Dubbele paspoorten en de insluitende democratie

Er is veel onrust omdat Wilders vindt dat staatssecretarissen geen dubbele paspoorten mogen hebben, de SP en de VVD zijn het eigenlijk met hem eens maar houden hun mond dicht. Ik wil hier 1) laten zien dat de redenering dat bestuurders maar een paspoort mogen hebben geen steek houdt en 2) laten zien dat het wenselijk is voor bestuurders om twee paspoorten te hebben.

1) De voornaamste reden om dubbele paspoorten te verbieden voor bestuurders is het loyaliteitsconflict. Deze redenering gaat ongeveer als volgt: bestuurders die een dubbel paspoort hebben zullen als het een gevoelige kwestie die dat andere land betreft aangaat, in een loyaliteitsconflict komen, omdat ze burger zijn van beide landen. Dit loyaliteitsconflict kan twee bronnen hebben: legaal en sociaal.
a) De Turkse overheid kan bepaalde dingen van Albayrak, als Turkse, verlangen, die onverenigbaar zijn met haar Nederlanderschap. Zij zal zich als zij in Turkije is zowel aan de Nederlandse als de Turkse wet moeten houden.
Dit argument is onzinnig omdat iedereen die zich in Turkije bevindt zich aan de Turkse wet moet houden, onafhankelijk van burgerschap. Er is misschien een miniem aantal wetten, dat alleen op Turken van toepassingen is en Albayrak in een echt loyaliteitsconflict kunnen krijgen. Het is echter aan Wilders om het bestaan van deze wetten te bewijzen.
b) Als Turkse zal Albayrak misschien geneigd zijn om aan het Turkse belang te denken, ipv het Nederlandse, als het de Nederlands-Turkse relaties betreft. Zij zou dan vanuit haar Turkse identiteit in een loyaliteitsconflict komen.
Dit argument is onzinnig omdat het iemands identiteit betreft en niet iemands nationaliteit. Neem Job Cohen, een politicus met een joodse achtergrond maar zonder Israelisch paspoort. Hij zal misschien waar het Israel betreft, ook het Israelische belang mee nemen. Door iemands paspoort af te nemen, verander je haar identiteit niet.
Dus het argument houdt geen steek want eigenlijk zeggen ze: bestuurders die een dubbele identiteit hebben zullen als het een gevoelige kwestie die dat andere land betreft aangaat, in een loyaliteitsconflict komen, omdat ze zich verbonden voelen met beide landen. Er geldt in Nederland echter dat de overheid niet bepaalde mensen mag uitsluiten van ambten omdat ze een bepaalde identiteit hebben. Dat principe heet ook wel non-discriminatie (artikel 1 wel eens van gehoord?). Artikel 1 wordt vaak onjuist toegepast, maar letterlijk betreft het alleen maar ambten bij de overheid.

2) Het is wenselijk als het Nederlandse parlement en in zekere zin ook het kabinet, een afspiegeling zijn van haar burgers. Ik begrijp dat mensen tegen positieve discriminatie zijn (liever een goede politicus, dan een politicus die een groep vertegenwoordigd), maar iemand afwijzen voor een staatssecretariaat, omdat zij een bepaald kenmerk heeft dat een deel van de Nederlandse burgers heeft, diskwalificeert niet alleen haar maar ook een deel van Nederlandse burgers. Schijnbaar hoeft die groep niet vertegenwoordigt te worden in het Nederlands bestuur, zijn het tweede rangsburgers. Ik wil liever een bestuur dat groepen vertegenwoordigd en insluit, dan dat ze die uitsluit.
Daarnaast is het zo dat in het Nederlandse kabinet, juist een aantal ministers zitten die niet met het Nederlandse belang bezig zijn, maar denken aan anderen. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking wordt soms de stem van Afrika in de Treveszaal genoemd. De minister voor Milieu denkt niet aan het belang van de huidige Nederlanders, maar zet zich in voor toekomstige generaties wereldwijd. Het is dus schijnbaar een wenselijk principe om politici te hebben die over landsgrenzen heen kunnen kijken. Wie kan dat nou beter dan iemand die zich verbonden voelt met twee landen?

