg voor twee zetels. Samen is dat 33 zetels.

Het probleem zit hem in de zevende partij. Niet dat er niet genoeg rechtse Euroskeptische partijen in Europa zijn, maar het is de vraag of zij met Wilders en Le Pen in een groep willen. Naast de groep van de PVV en FN zal er namelijk ten minste een andere groep op zoek zijn naar leden: de Europese Conservatieven en Hervormers rondom de Britse Conservatieve Partij. Deze Euroskeptische club moet ook uit zeven landen leden halen -dat haalde ze in 2009 ook, maar een aantal van die deelnemende partijen zal nu uit het EP verdwijnen. De ECR is voor veel partijen aantrekkelijker omdat deze groep bestaat uit gevestigde regeringspartijen. Welke mogelijkheden zijn er voor Le Pen en Wilders? Laten we eens kijken:

  • De Dansk Folkeparti is de meest waarschijnlijke zevende partij. De Denen zijn waarschijnlijk goed voor twee zetels. Deze partij is al jarenlang een voorbeeld voor de PVV maar ook voor de Sverigedemokraterna. De Nederlandse gedoogconstructie was ‘made in Denmark’. In het verleden speelde de PVV al eerder met ideeën over samenwerking met deze partij. Tegelijkertijd hebben de Denen wel afstand gehouden van radicaal-rechtse partijen: ze weigerden om hun Zweedse zusterpartij te steunen. Wil deze Deense partij zich definitief vestigen in het centrum van de politieke macht dan kan zij geen band met extreem-rechts hebben.
  • Dan zijn er de Perussuomalaiset, de Ware Finnen, die waarschijnlijk kunnen rekenen op 2 of 3 zetels. Deze populistische partij heeft in de laatste jaren sterk geprofiteerd van de weerstand in Finland tegen de steun aan de Griekse economie. Deze partij deelt echter de anti-Islam en anti-immigratiestandpunten van de PVV en FN niet.
  • De Duitse anti-Europartij Alternative für Deutschland stond bij de Duitse parlementsverkiezingen op de drempel van het Duitse parlement. Ook bij de Europese verkiezingen hanteert Duitsland een 5% kiesdrempel, maar die zou de AfD bij Europese verkiezingen nog best kunnen doorbreken. Het taboe op extreem-rechts is in Duitsland alleen zo groot dat ik het onwaarschijnlijk acht dat deze fractie zich bij een fractie aansluit die rechtser is dan de ECR.
  • Net als Duitsland heeft ook Griekenland een partij die ontstond door de Griekse begrotingscrisis. De rechtse anti-bezuinigingspartij, Ανεξάρτητοι Έλληνες, onafhankelijke Grieken. Het is lastig voor te stellen dat de PVV zou gaan samenwerken met een club die juist de Griekse belangen verdedigt.
  • De Britse UK Independence Party, die door gisteren door Wilders en Le Pen genoemd werden, profileert zich expliciet als een libertaire anti-racistische partij. Op basis van nationale peilingen zou de partij 8 zetels halen; dit kunnen er waarschijnlijk meer worden. Deze Euroskeptische club wil zich verre houden van alles wat rechts-extremistisch is. Immers willen zij in het Britse stelsel zetels winnen dan moeten ze een meerderheid in een district overtuigen. Een alliantie met extreem rechts zou kiezers kunnen afschrikken.
  • Groot-Brittannië biedt ook de British National Party. Deze partij was tot recent expliciet racistisch en beperkte het lidmaatschap van de partij tot ‘echte’ Britten. De vraag is of het voor de PVV en het Front National nodig is om zo ver rechts te gaan om twee zetels op te halen. Datzelfde geldt voor de expliciet antisemitische partij Jobbik uit Hongarije (waarschijnlijk 3 zetels) en Ataka uit Bulgarije (waarschijnlijk één zetel) en de Gouden Dageraad uit Griekenland (mogelijk twee zetels), waarvan leden verdacht worden van geweld met dodelijke afloop.

Het kan er net op hangen: een Euroskeptische fractie in het Europees Parlement. De meeste logische variant is FN-PVV-FPÖ-Vlaams Belang-Sverigedemokraterna-Lega Nord-Dansk Folkeparti. Maar als de Denen weigeren, dan zijn eigenlijk alleen de Waren Finnen een optie. Het zou nog wel eens kunnen dat ‘regeltjes van een miezerige Brusselse Eurocraat’ Wilders’ droom in de weg zit.

 

Staatkundige ChristenPartij?

Nu er een vrouw op de SGP lijst mag  – mevr. L. Janse-van der Weele wordt lijsttrekker bovendien – is de laatste barrière geslecht die de vorming één bijbelgetrouwe Christelijke partij weerhield.

Een reden om te kijken naar de samenwerking en ontwikkeling van de SGP en de ChristenUnie en haar voorgangers RPF en GPV.

SGP – GPV – RPF

De belangrijkste thema’s die de SGP, RPF en GPV onderscheidden was de positie van vrouwen en de scheiding van kerk en staat.

