Weg van Christendemocratische principes, op naar linkse doelen

We vergeten vaak dat onze verzorgingstaat niet de realisatie is van echte linkse idealen, maar sterk beïnvloed is door Christendemocratische principes. Het doel van de sociale zekerheid is niet herverdeling maar het is een verplichte verzekering tegen inkomensverlies, omdat je niet meer kan werken omdat je te oud of te ziek bent bijvoorbeeld.

Sterker nog, dit stelsel staat in de weg van linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten: het moedigt bedrijven aan om in Nederland geen werknemers in dienst te nemen; het vraagt een gelijke bijdrage van een onderwijzer en een bankier. En het creëert ongelijkheid tussen een werknemer en een ZZP’er die op verschillende manieren hun werk organiseren.

Het kernidee van het Christelijk-sociale denken is dat werknemers en werkgevers naast de overheid een aparte verantwoordelijkheid hebben. Niet alles moet door de staat geregeld worden. Mensen moeten zelf betalen voor zulke verzekeringen. Maar omdat mensen niet goed zelf keuzes kunnen maken moet de overheid hen wel verplichten zich te verzekeren. De kern van de sociale zekerheid is dus niet een eerlijke verdeling van arbeid en inkomen maar verplichting en verzekering

Dat klinkt als mooie principes maar ondertussen is de uitvoering van de sociale zekerheid verbureaucratiseerd en is het allang al niet meer echt een gedeeld verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het is een andere vorm van belastinginning geworden. Een die mensen werkloos houdt, inkomensverschillen in stand houdt en mensen die hetzelfde werk doen anders behandelt

Het verzekeringsstelsel maakt arbeid onnodig duur

Het idee achter het Christelijk-sociale verzekeringsstelsel is vrij simpel. We verzekeren ons verplicht voor ouderdom, ziekte en werkloosheid. Voor het gemak int de belastingdienst de verzekeringskosten. Het grootste deel van de lasten die mensen met een laag inkomen betalen zijn niet belastingen maar premies van volksverzekeringen.(1) De lasten voor de werknemersverzekeringen worden voor iedere werknemer, door werkgevers, maar opnieuw als percentage van het uitbetaalde loon.

De volks- en werknemersverzekeringen worden bijna geheel gefinancierd arbeidskosten. Op die manier maken we datgene wat we waardevol vinden, namelijk dat mensen kunnen werken, duur. In crisistijd moeten werkgevers mensen ontslaan, omdat arbeidskosten een groot deel van hun begroting beslaat. Arbeidsintensieve productie verschuift naar landen met lage arbeidskosten. In de zorg zien we dat menselijk contact vervangen wordt door machines. Dat is  goedkoper voor de zorginstantie maar tegelijkertijd verliezen ouderen sociale contacten.

Het legt de zwaarste lasten niet bij de sterkste schouders

Bovendien is de redenering achter het Christendemocratische verzekeringsstelsel dat omdat je je verzekert voor een ongeval of ongeluk, iedereen evenveel moet betalen. Het is een verplichte verzekeringspremie: een premie die voor iedereen gelijk is, behalve voor mensen met een laag inkomen, zij betalen wel 30% van hun inkomen aan premies. Maar mensen met een laag inkomen betalen nauwelijks belasting. Voor belastingen geldt namelijk de sterkste schouders de zwaarste lasten. Bij sociale verzekeringen geldt juist dat de bankier en de onderwijzer evenveel betalen en niet fundamenteel meer dan de schoonmaker.

Als we de socialeverzekeringspremies zouden afschaffen zou dat twee positieve gevolgen hebben:

1) We maken arbeid en met name laagbetaalde arbeid veel goedkoper. Daardoor kunnen bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo kunnen we de groeiende werkloosheid bij de wortel aan te pakken: de prijs van arbeid.

2) En we verdelen de lasten eerlijker. Mensen met een laag loon hoeven minder lasten af te dragen en gaan er aan het eind van de maand op vooruit. Werk gaat weer lonen.

GroenLinks heeft een uitgebreid programma van belastingvergroening, progressieve belasting en vermogensbelastingen om de achteruitgang van de overheidsfinanciën te compenseren.

Het creëert ongelijkheid tussen mensen

Als we het verouderde verzekeringsstelsel afschaffen, maken we tegelijkertijd een eind aan de rechtsongelijkheid die daarmee geïnstitutionaliseerd is.

Omdat we nu de werknemersverzekeringen laten betalen door werkgevers worden mensen die niet in loondienst zijn hiervan uitgesloten. Dat is met name een probleem als kleine zelfstandigen arbeidsongeschikt of ziek worden. Voor hen is er nauwelijks sociale bescherming. Dat was logisch omdat werknemers en werkgevers in de Christelijk-sociale visie een andere verantwoordelijkheid hadden. Maar dat is een raar onderscheid in de huidige arbeidsmarkt: we zien in veel sectoren, zoals de bouw, dat mensen die eerst in dienst waren van een bedrijf het zelfde werk bij het zelfde bedrijf kunnen doen als zelfstandige. Dat is fijn voor de werkgever omdat deze minder lasten hoeft te betalen en flexibeler kan reageren als de vraag plotseling toe- of afneemt. Maar dat is minder fijn voor de tot het ondernemerschap veroordeelde ex-werknemer. Want hij heeft minder werkzekerheid, de opdrachten kunnen opdrogen, en minder sociale zekerheid: als hij als werknemer van een dak af valt komt hij in de WIA, als hij als zelfstandige van het zelfde dank af valt, is er geen vangnet.(2)

Als we de arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen uit de algemene middelen is het gerechtvaardigd om zowel werknemers als ondernemers hier recht op te geven. De overheid verzorgt universele bescherming tegen inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid, onafhankelijk van wat je deed om je inkomen te verdienen.

Een aparte werkloosheidsuitkering voor werknemers kan ik me wel voorstellen, want als werknemer ben je afhankelijk van je werkgever, maar een  arbeidsongeschiktheidsregeling die alleen voor werknemers geldt, is niet meer van deze tijd.

Als we afstappen van het verouderde Christendemocratische verzekeringsprincipe en dan kunnen we linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten bewerkstelligen. De Christelijk-sociale uitgangspunten leken in 1953 misschien eerlijk, maar houden anno 2013 in de praktijk ongelijkheid, armoede en werkloosheid in stand.

(1) Onder de 20.000 euro betaalt iemand 6% van zijn inkomen aan belastingen en 30% aan verplichte socialeverzekeringspremies.

(2) Natuurlijk is de aannemer wel aansprakelijk als het op zijn terrein gebeurt, maar het punt is dat de een wel toegang heeft tot de WIA en de ander niet.

 

Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

“Austeridad Basta Ya!”

In de nachttrein naar Madrid ontmoetten we een man. Laten we hem Louis noemen. Flegmatisch uiterlijk, zwart haar en een licht verdwaasde blik in zijn ogen. Uitermate spraakzaam. Terwijl het Spaanse winterlandschap voorbij trok en wij ons ontbijt aten, vertelde hij honderduit over zijn plan: hij was vanuit Parijs naar Madrid gekomen om te protesteren tegen de bezuinigingen van de regering-Rajoy. In zijn coupe had hij een groot bord met “Austeridad Basta Ya!” op een kant en “Urgencia social y ambiental” op de andere.

Toen we bij ons hotel aankwamen was er veel politie op de Plaza de Sol. Ook waren er wat anarchisten met honden en hand geschreven borden en een groepje activisten met oranje hesjes. Het leek niet als of er een heel grote demonstratie was. Het aantal straatartiesten die verkleed waren als Micky-Mouse-in-Uncle-Sam outfit en het aantal mensen die gele hesjes om hadden die mensen aanmoedigden om goud te kopen overtroefde op dit centrale plein van Madrid het aantal demonstranten.

Na een stadswandeling kwamen we terug bij het hotel. Het aantal mensen op het plein was aanzienlijk toegenomen. Op onze kamer nam het geluid vanaf de straat steeds verder toe: trommels, fluiten, brass-bands, mensen die “El Pueblo Unido” zongen of “Si se puede” scandeerden. Vanuit het raam kon ik een tamelijk grote mensenmassa zien: een horde communisten van Izquerda Unida, republikeinen met de rood-geel-paarse vlag, verpleegsters in uniform, leden van de anarcho-syndicalistische vakbond CNT, dames in bontjas, jongeren met opgeschoren haar én een enkeling met een bord met daarop de tekst “Urgencia Social y Ambiental”. Langzaam trokken de mensen langs mijn balkon. Op hun borden uitten ze hun onvrede met de bezuinigingen, de Partido Popular, het kapitalisme, de banken en het Franco-regime.

Terwijl de mensenmassa onder mij doorliep, kwam bij mij de vraag op: zijn dit de Good Guys? Moet ik niet mee lopen?

Spanje heeft een probleem. Vanuit de trein hadden we Amerikaans opgezette nieuwbouwwijken gezien met golfbanen en zwembaden. En toen we door het zakendistrict van Madrid reden zagen we hoge torens van glas en staal. Het metrostation waar we aankwamen was imposant: zo’n vijf verdiepingen, uitgevoerd in hout, glas en metaal. Spik-splinter-nieuw. Op een muur werd een patroon getoond dat leek alsof er cijfers en letters naar beneden stroomden zoals in de matrix. Maar er was bijna niemand. En als we naar beneden keken, zagen we de plekken waar metrorails zouden moeten liggen, maar waar alleen een lege bak was. In de trein vroeg een man zonder armen om geld. In het straatbeeld was armoede zichtbaar in de tientallen zwervers en bedelaars.