Daarom dus twee staatssecretarissen met twee paspoorten: er is niets tegen, en het tegenhouden zou ons naar een meer uitsluitende dan insluitende vorm van democratie brengen.

Vrijheid als Ideaal

Een van de twee grondvesten van linkse politiek is vrijheid. Een complex begrip. Ik hoop hier te kunnen verhelderen wat vrijheid is door precies te kijken naar Isaiah Berlin’s definities van Negatieve en Positieve Vrijheid.

Isaiah Berlin stelde in 1957 voor dat er twee conflicterende tradities zijn die op een verschillende manier naar vrijheid keken:
Negatieve vrijheid: vrijheid als de afwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau. Dat is nogal helder: als ik jou verbied een appel te eten heb ik je minder vrij gemaakt.

En positieve vrijheid, waarover hij nogal onduidelijk was, het is de mogelijkheid om je eigen potentie te verwezelijken maar ook om meester te zijn van je eigen leven en deel te nemen aan democratische besluitvorming. Als je echter naar de onderdelen van de definitie van negatieve vrijheid kijkt, kan je zien wat positieve vrijheid is en wat verschillende onvrijheden zijn:

1. De afwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: negatieve vrijheid. Een typisch voorbeeld is een man die net uit een gevangenis komt en nu eindelijk weer alles kan doen wat hij wilt.
2. De aanwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: negatieve onvrijheid. Iemand die gevangen is gezet bijvoorbeeld.
3. de afwezigheid van interne belemmeringen op het individuele niveau: één van Berlin’s visies op positieve vrijheid. Het vermogen om te doen wat je echt wilt, zonder angsten, remmingen en valse behoeftes. Een soort Freudiaanse vrijheid. Let wel: het ligt aan je opvatting van het goede leven, wat hier vrij zijn inhoudt, voor een Christen is leven volgens Gods wil echt vrij zijn. “Libertas est posse non peccare” (vrijheid is het vermogen niet te zondigen) zei Augustinus al. Maar sterker nog je kan iemand ook dwingen zo te leven als jij vindt dat hij hoort!
4. de aanwezigheid van externe belemmeringen op het individuele niveau: positieve onvrijheid. Iemand die niet weet wat hij eigenlijk wil.
5. de aanwezigheid van externe steun op het individuele niveau: één van Berlin’s visies op positieve vrijheid. Vrij zijn is kunnen doen wat je wilt. Als je daar steun voor nodig hebt dan kan je vrijer worden gemaakt door die steun. Een rolstoel maakt een gehandicapter persoon vrijer. Het kan om allerlei soorten steun gaan: sociaal, economisch of politiek.
6. de afwezigheid van externe steun op het individuele niveau: positieve onvrijheid. Niet kunnen handelen omdat anderen je weigeren te helpen, is ook een vorm van onvrijheid.
7. de aanwezigheid van interne steun op het individuele niveau: iets willen is een voorvereiste van iedere vorm van vrijheid.
8. de afwezigheid van interne steun op het individuele niveau: niets willen zou dus een vorm van onvrijheid zijn, zij het niet dat niets willen je ook vrij maakt. Berlin noemt de “the return to the inner citadel”.

