De economie van meer, meer, meer of de economie van ervaringen.

Gisteren nam Pepijn Vloemans afscheid van Bureau de Helling, het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Voor zijn afscheid schreef ik het volgende:

Het materialisme. Dat is het grootste problemen van onze tijd. Onze obsessie met meer, meer, meer is een teken van een beschaving die zichzelf naar de rand van de ecologische catastrofe consumeert. Bureau de Helling ging op onderzoek uit. We zoeken een materialist op en een postmaterialist en we laten hun levenspatronen doorrekenen door een milieukundige.

De materialist

JP Toys

Ik ontmoet Hans bij hem thuis. Hij woont in een appartement in Nieuw Vennep. Zijn huis staat vol met plastic dinosauruspoppetjes. Hij heeft er honderden, misschien wel duizenden. We lopen langs zijn collectie. Zijn kasten puilen uit. Sommigen zijn ‘mint-on-card‘, anderen zijn tamelijk beschadigd: ‘Battle damage‘. Als ik naar twee dinosauriërs wijs, ‘Velociraptors’ zegt Hans snel, en vraag waarom hij twee dezelfde heeft, schudt hij nee: ‘De eens is een repaint van de ander. Kijk deze heeft magenta klauwen en hier zijn ze fuchsia.’

Hans is overduidelijk trots op zijn collectie. Op internet zit hij op fora met verzamelaars uit heel de wereld. Op internet vertellen ze trots over wat ze hebben vergaard. ‘Ja, eigenlijk is er niets leukers dan iemand jaloers maken omdat je net één euro meer hebt geboden op eBay’. De collectie van Hans is één van de grootste en meest complete. ‘Zeker nadat ik een deel van de collectie van een Amerikaan had over gekocht. Toen hij ging samenwonen met zijn vriendin moest hij zijn verzameling weg doen.’ Ik durf hem niet te vragen wat hij dat kostte. Maar hij vertelt er monter over: ‘Een deel daarvan verkoop ik op eBay. Dan krijg je er zo 30 dollar voor.’ Hij wijst naar een plastic speelgoeddinosaurus. ‘Mint-in-box hè. Zo houd ik misschien wel meer over aan deze aankoop dan ik er origineel voor heb betaald.’

We eten een broodje pindakaas. ‘Sorry dat er niet zo veel keuze is, wil je me misschien een peer?’ Hans eet strikt vegetarisch. Hij is geen foodie, de snoep- en chipskasten zijn goed gevuld.

Iedere dag pendelt hij met de trein op en neer naar Rotterdam. Daar werkt hij in een bioscoop. Eén van de voordelen van die baan is duidelijk zichtbaar. Waar geen ruimte was voor een kast hangt een filmposter. ‘Als een film niet meer draait dan worden de posters teruggestuurd naar de distributeur.’ Het is een soort van hergebruik. Dat past hem wel: bijna al zijn dino’s zijn tweede- of derdehands. Op vakantie gaat hij nauwelijks. In zijn weekenden struint hij verzamelaarbeurzen af, op zoek naar net die ene dino die hij mist. ‘De Jurassic Park collectie heb ik bijna compleet. Ik mis er nog 10.’

Hans is overduidelijk geobsedeerd door spullen. Op mijn vraag of hij een materialist is, zegt hij: ‘Tsja, het zijn er wel veel, hè. Soms kan je je gewoon niet inhouden. Dan moet je er een hebben.’ Het moge duidelijk zijn: Hans put zijn geluk en misschien zelfs wel zijn identiteit uit spullen. Het materialisme, competitiedrang en consumentisme zit hem in de wortels. Zijn huis staat vol met prehistorisch plankton dat door Chinese fabrieken in de mal van prehistorische dieren is gegoten.