In 1975 werd de RPF opgericht. De oprichters van de RPF voelden zich aangetrokken het rechtlijnige politieke protestantisme van de GPV en de SGP. Tot het GPV konden ze niet toetreden: de GPV stond alleen maar mensen toe die lid waren van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken. Twee dingen weerhield de RPF-leden ervan zich aan te sluiten bij het SGP. De partij stond vrouwen niet toe om politiek actief te zijn. Binnen de RPF waren de opvattingen over de rol van de vrouw veel progressiever. Bovendien had de SGP een theocratische grondslag. Ze geloofden dat het de rol van de overheid was om valse godsdienst uit te roeien. Binnen de RPF waren mensen uit allerlei Protestantse stromingen actief, die lang niet allemaal voldeden aan de Reformatorische maatlat dat de SGP hanteerde.

SGP – GPV- RPF in de jaren ’80 en ’90

Gaandeweg ontwikkelden de SGP, RPF en GPV zich in verschillende richtingen: de RPF profileerde zich als ‘supersamenwerker’. Ze streefden naar samenwerking (lokaal, provinciaal, supranationaal en extraparlementair) van bijbelgetrouwe Christenen. Eén van de duidelijkste tekenen was de lijst-in-een-schuiving van RPF-GPV-SGP op Europees niveau vanaf 1984. Zo kon het geluid van de reformatie ook gehoord worden in Brussel.

De GPV kreeg in de jaren ’80 een centrumlinks profiel. De overheid had een cultuuropdracht volgens het GPV: ze moest de mogelijkheden maken voor mensen om de Aarde te beheren en zichzelf te ontwikkelen. De SGP en de RPF waren kritisch over deze koers. Echter in 1998 in de tijd van Paars zette de RPF ook een Christelijk-sociale koers in.

De rol van vrouwen binnen het SGP veranderde ook. In 1984 legde de partij formeel vast dat vrouwen geen lid mochten worden. Daarvoor was de heldere formulering over de rol van de vrouw in het beginselprogramma voldoende geweest. Sinds 1996 werd het echter al aan vrouwen toe gestaan om buitengewoon lid te worden. Meerdere malen vormde een vrouwelijke kandidaat een wig tussen RPF en GPV enerzijds en SGP anderzijds. In 1994 was de mogelijke kandidatuur van een vrouw een reden voor de SGP om de samenwerking in Europa op te schorten. De vrouw trad terug.

Binnen de GPV werd er gaandeweg meer ontspannen gedacht over niet-Vrijgemaakten. In 1993 werd het lidmaatschap van de partij opengesteld voor hen. Dit versnelde de samenwerking tussen de drie partijen. In 2000 resulteerde dit in de ChristenUnie, waarin RPF en GPV opgingen. De SGP hield vast aan haar onafhankelijkheid. Voor de RPF en de GPV was evenwel het vrouwenstandpunt van de SGP een onoverkomelijk punt.

ChristenUnie – SGP in de 2000s

De ChristenUnie combineerde het centrumlinkse profiel van de GPV met de ontspannen openheid van de RPF. De SGP en de ChristenUnie volgde andere paden.

De ChristenUnie sloot zich gemakkelijk aan bij het Christelijk-sociale kabinet van Balkenende en Bos. De SGP voerde, zoals ze altijd hadden gedaan bij CDA-kabinetten loyaal oppositie vanuit de Kamerbankjes. In 2010 trad er een nieuw kabinet aan. Het rechtse economische en culturele profiel van het kabinet-Rutte sloot slecht aan bij de ChristenUnie. De ChristenUnie was een partij geworden die stond voor een duurzame economie, een sociale overheid en een ontspannen samenleving. Lokaal werkte ze gemakkelijk samen met partijen als GroenLinks: in Haren leverden ze bijvoorbeeld samen één wethouder. De SGP hield vast aan haar beperkte opvatting van de overheid. In deze opvatting paste het tegenhouden van niet-gereformeerde religies, zoals de Islam. Zo kon ze in de Eerste Kamer gemakkelijk steun geven aan het minderheidskabinet. Dit vormde in 2011 een breuk tussen de twee partijen die de SGP één zetel kostte.

Het vrouwenstandpunt bleef een punt van verdeeldheid tussen de SGP en de ChristenUnie. In 2009 braken de SGP en de ChristenUnie in het Europees Parlement. De Britse Conservatieve Partij vormde een fractie om zich heen van niet-extremistische eurosceptici. De SGP was vanwege het vrouwenstandpunt niet welkom bij de Tories. De ChristenUnie was meer dan welkom in deze fractie.

Ondertussen werd er in de ChristenUnie gesproken over andere groepen, zoals katholieken en homo’s. Dit waren lastige onderwerpen voor de partij. Maar de dilemma’s en compromissen (zoals het accepteren van niet-praktiserende homo’s) tonen aan de ChristenUnie nog ver af staat van progressieve partijen als GroenLinks.

ChristenUnie – SGP in 2013

In 2013 zijn ChristenUnie en SGP meer samengekomen dan in de jaren daarvoor. De vrouwelijke lijsttrekker bij de SGP is een belangrijke stap. In 2006 had de SGP al vrouwen het recht gegeven om lid te worden van de vereniging onder druk van de rechtbank. In 2013 dwong het gerechtshof de SGP om vrouwen ook het passief kiesrecht te geven: Janse is de eerste die daar gebruik van zal maken. Hiermee is één bezwaar van de ChristenUnie, RPF, GPV en de Britse Conservatieven geslecht.