Je zou ook naar het collectieve niveau kunnen stappen, wat in Berlin’s definitie van positieve vrijheid ook besloten zit:
1. De afwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: negatieve vrijheid van het collectief. Soevereiniteit, het zijn van de hoogste macht over een volk en grondgebied.
2. De aanwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: negatieve onvrijheid van het collectief. Een bezet land, een kolonie of provincie is in deze zin onvrij.
3. de afwezigheid van interne belemmeringen op het collectieve niveau: een vorm van collectieve positieve vrijheid, als niemand in de vergadering gebruik maakt van zijn veto recht, als er geen groep is die de besluitvorming ophoudt. Het gaat hier duidelijk om politieke belemmeringen. Democratische eensgezindheid. Ook dit is positieve vrijheid te noemen.
4. de aanwezigheid van externe belemmeringen op het collectieve niveau: positieve onvrijheid. Als er verdeeldheid is binnen de groep en groepen de besluitvorming frusteren of de besluiten vetoen: democratische onenigheid.
5. de aanwezigheid van externe steun op het collectieve niveau: Marshall hulp bijvoorbeeld, als de steun van andere groepen nodig is om een democratie op te bouwen.
6. de afwezigheid van externe steun op het collectieve niveau: een land zonder Marshall hulp dus.
7. de aanwezigheid van interne steun op het collectieve niveau: een meerderheid die een plan steun, lijkt erg op democratische eensgezindheid.
8. de afwezigheid van interne steun op het collectieve niveau: niets willen lijkt me voor collectieven geen echte vorm van vrijheid.

Er zijn dus verschillende soorten vrijheid:
* Negatieve vrijheid
* Positieve vrijheid als ondersteuning
* Positieve vrijheid als niet kunnen zondigen
* Positieve vrijheid als democratische soevereiniteit
Ik zal later proberen uit te leggen hoe deze zich verhouden tot de verschillende kernidealen van GroenLinks. Hoe dit verhoudingen verheldert en mogelijke problemen kan weergeven, maar dit nadat ik ook Gelijkheid het tweede grondvest van linkse politiek heb besproken.

EK 2007

Headlines 8 Maart 2007: NRC: “Schokkende uitslag Provinciale Statenverkiezing.” Volkskrant: “Zegetocht SP zet voor.” Trouw: “Partij voor de Dieren te klein voor Eerste Kamer.” Telegraaf: “PvdA kon verlies niet voorkomen.” Politieke conclusies worden ook getrokken: AD: “Tichelaar zaagt aan poten Bos.” Trouw: “Verdonk zinspeelt op overname VVD.” Volkskrant: “Marijnissen: “Bijna groter dan de PvdA! Nederland bedankt!”" NRC: “Boris van der Ham volgt Alexander Pechtold op.” AD: “Marrianne Thieme: “Zonder bekende lijstduwers komen we natuurlijk nooit in de Eerste Kamer”" Parool: “Linkse meerderheid in Eerste Kamer.” Trouw: “Coalitie houdt meerderheid in Eerste Kamer.”

Ik heb een wilde gok gemaakt. Een schatting voor de uitslag van de Eerste Kamer verkiezing van 2007. Voornaamste trends: SP verdrievoudigt. De Partij voor de Dieren haalt de Eerste Kamer niet. Zowel de LPF als de Onafhankelijke Senaatsfractie verdwijnen. VVD en CDA verliezen ligt (2 en 1). De PvdA verliest vier zetels. D66 houdt met een zetel stand (net aan!). CU verdubbelt (van 2 naar 4). GL en SGP blijven stabiel (Herman Meijer komt dus in de Eerste Kamer!).

CDA 22 (-1)
PvdA 15 (-4)
VVD 13 (-2)
SP 13 (+9)
GL 5 (0)
CU 4 (+2)
SGP 2 (0)
D66 1 (-2)
LPF 0 (-1)

De systematiek is de volgende: ik heb per partij de uitslag per provincie van de Tweede Kamerverkiezing van 2006 door 2003 gedeeld, dit levert een getal op dat aangeeft wat voor’n percentage winst de partij heeft geboekt. Dit heb ik per partij per provincie vermenigvuldigd met de uitslag van de Provinciale Staten 2003. Dan krijg je per provincie een uitslag die je kan omzetten naar zetels, waarmee je vervolgens de uitslag van de Eerste Kamer kan uitrekenen aan de hand van een onhandige formule. De data komt van deze zeer handige site.