De postmaterialist

De patio van Cafe van Zuylen aan de Amsterdamse grachtengordel

Het was lastig om met Merijn een afspraak te maken. Nu woont hij nog in Utrecht, maar over een paar dagen vliegt hij naar Mumbai. ‘Voor mijn nieuwe boek over sociaal en duurzaam ondernemen. Ik ga ook bloggen voor De Correspondent.’ Daarna gaat hij een tijdje in Parijs wonen: ‘Ik was Nederland zo zat. Hier heerst een economische sfeer. Maar Parijs. Daar gebeurt het. Daar zie je hoe mensen bezig zijn met nieuwe initiatieven.’ Ik tref hem in zijn favoriete restaurant: Van Zuylen aan de Singel in Amsterdam. Hij pakt de kaart en bestelt een broodje filet americain. Ik vraag hem of hij een foodie is: ‘Dat moet je zo zien. Nederlanders kunnen niet koken. Nederlanders zien eten als een noodzakelijk kwaad, als een brandstof. Voor mijn laatste boek heb ik een half jaar door Azië en Australië gereisd. Ik heb alles geproefd: koe, kat, kangoeroe. Maar dit blijft toch wel mijn favoriet.’ Hij smeert nog wat extra filet op zijn broodje. Het is al ruim twee centimeter. Je kan het niet aan hem zien. Merijn fietst veel en loopt hard. ‘Veel mensen fietsen tegenwoordig de Alp d’Hues. Maar ik weet: in je eentje mountainbiken door de Gobiwoestijn. Dat is pas een uithoudingsstrijd.’

Of hij materialistisch is: ‘Nee. Helemaal niet. Ik wil geen spullen verzamelen. Als Flop en ik naar Parijs gaan past alles in onze Mini Cooper: wat kleren en wat boeken. Ik ben niet op zoek naar spullen, maar naar ervaringen. Dat merk ik trouwens helemaal met mijn radiodocumentaire over de consumptiesamenlevingen: we willen geen producten meer maar experiences Ik denk dat daar een kans ligt voor een nieuwe economie.’

Ik vraag hem naar wie voor hem als schrijver zijn voorbeeld is. Het is even stil. ‘Zo moet je dat niet zien. Je baant als schrijver je eigen weg. Nietzsche noemen ze wel de filosoof met de hamer, maar volgens heeft iedere filosoof een kapmes nodig.’ Ik probeer het anders: zijn er Nederlandse schrijvers met wij hij wedijvert. Resoluut: ‘Nee daar gaat het niet om. Dat is zo’n houding van: ‘it is not enough to win, others must lose.’ Die primitieve competitiedrang daar ben ik wel bovenuit gestegen.’

Hij bestelt nog een focaccia met mozzarella en tonijn. Verontschuldigend zegt hij: ‘Ik ben wel vegetariër geweest, maar ik hield het gewoon niet uit, weet je.’ Hij speelt met zijn wijnglas. ‘Je gaat het toch missen. Ik in elk geval. En trouwens in Australië kan je dat echt niet volhouden. Ik eet eigenlijk alleen biologisch vlees.’

Merijn doet aan participant-observation. Hij zoekt het op: hij vertrekt naar Parijs. Hij doet mee: hij eet kat in Thailand. En hij probeert te ontleden wat mensen drijft als blogger voor De Correspondent. ‘De moderne mens verzamelt geen schelpen, muntjes of steentjes meer als aandenken van reizen en ontdekkingen. En zelfs ook geen foto’s. Je verzamelt ervaringen, herinneringen, verhalen. Eigenlijk gaan we daarmee terug naar de prehistorie. De tijd van jagers en verzamelaars. Daar paste ook alles in Mini Cooper. Bij wijze van spreken.’

De wetenschapper

‘Het is een rare opdracht’ zegt Sophie de Vries, de gepromoveerde milieukundige werkt aan de klimaatdoorrekeningen voor het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Normaal rekenen we hele voorstellen voor het kabinet. Maar we kunnen wel even kijken.’ We spreken haar op haar werkkamer in Bilthoven, het raam kijkt uit op een natuurgebied. Aan de muur hangt een groot wit bord met daarop formules en lijnen verbonden met pijlen.

Ik geef haar de twee lijstjes: Hans en Merijn. Man, beiden in het zelfde jaar geboren. De één met een materialistische levensstijl. De ander met een postmaterialistische levensstijl. Met een rode pen gaat ze langs de beschrijvingen: ‘Hoeveel plastic dinopoppetjes? Hoe zwaar ongeveer? En van hoever komen ze?’  Ze knikt. Achter alle posten komt een getal te staan. ‘Normaal gaat het in kiloton CO2 maar we rekenen nu even in een ander orde van grootte.’