Maar ook op andere onderwerpen zijn de SGP en de ChristenUnie tot elkaar gegroeid: na de verkiezingsuitslag van 2010 ging de ChristenUnie op zoek naar de oorzaken van het verlies. De verantwoordelijkheid werd -onterecht- gelegd bij de te linkse koers van de partij. Op economische onderwerpen schoof de ChristenUnie zich in het bezuinigingskamp: ze verdedigde de 3%-norm, terwijl de partij geen groot voorstander was van de euro. De partij liet nivellerende plannen als de inkomensafhankelijke zorgpremie uit haar programma vallen en benadrukte het belang van ondernemerschap. Op culturele onderwerpen benadrukte de ChristenUnie steeds meer de gevaren van de Islam.

Hiermee zijn volgens mij de grote barrières tussen SGP en ChristenUnie geslecht: het vrouwenstandpunt dat de partijen al sinds de jaren ’70 verdeelde in de jaren; maar ook de recente thema’s die SGP en de ChristenUnie verdeelden, zoals de bezuinigingen en de Islam.

Alles ziet er naar uit de SGP na de Europese verkiezingen toe mag treden tot de Europese conservatieve fractie. Ze zijn welkom bij de Tories. In mijn ogen is een conservatief-Christelijke fractie, de Staatkundige ChristenPartij, in de Tweede Kamer een kwestie van jaren.

Je kan meer lezen over de samenwerking tussen SGP, RPF en GPV bij het DNPP.

Wat betekenen nationale peilingen voor Europese uitslagen?

Europese verkiezingen zijn heel andere verkiezingen dan nationale verkiezingen. Bij de een is er een opkomst van 80%, bij de ander is dat de helft. Voorspellen nationale peilingen uitkomsten op het Europese niveau? En welke factoren versterken of verminderen dit effect?

Wie waren de grote winnaars bij de Europese verkiezingen van 2009? Het CDA en de PVV waren de grootste. Maar in figuur 1 kunnen we zien dat in de lijn der verwachtingen lag. De zwarte balken zijn de Europese uitslagen. De grijze balken het peilingsresultaat op de verkiezingsdag of de laatste peiling daarvoor (van de Politieke Barometer) met een 95% zekerheidsinterval. Het CDA werd de grootste partij. Maar de Christen-democraten waren in de peilingen ook al de grootste. De Europese uitslag was uiteindelijk statistisch net niet te onderscheiden van de nationale peiling. Bij vijf partijen ligt het Europese resultaat significant boven of onder de laatste peiling: de Partij van de Arbeid (peilde nationaal 18% kreeg 12%), de SP (peilde 10%, kreeg 7%), D66 (peilde 8% kreeg 11%), GroenLinks (peilde 6%, kreeg 9%), de Partij voor de Dieren (peilde 2%, kreeg  4%). Let wel: dit betekent niet dat er per se een uitwisseling is tussen deze partijen. De Europese verkiezingen gaan om het naar de stembus krijgen van je achterban. ‘Seventy-five percent of success is getting turn-out’ in dit geval. GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren hebben in de eerste plaats hun achterban naar de stembus gekregen en de SP en de PvdA niet.

Waarom weten sommige partijen bij Europese verkiezingen meer kiezers te trekken dan je op basis van nationale peilingen mag verwachten? Je hoort wel dat heel pro- of juist sterk anti-Europese partijen het beter doen bij Europese verkiezingen. Stemmen op ‘duidelijkheid’. Dat regeringspartijen worden afgestraft. Stemmen tegen ‘regering’. Kleine partijen het beter doen. Stemmen met het ‘hart’. En dat Christen-democraten beter hun achterban weten te mobiliseren. Stemmen vanuit ‘trouw’.

Van de laatste drie Europese verkiezingen kan ik peilingsdata vergelijken met uitslagen. Let wel: dit zijn dus maar ongeveer twee dozijn datapunten. Dat levert niet een bijzonder zekere schatting op maar we kunnen we trends bekijken.

In figuur 2 zien we de Europese uitslagen en de nationale peilingen door de data heen gaat een trendlijn. Die laat zien dat voor ieder procent bij de nationale peiling een partij 0.75 zetel in de Europese verkiezingen krijgt, maar dat er beginpercentage is van 3%: dat betekent dat grote partijen over het algemeen een iets slechtere uitslag hebben (bv. 20% in een peiling betekent 18% in de Europese verkiezingen), maar kleine partijen er over het algemeen iets beter voor staan (bv. 5% in de peiling betekent 6% in de Europese verkiezingen). Dit geeft een sterke bevestiging aan het stemmen met het hart. Kleine partijen die het in nationale peilingen afleggen vanwege strategische argumenten, doen het bij Europese verkiezingen beter.

Van een aantal partijen zien we al dat het beter doen in Europa dan je op basis van deze relatie in de peilingen mag verwachten: het CDA (1999 en 2004), De PVV, de VVD (2009), D66 (2009) en GroenLinks (1999 en 2009).