Tovernarij natuurlijk. Een twee conclusies kan je aan de hand van dit “model” natuurlijk wel trekken: de kiesdrempel verhoging is slecht voor kleine partijen als de D66, PvdD, de provinciale partijen en de SGP. Dit zorgt ervoor dat veel van hen de Eerste Kamer niet halen. Een “linkse” meerderheid in de Eerste Kamer (van CU, via D66 tot SP) is ook in de Eerste Kamer mogelijk (precies 38 zetels) en de coalitie hoeft zich geen zorgen te maken om de uitslag, zij halen een zeer meerderheid (41 zetels).

NU SP NU ZEKER

De eerste verkiezingsposters worden weer geplakt, nu voor de aanstaande provinciale statenverkiezingen. De SP valt altijd op: simpele boodschap, simpel beeld. Toch is er deze keer een veelzeggende dubbele bodem in hun “NU SP NU ZEKER”.

De boodschap aan de oppervlakte is natuurlijk, stem nu, zelfs na de voor de SP mislukte formatie, het succes van de PvdA als onderhandelaar en de 25 zetels oorverdovende stilte, weer SP, want in de Eerste Kamer en Provinciale Staten zijn meer SP’ers nodig. Een hartverwarmende boodschap natuurlijk, maar zou iemand daarop stemmen?

De andere boodschap ligt er onder: stem SP voor zekerheid en tegen verandering (ten goede of ten slechte), stem SP voor mensen die zeker zijn van eigen overtuigingen en niet meer open staan voor nieuwe ideeen; stem SP voor de belangen van de mensen nu en niet voor komende generaties, stem SP voor de belangen van de mensen hier en niet voor mensen in andere delen van de wereld.

Maar ja, stem GroenLinks voor zoekende onzekerheid, ooit en ergens anders, is ook geen goede campagne-boodschap, hoe waar ook.

Kies Partij voor de Dieren, tegen de Democratie

De Partij voor de dieren wil niet dat Cees Veerman voorzitter van Natuurmonumenten wordt. Een klein berichtje in de Volkskrant. Leuk, schattig, de Partij voor de Dieren heeft ook een keer een mening: toch niets mis mee?

Nou eigenlijk is hier veel mis mee: een onafhankelijke vereniging heeft het grondwettelijke recht zich zo te organiseren als ze willen: dat is het recht van vereniging. Door in de interne besluitvorming van een onafhankelijke organisatie te treden schaadt deze politieke partij de autonomie van deze vereniging. Het is een kernwaarde van een gezonde democratie dat er organisaties zijn, onafhankelijk van de overheid en politieke partijen die zelf hun eigen beslissingen kunnen nemen: om mensen tot voorzitter te kiezen die zij zelf bij hun identiteit vinden passen, zonder dat de overheid daarin treedt. Stel je voor dat de Partij voor de Dieren in de regering zou zitten en van hun mening over Veerman beleid maken: ze zouden Natuurmonumenten verbieden om Veerman als voorzitter te kiezen. Want dat is wat ze zouden eigenlijk willen.

Ach, denk je misschien, ze doen er toch niets mee: ik vind het verschrikkelijk dat er 179,988 mensen in Nederland zijn die op een partij stemmen die niet weet wat de rol van politieke partijen is, die democratische grondrechten schenden omdat bepaalde personen ze niet aan staan. Een stem voor de Partij voor de Dieren is een stem tegen de democratie.

Kristallen Bal

Met de formatie 2006-2007 bijna afgesloten, kunnen we aardige voorspellingen doen over de toekomst van de Nederlandse politiek in de volgende, zeg, 4 jaar.

Balkenende-4: Het kabinet Balkenende-4 maakt de 4 jaar af. De instabiliteit die 1, 2 en 3 kenmerkte valt weg als sociaal-democraten, christen-democraten en christelijk-socialen samen een kabinet vormen van betrouwbare, stabiele partijen, die programmatisch gezien dicht bij elkaar staan en beschikken sterke meerderheid en verdeelde oppositie tegenover zich zien.