Na een minuut of vijf zijn aan alle posten aantallen toegekend. Ze pakt een rekenmachine. ‘Ik had het al verwacht. Kijk, de helft van die dinopoppetjes van Hans zie ik als tweedehands consumptiegoederen. Dat heeft netto een negatief CO2-resultaat omdat ze anders de verbrandingsoven in zouden gaan. En als je dan kijkt: vegetarisch dieet, geen auto, geen vliegreizen. Dan kom ik op een klein CO2 saldo uit. Maar die Merijn: vleesconsumptie, autogebruik, en met name die vliegreizen, hè. Amerika, Azië, Australië. Dat hakt er toch in. Maar het grootste verschil is toch wel wat je dagelijks doet. Een aankoop is incidenteel: maar iedere dag waarop je kiest voor rijst met tofu of stamppot met worst, maak je een keuze voor het milieu. En biologisch vlees is slechter voor het klimaat, dan niet-biologisch vlees. In een megastal kunnen alle gassen worden afgevangen, maar in de vrije natuur gaat dat zo hop de atmosfeer in’

Aantekening van Sophie de Vries

Ik wijs haar nog op zijn boeken over duurzaam ondernemen. ‘Lastig, lastig. In de eerste plaats heeft zo’n boek natuurlijk een positief CO2-resultaat.’ Ik probeer bewustwordingseffecten. Op de achterkant van mijn lijstje tekent ze een lijn: ‘Kijk dit is de opwarming van het klimaat. En deze lijn …’ Ze tekent een lijn vlak boven de opgaande lijn van het klimaat ‘… is het aantal boeken over duurzaamheid. Zo op het eerste gezicht betekent extra boeken over duurzaamheid meer klimaatverandering.’

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

Een groen wedge issue

Plassen onder de douche, gratis kraanwater en het vuurwerkverbod. Het zijn allemaal de verschijningsvormen van hetzelfde probleem. GroenLinks mist een groene versie van de kopvoddentax.

Een kopvoddentax is een wedge issue. Een voorstel waar 50% van de bevolking het harstochtelijk mee eens is en 50% het hartgrondig mee oneens is. En waar de 50% die het er mee oneens zijn daar zo’n punt van maken dat zij de media blijven zoeken om hun tegenstand te blijven herhalen. En waardoor de 50% die het er mee eens zijn zo voortdurend versterkt worden in hun opvattingen.

Plassen onder de douche en gratis kraanwater zijn voorbeelden van een voorstel waar veel mensen het mee oneens zijn en die het graag herhalen. Maar het onderwerp is niet overtuigend genoeg om het groene mensen mee te krijgen. Daarvoor is het te klein.

Maar de belangrijkste voorstellen van GroenLinks zijn geen wedge issues. Onze voorstellen voor eco-belastingen zijn technocratisch en milieubestuurlijk. Ze roepen geen tegenstand op aan de kant van de oppositie en geen passie op aan de kant van de voorstanders. Het zijn een gematigde voorstellen dat bij niemand geestdrift opwekt in positieve of negatieve zin. Dat betekent niet dat het een slecht voorstel is overigens, maar niet een die heart & minds van mensen in beweging zet.

Aan de andere kant zijn de hedendaagse milieuproblemen te groot, te zeer langetermijnproblemene en te abstract om er direct over te praten. “Als jij nu niet handelt zal klimaatverandering de wereld zoals wij kennen vernietigen over vijftig jaar.” Dat roept meer angst op dan de motivatie om te handelen. Milieuproblemen moeten verkocht worden in bite-size packages die aan de ene kant niet te klein zijn om niet serieus genomen te hoeven worden en aan de andere kant niet te groot zijn om met name angst te genereren.