Want door de financiële crisis is de economische groei in Spanje hard geknakt. Toen de banken stopten met lenen verdween het geld dat er was voor huizen- en kantorenprojecten. En daarmee verdwenen ook de banen in de bouw. De conclusie is simpel. Spanje heeft jarenlang op te grote voet geleefd. De economie groeide op geld dat er niet was, geld dat geleend werd om grote bouwprojecten mee te financiëren. Zolang Spanje zou blijven groeien kon iedereen daarvan mee profiteren. Nu blijkt de belofte van groei een fata morgana. Maar de publieke sector in Spanje is wel meegegroeid met de economie: infrastructuurprojecten, ziekenhuizen en uitkeringen. Economische groei betekent ook meer belastingopbrengst. Het is dus niet meer dan logisch dat de regering-Rajoy moet bezuinigen. Een deel van haar economie bleek opgeklopte lucht. Nu de klap gekomen was, moest die lucht eruit.

De demonstranten zouden het niet met die analyse eens zijn: als de regering het gaspendaal van investeringen zou weten te vinden dan zou de groei terugkeren. Maar de manier waarop de overheid groei zou kunnen stimuleren is door zelf geld te lenen op de financiële markten. En Spanje heeft vanwege haar gekrompen economie en door haar niet-geslonken overheidsuitgaven een flink begrotingstekort dat haar onaantrekkelijk maakt voor banken en rating agencies. Het verzet tegen de banken die maar poker spelen met onze economie en het verzet tegen de bezuinigingen lijken hetzelfde verhaal maar is een essentie een radicaal ander verhaal. Spanje kan blijven lenen bij de banken en blijven geloven dat hun economie zal groeien en zo haar verzorgingsstaat betalen, of ze kan zich richten op reële economische ontwikkeling, maar dan moet zij haar verzorgingsstaat afslanken: geld lenen betekent in Spanje dat er een hypotheek op de toekomst wordt gelegd. Niet alleen is 25% van de Spaanse jeugd is werkloos, maar de Spaanse jeugd moet ook opdraaien voor de crisis door een hogere staatsschuld.

Maar wat kunnen we dan doen aan de Spaanse verpleegster die op straat komen te staan, aan het werk te houden en om de jeugdwerkloosheid terug te dringen? Misschien geeft Louis ons wel het goede voorbeeld. Zijn internationale solidariteit is uitzonderlijk. Wie gaat er twee dagen heen en weer naar Madrid alleen maar om mee te lopen in een demonstratie?

Het zou aanzienlijk goedkoper zijn om als Nederlandse overheid te gaan lenen en dat aan Spanje te geven. Vroeger zou Spanje uit haar slechte economische positie kunnen komen door de peso te herwaarderen. Dan zou de import afnemen en de export toenemen. Het zou duurder worden voor Spanjaarden om Nederlandse tomaten te kopen, maar bijvoorbeeld stedentrips naar Madrid worden voor Nederlanders aantrekkelijk. Nu kan dat niet meer door de monetaire unie en is Spanje een netto-importeur van goederen uit Nederland en Duitsland. Onze economie draait nog, houdt de Spaanse jongeren werkloos. Als het Noorden nou eens wat van haar rijkdom met het Zuiden zou delen? Een monetaire unie vereist herverdeling tussen arme en rijke landen.

“Een waardeloze economie”

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Ewald Engelen.

“Tegenover een ‘waardevolle economie’ staat een ‘waardeloze economie’.” stelt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie. “Het type economische groei die Nederland in de afgelopen 15 tot 20 jaar heeft meegemaakt, is waardeloos. Om te zien hoe waardeloos die groei is, dalen we af naar de krochten van het bankbedrijf”.

De bankencrisis aan weerzijde van de Oceaan
De aanleiding van de crisis lag in de Verenigde Staten: “In Amerika hadden Democraten en Republikeinen geprobeerd om inkomensongelijkheden weg te plaveien door mensen eigen huizen te geven zonder oog of mensen de hypotheken konden terugbetalen. Banken zetten die hyptoheken niet op de balans. De banken verpakten die hypotheken en verkochten ze door. Het zo geheten securitiseren.”

Er waren mensen die uiteindelijk die hypotheek niet meer op konden brengen: “Dan kan je in Amerika de sleutels naar de bank toe sturen. Steeds meer huizen stonden leeg. De huizenprijzen daalden. De gesecuritiseerde producten waren de prijs niet meer waard waarvoor ze op de boeken stonden. Niemand wist wie de verpakte hypotheekcontracten had gekocht. Er ontstond wantrouwen tussen banken. Er werden tussen banken geen geld meer geleend.” In 2008 gingen verschillende banken daardoor failliet.

“Deze gesecuritiseerde producten waren niet alleen verkocht aan Amerikaanse banken maar ook aan Europese banken. De schokgolf raakte zo ook het Europese continent. Staten in de hele Eurozone konden zich de meltdown van de financiële infrastuctuur niet permitteren. Het bankwezen was technisch failliet maar mocht niet failliet gaan. De overheden gaven kapitaalinjecties, namen de risico’s over van de banken en leverden garanties. In Nederland komt dat neer op 26% van het bruto binnenlands product.” Dat is de reden voor de grote staatsschulden nu, want “voor de crisis ging Bos met een overschot naar de Tweede Kamer”. In de onderstaande figuur is te zien hoe de staatsschuld in verschillende Westerse landen scherp steeg: voor de crisis daalde de schuld in Spanje met 10% na de crisis steeg de schuld met 10% per jaar.

Bankieren op anabole steroïden
“Het was een gigantische implosie van een financiële kathedraal, die de laatste twintig jaar is opgebouwd, waar toezichthouders geen zicht op hadden. Bankiers ook niet. They didn’t know shit. Ze wisten niet hoe markten eruit zagen, niet hoe kwetsbaar hun eigen bank was of hoe onderling verbonden en onderling afhankelijk de internationale bankwereld was. Wat wij sinds midden jaren ’80 zien is een nog nooit eerder vertoonde groei van de financiële economie ten opzicht van de de reële economie. Bancaire balansen zijn twee keer zo groot zijn als het mondiale bruto binnenlands product. Dat is bankieren op anabole steroïden.” De rode lijn in de onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de bankensector weer tegenover het gecombineerde bruto binnenlands product van de 14 rijkste landen.

Dat is nog maar wat de banken rapporteren. In de schaduwbancaire stelsel gaat nog een keer een heel mondiaal bruto binnenlands product om.  “Het schaduwbancaire stelsel bestaat uit alle transacties die verricht worden buiten het toezicht van bancaire toezichthouders. Ongeveer een derde van de financiële transacties vindt zo plaats. Dat weten we pas sinds de crisis. Er wordt daar geld gecreëerd door schuldtitels. Hetzelfde onderpand wordt gebruikt in vijf leentransacties. Dat is: hetzelfde onderpand wordt vijf keer heen en weer gedaan om enorme balansen te creëren. Nederland is de vierde grote draaischijf van het schaduwbancaire stelsel.”

Het gefinancialiseerde kapitalisme had haar oorsprong eind jaren ’70. “Door het  ineenstorten van de internationale monetaire orde in de jaren 70 verdween de quasi-goudstandaard die als ankerpunt fungeerde. Vervolgens zijn de financiële markten zijn geïnternationaliseerd en gedereguleerd.”

“We denken allemaal dat in de Verenigde Staten de grootste klootzakken rondlopen. Maar de VS heeft een kleine financiële sector. Deze is net zo groot als de Amerikaanse economie. De grootste klootzakken dat zijn de Europese banken. De landen met de grootste balansen in verhouding tot hun eigen economieën zijn Nederland en het Verenigd Koninkrijk.” De verhouding tussen de binnenlandse producten en de bankensectoren zijn weergegeven in de onderstaande figuur. “De Nederlandse banken zijn nog steeds vijf keer zo groot als de Nederlandse economie. Dat is too big to fail. Maar we kunnen ons niet een tweede reddingsoperatie permitteren.”

“Wat is hier gebeurd? Hoe kan dit gebeuren? Hoe kon het dat wij dit niet zagen? We hebben ons bezig gehouden met futiele kwesties, zoals hoofddoekjes, terwijl we ons financiële stelsel uit het oog verloren hebben. De financiële sector heeft een grote lobbymacht. Er is sprake van een draaideureffect: de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken is Eerste Kamerlid van D66. Banken krijgen de wetgeving die ze insteken. Europese wetgeving vindt plaats op basis van consultatierondes. Alleen de financiële sector reageert. Ze hebben een enorm batterij aan juristen.” Maar er is sprake van kennisfalen: “Economen zijn gelobotomiseerde krankzinnigen die niets begrijpen van de reële economie. Alleen heterodoxe economen zagen de zeepbel aankomen.”

Hefbomen
“Als je de winstgevendheid van banken afzet tegen de totale balans, dan zien we dat de winstgevenheid van banken niet veel is. In de VS is het hoogst: een winstpercentage van 1 tot 1.2%. In Europa is het nog lager. We kunnen ook naar hetzelfde rendement kijken in termen van het eigen kapitaal. Dat is wat de aandeelhouders en de bankiers zelf krijgen. Het rendement is midden jaren ’90 7% en loopt op naar 15%. Dit type rendementen maakt de banken tot een zeer winstgevende sector. Hoe kan een bank zo’n laag rendement hebben op de totale balans en zo’n hoog rendement per aandeel hebben?” De twee figuren hieronder geven de winst uitgedrukt in termen van de balans en uitgedrukt in termen van het eigen vermogen weer.

De hefboom is de simpelste reden voor het hoge rendement per aandeel: “De hefboom is niet anders dan de verhouding tussen het eigen vermogen en de omvang van de balans. In 1850 was de balans van het bankwezen twee keer zo groot als het eigen vermogen. De partners van een bank gokten met hun eigen vermogen. Dat betekent dat als je 1.2% winst haalt op je totale balans, je 2.4% winst haalt op je eigen vermogen. Rond 1970 zijn er hefbomen van 25%. Dit betekent dat banken nog maar 4% van hun eigen balans als eigen vermogen hebben. 1.2% winst betekent dan een winst van 30% op het eigen vermogen.”