PvdA: Balkenende wordt overschaduwd als premier door vice-premier Wouter Bos, die anders dan de vorige vice-premiers, de echte politiek leider van zijn partij is en blijft, die beschikt over een eigen programma, en een zeker charisma heeft. Hij weet ook de sociale agenda van het kabinet te claimen als een sociaal-democratische bijdrage.

CU: De ChristenUnie sneeuwt onder, door drie factoren: ten eerste zitten ze, net als D66 in Paars tussen twee sterke grote partijen. Ten tweede komt het karakteristieke eigen programma, namelijk op het gebied van gezin en medische ethiek niet uit de verf, dat zie je al in het regeerakkoord; de meer sociale en groene punten worden gekaapt door de PvdA. En ten derde hebben ze door de keuze van het ministerie van Defensie en Jeugd & Gezin, weinig eigen sterke ministers en staan ze ver van de cruciale sociaal-economische beleidsvorming; het ministerie van Defensie is ueberhaupt een miskoop: het valt niet te verwachten dat de problemen in Afghanistan en Irak worden opgelost en dus zal de CU-minister de boodschapper worden van een mislukkend beleid, waar hij zelf niet verantwoordelijk voor is.

VVD: De richtingenstrijd binnen de VVD wordt alleen maar sterker in de vrijheid van oppositie-voeren door slecht getimede proefballonnetjes en steeds slechtere peilingen. Verdonk splitst zich niet af, maar Rutte treed wel af na de Europese verkiezingen van 2009. Hij wordt opgevolgd door Henk Kamp, die een conservatief liberale koers gaat varen, geent op Bolkestein en daarmee herenigt hij de twee stromingen: de liberalen rond Rutte en de conservatieven rond Verdonk. De richtingen strijd wordt tijdelijk beschoren en de VVD begint eindelijk in de peilingen weer te stijgen.

SP: Jan Marijnissen treedt af vanwege gezondheidsredenen, hij wordt opgevolgd door Harry van Bommel als fractievoorzitter en Tiny Kox als partij voorzitter. Zij gaan een sterk eurosceptische en anti-globalistische koers varen, die inhoudelijk binnen de partij goed ligt, maar weinig extra zetels oplevert.

CDA: Het CDA kabbelt verder af: matige peilingen, stemmetjes dat JP na vier termijnen lang genoeg heeft geregeerd, er is helaas geen alternatief.

GL: Femke Halsema treedt af aan het einde van haar statutair laatste derde termijn. Zij wordt na een lijsttrekkersverkiezing tussen Tof Thissen en Kathalijne Buitenweg, vervangen door Buitenweg, die aan sociaal, groen en tolerant, internationaal toevoegd.

D66: D66 heft zich eindelijk op. Een groep, waaronder Van Mierlo, gaat naar de PvdA van Bos, een groep, waaronder Terlouw, naar de VVD van Kamp en groep, waaronder Sophie in ‘t Veld, naar het GroenLinks van Buitenweg.

PvdD: De PvdD krijgt met een kabinet waarin het CDA zit niets voor elkaar en krijgt steeds minder aandacht en steun.

SGP: Het SGP doet niets bijzonder maar groeit in de peilingen, als conservatieve CU-stemmers over lopen.

PvdV: Wilders houdt de touwtjes strak vast en voorkomt afsplitsingen, toch komt zijn rechtse praat niet meer over en overtuigt hij steeds minder. De rotsvaste conservatief-liberale koers van Kamp kost hem steun.