Het vuurwerkverbod raakt in mijn ogen een boel juiste noten. Ongeveer 50% van de mensen is er tegen en 50% van de mensen is ervoor. De mensen die ervoor zijn echte vuurwerkenthousiasten die hun ene avond pyromanie niet willen laten afpakken en de andere zijn vuurwerkhaters die op nieuwjaarsavond een huisje op de hei zoeken ver weg van de herrie, de rommel en de stank. Bovendien is dit een probleem dat zowel mensen op de korte termijn raakt (vuurwerkslachtoffers) als op symbool is voor langetermijnproblemen (verspilling van grondstoffen en luchtvervuiling). Bovendien is het een jaarlijks terugkerend ritueel in de nieuwsluwe decembermaand. En toch wringt het: want GroenLinks heef zich willen positioneren als vrijzinnige partij zonder moralistisch vingertje. Daar past een verbod op een avond nationaal plezier niet bij. In het verleden was de Tweede Kamerfractie weinig enthousiast over de vasthoudendheid van het duo Rietveld-Bonte. Toch moet ik hen het nageven: hun consistente herhaling van hun boodschap (‘meer plezier met minder vuurwerk’) leverde in het begin met name scheve ogen op. Maar het is nu overgenomen in het GroenLinksprogramma en hun initatief in eind vorig jaar werd uitgevoerd samen met een tiental lokale GroenLinks-afdelingen.

Een ander voorstel dat het ook goed doet is een verbod op mega-stallen. De Brabantse GroenLinks-afdeling voerde er succesvol campagne op. Het raakt mooi een groot aantal groene GroenLinks-thema’s: landschap, dierenwelzijn en gezondheid. Bovendien zijn de voorstanders van zo’n verbod talrijker dan de tegenstanders. Maar is er aan beide kanten genoeg passie om een debat op te zetten. Inhoudelijk zitten er wel een aantal haken en ogen aan het voorstel: op klimaat scoort een mega-stal beter dan een bio-stal. Je kan dan namelijk veel beter de broeikasgassen, geproduceerd door vee, afvangen in een afgesloten mega-stal dan in de vrije natuur. Al met al: het is niet zo zwart/wit. Het past niet bij een genuanceerde partij als GroenLinks om fundamenteel tegen mega-stallen te zijn.

Kortom: GroenLinks moet op zoek naar een groen onderwerp waarop ze 50% van de kiezers vol geestdrift achter zich heeft en 50% van de kiezers op de kast jaagt. Het moet een onderwerp zijn dat niet te klein is om weggelachen te worden, maar niet zo groot dat mensen zich machteloos voelen. En bij voorkeur moet het regelmatig terugkeren in de nieuwscyclus zodat GroenLinks zich er consistent op kan vastbijten. En daarvoor moeten we onze vrijzinnigheid en nuance maar stallen. Want een wedge issue is politiek goud.

Don Quichot

Een poster van de anti-windmolenbeweging

Laatste fietste ik door Drente. Daar stonden allerlei borden en doeken “Windmolens nee”. Voor iemand die afkomstig is uit Noord-Holland vrij onbegrijpelijk: voor mij staan windmolens voor vooruitgang. Ik sprak een van de lokale boeren, een biologische tuinder die zich heeft gespecialiseerd in vergeten groentes en eetbare bloemen.

Ze legde het rustig uit: “Er zijn drie soorten duurzame energie: windenergie, zonne-energie en bio-massa. Ik vind dat bij de afweging welke duurzame energiebron we kiezen in Drente esthetische argumenten een rol moeten spelen. Ik vind zonne-panelen beter, want windmolens verstoren het Drentse landschap.”

Was het kruidenvrouwtje de moderne incarnatie van Don Quichot? Ze klonk bijzonder redelijk. Windenergie, zonne-energie en bio-massa zijn inderdaad de belangrijkste bronnen van duurzame energie. Op de duurzaamheid van sommige daarvan kunnen we wat afdingen. De vraag is dan welke criteria we moeten toepassen bij het selecteren van energiebronnen.

De duurzaamheid van duurzame energiebronnen
De duurzame drieslag: bio-massa, zonne-energie en windenergie. De laatste echter is als duurzame energiebron in grijs gebied. Bio-massa komt of direct uit de landbouw of indirect uit afval.
De bio-brandstoffen uit de landbouw komen (nu nog) met name uit palmolie. Om palmolie te winnen worden (nu nog) oerwoud gekapt. Dat lijkt me niet duurzaam (zie hier). Er komen ook bio-brandstoffen uit suikers (bv. mais). Om die te krijgen, wordt landbouwgrond en water gebruikt die anders voor voedsel gebruikt zou worden. Dit drijft de prijs van voedsel omhoog, wat ten koste gaat van de allerarmsten (zie hier en hier).
Dan is er ook nog optie afval. We kunnen biologisch afval gaan verbranden. Denk bijvoorbeeld aan mest uit de landbouw. Daar zijn wel wat bezwaren tegen te formuleren: zoals dat de intensieve veehouderij een belangrijke bron is van klimaatverandering, omdat koeien productenten zijn van bijzonder effectieve klimaatgassen. Je zou ook bijproducten van boskap kunnen verbanden, maar dat onttrekt koolstof uit het bos en pompt dat in het atmosfeer (zie hier). Maar bovendien we moeten toe naar een economie met minder afval waarin meer wordt hergebruikt. Het verbranden van afval is met het streven naar een cyclische economie niet duurzaam.

