Nietzsche, Arendt, Vrijheid & Gelijkheid

Mijn relatie tot continentale filosofen als Martin Heidegger, Friedrich Nietzsche en Hannah Arendt is ietwat problematisch. Ik denk dat een van mijn problemen het beste uitgedrukt wordt Heidegger zelf: "Making itself intelligible is suicide for philosophy." Voor mij als analytisch filosoof staan logica, rationaliteit en transparantie centraal. Ik begrijp die continentale filosofen vaak gewoon niet, terwijl analytische filosofen proberen zichzelf duidelijk te maken.

Toch zijn aspecten van Nietzsche’s en Arendt’s filosofie verlokkend. Nietzsche heeft een radicale visie op vrijheid: de vrijheid van individuen om meester te zijn van hun eigen leven, los van de conformistische massa en de bestaande moraal. Nietzsche is de filosoof van de zelfverwerkelijking. Arendt heeft een radicale visie op democratie, die terug gaat op de idealen van Atheense democratie: mensen vinden vrijheid in de publieke sfeer, door directe participatie en het publieke debat. Arendt is de filosoof van de zelfbeschikking. Mooi toch? Linkse vrijheidslievende politiek zou zich moeten laten inspireren door Arendt en Nietzsche.

Onderliggend aan de filosofie van Nietzsche en Arendt ligt echter een  notie die niet te verenigen is met linkse (of vrijheidslievende) politiek. Ze staan namelijk voor ongelijkheid, vrijheid voor enkelen en onvrijheid voor velen. Nietzsche bewondert die individuen die zich los kunnen maken van de massa en veroordeelt de instincten van de massa. Slechts enkelen kunnen echt vrij zijn. Arendt, bouwt voor op de Atheense democratie, waar slechts enkelen in het publieke debat kunnen deelnemen. Volgens haar zijn er verschillende manieren om in het leven te staan, en slechts een daarvan is geschikt voor deelname in het publieke debat. Alhoewel ze er niet expliciet over is, is democratie slechts geschikt voor de enkelen.

Nietzsche en Arendt staan misschien voor vrijheid maar menen niet dat iedereen vrijheid aan kan. Slechts enkelen kunnen dat. Linkse vrijheidslievende politiek zou op zowel vrijheid als gelijkheid gericht moeten zijn.

Mijn problemen met deze continentale filosofen is niet alleen dat ik (deels) ze niet begrijp, dat ze op belangrijke thema’s stil vallen maar ook dat wat ze zeggen niet te verenigen is met mijn principes, vrijheid en gelijkheid.

GroenLinks, de Derde Weg en politieke consensus

Na een korte afwezigheid van twee weken, summerschool in Essex, ben ik weer even terug. Er is in die twee weken veel gebeurd bij DWARS, maar daarover (misschien) later meer. Ik heb de rust van de Universiteit van Essex gebruikt om na te denken over een aantal thema’s, die ik in de loop van deze week wil bespreken: de relatie tussen Nietzsche en Arendt, tussen substantiele gelijkheid en "inclusion" en verschillende redenen om aan internationale solidariteit te doen. Maar ik wil me eerst richten op mijn meest opmerkelijke bevinding: de relatie tussen GroenLinks en de Derde Weg.

De Derde Weg is een politieke stroming die in de jaren ’90 probeerde wereldwijd centrum-links te vernieuwen, dat gold zowel voor de Europese sociaal-democratie als voor de Amerikaanse Democraten. Anthony Giddens geldt als de politieke denker achter deze stroming en Blair, Clinton, Kok en Schroeder als aanhangers hiervan. Wouter Bos en de huidige PvdA zijn nog steeds de Nederlandse exponenten hiervan.