Verkiezingen 2011: Er komen dus verkiezingen in 2011. Bij deze een gooi naar de uitslag:

PvdA – Wouter Bos – 45
CDA – Jan Peter Balkenende – 35
VVD – Henk Kamp – 34
SP – Harry van Bommel – 13
GL – Kathalijne Buitenweg – 12
PvdV – Geert Wilders – 5
ChristenUnie – Andre Rouvoet – 3
SGP – Kees van der Staaij – 3
PvdD – Marianne Thieme – 0

Kabinet Bos I: Samen met de VVD vormt Wouter Bos zijn eerste kabinet Bos.

Oorlog & Hypocrisie

Ik was tegen de oorlog in Afghanistan en erg tegen. Ik ben naar de demonstratie op de dam gegaan, nu vier jaar geleden. Ik beschouw mezelf een pacifist. Ik geloof dat oorlog nooit gebruikt mag worden om internationale conflicten op te lossen.

GroenLinks, zeer tot mijn ”shock and awe”, steunde de Amerikaanse interventie. Na 9/11 mocht en moesten de Verenigde Staten, met steun van de Verenigde Naties terug slaan. Onzin natuurlijk dat soort oog om oog, tand om tand, past niet bij een partij waarbinnen een platform de Linkerwang opereert. Maar gelukkig, onder druk van DWARS, een van hun grootste overwinningen, werd de koers bijgesteld.

Nu staat GroenLinks in een spagaat: gemakkelijke oppositie tegen de falende Amerikaanse bezetter, die ze hebben gesteund, of consistent, rugrecht, en doorbijten, voor de multinationale vredesmacht, die de rommel van de Amerikanen mag opruimen.

Ze kiezen voor dat laatste. Mariko Peters, de nieuwe kosmopolitische mensenrrrechtenjurrrrist van GroenLinks en voormalig adviseur van de Afghaanse regering steunt in de Nederlandse vredesmacht, met kanttekeningen, gevoel en nuance (immers we zijn de SP niet).

Ik schrik daar toch iedere keer van: steunt GroenLinks het bezetten van een ander land? Ik zelf ben er heel dubbel in: aan de ene kant, als je eenmaal bent binnen gevallen moet je de verantwoordelijkheid nemen om de boel op te ruimen, aan de andere kant, het bezetten van een ander land?

Zelfs al beschouw ik mezelf pacifist, vind ik, politiek gezien het eerste eigenlijk de enige mogelijkheid. Nederland moet consistent zijn en de gevolgen van z’n daden accepteren. Dit is uiteraard een uiterest hypocriet standpunt mijnerzijds.

Daarom/toch heb ik op Peters gestemd. Van harte overtuigd van haar competentie, intelligentie en uitstraling, maar toch in permanente vertwijfeling over haar “militairistiche” opvattingen. Had ik toch maar Kathalijne moeten stemmen?

Regeren?

In de discussie over de koers van GroenLins en het wel of niet regeren dacht ik eerst, net als de voorzitter van DWARS, Steven, dat er teveel diversiteit zit in de tegenstand tegen de nieuwe koers: zij (de ongeorganiseerde oppositie) weten toch niet wat ze willen. Tot dat ik las dat zowel Joost Lagendijk (ex-PSP), als Ina Brouwer (ex-CPN) en Leo Platvoet (ex-PSP) intensief betrokken zijn geweest bij de vorming van GroenLinks, met name via de informele aanjaaggroep cliche-BV. Waarom zouden deze oprichters van GroenLinks zulke moeilijkheden hebben met het afslaan van regeringsverantwoordelijkheid?

Dat zit ‘m met name in hun opvatting waarom de oprichting van GroenLinks noodzakelijk was. Zij verlangde eind jaren ’80 een machtspolitiek alternatief voor de CDA/PvdA en CDA/VVD regeringen die al sinds 1945 Nederland hadden geregeerd. Zij wouden links van de PvdA een nieuw blok vormen dat regeringsverantwoordelijkheid kon dragen om hun socialistische idealen uit te voeren.