“Hoe werkt dit? Een bank heeft heel weinig eigen vermogen. Voor een korte periode, één of twee dagen, lenen ze goedkoop geld. Dat lenen ze vervolgens uit voor hogere rentes of daar kopen ze financiële producten voor met hoge rendementen. Het verschil tussen die goedkope kortdurende leningen en die langdurige duurdere leningen dat is de winst die een bank maakt.”

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er internationale regels voor de verhouding die banken moeten hebben tussen eigen kapitaal en de totale balans. “Als een bank risicovolle activa op hun balans zetten, dan maakt dat ze tot een onveilige bank. Daarvoor moet veel eigen vermogen achter de hand gehouden. Voor overheidsobligaties van landen met een AAA-rating hoeven banken 0% eigen vermogen achter de hand te houden. Hypotheken zijn relatief onveilig daar moeten banken 8% eigen vermogen voor achter de hand houden. Dat betekent dat banken rekening houden met het mogelijke faillissement. Banken willen dus onveilige producten omzetten in producten met een AAA-rating. Het totale eigen vermogen is zo veel lager dan het cijfer dat volgt uit de risico-gewogen activa.” Hieronder zie je het risicogewogen eigen kapitaal van Nederlandse banken (waar ze in de top-4 staan) maar ook het niet risico-gewogen eigen kapitaal van banken (waar ze bij de onderste 4 staan).

“De toezichthouders van banken hebben afgesproken dat banken zelf hun eigen risico’s mogen inschatten, zolang dit maar voldoet aan een aantal procedurele voorwaarden. Bij grote banken keurt de slager het eigen vlees. De risico’s die verbonden waren aan veel financiële producten werd schromelijk onderschat. Ze kunnen zo kunstmatig hun eigen winsten oppompen.”

Securitisatie
“Banken hebben een intermediaire functie. Of ten minste dat is het zeehondjesverhaal dat ze graag vertellen. Mensen hebben geld over. De banken zetten dat surplusgeld uit bij mensen en bedrijven die geld nodig hebben. Tijdens de bancaire revolutie zijn banken andere dingen gaan doen. Ze zijn gebruik gaan maken van securitisatie. Dat is een vrij eenvoudig proces: we hebben een hypotheekbank die leent geld uit aan mensen die een lening willen. Door te securitiseren kunnen banken datzelfde beetje geld nog een keer uitgeven. Securitiseren is niet meer dan een contract als een op financiële markten verhandelbaar product doorverkopen aan andere partijen. Je hebt een bank die verkoopt aan een special purpose vehicle. Die koopt van die bank de hypotheken door evenveel obligaties uit te geven als hypotheekcontracten. De rente uit deze obligaties worden betaald uit de rente van de hypotheekcontracten. Er worden producten verkocht die tot in de tweede of de derde trap verwijderd zijn van het oorspronkelijke hypotheekcontract. In Nederland werden zulke producten gekocht door onze eigen pensioenfondsen. Nederland staat in de top-4 van markten in gesecuritiseerde schulden. Toen er geen hypotheekcontracten meer te slijten waren, bleek hoe enorm raar het vlechtwerk van afhankelijkheden in elkaar zat.”

Een schuldgedreven groeimodel
“Nederland is een verderfelijk land. We zijn een grote partij in het casinospel dat banken opgetuigd hebben. Wij hebben zelf een heel precair groeimodel gehanteerd.” Een onderdeel daarvan wordt in de volgende lezing uitgelicht door Alfred Kleinknecht: het exportgedreven groeimodel. “Sinds midden jaren ’80 krimpt onze binnenlandse economie zodat grote bedrijven kunnen exporteren. Daarvoor laten we onze lonen dalen.”

“Er is geprobeerd het tekort aan binnenlandse bestedingen op lossen door de vastgoedsector.” Dit is grotendeels gedreven door schulden: “Dit is een grote misallocatie van kapitaal: ons grote commerciële vastgoedprobleem. In Groot-Amsterdam staat 18% van de kantorenparken leeg. Dat wordt nooit meer verhuurd. Honderden miljoenen euro’s die gestoken zijn in vastgoed: vroeg of laat moet dat ergens afgeboekt worden. Laten we hopen dat het bij de banken zal zijn en dat niet de burgers ervoor moeten betalen. Woningbouwcorporaties, universiteiten en ziekenhuizen zijn sterk financieel gedreven. Hun hoofdtaak is niet meer onderwijs, onderzoek of zorg, maar het managen en beheren van een vastgoedportefeuille.” Maar ook huishoudens zijn gelinkt aan de vastgoedbubbel: “Nederland heeft een gigantische hypothecaire schuld. Alleen Zwitserland en Denenmarken hebben zo’n grote hypotheekschuld.” Het wordt voor huishoudens vanwege de bezuinigingen moeilijker om hun hypotheek te betalen of anders hun huis te verkopen. “We moeten af van onze geldverslaving en onze economie moet af van de vastgoedverslaving van de bouwsectoren.”

De illusoire winstgevendheid van het bankenstelsel heeft geleid tot een gigantische misallocatie van kapitaal en arbeid. Dit is een reset moment, een moment van herbezinning, een therapeutisch moment dat we met z’n allen moeten doormaken. We zitten nu in de nasleep van een sterk door marktdenken gedomineerd bedrijf. Er is nu veel meer ruimte voor het nadenken over alternatieven, andere vormen van markten, zoals duurzame markten. Maar eerst zal er een vlijmscherpe scalpel gezet moeten worden in de mondiale financiële sector zodat banken weer in dienst staan van mensen en niet in dienst van zichzelf.

Belasting is diefstal?

Daar kon ik mijn linkse vingers bij aflikken. Dat regeerakkoord en dat re-regeerakkoord: nivelleren. Echt zo’n mooie linkse hobby, toch?

De cijfers zijn simpel: in landen met een gelijkmatigere inkomensverdeling is alles beter: er is minder criminaliteit, er zijn minder tienerzwangerschappen, men heeft een groter vertrouwen in de politiek, men is gezonder. Al met al: in landen met een gelijkere inkomensverdeling is men gelukkiger. Omdat de verschillen minder groot zijn, is de sociale samenhang sterker.

Deze rechtvaardiging heeft een heldere structuur: omdat het bepaalde positieve gevolgen heeft, is een bepaalde handeling rechtvaardig. Diederik Samsom gelooft in gelijke uitkomsten. Om die bereiken is van alles rechtvaardig. Naar de moraliteit van de handeling zelf wordt niet gekeken: het doel heiligt de middelen. Stellig gezegd: in een samenleving met gelijkere inkomens, is er minder criminaliteit. Er wordt niet minder gestolen: de diefstal vindt alleen via de belastingen plaats. De overheid is gerechtvaardigd om mensen hun bezit te ontnemen, omdat er dan minder bezit van mensen wordt ontnomen door hun medeburgers. Paradoxaal.
The needs of the many outweigh the needs of the few or the one. Dat is het principe van deze redenering: we halen wat geld weg bij de rijken omdat dit goed is voor de sociale samenhang, de gezondheid van mensen en het geluk van de samenleving: stel dat er in een dorp grote onrust heerst over de komst van een homoseksueel echtpaar. Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen naar een ander dorp te verhuizen omdat hun komst de sociale samenhang van het dorp ondermijnt? Is het gerechtvaardigd hen te vragen weg te gaan omdat mensen zich minder gezond voelen, nu homo’s aanwezig zijn? Is het gerechtvaardigd om homo’s te vragen te verhuizen als mensen dan gelukkiger van worden?
U begrijpt: ik zie niet bijzonder veel in herverdeling van inkomen met alleen de rechtvaardigingsgrond dat de samenleving daar beter van wordt. Aangezien dat het niet zeker is wat de uitkomsten van een handeling zijn, lijkt het me onmogelijk om een handeling daardoor te rechtvaardigen. Deze redenering ontleen ik overigens aan Kant. En aangezien mensen van elkaar onderscheiden zijn, ben ik geen voorstander van de holistische optellingen die onder deze redenering ligt. Dat idee ontleen ik aan Rawls.

Ik zie u denken: wat doet u eigenlijk nog bij een linkse partij? Als u vindt dat belasting diefstal is of een vorm van discriminatie?
Ik heb hier al vaak over geschreven en het is een breed gedeeld ideaal in GroenLinks: gelijke kansen. Ik geloof dat inkomensverschillen rechtvaardig zijn als mensen daar zelf voor kiezen. Als een bedrijf mij wil inhuren om onderzoek te doen en me daar 100 euro voor wil geven is dat prima. Die 100 mag ik houden, die heb ik verdiend.
Niet helemaal: een gedeelte van mijn inkomen kan ik verdienen omdat ik het bijzonder getroffen heb, gezond geboren, met -al zeg ik het zelf- een goed stel hersenen, goed opgeleide ouders maar misschien wel nog belangrijker: geboren in Nederland. Daar heb ik niets voor gedaan. Daar zit mijn werk niet in. Op het inkomen dat ik daardoor verdien heb ik geen recht.
Dat betekent dat ik radicaal wil herverdelen: tussen gezond en gehandicapt, tussen getalenteerd en ongetalenteerd, tussen geboren in een gezin met veel sociaal kapitaal en geboren in een gezin met weinig sociaal kapitaal, maar belangrijker nog tussen Noord en Zuid.
Als de beginposities gelijk zijn en de transacties in vrijheid genomen zijn, dan is iedere uitkomst rechtvaardig. Herverdeling is rechtvaardig om verschillen in inkomen die komen door verschilen in beginposities te vereffenen. Ik heb recht op het inkomen dat ik verdien door hard te werken, maar niet door het inkomen dat ik heb door mijn intelligentie, die ik bij toeval heb gekregen. Dat is geen diefstal omdat dat niet mijn bezit is, immers ik heb er niets voor gedaan.
En als gelijke kansen ook een mooiere, gezondere, gelukkigere samenleving oplevert is dat een mooi bijproduct, maar dat kan het doel nooit zijn.