Op sociaal-economisch gebied richt de Derde Weg zich met name op een synthese van sociale rechtvaardigheid en de vrije markt: de synergie tussen privaat ondernemerschap en publiek optreden moet worden gezocht. Het doel van overheidsoptreden moet zijn burgers moeten in staat worden gesteld om zelfstandige "risk"-takers te zijn, in plaats van beschermelingen van de verzorgingsstaat. Dat kan de overheid het beste doen door te investeren in onderwijs en workfare-projecten, door  flexibilisering van de pensioenleeftijd, gratis kinderopvang en start subsidies voor kleine ondernenmers. Dit zorgt ervoor dat iedereen meedoet in de samenleving, burgerschap wordt gestimuleerd, dat kansarme burgers perspectieven wordt geboden en dat economische groei wordt gestimuleerd. Social investment in human capital noemt met dat dan. Het principe achter de workfare projecten is dat een recht (op een uitkering) niet gaat zonder een verantwoordelijkheid (op het aannemen van geschikt werk). Giddens noemt de damalige verzorgingsstaat ondemocratisch, vervreemdend en inefficient omdat het een grote groep mensen uitsluit van economische participatie. Met name dat laatste is regelrecht teruggekeerd in Vrijheid Eerlijk Delen  even als de nadruk op onderwijs.

De vraag rijst: is GroenLinks een Derde Weg partij? Ik denk van wel. We volgen de sociaal-economische agenda van de derde weg vrij precies. Al voor vrijheid eerlijk delen ondersteundende GroenLinks het Derde Weg-denken. Was onze kritiek op Paars ("Private rijkdom, Publieke Armoede") niet juist dat er te weinig sociaal geinvesteerd werd, dat Paars het derde weg-project niet consequent implementeerde? Vrijheid eerlijk delen heeft deze koers niet verlegt, enkel versterkt.

Ik denk dat dit uiteindelijk meer zegt over de aard van politiek van over GroenLinks in het bijzonder. De grote politieke verschillen zijn niet tussen partijen maar tussen perioden. In de periode 1945-1966 was iedere Nederlandse partij voor de verzorgingsstaat van wieg tot graf, en in de periode 1994-nu is iedereen voor workfare en sociaal investeren. Het parlementaire werk gaat over de uitvoering hiervan en kleine marges, (niveaus van uitkeringen etc.) maar over de grote lijnen bestaan consensus. Daarnaast stelt de economie stelt de kaders waar binnen de politiek kan handelen. Kleine partijen als GroenLinks zijn niet in staat om een eigen alternatief te scheppen en kunnen slechts consequent het alternatief van de grote partijen uitdragen. Schokken als de Tweede Wereldoorlog, de studenopstand van de jaren ’70 en Fortuyn veranderen de inhoud van de consensus, maar niet het bestaan daarvan.

Consistentie in de Linkerbovenhoek

Gisteren kwam het raport van  de evaluatie commissie Van Ojik uit. Ik zal vandaag als gewoon lid er naar kijken en later nog eens formuleren hoe ik denk dat het begeleidingspanel beginselen met het stuk moet omgaan.

Ik wordt van een aantal conclusies erg positief: het milieu-beleid moet radicaler (p.16), de verbinding met maatschappelijke organisaties moet beter (p.31), GroenLinkse idealen moeten met meer passie gebracht worden (p.16), de leus "Groei Mee" is niets (p.29), en de interne partijdemocratie moet verbeterd worden (pp.18-24). De GroenLinks kiezer is erg links en linkser dan de gemiddelde SP-kiezer (pp.15-16). Kortom ik voel me wel thuis in de linkerbovenhoek.

Er valt op het raport echter ook het een en ander af te dingen. Nog niet eens zo zeer omdat ik het er niet mee eens ben, maar omdat de commissie soms niet consistent is. Het stuk is duidelijk geschreven door verschillende auteurs, met verschillende stijlen en, blijkbaar, meningen.

De eerste inconsistentie is in de opmaak. Alleen kopjes (zoals in h.1 en h.2), of ook subkopjes (h.3 en  h.4) lange lappen tekst (h.3) of veel witregels (h.2). Leuke anecdotes in italics (p.21) of niet? Je kan het zelfs in de samenvatting zien: doen we bullets (inleiding), cijfers (samenvatting h.2, h.3 en h.4)of subkopjes (samenvatiing h.1)? Het was misschien in de laatste dagen een haastklus.