GroenLinks heeft nu echter regeringsverantwoordelijkheid geweigerd omdat zij een ‘links-liberale’ koers wilt varen en niet in het sociaal conservatieve kabinet van Balkenende willen komen. Zij vragen zich af: waarom is dit gebeurd? Dit past toch niet in de originele koers van GroenLinks? Er was echter bij de oprichting van GroenLinks een tweede groep betrokken: ongebonden jonge idealisten, die een nieuwe niet-dogmatische linkse politieke koers wilden varen. Mensen als Marijke Vos en Maarten van Poelgeest. Volgens mij is het hun koers die van niet-dogmatische linkse politiek, die je nu in de koers van GroenLinks terug ziet: progressief, vrijzinnig en niet per se uit op macht. Hiermee verschillen zij sterk van diegene die GroenLinks als links blok van de PvdA zien. Want daarin heeft Paulus de Wilt volkomen gelijk. Dat is GroenLinks niet (meer); dat is de SP.

De vraag is dan welke koers moet GroenLinks nu varen? Een socialistisch machtsblok links van de PvdA vormen of een niet-dogmatische partij zijn met een eigen koers? Ik denk dat Brouwer, Platvoet en Lagendijk nog te veel redeneren vanuit een oud partijstelsel: na Paars en Fortuyn zijn de kaarten radicaal herschikt. De oude “wij moeten een linkse partner voor de PvdA zijn”-doctrine werkt niet meer. Ik denk dat de zelfstandige, vrijzinnige koers een veel beter kompas vormt in dit nieuwe landschap.

Winnaars en Verliezers

Vandaag was het GroenLinks congres. Ik heb na het onstuimige congres, waarvan de pers overigens veel meer had verwacht, en de borrel, op wikipedia de artikelen over de winnaars en verliezers geupdate. Al typend vraag ik me een ding af: is het rechtvaardig dat Leo Platvoet niet op de lijst staat?

Leo Platvoet was als zittend senator weer kandidaat voor de Eerste Kamer. Na een negatief advies, maar met name na een scherpe profilering verloor hij vier keer een twee strijd tegen een andere kandidaat en trok zich vervolgens terug. Hij had zich voor het congres in de Volkskrant kritisch uitgelaten over de weinig “solidaire” koers van GroenLinks en, met name, de weigering van GroenLinks om gesprekken aan te gaan met PvdA en CDA – overigens zag Platvoet in 2002 zelf weinig heil in deze coalitie om dezelfde redenen als Halsema nu-. Hij vormde zo een echte dissident: met een eigen onconventioneel principieel geluid. Als je naar de uitslagen van de stemming waar hij aan mee deed was hij iedere keer bij de laatste twee en werd hij iedere keer met ongeveer 200 voor Platvoet en 400 voor de andere kandidaat verslagen, zie je dat hij ook een eigen electoraat had: 200 tot 250 congresgangers hebben steeds op Platvoet gestemd. Uiteindelijk was het zijn eigen keuze om van een onverkiesbare zesde of zevende plek af te zien, waarvan het niet zeker is of hij hem wel zou krijgen.

Het principiele probleem is, volgens mij, het volgende: moet je kandidaten voor een lijst zo verkiezen dat ze een simpele meerderheid van de leden achter zich hebben of zo dat de lijst alle (of meer dan de helft van de) congresgangers vertegenwoordigt. Het is een verschil tussen twee opvattingen van de democratie, die ieder een eigen uitvoering hebben.

1. In een simpel democratisch model telt de meerderheid. In het geval van de GroenLinkse basisdemocratie is dit de meerderheid van de aanwezige leden. Zij beslissen over iedere plek, die 50%+1 van de stemmen moet krijgen. Het is een simpel helder referendum over iedere kandidaat. Over de lijst in zijn geheel is dan ook geen eindstemming, want een meerderheid is het eens met iedere kandidaat.