Links Marktliberalisme

Ik geloof in marktwerking. Dat is heel wat omdat te schrijven. Want in linkse kring is marktwerking niet in. We willen geen martkwerking in de zorg, in het onderwijs of op de huizenmarkt. Links staat voor een sterke staat die garant staat voor goed toegankelijk onderwijs, zorg en huizen. En dat moet de overheid zelf doen toch?

Het PGB
Wat mij erg verwonderde was dat het rechtse kabinet de Persoonsgebonden Budgetten voor mensen met een beperking wilden beeindigen. Ze zei: laat de overheid dit maar doen. Maar wat betekent dat? Iedereen in een gemeente krijgt zorg geleverd door dezelfde bureaucratische zorgverlener. Mensen verliezen grip over hun eigen leven omdat de zorgverlener bepaalt wanneer mensen uit bed gehaald worden of gewassen, en niet die mensen zelf. Terwijl met een PGB mensen zelf hun eigen zorg kunnen inhuren op hun eigen tijden onder hun eigen voorwaarden. We moeten, zoals Bart Snels stelt, niet geloven in het sjabloon dat links staat voor de bureaucratische maar toegankelijke overheid en rechts voor de kille, maar efficiente markt. Markten waar mensen zelf diensten kunnen kopen kunnen juist bij uitstek aansluiten bij linkse doelen als zelfontplooiing.

Als we ten minste maar het grootste probleem van markten oplossen. En dat is dat het ruilmiddel dat centraal staat in markten niet verdeeld is naar hoeveel mensen diensten nodig hebben, maar op basis van wat erven van onze ouders aan financieel kapitaal, sociaal kapitaal en genetisch materiaal. Het PGB is hier een prachtig voorbeeld van: iemand die geen handicap heeft en veertig uur in de week kan werken zonder ondersteuning kan een boel zorg kopen, maar hij heeft het niet nodig. Iemand die zonder ondersteuning niet kan werken, heeft het wel nodig. De belangrijkste rol van de overheid is ervoor zorgen dat we dit soort verdelingsvraagstukken oplossen. In de terminologie van luck egalitarians: ervoor zorgen dat mensen gecompenseerd worden voor die eigenschappen die ze achterstellen ten op zichte van anderen, die ze buiten hun schuld om hebben gekregen.

Linkse marktutopie
Voor veel diensten waar de publieke sector ons nu in voorziet zou volgens mij ook een marktpartij dat kunnen doen, als we een eerlijke toegang voor deze diensten kunnen verzekeren. De overheid zou ervoor moeten zorgen dat mensen die met een handicap geboren worden, een persoonsgebonden budget krijgen om zelf hun eigen zorg in te kopen, mensen die leerachterstand hebben, de middelen krijgen om die in te lopen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te leven omdat hij de huur niet kan veroorloven.

Wat betekent dit concreet, voor de diensten die de overheid nu verleent: in het onderwijs, de arbeidsmarkt, de zorg, infrastructuur, de publieke omroep en huizenmarkt?

  • Over het onderwijs heb ik in het verleden als een aantal keer geschreven (hier en hier). Kortgezegd: ik ben dol op de vrijheid van onderwijs. Maak scholen onafhankelijk van de overheid en stel ze in staat om hun eigen beleid te voeren. Laat vervolgens leerlingen met vouchers toegang tot onderwijs kopen, maar verdeel dit zo dat leerlingen die een achterstand hebben (arme of niet-Nederlandstalige ouders, bijvoorbeeld, maar ook vastgestelde beperkingen) meer vouchers hebben om meer onderwijs te kopen. En beloon vervolgens mensen die excelleren in onderwijs met extra vouchers waarmee ze beter en meer hoger onderwijs kunnen kunnen kopen.
  • Ik vind het Nederlandse zorgstelsel zo slecht nog niet. Ook in internationale vergelijkingen doen we het heel goed. Een verplichte verzekering voor risico’s die iedereen loopt en een regeling voor onverzekerbare risico’s, waar iedereen aan bijdraagt. Ik zou meer gebruik willen maken van het pgb-model voor zorginkoop, omdat dat mensen grip geeft over hun eigen leven: of mensen kiezen voor een flexibele zelfstandige zorgverlener of een goedkope, maar onpersoonlijke en bureaucratische, zorgmoloch is dan hun eigen keuze. Natuurlijk zijn er irrationale aspecten aan de zorgmarkt: denk het feit dat iedereen recht heeft op een nieuwe rollator. Als je mensen een budget geeft om op een zorgmarkt mobiliteitsmiddelen te kopen ontstaat er natuurlijk een gezonde markt in tweedehandsrollators.
  • Op de arbeidsmarkt heb ik misschien wel de radicaalste ideeen. Van mij mag alle bescherming worden opgeheven: ontslagbescherming en het minimumloon. Ze verstoren de arbeidsmarkt en houden daarmee mensen ‘met beperkte verdiencapaciteiten’ in armoede. Neem iemand die achter een lopende band werkt. Om het minimumloon te verdienen moet hij 100 dopjes op een tube tandpasta schroeven, maar door een beperking kan hij er maar 90 opschroeven. Dat betekent dat een bedrijf hem nu niet zal inhuren omdat hij het ‘minimumloon’ niet waard is. Dat betekent dat hij veroordeeld is tot een uitkering (70% van het minimumloon). Terwijl als er geen minimumloon was dan zou hij dus 90% van het minimumloon, en dus 130% van het bijstandsniveau verdienen. Dat betekent niet dat ik vind dat deze persoon maar 90% waard is van zijn collega. Ik geloof alleen niet dat het de rol van de werkgevers is om voor een eerlijk inkomen te zorgen. Dat moeten we als gemeenschap samen doen, bijvoorbeeld door een basisinkomen, dat ervoor zorgt dat iedereen onafhankelijk van zijn ‘verdiencapaciteit’ een menswaardig bestaan kan hebben.
  • Op de huizenmarkt heeft GroenLinks volgens mij de mooiste linkse marktliberale oplossingen: sta verhuurders toe om marktconforme huren te vragen.  Maar compenseer via hogere huurtoeslag die mensen die een zodanig inkomensniveau hebben dat ze ondersteuning verdienen bij het huren van een woning . Zo maak je een eind aan scheefhuurders die in een woning zitten met een sociale huur, maar een inkomen hebben dat ze daar geen recht meer op geeft. (Van mij mag het overigens nog wel wat radicaler: maak van mijn apart alle huren ‘marktconform’ en hef het onderscheid tussen sociale huursector en vrije huursector op). Je moet via de huizenmarkt geen inkomenspolitiek willen voeren. Dat geldt natuurlijk ook voor de hypotheekrenteaftrek. Afbouwen! Het houdt de huizenprijs hoger dan hij zou zijn op een vrije markt. En dat houdt ook starters buiten.
  • Ik heb nooit begrepen waarom de overheid wel radio en televisie verzorgt maar geen kranten. En waarom ik moet betalen voor Lingo dat ik nooit kijk, maar niet voor de volkskrant-website waar ik al mijn nieuws vandaan haal. Volgens mij moeten we dat allemaal over laten aan de markt. Om ervoor te zorgen dat er wel goede journalistiek bedreven wordt, zouden we een fonds voor kwaliteitsjournalistiek moeten hebben, betaald uit belastinggeld, die onafhankelijke nieuwsgaring mogelijk maakt.
  • De voorstellen voor een kilometerheffing waar linkse partijen voor zijn, komen neer op het nadoen van marktwerking. Maar waarom iets nadoen wat de markt zo goed zelf kan. Gewoon stukken weg privatiseren. Rijden iedere dag honderden auto’s over, dat lijkt me een flinke duit waard. In de vrije markt betaalt de gebruiker echt.

Binnen GroenLinks is er een discussie tussen een linkerflank en een middenflank. Linda Voortman staat bekend als een gezicht van de linkerflank. En het is juist zij die in de vorige periode pal voor het PGB stond, en zij verdedigde de innovatieve oplossing van GroenLinks voor scheefhuren. Kortom: de tegenstelling binnen GroenLinks tussen links en midden betreft niet de keuze tussen staat en markt.

De Toekomst van GroenLinks: Rood, Groen of Blauw

GroenLinks staat op een kruispunt in haar bestaan. Na de dramatische verkiezingsuitslag moet de partij gaan nadenken over haar koers, haar plaats in het politieke landschap en daarmee over haar zelfstandige bestaansrecht. Christiaan Jongeneel schetst drie toekomstscenario’s. Ik wil deze hier in hun historische en electorale context plaatsen. De drie scenario’s zijn:[1]

  • Een groene koers: GroenLinks kiest voor een koers met een groene focus.
  • Een rode koers: GroenLinks kiest voor een realistisch linkse koers.
  • Een blauwe koers: GroenLinks richt zich op het progressieve midden.

Doormodderen kan niet: het is te gemakkelijk om de schuld van de uitslag van 12 september op te hangen aan individuen. Het fundamentele probleem is dat GroenLinks geen duidelijkheid geeft over haar koers. Het ontbrak de laatste jaren aan consistentie. In de ogen van sommige kiezers is GroenLinks te veel naar links opgeschoven. In de ogen van andere kiezers is GroenLinks juist te liberaal geworden. Is GroenLinks groen, sociaal of progressief? Deze keuzes zijn van het allergrootste belang nu GroenLinks zich als kleine oppositiepartij zal moeten verhouden tot een kabinet van PvdA en VVD, terwijl er acht andere fracties oppositie voeren.

De plaats van GroenLinks in het politieke landschap 2010-2012
Het probleem van GroenLinks kan het best in beeld worden gebracht als we kijken naar de politieke samenwerkingsverbanden die zijn aangegaan in de laatste twee jaar.