Welke patronen liggen hier achter? Over het algemeen Christen-democraten en oppositiepartijen beter bij Europese verkiezingen dan je op basis van de peilingen mag verwachten. Pro-Europese partijen scoren iets beter maar dit effect is niet constant tussen verschillende modellen en partijen.

In figuur 3 is de uitslag van de laatste peiling doorgerekend naar het Europese niveau: ik heb een naïeve berekening gemaakt op basis van het percentage en gebruik gemaakt van een model dat rekening houdt met het trouw-, oppositie- en kleine partijenvoordeel. Het fundamentele verschil is dat in het eerste model GroenLinks en de PvdD buiten het Europees Parlement vallen, maar dat in het tweede geval, GroenLinks en de PvdD beiden het een zetel krijgen ten koste van regeringspartijen PvdA en VVD. We houden hierbij geen rekening met lijstverbindingen.

Onze monarchie is een testament van onze democratie

Het was vandaag een bijzondere Koninginnedag. In Nederland werd een nieuw staatshoofd ingehuldigd. Dit was, zoals het al bijna 200 jaar gaat, een Koning. Een monarchie is een overblijfsel uit het verleden. Het past beter bij de tijd van tribale stammen dan bij de tijd van smartphones.

In de wereld zijn er achtentwintig regerende koninklijke families. Een deel hiervan regeert onderontwikkelde staten als Lesotho of oliestaten waar democratische vernieuwing is afgekocht met oliegeld zoals Kuweit. Maar er zijn ook elf koninklijke families die regeren in de democratische landen, zoals Noorwegen, Denenmarken en Luxemburg. Een derde van de leden van de club van ontwikkelde landen, de OECD, is een monarchie. Hoe kan het dat zulke ontwikkelde landen een monarch als staatshoofd hebben? Als we kijken naar enkele van deze landen kunnen we veel zien van hoe monarchie en democratie kan samenhangen:

  • Japan is de oudste monarchie van de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikanen bewust ervoor gekozen om de monarchie te laten bestaan, sterker nog de Japanse vorst, Hirhito, leider tijdens Pearl Harbour, mocht aanblijven. Zo bleef een illusie van continuiteit in stand, want Japan werd onder Amerikaanse druk sterk gedemocratiseerd.
  • Het Verenigd Koninkrijk is een zeer oude monarchie. De Engelse monarchie gaat terug naar 895. Sindsdien breidden de Britten langszaam hun terrein uit: het Britse koningshuis heerst nog steeds over vele landen, van Canada tot Australie. Al heel vroeg kregen de Engelse monarchen te maken met een opstandig parlement. In de Engelse burgeroorlog (1642-1651) gingen koningsgezinden en parlement-gezinden met elkaar op de vuist. Maar sindsdien wordt er een balans gezocht tussen Koning en parlement, dat geleidelijk meer en meer richting parlement schuift. Oude aristocratische elementen, zoals het House of Lords en curieuze titels als Lord of the Privy Seal, worden verenigd met algemeen stemrecht (in 1928) en een majoritair politiek stelsel, waarbij over alles fel gedebatteerd wordt, behalve de monarchie.
  • De Zweedse monarchie gaat terug tot mythische tijden. Gedurende de negentiende en vroege twintigste eeuw is Zweden langzaam gedemocratiseerd. En alhoewel Zweden een sterke socialistische stroming kende, is het Koningshuis nooit in gevaar geweest. Het Zweedss Koningshuis accepteerde uiteindelijk dat het parlement politiek het initiatief had en speelt sindsdien een ceremoniele rol. De socialisten werden, na invoering van het algemeen kiesrecht in 1919, ingebed in de parlementair-democratische instellingen en regeerden jarenlang consensueel in een minderheidsregering.
  • Nederland werd een monarchie in 1806 toen ons land van buitenaf een vorst kreeg opgedrongen, namelijk door de Franse Keizer Napoleon. Zo maakte hij niet alleen een einde aan de eerste Franse Republiek, maar ook aan de Nederlandse Republiek, eeuwenlang een toonbeeld van vooruitstrevendheid en vrijheid. In 1813 kwam er een Oranje op de troon, als teken van continuiteit, want de Oranjes waren al jarenlang effectief staatshoofd van Nederland geweest, namelijk als stadshouder van Holland. De Nederlandse vorsten toonden zich plooibaar en gematigd. Toen in 1848 een liberale revolutie zich over Europa uitstrekte, liet Willem II Thorbecke een liberale grondwet schrijven. Dat kenmerkte ook de politieke stijl van de Nederlandse vorsten en elite: meebuigen met maatschappelijke veranderingen, niet tegenstribbelen. Het algemeen kiesrecht werd in 1917, bijvoorbeeld, ingevoerd als onderdeel van een typische Nederlands compromispakket, waarbij socialisten en conservatieven hun deel kregen.
  • Belgie werd in 1839 onafhankelijk van Nederland en koos in lijn met de reactionaire wind in Europa sinds het Congres van Wenen voor een monarchie. Belgie had een zeer liberale grondwet en gold jarenlang als de meest vooruitstrevende staat van Europa, zeker op het gebied van vrijheid van meningsuiting. Behalve de oorlog van onafhankelijkheid kende Belgie geen revoluties of intern geweld. Zoals de federalisering van Belgie nu verloopt, in horten en stoten met kleine stapjes, verliep ook de democratisering van Belgie sindsdien.
  • Spanje is de nieuwste monarchie van de wereld. In 1975 volgde Juan Carlos, de zoon van de 1931 afgezette Koning, de fascistische dictator van Spanje, Franco, op, als staatshoofd. In de fluwelen democratische revolutie was Juan Carlos een teken van stabiliteit.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat monarchieen voortblijven bestaan in landen waar hervormingen geleidelijk verlopen; waar elites de roep op democratie niet wegwuiven, maar schikken en plooien. In Spanje en Japan gaf de monarchie de illusie van stabiliteit in een snel veranderend land.