2. In een consensusdemocratie wordt er gestreefd naar een zo groot mogelijke steun voor een voorstel. Niet de meerheid moet zijn wil door drukken, de minderheid moet ook invloed kunnen hebben. Je zou zo’n lijst op een proportionele manier verkozen moeten worden, waarbij iedere “stroming” zich vertegenwoordigd weet en er een eindstemming is over de gehele lijst. Je zou kunnen denken aan het systeem van de enkelvoudig overdraagbare stem, waarbij er wordt gerekend op basis van een ordening van alle kandidaten door alle congresgangers en iedere kandidaat die op basis van eerste preferenties genoeg stemmen voor een plaats heeft, een plaats krijgt. Dit is misschien minder duidelijk, maar wel rechtvaardiger voor minderheden.

De vraag is dan wat voor’n soort democratie GroenLinks nastreeft: een dictatuur van de meerderheid of systeem van vertegenwoordiging van minderheden. Die vraag lijkt me snel beantwoordt.

Idealen van GroenLinks

Op het eerste gezicht lijkt het duidelijk wat de idealen van GroenLinks zijn. De naam staat immers voor groene en linkse politiek. Als je preciezer kijkt, blijkt echter dat GroenLinks een veelvoud van idealen na streeft.

Op het niveau van het individu zou, hoop ik, iedereen twee idealen centraal stellen:
Vrijheid Dat ieder mens vrij zou moeten zijn om zijn eigen leven in te richten.
Gelijkheid Dat ieder mens gelijk recht heeft op vrijheid.

Het is alleen de vraag hoe je deze idealen op het individuele niveau toepast op de samenleving als geheel. In andere worden: wat je bedoelt met iedereen.
Een eerste interpretatie zou zijn dat ik met iedereen ieder mens dat nu leeft, zou kunnen bedoelen. Dit roept op tot solidariteit tussen arm en rijk en Noord en Zuid. Vrijheid wordt opgevat als positieve vrijheid: de vrij zijn van armoede en achterstand om zelf je eigen leven te bepalen. Gelijkheid wordt geinterpreteerd als materiele gelijkheid: gelijke middelen (kansen) voor iedereen om van die vrijheid gebruik te maken.
Je zou ook kunnen stellen dat volgende generaties en andere wezens waarmee we de Aarde delen zo’n recht hebben. Dan roep je op tot duurzaamheid, wij nu moeten voorzichtig omspringen met deze planeet, zodat volgende generaties daar ook gebruik van zouden kunnen maken. Hier spreekt een zelfde interpretatie van vrijheid en gelijkheid uit als solidariteit.
Je zou deze opvatting kunnen afschrijven als een materialistische: tot nu toe is vrijheid geinterpreteerd als middelen, grondstoffen en kansen, die gelijk verdeeld zou moeten worden.
Daarom zou je je, ten derde, kunnen richten op een andere interpretatie van vrijheid: vrijheid als zelfontplooing bijvoorbeeld. Hiervoor heb je naast middelen, ook de culturele ruimte nodig om jezelf te kunnen zijn. Aan gezien dat deze vrijheid formeel gelijk is, zou je een culturele ruimte aan iedereen moeten gunnen: Diversiteit dus.
Je zou vrijheid ook op kunnen vatten als de afwezigheid van geweld. Dit is typisch negatieve vrijheid: vrij zijn van dwang en bedreiging. Een wereld waar in niemand wordt gedwongen door geweld of de dreiging daarvan wordt gekenmerkt door vrede dus.
Ten slotte zou je vrijheid kunnen opvatten als zelf mee beslissen over wat er om je heen gebeurd. Vrijheid als zelfbeschikking, dit is een andere interpretatie van positieve vrijheid. In zo’n wereld zou iedereen gelijke invloed moeten hebben over die dingen die hem of haar aan gaan: Democratie dus.

Hieruit volgen dus vijf GroenLinkse idealen: Solidariteit, Duurzaamheid, Diversiteit, Vrede en Democratie. GroenLinkse politiek is niet alleen maar groen of sociaal, maar ook tolerant, vreedzaam en democratisch.