De tweede is al opgemerkt door Lisette. Hoe kan je enerzijds zeggen dat GroenLinks de enige echte milieupartij is (p.16) en anderzijds pleiten voor een radicaler milieustandpunt (pp.10-11)? Het is of het een (groen genoeg) of het ander (niet groen genoeg)

Maar een andere is dat het stuk pleit voor een sterkere positionering ten opzichte van andere linkse partijen (p.30) en aan de andere kant op merkt dat een te scherpe profilering van GroenLinks als links en progressief ons in een niche duwt (p.17). Het is of het een (een eigen profiel) of het andere (mindere eigen profiel).

Nog eentje: de commissie rekent voor dat GroenLinks het slechter doet onder allochtonen (p.16), en als ze vervolgens uitrekent dat GroenLinks het beter doen onder jongeren, is dit de "urban youth", hippe jonge allochtonen (p.13). Het is of het een (minder allochtone stemmen), of het ander (meer allochtone stemmen).

Is GroenLinks nou voor of tegen de orientatie op de abstractie kiezersgroepen als post-materialisten, postmoderne hedonisten en kosmopolieten? De terminologie wordt in het ene hoofdstuk zonder enige kritiek gebruikt (p.12) en in het andere hoofdstuk afgekraakt (p.31).

De reden voor de inconsistentie is misschien het volgende: de commissie benadrukt aan de ene kant dat, vanuit electoraal standpunt, we ons misschien iets minder moeten profileren als (groen), links en progressief, partijen die zich minder uitspreken zijn veel succesvoller. Onder de druk van de deliberende leden in de regio-bijeenkomsten, vond de commssie echter ook dat GroenLinks zich nog meer moet profileren als groen, links en progressief. Dit is in de politicologie al vaker onderzocht: (kader-)leden zijn vaak radicaler dan stemmers van partijen en de partijtop. Cruciale vraag is dan: naar wie luister je?

Wat ik ook miste, als sociaal wetenschapper, waren harde cijfers: er wordt met
een boel cijfers uit verschillende onderzoeken, motivaction,
interview-nss, verkiezingsuitslagen gegoocheld. Ik wil de echte cijfers wel zien.

Homosexualiteit en Rechtvaardigheid

In de hedendaagse politieke filosofie wordt heel wat aandacht besteed aan minderheden en wat voor’n soort eisen rechtvaardig zijn. Er is aandacht besteed aan originele bewoners (Native Americans), taalkundige minderheden, religieuze minderheden, migranten. Prominente filosofen verdedigen liberale en multiculturele theorieen. Liberale theorieen proberen neutraal te zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven, een "colour-blind state", multiculturalisten geloven dat de overheid niet colour-blind kan blijven maar moet ingrijpen om culturen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, die van de samenleving een eenheidsworst maken.

De vraag is wat voor’n soort eisen homo’s en andere sexuele minderheden binnen zo’n filosofisch framework kunnen maken.

Het zou logisch zijn om homo’s te behandelen als andere culturele minderheden, hun cultuur moet beschermd worden tegen invloeden van buiten af. Geld dus naar een homo-museum, overheidssteun voor de Roze Zaterdag en gemeenten moeten zich inzetten om het Gay en Lesbian Film Festival aan zich te binden.

Ik denk dat zo’n voorstel een grote fout maakt: homosexualiteit is geen cultuur. Als je als homo geboren wordt, wordt je opgevoed door heterosexuele ouders in een heterosexuele cultuur. Niet alle zwarte mensen luisteren naar hip-hop, niet alle homo’s naar Gloria Gaynor. Homo’s zijn er allerlei culturen.

Dit betekent echter niet dat de neutrale liberale theorie voldoet. Immers als homo’s worden opgevoed in een heterosexuele samenleving, waar homosexualiteit ontkent, uitgesloten en geridiculiseerd wordt, is uit de kast komen geen mogelijkheid. In een rechtvaardige samenleving waar iedereen zelf kan ontdekken wat zijn sexuele identiteit is en kan kiezen om uit de kast te komen, moet homosexualiteit moet bespreekbaar zijn en zichtbaar zijn. Daarnaast moet homo-haat bestreden worden, juist op scholen, zodat jongeren zich niet schamen als ze opzoek gaan naar hun sexuele identiteit. Een "neutrale" overheid maakt iedere keuze een legitieme.