Vele landen verloren hun monarchen in revoluties: Frankrijk deed dit wel vier keer: twee Koningen en twee keizers werden afgezet. De Russische Revolutie maakte een eind aan de Tsaren. De Duitse monarchie viel door de roep om democratisering na de Eerste Wereldoorlog. De Oosterrijks-Hongaarse monarchie viel door de roep om nationale zelfbeschikking in Centraal Europa. De Italiaanse monarchie werd afgeschaft vanwege de collaboratie van de Koning met de fascisten in de Tweede Wereldoorlog. Deze monarchieen zijn ten onder gegaan omdat de roep om democratisering werd tegengehouden door de elite en dat leidde tot een soms geweldddadige eruptie van onvrede.

Als een land ondanks dat dit een reliek uit het verleden is een monarchie is gebleven, dan komt dit omdat de monarchen hebben geaccepteerd dat hun rol steeds kleiner werd. Dat Nederland nog steeds een monarchie is, is een testament van de democratische gezindheid van onze elite.

Waarom de Cypriotische spaardersheffing lijkt op de inkomensafhankelijke zorgpremie

Een achterafzaal van een groot grijs regeringsgebouw. Op tafel staan een aangebroken doos met broodjes kaas en ham en aantal lege potten koffie, erom heen liggen rapporten vol doorgerekende voorstellen. Om de tafel zitten de onderhandelaars van links en rechts. Sommige zijn wat ingedut na dagen onderhandelen. Ze worden voorgezeten door één van de slimste sociaaldemocraten van zijn generatie. Hij is op zijn scherpst als het lastig wordt.
“Nog een paar miljard, dan zitten we aan ons streefbedrag” zegt hij. De abstracte cijfers geven een gevoel van zekerheid. Een plus een blijft altijd twee. De aanwezigen bladeren door de mappen met door ambtenaren voorbereidde voorstellen. Een sociaaldemocraat heeft een idee: “Wat nou als we maatregel Q11B op pagina 315 tweede van onderen nemen en dan kiezen we voor de variant ‘meest progressief’?” Dan zij we er bijna.” Een tiental politici zoekt in de boeken naar 315.
Je kan de fonkeling in de ogen zien van de voorzitter: “Dat is net niet genoeg, maar als we de nominale heffing iets verhogen …” Hij kijkt naar de rekenmeesters aan de ene kant van de tafel. Een jonge in Amerika geschoolde econometrist vult hem naadloos aan “… als we de nominale heffing van variant Q11B.III nemen dat moet genoeg zijn.” Er wordt op tafel geroffeld. De zaal is moe maar tevreden. Een oudere collega klopt de voorzitter op de rug en zegt: “Een mooi compromis.”
De voorzitter zegt: “We kunnen dit uitleggen. Dit is de grootste crisis sinds de 1945. Iedereen moet meebetalen om de huidige economische problemen op te lossen. Bovendien is het een progressieve maatregel die mensen met een klein inkomen ontziet.”
Op een persconferentie wordt het voorstel gepresenteerd. Serieuze heren in grijze pakken met antwoorden op de economische vragen van onze tijd. De pijn wordt eerlijk verdeeld.
Als het voorstel uit is gekomen, is de onrust groot. In vox-popjes geven de media de burger het woord. Die ziet er niets in om mee te gaan betalen. Het was toch een crisis van de banken? Ze voelen zich geraakt in hun portemonnee. Populistische politici typen het item bijna letterlijk over en noemen het een persbericht. Maar ook weldenkende politici die niet aanwezig waren bij de vergadering vragen om opheldering. Een inkomensafhankelijke heffing is mooi maar dit gaat te ver. Oud-collega’s die nu voorzitter zijn van een of andere belangenclub spreken zich uit tegen de maatregel. De onrust is groot.
Er moet heronderhandeld worden. Dezelfde boeken komen weer op tafel. Op vergelijkbare toon worden bijna identieke gesprekken gevoerd: “… nog een paar miljard …”

Dit zou een beschrijving kunnen zijn van de huidige onrust over de Cypriotische spaardersheffing maar ook van het inkomensafhankelijke zorgtoeslagdebacle nog geen paar maanden geleden. Die gelijkenis is volgens mij veelzeggend over de aard van de politiek in de huidige  economische crisis.