Zonne-energie is een stuk duurzamer, maar niet perfect (zie hier en hier). Zonne-panelen zijn, in vergelijking met windenergie, relatief complexe aparaten. Er zitten zware metalen in verwerkt, zoals cadmium, kwik en chroom. Deze zijn relatief schaars, de winning ervan is slecht voor het milieu en bovendien kan daardoor een zonne-paneel niet zo maar bij het grofvuil. Zonne-energie is daarmee niet het meest duurzame van het drietal.

Dat is windenergie. Windturbines zijn niet alleen een energiebron die Nederland al sinds mensenheugenis gebruikt, maar bovendien de manier waarop bijna alle andere energiebronnen werken. De techniek ervan is dus al bekend. Het enige milieuprobleem dat eraan gerelateerd is, is landschapsvervuiling (zie hier). Vanuit duurzaamheidsperspectief is het een trio met een voorkeursordening: windenergie, zonne-energie en dan bio-brandstoffen.

Kracht van de zon in Duitsland

Efficientie
Maar er is niet alleen sprake van een algemene voorkeursordening. Volgens mij is het andere belangrijke criterium bij de toepassing van duurzame energie efficientie. Als we duurzaam willen omgaan met onze energie dan zullen we energiebronnen moeten inzetten waar ze het meeste energie op leveren. Dus geen windenergie in een windstil gebied, geen zonne-energie in een schemerrijk gebied en geen bi- massa op verre afstand van de regenwouden, akkerbouwgebieden, veestapels, bossen en bevolkingscentra waar ze vandaan kwamen. Drente past dan qua profiel het beste bij windenergie. Een vlak land waar het hard waait. We horen veel over het succes van Duitse zonne-energie. Dat is toch een vergelijkbaar land? Maar het is vrij simpel: hoe zuidelijker in Duitsland hoe meer zon, hoe passender zonne-energie

Kracht van wind in Europa

Maar qua wind zijn er alleen gebieden in het Verenigd Koninkrijk en Denenmarken die gepaster zijn voor windenergie, dan Noord- en West-Nederland.

Esthetiek
Als je esthetiek dan als criterium wil toepassen, naast de duurzaamheid van het middel en de gepastheid van het middel in het specifieke gebied dan moet je twee aantekeningen maken: ten eerste het utilitische beginsel en ten tweede kostenbeginsel.

Laten we de notie onderschrijven dat windmolens het geluk van de bewoners vermindert want daar hebben we het over: bij andere vormen van NIMBY-gedrag, zoals radio-actieve energie, gaat het om gezondheid. Hier gaat het om geluk. Dan we zullen windmolens moeten plaatsen daar waar het niet alleen het meest passend is, maar ook waar de minste mensen er last van hebben. De provincie met de laagste bevolkingsdichtheid is: Drente, met 185 inwoners per vierkante kilometer.

Maar ten tweede, is er een morele vraag: klimaatverandering is een abstract ver-van-mijn-bed-probleem. Over 100 jaar is het misschien op aarde zes graden warmer. De urgentie van het probleem valt weg bij alledaagse problemen als zorgen over werk, je pensioen en het uitzicht vanuit je huis. Het klimaat verandert. So what? De gevolgen van klimaatverandering worden echter heel direct zichtbaar in de armste landen. In Bangladesh zorgt het veranderende klimaat nu al voor watertekorten in sommige gebieden en overstromingen in andere gebieden. Dat kost op dit moment al mensenlevens: mensen die verdrinken bij overstromingen of die te weinig eten krijgen door droogte. De simpele vraag is dan: hoeveel mensen levens is het je waard om geen windmolen te hoeven zien?