  • In juni 2010 onderhandelde GroenLinks mee over een Paars+ kabinet van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.
  • Halsema pleitte in november 2010 vlak voor haar vertrek voor een intensieve samenwerking tussen GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA.
  • De eerste grote beslissing van partijleider Sap, in januari 2011, was om deel te nemen aan de Kunduz-missie. Deze werd mede gesteund door D66, ChristenUnie, CDA en VVD en niet door de PvdA.
  • Voor de provinciale statenverkiezingen sloot GroenLinks tien lijstverbindingen met de PvdA, twee met de PvdD en twee D66. Ze sloot echter maar één provinciaal coalitieakkoord met de PvdA (in het Groningse Paars+ college) en één zonder de PvdA (in het Utrechtse CDA/VVD/D66/GL-college.
  • In 2011 sloot GroenLinks een lijstverbinding met de PvdD voor de Eerste Kamerverkiezingen.
  • Een jaar later opende GroenLinks het nieuwe jaar samen met PvdA en SP. Die partijen pleitten samen voor een ander Nederland en een gezamelijke strategie tegen de crisis.
  • Maar toen het kabinet van CDA en VVD in mei 2012 op zoek ging naar een nieuwe meerderheid voor haar begroting, werkte GroenLinks zonder de PvdA en de SP maar opnieuw samen met ChristenUnie en D66 mee aan het Lenteakkoord.
  • Voor de verkiezingen van 2012 sloot GroenLinks een lijstverbinding met SP en PvdA.
  • Tijdens het eerste lijsttrekkersdebat pleitte GroenLinks voor een kabinet-Roemer van SP, PvdA, GroenLinks en D66.
  • Een week voor de verkiezingen verlegde GroenLinks haar koers en pleitte zij voor een Paars+ kabinet. Hiermee zijn we full circle.

Vaart GroenLinks een soevereine koers, onafhankelijk van de bestaande partijen, of wordt zij geleid door verschillende zielen in haar borst?

Het politieke landschap
Om de positie van GroenLinks te begrijpen kunnen we de politieke ruimte indelen aan de hand van  twee dimensies. Deze betreffen de kern van het GroenLinks-programma: wat houdt links in en wat houdt groen in?

Op de sociaal-economische dimensie maken we een onderscheid tussen behoudend en hervormingsgezind links. Deze dimensie betreft een aantal onderwerpen: hervormingen op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de huizenmarkt en zorg. Het gaat concreet over de eigen bijdragen in de zorg, de AOW-leeftijd, het sociaal leenstelsel het ontslagrecht, de WW en scheefwonen. Deze onderwerpen volgen niet langerde klassieke links/rechtsverdeling. Populistische partijen als PVV en SP staan hier tegenover hervormingsgezinde liberale partijen als D66 en VVD. Deze tegenstelling speelt ook op thema’s van buitenlandpolitiek (Europa, Afghanistan). De tweede tegenstelling is die tussen dark green en bright green partijen. Zij betreft de oplossingen die partijen kiezen (moeten we de techniek aanpassen of onze levensstijl?), waar partijen waarde aan hechten (mensen of dieren?) en het belang dat ze hechten aan economische groei.

In deze ruimte kunnen we de vier partijen die het dichtst bij GroenLinks staan plaatsen: de SP, de PvdA en D66 zijn duidelijk lichtgroene partijen. Ze vinden het milieu best belangrijk zolang het maar niet ten koste gaat van mensenbelangen, onze levensstijl en economische groei.[2]Alleen de Partij voor de Dieren heeft een heldere dark green anti-groei en anti-antropocentrische agenda De SP, PvdA en D66 verschillen wél sterk op sociaaleconomische onderwerpen: de SP is helder anti-hervorming en D66 helder pro-hervorming. De PvdA neemt een middenpositie in (tegen hervormingen in de zorg, maar wel voor het leenstelsel). De PvdD neemt net als de PvdA een middenpositie in. De centrale vraag is: waar moet GroenLinks zich plaatsen op deze twee dimensies?

De PvdA als ijkpunt
GroenLinks is ontstaan als een fusie van verschillende partijen die zich links van de PvdA plaatsten. Twee van de oprichtende partijen zijn ontstaan omdat de grote sociaaldemocratische partij te veel naar rechts neigden: de CPN en de PSP.[3] De PPR is ontstaan als een progressief-Christelijke bondgenoot van de PvdA.[4] In 1989 gingen deze drie partijen samen.[5] Wat zij deelden was dat ze hun eigen positie definineerden in relatie tot de PvdA. GroenLinks wilde de PvdA in de formatie en PvdA-kiezers in de verkiezingen een links alternatief bieden.

Links of hervormingsgezind?
De oprichters van GroenLinks plaatsten zich allemaal in economische zin links van de PvdA. Het debat over economische onderwerpen is in Nederland sinds het eerste kabinet-Van Agt eigenlijk altijd gevoerd in termen van bezuinigen op versus behoud van de verzorgingsstaat. De vrije markt en de individuele verantwoordelijkheid staan tegenover collectieve verantwoordelijkheid en het streven naar inkomensgelijkheid. De PvdA heeft altijd verantwoordelijkheid genomen voor bezuinigingen waar GroenLinks zich tegen verzette. In het Paarse kabinet liet de PvdA zich van haar economisch meest rechtse kant zien: marktwerking en werk stonden voorop. GroenLinks, onder Paul Rosenmöller, werd het gezicht van het verzet hiertegen. De partij beschermde de rechten van uitkeringsgerechtigden. De leus ‘werk, werk, werk’ bood in de ogen van GroenLinks geen afdoende antwoord op uitsluiting en armoede.

Tijdens het tweede kabinet-Balkenende verschoof de positie van GroenLinks. Femke Halsema voelde zich gevangen in de tegenstelling tussen bezuinigend rechts en behoudend links. Met Vrijheid Eerlijk Delen probeerde ze daar een alternatief voor te formuleren: hervormingsgezind links. De kern van Vrijheid Eerlijk Delen was dat mensen niet langer afhankelijk moesten zijn van een uitkering, maar van werk naar werk begeleid moesten worden. Werk is de sleutel voor emancipatie uit armoede. Daarom steunde GroenLinks de versoepeling van het ontslagrecht en de verkorting van de WW. Deze maatregelen zouden misschien leiden tot minder inkomens- c.q. baanzekerheid, maar GroenLinks zou werkzekerheid bieden. GroenLinks wilde de kansen van mensen met weinig rechten op de arbeidsmarkt (zoals flexwerkers, ZZP’ers, starters en deeltijdwerkers) verdedigen tegenover de ‘insiders’. Ze koos hiermee het conflict met de vakbonden, met de PvdA en de SP, die de verworven rechten van insiders verdedigden. GroenLinks omarmde in deze periode ook het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs, de verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen verantwoordelijkheid in de zorg. Je kunt ook stellen dat aan de bezuinigingen die de VVD en het CDA voorstelden een sociale draai werd gegeven. Hiermee activeerde Halsema een nieuwe tegenstelling in de Nederlandse politiek die dwars door de links/rechts-tegenstelling liep: die tussen hervormingsgezind en behoudend. GroenLinks moest een hervormingsgezinde linkse partij zijn. D66 was in deze koers een bondgenoot: ook zij was hervormingsgezind maar op een centrumrechtse positie. De PvdA en de SP waren in deze visie behoudend links. Op sociaal-economische onderwerpen had GroenLinks daarmee een onderscheidende positie.[6],[7]

Het sluiten van het Lenteakkoord in april past in deze ontwikkeling. Na de val van de coalitie van CDA, VVD en PVV met haar ongekend rechtse economische programma, dat radicaal bezuinigde op de zorg, de sociale zekerheid, de cultuur en de natuur, sloot GroenLinks samen met CDA, VVD, D66 en ChristenUnie een begrotingsakkoord zonder de PvdA. GroenLinks had nog nooit eerder zo dicht bij de politieke macht gezeten en deed dat zonder de PvdA. Wat de partijen bond was niet hun positie op de links/rechts-dimensie maar hun hervormingsgezindheid. Midden in de crisis waren de voorstellen van GroenLinks over sociaal-economische onderwerpen relevanter dan ooit: het programma leverde op de lange en de korte termijn bezuinigen op en waren goed voor de werkgelegenheid. Het Lenteakkoord hield zich aan de 3%-regel van de Europese commissie, zette een aantal hervormingen in op de arbeidsmarkt en vijlde de scherpe randen af van een grote set bezuinigingen die CDA en VVD al hadden afgesproken met de PVV.

Het Lenteakkoord was een opmerkelijke stapGroenLinks onderschreef een ingrijpend bezuinigingspakket zonder de PvdA. Eerder had de PvdA altijd compromissen gesloten met CDA en VVD over bezuinigingen en hadden GroenLinks of haar voorgangers vanaf de zijlijn kritiek geleverd. Nu stond GroenLinks in het veld, en stelde ze liever vuile dan lege handen te hebben. De PvdA had een vergelijkbaar akkoord kunnen sluiten en GroenLinks had evengoed aan de zijlijn kunnen staan. Maar GroenLinks koos voor het akkoord omdat de partij daarmee een deel van haar hervormingsgezinde linkse agenda kon realiseren, én kon laten zien aan de kiezer dat GroenLinks het verschil kon maken.

GroenLinks, de PvdA en D66
GroenLinks en haar voorgangers hebben hun bestaansrecht altijd ontleend aan hun verhouding tot de PvdA. In sociaaleconomisch opzicht stond GroenLinks links van de PvdA: zo konden ze als concurrent de PvdA naar links trekken en een linkse coalitiepartner bieden. Die positie is overgenomen door de SP, een anti-hervormingsgezinde partij.[8] We kunnen het Lenteakkoord op twee manieren begrijpen: politiek-inhoudelijk en politiek-strategisch.