Alles is doorgerekend op economische consequenties: economen kunnen narekenen wat de economische reacties zijn van consumenten en bedrijven. Nou ja, alles? De smalle marges van de politiek zijn steeds meer de smalle marges die worden getekend door de rekenmeesters. Politici hoeven geen eigen ideeën te hebben. Ze kunnen varianten kiezen die door ambtenaren zijn bedacht. Politiek is als multiple choice test.

Maar een doorrekening op politiek-electorale gevolgen is niet gemaakt. Aan de onderhandelingstafel voelt iedereen de verantwoordelijkheid van de economische crisis en het belang van noodmaatregelen drukken. In beide gevallen werd er gekozen voor een variant die alhoewel progressief de middenklasse zwaar aan te slaan. De middenklasse die in de betere jaren wat gespaard heeft maar nu voor hun gevoel lastig rondkomt. Een inkomensafhankelijke zorgpremie zou voor het gemiddelde gezin een paar honderd euro in de maand schelen. Een heffing van 6% op je spaargeld betekent dat je plannen voor de toekomst (een eigen huis, eerder stoppen met werken) moet herzien. In de abstracte termen van de onderhandelingstafel vindt iedereen dat we in crisis tijd onze verantwoordelijkheid moeten nemen en is iedereen het eens met het principe de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Maar alles het concreet wordt, dan moet de gewone man, zoals u en ik, ontzien worden.

En wat ik het meest fascinerend vindt, is dat mensen als Jeroen Dijsselbloem en Wouter Bos die vergaderingen voorzitten. Ongelofelijk slimme politici voor wie de spreadsheets van de rekenmeesters geen geheimen hebben. En die in hun retoriek tijdens verkiezingen altijd oog hebben gehad voor de middenklasse en hun zorgen. Maar twee keer achter elkaar blijkt dat een noodmaatregel wel het financiële kapitaal kunnen opleveren dat volgens de economische modellen nodig is, maar dat politici niet het politieke kapitaal hebben om het door te voeren.

De huidige voortslepende economische crisis vindt plaats in de context van een politiek die een sterk technocratisch karakter heeft. Waarin doorgerekende bezuinigingsvarianten het speelveld van de politiek markeren en het het doel van politici is om een bundel van maatregelen te kiezen die een door diezelfde economen gezet doel moet halen.

Maar bovendien lijken politici vergeten waar ze in verkiezingstijd zo goed in zijn: vertrouwen winnen. Op campagne vragen kandidaten met een duizend keer gepolijst verhaal even vaak om ons vertrouwen vragen. En dan vergeten sociaaldemocraten de middenklasse niet uit het oog. Want dat is een cruciale swing vote. Maar juist in de kern is onze economische crisis een crisis van vertrouwen: van vertrouwen van consumenten in hun eigen economische perspectieven en in de zekerheid van hun spaargeld.

En die electorale werkelijkheid lijkt vergeten te worden door mensen die het in verkiezingstijd bar goed begrijpen maar voor wie in de momenten daartussen de werkelijkheid wordt gemaakt door abstracte economische doorrekeningen.

“Austeridad Basta Ya!”

In de nachttrein naar Madrid ontmoetten we een man. Laten we hem Louis noemen. Flegmatisch uiterlijk, zwart haar en een licht verdwaasde blik in zijn ogen. Uitermate spraakzaam. Terwijl het Spaanse winterlandschap voorbij trok en wij ons ontbijt aten, vertelde hij honderduit over zijn plan: hij was vanuit Parijs naar Madrid gekomen om te protesteren tegen de bezuinigingen van de regering-Rajoy. In zijn coupe had hij een groot bord met “Austeridad Basta Ya!” op een kant en “Urgencia social y ambiental” op de andere.

Toen we bij ons hotel aankwamen was er veel politie op de Plaza de Sol. Ook waren er wat anarchisten met honden en hand geschreven borden en een groepje activisten met oranje hesjes. Het leek niet als of er een heel grote demonstratie was. Het aantal straatartiesten die verkleed waren als Micky-Mouse-in-Uncle-Sam outfit en het aantal mensen die gele hesjes om hadden die mensen aanmoedigden om goud te kopen overtroefde op dit centrale plein van Madrid het aantal demonstranten.

Na een stadswandeling kwamen we terug bij het hotel. Het aantal mensen op het plein was aanzienlijk toegenomen. Op onze kamer nam het geluid vanaf de straat steeds verder toe: trommels, fluiten, brass-bands, mensen die “El Pueblo Unido” zongen of “Si se puede” scandeerden. Vanuit het raam kon ik een tamelijk grote mensenmassa zien: een horde communisten van Izquerda Unida, republikeinen met de rood-geel-paarse vlag, verpleegsters in uniform, leden van de anarcho-syndicalistische vakbond CNT, dames in bontjas, jongeren met opgeschoren haar én een enkeling met een bord met daarop de tekst “Urgencia Social y Ambiental”. Langzaam trokken de mensen langs mijn balkon. Op hun borden uitten ze hun onvrede met de bezuinigingen, de Partido Popular, het kapitalisme, de banken en het Franco-regime.