Als GroenLinks deze koers inhoudelijk onderschrijft, dan geeft de partij prioriteit aan haar sociaaleconomisch hervormingsgezinde positie boven haar linkse positie. Zij kiest dan een progressieve, blauwe koers die focust op sociaal-economische hervormingen op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in de zorg en in het onderwijs. Hierachter zit een visie die individuele ontplooiing boven collectieve arrangementen plaatst. Die voorkeur sluit aan bij een vrijzinnige, individualistische culturele agenda die de rechtstaat en de rechten van moslims en asielzoekers verdedigt zonder de rechten van vrouwen en homo’s uit het oog te verliezen. Hierbij wordt ook de Europese samenwerking omarmd: we kiezen niet voor de zekerheden van de Nederlandse verzorgingsstaat maar voor de kansen van een flexibele Europese samenwerking. De belangrijkste bondgenoot voor GroenLinks bij deze koers is D66. In het Lenteakkoord, met haar mix van hervormingen, bezuinigen en vergroeningen, konden beide partijen zich vinden. D66 durfde tijdens de verkiezingscampagne van 2012 eerlijk te vertellen welke hervormingen nodig zijn op de arbeidsmarkt en in de zorg. In een land dat in economisch en cultureel opzicht conservatief is, helt deze formatie in progressieve richting en vaart dus tegen de stroom in. Nu wordt er nu een paars kabinet gevormd van PvdA en VVD. Hoe verhoudt een blauwe koers tegenover een paars kabinet? Een blauwe oppositiekoers stelt dat het PvdA/VVD kabinet te veel negatief uitruilt, te weinig hervormt en daarmee te veel dingen houdt zoals ze zijn. We volgen hiermee de lijn van Halsema.

Je kunt het Lenteakkoord ook anders interpreteren. De PvdA ondertekende tijdens de formatie van 2012 een Herfstakkoord dat grotendeels overeenkkwam met het Lenteakkoord. De keuze van de PvdA om in de lente van 2012 aan de kant te staan met lege maar schone handen was met name politiek-strategisch. Ook de PvdA is centrumlinks en gematigd hervormingsgezind. Zij koos nu tegen deze voorstellen omdat ze de hete adem van de SP in de nek voelde. GroenLinks wilde aan potentiële kiezers en coalitiepartners laten zien dat zij op lastige onderwerpen verantwoordelijkheid kon nemen. Nu de PvdA in de formatie met de VVD het Lenteakkoord-met-amendementen omarmt en juist een hervormingsgezind linkse positie inneemt, kan GroenLinks ook kiezen voor een rode koers. Deze koers volgt de succesvolle oppositiestrategie van Rosenmöller tijdens het eerste paarse kabinet.. Leg nadruk op het klassiek sociaaleconomisch linkse profiel van GroenLinks. Laat de PvdA maar de lasten dragen voor de hervormingen van het ontslagrecht, de WW en de zorg. Richt je tijdens het PvdA/VVD-kabinet op die onderwerpen die de PvdA in een formatie met de VVD zal moeten slikken, met name waar het gaat om eerlijk delen.

Dit is een duidelijke keuze voor GroenLinks: blauw of rood? Is het nu tijd om definitief te breken met de sociaaldemocratie als kompas waar GroenLinks haar koers vanaf laat hangen? Of biedt het huidige kabinet juist een kans om de plaats van de sociaaldemocraten op te eisen?

Groen
GroenLinks is niet alleen opgericht als een samenwerkingsverband links van de PvdA. Hieraan was ook een groene agenda gekoppeld. Maar groen is niet een eenduidige politieke stroming maar omvat een verschillende richtingen.

Bright green of dark green
Van de oprichters van GroenLinks hadden met name de PPR en de PSP een groen profiel. Ze zijn niet opgericht als groene partijen, maar hun verzet tegen kernenergie en kernbewapening plaatsten hen wel in het groene kamp. Met name de PPR wilde niet dat de nieuwe formatie alleen een links karakter kreeg, maar streefde naar een vernieuwende groene dimensie. Zo zou GroenLinks aansluiten bij de Europese groene familie. Is GroenLinks in deze opzet geslaagd?

In de groene politiek zijn er grofweg twee stromingen: dark green en bright green. Dark green politiek heeft vier kenmerken: zij constateert een door de mens veroorzaakte ecologische crisis; die is niet alleen een probleem omdat de crisis het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengt, maar ook dat van dieren, de natuur en de aarde zelf; de oplossing voor onze problemen is een verandering van onze moraal; en economische groei moet worden afgezworen. Bright green politiek onderschrijft alleen de eerste positie: er is sprake van een ecologische crisis, maar de oplossing hiervoor is te vinden in economische groei die voortkomt uit groene innovatie.

  • GroenLinks en haar voorgangers hebben sinds het midden van de jaren ‘60 gerept van een ecologische crisis. De aard van de crisis veranderde met het milieu: de eindigheid van grondstoffen (jaren ’70), de gevaren van kernenergie (jaren ’80), het gat in de ozonlaag (eind jaren ’80) en nu steeds meer klimaatverandering (sinds de jaren ’90).
  • In de ogen van GroenLinks zijn dit verdelingsvraagstukken: een eerlijke verdeling van grondstoffen binnen de huidige generatie en tussen huidige en toekomstige generaties. Groene politiek is eerder een voortzetting van sociale politiek dan een eigenstandige stroming.
  • GroenLinks heeft altijd één oplossing gehad: de verschuiving van de belasting van arbeid naar vervuiling. GroenLinks gelooft in het stimuleren van de markt om groene innovaties te ontwikkelen. Soms moet de overheid zelf vervuilende producten en processen verbieden of juist groene initiatieven ondersteunen. Dit leidt tot groene werkgelegenheid.
  • Dit heeft ook implicaties voor de houding tegenover groei: een groene belastingverschuiving zal in elk geval op korte termijnleiden tot nieuwe banen en groene groei.

Het profiel van GroenLinks is nooit donkergroen maar altijd bright green geweest: een enigszins technocratische benadering die de nadruk legt op slimme en innovatieve oplossingen. De intrinsieke waarde van niet-menselijk leven, een nieuwe moraal en het afzweren van economische groei zijn in de partij nooit mainstream geweest .

In electoraal opzicht is de groene koers succesvol: in de ogen van de kiezers is GroenLinks inderdaad dé groene partij . Een zeer groot deel van de kiezers denkt dat GroenLinks de beste oplossingen heeft voor natuurbescherming en klimaat. En voor een groot deel van de GroenLinks-kiezers is milieu het doorslaggevende onderwerp.

Dit is de kern van een groene koers. Wil GroenLinks haar groene karakter uitbuiten dan moet zij hier sterker de nadruk op leggen. Ecologie moet in politieke zin de kernwaarde zijn die alle onderwerpen verbindt: GroenLinks biedt groene oplossingen, niet alleen voor natuur, klimaat en dierenwelzijn maar ook voor gezondheid (gezond leven) en werk (groene banen). Groen is geen technocratisch verhaal van innovatie, maar een verhaal dat mensen direct in hun leefomgeving raakt. Geduld is gepast: onze tijd komt. We werken aan een consistent groen verhaal, zelfs als het niet het belangrijkste onderwerp voor de kiezer is.

De Partij voor de Dieren
Er zitten twee groene partijen in de Tweede Kamer: GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In hoeverre zijn zij concurrenten?

In programmatisch opzicht heeft de Partij voor de Dieren een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In de eerste zes jaar legde de partij in haar programma, haar parlementaire activiteiten (speeches en moties) en haar buitenparlementaire activiteiten (zoals de films Meat the Truth en Sea the Truth) een grote nadruk op dieren. Het programma van 2012 sprak echter eerst over duurzame energie, gezond voedsel en natuur en pas daarna over dierenwelzijn. De beprijzing van vervuiling is nu een kernpunt geworden. Het programma komt zo steeds dichterbij het GroenLinks-programma.

Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. Electoraal gezien is dit (nog) niet zichtbaar. De Partij voor de Dieren krijgt niet zozeer groene stemmen, maar krijgt met name stemmen van mensen die geen vertrouwen hebben in andere partijen. Het is geen groene partij, eerder een anti-partijenpartij.[9] De electorale uitwisseling tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren is beperkt.

Er bestaat bij de Partij voor de Dieren een grote discrepantie tussen haar programma en haar electorale aantrekkingskracht. In programmatisch opzicht is de Partij voor de Dieren een concurrent van GroenLinks, maar in electoraal opzicht is dat niet het geval.

GroenLinks moet kiezen
De laatste twee jaar heeft GroenLinks een weinig consistente koers gevaren. Kiezers vinden het lastig om die koers te benoemen: is GroenLinks in de laatste jaren te veel naar links geschoven? Of juist te liberaal geworden? Is GroenLinks onvoldoende groen? Of juist te groen? Dat betekent dat GroenLinks staat voor fundamentele keuzes: legt ze de nadruk op duurzaamheid, kansengelijkheid of vrijzinnigheid? Kiest ze voor een oude linkse of een progressieve middenkoers? Gaat ze voor eerlijk delen of hervormen? Gaat GroenLinks voor een diepgroene of een felgroene positionering? Werkt ze samen met de Partij voor de Dieren, D66 of de PvdA? Hier is geprobeerd de veelheid en complexiteit aan keuzes over de koers te ordenen volgens de kleuren groen, rood en blauw.

Een blauw programma
Een kansrijke toekomst. Dat is wat wij willen. De huidige verzorgingsstaat past niet meer bij hoe mensen nu leven en werken, denk aan de obstakels voor ZZP’ers. Deze crisis is een kans om ons land klaar te maken voor de toekomst. Als we onze sociale zekerheden nu hervormen zodat ze toekomstbestendig zijn, dan slaan we twee vliegen in één klap: we werken aan een economie die nu sterk is en straks stand houdt.Wij kiezen voor vijf hervormingen

  • Investeren in onderwijs: want dat betekent eerlijke kansen voor iedere kind;
  • Een flexibele arbeidsmarkt: meer kansen voor ZZP’ers en flexwerkers;
  • Beweging in de huizenmarkt: meer kansen voor starters;
  • Grip op de zorgkosten: dat betekent meer eigen bijdrage, naar draagkracht;
  • En bovendien: digitale grondrechten in de grondwet.
Een rood programma
Een socialer Nederland. Dat is wat wij willen. We moeten nu kiezen hoe we Nederland uit de crisis leiden. Kiezen we voor een Nederland waar iedereen maar zijn eigen problemen moet oplossen? Of hebben we een warm hart voor mensen die het niet breed hebben en juist het hardste geraakt worden door de crisis? Wij leggen de rekening van de crisis bij de banken, die door hun inhalige gedrag talloze mensen in de problemen gebracht hebben. We zorgen ervoor dat mensen met een uitkering kunnen rondkomen en dat mensen die nu aan de kant staan werk kunnen vinden.Dit betekent:

  • De banken aan banden leggen;
  • De zorg voor iedereen betaalbaar houden;
  • Een 60%-tarief voor veelverdieners;
  • De beste docenten voor de klas;
  • En bovendien: geen versoepeling van het ontslagrecht.
Een groen programma
Een schoon land. Dat is wat wij willen. GroenLinks werkt aan een economie die draait op wind en groeit op zon. De groene innovaties van vandaag zijn de duurzame banen van morgen. Een groen land is bovendien een gezond land, waarin onze kinderen zorgeloos kunnen opgroeien. GroenLinks kiest voor duurzaam en diervriendelijk voedsel en voor ruimte voor de natuur. GroenLinks kiest voor een samenleving die in balans is met ons milieu, ons klimaat en onze natuur. Want economie en ecologie gaan hand in hand. Een schoon land is gewoon een kwestie van gezond verstand:

  • 50% schone energie in 2030;
  • Een einde aan 10 miljard subsidies voor vervuilers en de bio-industrie;
  • Gezond leven wordt makkelijker: biologisch eten wordt goedkoper;
  • Vrije uitloop voor dieren: geen megastallen;
  • En bovendien: Nederland kernenergievrij.

[1] Ook de PPR stond begin jaren ’80 op een cruciaal punt in haar geschiedenis. De keuzes die zij toen voor stond werden ook in termen van kleuren gezien (Waltmans, 1983:196).

[2]Denk maar aan het verzet van de PvdA en SP tegen de belasting op de reiskostenvergoeding en de belasting op vlees, van de SP tegen rekeningrijden, van D66 tegen kernenergie en megastallen.

[3] De CPN ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie zich te veel richtte op sociale hervormingen, zoals de achturige werkdag, en niet principieel vasthield aan een principieel socialistische koers. De PSP ontleende haar bestaansrecht uit het feit dat de sociaaldemocratie steun verleende aan het Amerikaanse buitenlandbeleid tijdens de Koude Oorlog, alhoewel al veel oprichters van de PSP de PvdA hadden verloren na de politionele acties in Nederlands-Indië.

[4] Ze kwam voort uit de Katholieke KVP. Zij hoopten dat een progressief akkoord van PvdA, D66 en Christen-radicalen een linkse meerderheid zou kunnen halen. Een linkse minderheid zou midden jaren ’70 het kabinet-Den Uyl afdwingen, waarin de PPR ook ministers zou leveren.

[5] Ook de EVP ging in deze formatie op. Haar positie lijkt enigszins op die van de PPR.

[6] De steun voor de Kunduzmissie lijkt op de steun voor het Lenteakkoord. De oprichters van GroenLinks waren allemaal verbonden met de vredesbeweging. Na de Koude Oorlog zocht GroenLinks een nieuwe buitenlandkoers. Dit uitte zich in een permanente balans tussen verzet tegen het Amerikaanse buitenlandbeleid en het streven naar een internationale rechtsorde. De meerderheid van GroenLinks steunde -zeker na de genocide in voormalig Joegoslavië- het gebruik van militair geweld om mensenrechten te beschermen. GroenLinks steunde militaire operaties in Kosovo (1999) en Afghanistan (2001) en verzette zich tegen de invasie van Irak in 1991 en 2003. De steun voor de politietrainingsmissie was een logische stap: GroenLinks steunde de inval in Afghanistan in reactie op de aanslag van 11 september. Daarna was GroenLinks niet altijd even koersvast. De balans tussen de meer pacifistische achterban en de meer interventionistische partijtop was precair. Voor de interventionisten was duidelijk dat Nederland (en GroenLinks) vanwege haar steun aan deze invasie een verplichting had om de opbouw van de Afghaanse rechtstaat te steunen. Voor de pacifistische achterban kon de missie niet los gezien kan worden van de Amerikaanse Afghanistanpolitiek. De PvdA die het kabinet in 2010 had laten vallen over een militaire missie naar Uruzgan, Afghanistan stond negatief tegenover de missie. Het kabinet vond steun bij de ChristenUnie, D66 en GroenLinks. Binnen GroenLinks waren de partijtop, de achterban en het electoraat verdeeld.

[7] De verschuiving van links naar hervormingsgezind links viel samen met een beweging van Euroskeptisch naar pro-Europees. Eind jaren ‘90 wees GroenLinks het Verdrag van Amsterdam af. In 2005 was zij een van de vocaalste verdedigers van de Europese grondwet. Deze twee bewegingen lopen parallel: GroenLinks omarmde een wereldbeeld van flexibiliteit en globalisering. Tegelijkertijd schoof de PvdA in een Euroskeptische en in sociaaleconomische zin meer ‘behoudende’ richting met name onder druk van de opkomst van de SP.

[8] In 2012 leek de SP de functie van PvdA als natuurlijke linkse regeringspartij over te nemen.

[9] Dit is overigens dezelfde aantrekkingskracht die de Duitse Groenen door hun hele geschiedenis hebben gehad. De Groenen zijn opgericht als anti-partijenpartij. En hun recente renaissance is gebaseerd op hun profiel als betrouwbare, integere partij in een landschap van onbetrouwbare partijen.

Mijn voorkeursstem: Jesse Klaver

Het was deze verkiezing voor mij een simpele keuze op wie ik zal gaan stemmen: Jesse Klaver.

En dat terwijl de GroenLinks lijst broeide van jonge talenten en veteranen met ervaring. Neem Andrée van Es, onze lijstduwer, die in Amsterdam vorm geeft aan een diverse stad waar burgers gedeelde waarden hebben. Of Bas Eickhout die in het Europees Parlement met succes strijdt tegen klimaatverandering. Dat zijn mensen die al een hele staat van dienst in de politiek hebben. Maar er zijn ook jonge talenten, zoals Niels van den Berge met zijn aanstekelijk en authentieke idealisme.

Maar mijn keuze voor Jesse Klaver is niet gebaseerd op het CV of op de leeftijd. Alhoewel Klaver voor iemand van zijn leeftijd een ongelofelijke staat van dienst heeft. Hij is met 26 jaar de jongste GroenLinks-kandidaat, maar tegelijkertijd is hij al twee jaar Kamerlid, woordvoerder op sociale zaken en onderwijs, waarbij hij regelmatig het kabinet het vuur aan de schenen heeft gelegd. Daarvoor was hij voorzitter van CNV-jong. En nu een onvermoeibaar enthousiaste campagneleider van GroenLinks.

Nee, het is gebaseerd voor de waarde waar Klaver als geen ander voor staat: kansengelijkheid. Daar heeft Klaver in de Tweede Kamer zich hard voor gemaakt. Juist als woordvoerder onderwijs en sociale zaken zette hij er zich voor in dat niemand in Nederland wordt afgeschreven, vanwege zijn beperking of afkomst. Dat iedereen een eerlijke kans maakt: kinderen in het passend onderwijs, jongeren met wajong-uitkering, mensen die werken in de sociale werkplaats, 55plussers die op zoek zijn naar werk, kinderen op VMBO. Iedereen verdient in Nederland een eerlijke kans op een opleiding, op werk, op een fatsoenlijk inkomen en zo op de mogelijkheid om je eigen hart te volgen. Hij zei daarover, nog geen half jaar geleden in de liberale kerk:

“Dat is mijn Nederlandse droom. Het is geen droom waarin je denkt dat je alles aan jezelf te danken hebt, zoals de Amerikaanse. De realiteit is veel complexer dan dat: niet alle succes is eigen verdienste, niet alle falen is eigen schuld. Veel van wat je bereikt in je leven is het resultaat van geluk buiten je eigen verantwoordelijkheid om; en veel van wat er mis gaat, is het resultaat van ongeluk, waar je niets aan kon doen.
Jong gehandicapten kiezen er niet voor om geboren te worden met een afwijking. Dat dwingt ons tot bescheidenheid: niet alles wat wij bereiken hebben we aan onszelf te danken. De mensen met wie je samen hebt gehockeyt, het sociale kapitaal dat je ouders je hebben gegeven, en het lichaam waarmee je bent geboren: dat alles bepaalt mede hoe succesvol je bent.
Als we ons succes niet aan ons zelf te danken hebben moeten verantwoordelijkheid nemen voor anderen. Als ondernemer kunnen we dat doen door mensen in dienst te nemen die anders zijn dan normaal. Als buurtbewoner kunnen we dat doen door voor te lezen aan kinderen die anders nooit worden voorgelezen. Als burger doen we dit door de lasten te dragen voor de begeleiding die nodig is om mensen aan het werk te helpen.
In potentie is onze verzorgingsstaat dé manier om ervoor te zorgen dat mensen hun dromen kunnen najagen: om met training en ondersteuning het werk te vinden waarin ze zichzelf kunnen ontplooien en een eigen inkomen kunnen verdienen. Dan is de overheid een onderneming tot nut van het algemeen: de manier waarop we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en verzekeren dat iedereen in vrijheid zijn eigen pad in het leven kan volgen.”