Terwijl de mensenmassa onder mij doorliep, kwam bij mij de vraag op: zijn dit de Good Guys? Moet ik niet mee lopen?

Spanje heeft een probleem. Vanuit de trein hadden we Amerikaans opgezette nieuwbouwwijken gezien met golfbanen en zwembaden. En toen we door het zakendistrict van Madrid reden zagen we hoge torens van glas en staal. Het metrostation waar we aankwamen was imposant: zo’n vijf verdiepingen, uitgevoerd in hout, glas en metaal. Spik-splinter-nieuw. Op een muur werd een patroon getoond dat leek alsof er cijfers en letters naar beneden stroomden zoals in de matrix. Maar er was bijna niemand. En als we naar beneden keken, zagen we de plekken waar metrorails zouden moeten liggen, maar waar alleen een lege bak was. In de trein vroeg een man zonder armen om geld. In het straatbeeld was armoede zichtbaar in de tientallen zwervers en bedelaars.

Want door de financiële crisis is de economische groei in Spanje hard geknakt. Toen de banken stopten met lenen verdween het geld dat er was voor huizen- en kantorenprojecten. En daarmee verdwenen ook de banen in de bouw. De conclusie is simpel. Spanje heeft jarenlang op te grote voet geleefd. De economie groeide op geld dat er niet was, geld dat geleend werd om grote bouwprojecten mee te financiëren. Zolang Spanje zou blijven groeien kon iedereen daarvan mee profiteren. Nu blijkt de belofte van groei een fata morgana. Maar de publieke sector in Spanje is wel meegegroeid met de economie: infrastructuurprojecten, ziekenhuizen en uitkeringen. Economische groei betekent ook meer belastingopbrengst. Het is dus niet meer dan logisch dat de regering-Rajoy moet bezuinigen. Een deel van haar economie bleek opgeklopte lucht. Nu de klap gekomen was, moest die lucht eruit.

De demonstranten zouden het niet met die analyse eens zijn: als de regering het gaspendaal van investeringen zou weten te vinden dan zou de groei terugkeren. Maar de manier waarop de overheid groei zou kunnen stimuleren is door zelf geld te lenen op de financiële markten. En Spanje heeft vanwege haar gekrompen economie en door haar niet-geslonken overheidsuitgaven een flink begrotingstekort dat haar onaantrekkelijk maakt voor banken en rating agencies. Het verzet tegen de banken die maar poker spelen met onze economie en het verzet tegen de bezuinigingen lijken hetzelfde verhaal maar is een essentie een radicaal ander verhaal. Spanje kan blijven lenen bij de banken en blijven geloven dat hun economie zal groeien en zo haar verzorgingsstaat betalen, of ze kan zich richten op reële economische ontwikkeling, maar dan moet zij haar verzorgingsstaat afslanken: geld lenen betekent in Spanje dat er een hypotheek op de toekomst wordt gelegd. Niet alleen is 25% van de Spaanse jeugd is werkloos, maar de Spaanse jeugd moet ook opdraaien voor de crisis door een hogere staatsschuld.

Maar wat kunnen we dan doen aan de Spaanse verpleegster die op straat komen te staan, aan het werk te houden en om de jeugdwerkloosheid terug te dringen? Misschien geeft Louis ons wel het goede voorbeeld. Zijn internationale solidariteit is uitzonderlijk. Wie gaat er twee dagen heen en weer naar Madrid alleen maar om mee te lopen in een demonstratie?

Het zou aanzienlijk goedkoper zijn om als Nederlandse overheid te gaan lenen en dat aan Spanje te geven. Vroeger zou Spanje uit haar slechte economische positie kunnen komen door de peso te herwaarderen. Dan zou de import afnemen en de export toenemen. Het zou duurder worden voor Spanjaarden om Nederlandse tomaten te kopen, maar bijvoorbeeld stedentrips naar Madrid worden voor Nederlanders aantrekkelijk. Nu kan dat niet meer door de monetaire unie en is Spanje een netto-importeur van goederen uit Nederland en Duitsland. Onze economie draait nog, houdt de Spaanse jongeren werkloos. Als het Noorden nou eens wat van haar rijkdom met het Zuiden zou delen? Een monetaire unie vereist herverdeling tussen arme en rijke landen.

Zijn Europese partijen wel politieke partijen?

Sinds 2003 erkent Europese wetgeving Europese politieke partijen (hier ‘europartijen’ genoemd). Daarmee werden de Partij van Europese Socialisten (PES), de Europese Volkspartij (EVP), de Europese Liberalen, Democraten en Hervormers (ELDR; tegenwoordig ALDE geheten: Alliantie van Liberalen en Democraten in Europa) en de Europese Groene Partij (EGP) formeel erkend. Een aantal Nederlandse partijen is bij Europese partijen aangesloten: GroenLinks bij de EGP, het CDA bij de EPP, D66 en de VVD bij ALDE en de PvdA bij de PES.