En vanwege dat geloof, dat mensen succesvol zijn en falen, deels vanwege hun eigen handelen, maar ook deels vanwege factoren die buiten hen liggen, en dat we daarom eerlijk moeten delen, stem ik op GroenLinks. En die waarde zie ik vertegenwoordigd in Jesse Klaver.

Ontgroei de groei

Wat is het grote verhaal van GroenLinks over de groene economie? Is er een coherent verhaal dat verder gaat dan zonnepanelen en windmolens? Het Jong Wetenschappelijk Bureau Hellingproef organiseerde hierover een discussie tussen econoom Martijn van der Linden en Europarlementariër Bas Eickhout.

Martijn van der Linden is een intrigerende figuur. De bedrijfseconoom werkte een aantal jaar in de financiële sector als day trader. Maar hij voelde zich daar niet thuis: ‘In de financiële wereld is geld het enige wat telt. Mensen denken dat het onmogelijk is om dat systeem te veranderen. Maar natuurlijk zijn er alternatieven’. Hij besloot zich te verdiepen in economische filosofie. De day trader turned philosopher werkt nu aan een visie op een solidaire en ecologische economie: ‘planned degrowth‘.

‘Voor dat degrowth hebben we eigenlijk geen goede vertaling’, zegt Bas Eickhout, als Europarlementariër een invloedrijke groene politicus van GroenLinks. ‘De Fransen hebben het woord decroissance‘. ‘Krimp.’ merkt iemand uit de zaal op, en stelt voor dit woord gelijk te begraven.

Volgens Eickhout kan zijn dagelijkse politieke werk niet zonder een groter verhaal. ‘Ik worstel met mijn positie: aan de ene kant is er de politieke realiteit, waar ik dagelijks in zit, aan de andere kant is er een krachtige tegenstroom die oproept tot een groene economie. De vraag is hoe je die tegenstroom kunt verwoorden zonder je buiten de politieke realiteit te plaatsen.’ GroenLinks moet het grotere verhaal vertellen: ‘Laten we het idee dat we als samenleving de groei moeten ontgroeien naar het centrum van de politiek brengen’.

Minder groei: nu kiezen of straks laten gebeuren

‘De economie groeit op dit moment exponentieel’, stelt Van der Linden. ‘We lopen tegen ecologische grenzen op. Onze economie zal op een bepaald moment ingrijpend moeten krimpen. We kunnen ervoor kiezen om de degrowth gepland aan te pakken of we kunnen het ondergaan als het eindelijk gebeurt.’

Griekenland is een voorland voor de rest van het Westen, voegt Eickhout toe: ‘Daar zie je nu wat er gebeurt als mensen heel snel teruggaan in loon, consumptie en leengedrag.’ Het is een angstbeeld voor politici, volgens Van der Linden: ‘Mensen verliezen hun werk, hun huis en de kloof tussen de armsten en de rijksten groeit.’

Om een plotselinge klap te voorkomen moeten we volgens Eickhout ‘de economie langzaam afremmen’. In de politieke markt is dit een moeilijk te verkopen verhaal: ‘Als we proberen financiële producten te reguleren, dan staan niet alleen de Londonse bankiers op de achterste benen maar ook onze pensioenfondsen. Als je deze financiële producten aanpakt, zeggen ze, dan laten wij de pensioenpremies stijgen. Politici willen niet verantwoordelijk zijn voor hogere pensioenpremies.’

Ook volgens Eickhout komen er grenzen in zicht: ‘Normaal volgen energieprijzen de conjunctuurgolven, bij een economische crisis daalt de energieprijs. Maar nu is de energieprijs nog steeds hoog, terwijl het economisch steeds slechter gaat. Als dat echt zo blijft, dan is het gebeurd met de economische groei. Hoe erg moet het worden willen we toegeven dat dit systeem niet werkt?’

Groei en geluk

Van der Linden: ‘Economische groei is uiteindelijk onduurzaam en onstabiel. Groei leidt altijd tot meer gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Er is een relatie tussen inkomen en voetafdruk: naar mate mensen meer verdienen gaan ze meer energie gebruiken. Meer geld uitgeven betekent dus ook meer broeikasgassen. Er zijn mensen die tegen armoede strijden, mensen die overconsumeren en mensen die duurzaam consumeren. Die derde groep consumeert niet meer dan haar ecologische voetafdruk, maar heeft wel een menswaardig bestaan.’

Eickhout: ‘Tot een bepaald niveau worden mensen gelukkig van meer inkomen, maar daarboven vlakt het uit. Toch blijven we doorgaan. Mensen zeggen vaak, ik hoef geen hoger loon, maar ze willen ook niet achterblijven bij hun collega of buurman.’

Van der Linden: ‘Iedereen moet natuurlijk een bepaald minimum hebben, maar wel onder de grens van overconsumptie blijven. Dat betekent dat de armsten door moeten kunnen groeien, maar dat tegelijkertijd de overconsumerende klasse naar beneden moet’. Van der Linden maakt zich bijzonder veel zorgen over de superoverconsumerende klasse. ‘We weten precies wie het zijn: de mensen die nu echt onduurzaam leven. Het kan niet zo zijn dat wij ons peertje moeten vervangen door een spaarlamp, maar dat tegelijkertijd de allerrijksten blijven overconsumeren.’

Beprijzen en verschuiven

Volgens Eickhout hebben de groene maatregelen die GroenLinks verdedigt op termijn grote implicaties: ‘Onze politieke opdracht bestaat nu uit twee onderdelen: het beprijzen van vervuiling en het verschuiven van de belasting van arbeid naar het gebruik van grondstoffen. We hebben nu een lineaire economie: er is input, zoals arbeid en grondstoffen, waarmee we producten (output) produceren die geconsumeerd worden. Het systeem zit nu verkeerd in elkaar: er is altijd een hoge belasting geweest op arbeid, maar niet op grondstoffen. Zolang de arbeidsproductiviteit blijft stijgen kan hetzelfde werk door minder mensen gedaan worden. Economische groei is zo de enige manier om iedereen aan het werk te houden. Dus blijft groei een doel, ook voor ons.’

Van der Linden ziet wel een oplossing voor dat probleem. ‘We moeten afstappen van de veertigurige werkweek en uitgaan van een twintigurige werkweek. In plaats van een eigen baan, zullen mensen met elkaar een baan moeten gaan delen. Dat betekent minder stress en burn-outs.’ Er is een alternatief nodig voor de neoliberale economie die gericht is op ‘hard werken, competitie en geld verdienen’.

Eickhout ziet de oplossing in een circulaire economie. ‘Wanneer grondstoffen worden hergebruikt krijgen we vanzelf een lagere economische groei. We kunnen dit bereiken door grondstoffen meer te belasten en arbeid minder. De nadruk komt dan te liggen op de dienstensector. Deze creëert veel werkgelegenheid, maar legt minder druk op het milieu. Bovendien groeit deze sector veel minder dan industriële sectoren: het gevolg van het groene beleid is een economie die minder groeit, stabiliseert en misschien wel krimpt.’

Waar geld vandaan komt

Volgens Van der Linden is het niet mogelijk om alle milieukosten te internaliseren: ‘Het blijft altijd een benadering. Er altijd een business case om de kosten te externaliseren. We kunnen de intrinsieke waarde van de natuur nooit helemaal vermarkten.’ Grotere oplossingen zijn nodig. ‘Sinds de Industriële Revolutie zijn de groei van onze monetaire economie en onze materiële energie gelijk opgegaan. Dat komt in de knoop als we peak oil bereiken (het punt waarop het aanbod van olie gelijkblijft en begint te dalen – SO) en het monetaire systeem tegelijkertijd wil doorgroeien. De grote vraag is of we het huidige monetaire systeem kunnen hervormen tot een controlesysteem op het gebruik van grondstoffen.’

Volgens Van der Linden is hervorming van het financiële stelsel een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame economie.

Van der Linden: ‘Al het geld in onze economie is schuld. Geld wordt gecreëerd door commerciële banken op basis van een onderpand: je belooft het geleende bedrag terug te betalen binnen een bepaalde tijd mét rente. Als je het niet kan betalen dan moet je het onderpand afstaan.’ Het financiële systeem is zo ingericht dat niet alle leningen kunnen worden afgelost. ‘De banken creëren het geleende bedrag en niet de rente. Er is dus nooit genoeg geld om alle rente af te betalen.’ Dat betekent dat het systeem alleen maar werkt als mensen hun leningen niet kunnen aflossen.

Van der Linden: ‘Gemiddeld bestaat 40% van de prijs in de winkel uit rentekosten: als ik een brood koop, dan gaat een deel van de opbrengst direct naar de bank om de leningen voor de apparatuur af te lossen. Maar ook de prijs van apparatuur die de bakker kocht bestaat grotendeels uit rentekosten. Zo stroomt al het geld rechtstreeks naar de banken. 80% van de mensen betaalt meer rente dan ze krijgen. De armsten betalen via rente aan de rijksten.’

Maar dat is niet het enige probleem, Van der Linden: ‘Het zijn uiteindelijk commerciële bedrijven die bepalen waar het geld naartoe gaat. Er is geen democratische controle op. Het zijn banken die bepalen of wij als samenleving het geld lenen om consumptieve uitgaven te dekken of dat we investeren in nieuwe activiteiten.’

In de ogen van Van der Linden, ‘moeten we experimenteren met nieuwe vormen van geld, zoals rentevrij geld of geldcreatie zonder schuld. De overheid moet een monopolie op geldcreatie krijgen: dat maakt het veel democratischer.’ Als we de crisis zien aankomen, dan is dit volgens Van der Linden een kans: ‘Nu komen er nieuwe systemen. Als je daar zelf aan bijdraagt, kan je bepalen hoe de toekomst eruit zal zien.’