De ambitie van de Europese wetgever en de realiteit gaan echter niet altijd hand in hand. Zo is het vanuit wetenschappelijk opzicht een serieuze vraag of wat door de Europese wetgeving als een politieke partij wordt beschouwd, wel een politieke partij is. De politicoloog Koole  definieerde in zijn proefschrift een politieke partij als “een georganiseerde groep, voorzien van een officiële benaming, die als zodanig kandidaten stelt voor verkiezingen van openbare functies.” Europartijen nemen evenwel niet deel aan verkiezingen: nationale partijen stellen immers de kandidaten voor de Europese verkiezingen, die bovendien per lidstaat plaatsvinden. De nationale partijen voeren verder onder hun eigen naam campagnes voor hun kandidaten en stellen verkiezingsprogramma’s op waar de parlementariërs uitvoering aan geven. Daartegenover staat dat de parlementariërs van dezelfde nationale partij zich wel aansluiten bij de eurofracties, die weer gelieerd zijn aan europartijen.

Europartijen voldoen zo niet aan de definitie van Koole. In de geschiedenis zijn er ook andere ‘partijen’ geweest die zich niet eenvoudig verhouden tot de klassieke definitie van Koole, zoals de negentiende-eeuwse kaderpartij. Uit de analogie tussen deze Europese partijen en deze kaderpartijen, die zoals iedere historische vergelijking imperfect is, kunnen we meer leren over de toekomst van Europese partijvorming.

Ideaaltypisch bezien zijn er twee verschillende manieren waarop partijen tegen het einde van de negentiende eeuw zijn ontstaan. De oorsprong van de ‘massapartij’ ligt buiten het parlement. De straf opgezette, hiërarchische massapartij organiseerde bevolkingsgroepen die door het beperkte kiesrecht buiten de politieke arena stonden, met als doel door de verkiezing van haar kandidaten daartoe toegang te verkrijgen. Het Nederlandse voorbeeld hiervan is SDAP. Aan de massapartij ging de ‘kaderpartij’ vooraf. Haar ontstaan lag binnen het parlement, toen volksvertegenwoordigers die het eens waren over de belangrijkste politieke kwesties, zich aaneensloten. Zo ging het in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw met de liberalen. In het toen geldende districtenstelsel waren de Tweede Kamerleden voor hun herverkiezing afhankelijk van de kiesvereniging in hun district. In het geval van de liberalen sloten deze onafhankelijk opererende kiesverenigingen zich in 1885 aaneen in een federatief verband, de Liberale Unie geheten. Deze losjes georganiseerde formatie wordt als kaderpartij aangeduid.

Tot op zekere hoogte is de structuur van de negentiende-eeuwse kaderpartij vergelijkbaar met die van de huidige europartijen. Deze partijen, of beter gezegd hun fracties, organiseren gelijkgestemde parlementariërs uit alle landen van de Europese Unie, maar de rekrutering en selectie van kandidaten en de campagne voor hun verkiezing wordt georganiseerd en uitgevoerd door onafhankelijke organisaties op een lager niveau, namelijk de nationale partijen – net als destijds bij de negentiende-eeuwse kaderpartij en haar kiesverenigingen.

De wortels van huidige partijen als de VVD en het CDA liggen geheel of ten dele in de negentiende-eeuwse kaderpartijen. Toch lijken deze partijen in ieder geval in organisatorisch opzicht in weinig meer op hun voorgangers uit de negentiende eeuw: kandidaatstelling en campagnevoering ligt tegenwoordig geheel op het nationale niveau. Cruciaal in deze ontwikkeling was de vervanging in 1918 van het districtenstelsel door een proportioneel kiesstelsel. Deze hervorming leidde tot een sterke nationalisering van het electorale proces; Nederland werd feitelijk één groot kiesdistrict. Het gevolg was een (verdere) centralisering van de landelijke partijorganisatie, waarbij de besturen vaste grip op de kandidaatstelling kregen.

Institutionele wijzigingen kunnen de verhoudingen binnen partijverbanden sterk beïnvloeden, zo blijkt wel uit deze verschuiving van de macht van de lokale kiesvereniging naar het landelijke bestuur. Vanuit dit perspectief is ook een versterking van de positie van de europartij ten opzichte van de lidpartijen heel goed denkbaar. Als er bij de Europese verkiezingen naast de nationale lijsten Europese kieslijsten ingevoerd worden (met rechtstreeks, binnen de gehele EU te verkiezen Europese kandidaten – een voorstel dat in 2011 door de commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement werd goedgekeurd), of de mogelijkheid de voorzitter van de Europese Commissie of Raad direct te verkiezen, dan zal binnen europartijen in ieder geval ten dele de macht ook verschuiven: van nationale partijen naar de europartij, omdat die verantwoordelijk zal worden voor de ‘Europese’ kandidaatstelling. Daarbij krijgt zij in beginsel ook grotere invloed op de via de Europese lijst gekozen europarlementariërs: wanneer deze niet voldoen, kan de europartij besluiten hen niet opnieuw te kandideren. Door dergelijke institutionele vernieuwingen zullen de europartijen aan relevantie winnen, en kunnen zij een reële bijdrage leveren aan ‘de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie’, zoals in het Verdrag van Maastricht in 1992 werd vastgelegd.

Dit artikel is geschreven voor Simon Otjes en Gerrit Voerman en verschijnt ook in de Hofvijver van december 2012.