Nee is toch niet Nee

Toch doen ze het weer, weer een folder van de SP in mijn bus, zal ik reageren of zal ik de februari editie van de NU voor een beter Nederland gewoon gebruiken om de kattenbak te verversen?

"Kameraden,

Met grote verbazing trof ik gistermiddag een ongeadresseerd magazine van uw partij op mijn deurmat aan. Ik verbaasde mij niet over de Telegraaf-achtige koppen, de populistische boodschap, of de nadruk van uw partij op de belangen van mensen hier en nu. Ik ben geen onbekende van uw partij. Ook de in de krant opgenomen de Sudoku, die voor zo ver ik begreep niets maar dan ook niets met socialistische politiek te maken had, was te begrijpen vanuit de bigger picture.

Nee, wat mij zeer verbaasde was dat u tegen uw toezegging in, wederom de noodzaak had gezien om een stuk ongeadresseerd drukwerk in mijn met een nee/nee-sticker gesierde brievenbus te steken. Ik dacht altijd dat de SP een goed georganiseerde partij was met trouwe militanten die nog tijd steken in het verspreiden van propaganda van de partij. Ik kan dit incident op twee manieren interpreteren. Beide interpretaties baren mij zorgen:
Of de Socialistische Partij is geen goed geoliede politieke machine. In dat geval is toekomst van ons land in gevaar. Immers uit uw pamflet blijkt dat uw partij de enige is die ons land kan redden van de  ondergang: van de onmenselijke thuiszorg, van de verspilling door de overheid, van de armoede in Nederland, van het slechte onderwijs en van de files. Als uw politieke machine happert door opstandige leden, wie redt ons dan?
Of de Socialistische Partij heeft haar militanten wel onder controle, maar geeft hun opdracht zich niets aan te trekken van individuele voorkeuren van burgers. Als de SP dan aan de macht komt, zal zij al deze  problemen oplossen door niets ontziend collectivisme, staatsdirigisme en gelijkheidsdenken. Er zal dan geen ruimte meer zijn voor individuele voorkeuren of verschillen tussen mensen.  Als uw partijorganisatie wel sterk is, dan is dit incident een symptoom van de ware aard van de Socialistische Partij.
Beide toekomstvisies boezemen mij angst in: of Nederland zal ten ondergaan aan het onvermogen van de gevestigde partijen om onze problemen op te lossen of Nederland zal ten ondergaan aan uw nietsontziend collectivisme.

Is er een derde weg mogelijk? Tussen de scylla van het wanbewind van Balkenende en de charibdis van het communisme van de SP? Of is het een keuze tussen socialisme en barbarij? Ik hoop dat u mij uit dit dilemma kan redden,

vriendelijke groet,

Simon Otjes"

Reality, Fiction and the Real World

Een kort artikel in The Guardian van een kleine week geleden wees op de grote gelijkenis tussen de fictionele kandidaat-president Santos uit de serie The West Wing en de echte kandidaat-president Obama. Vergelijk deze overly hoopvolle campaign announcement eens met de filmpjes van Obama.
Beiden zijn Democratisch, jong, dynamisch, hoopvol, progressief, van een andere etniciteit en nemen het op tegen een Republikeinse, oudere, gematigde, ervaren, liberale, blanke man (Vinick/McCain).

Nu de Amerikaanse primary campagne verslapt en mijn deadlines maar blijven roepen om aandacht, kon ik dus niets anders doen dan de serie gaan volgen: uiteraard vanaf aflevering 1, serie 1. De serie is natuurlijk melodramatisch, Amerikaans. Nu komt de Obama kloon pas binnen vanaf serie 6, dus … zullen mijn deadlines nog maar even moeten wachten.

Plato en de politieke ruimte

Politieke ruimtes zijn op zich niet filosofisch, maar de manier waarop je ze kan benaderen wel.

Stel je voor er zijn dimensies die het gedrag van alle politieke partijen structureren. Deze ruimte kunnen we niet zomaar waarnemen. Deze bevinden zich in de wereld van de ideeen in Platoonse termen, de Platoonse rommelzolder zouden anderen stellen. Er zijn wetenschappers die stellen dat zij intuitief kennis kunnen nemen van deze Platoonse politieke ruimte. Zij participeren zo gezegd in het ideeen van de politieke ruimte.

Wij simpele stervelingen die niet geroepen zijn tot het ambt van koning-filosoof moeten het anders aan pakken: wij moeten via de wereld die wij direct kunnen waarnemen, partijposities bijvoorbeeld, afleiden hoe deze Platoonse politieke ruimte eruit ziet. Wij zijn gekluisterd in Plato’s grot en kunnen slechts kijken naar schaduwen op de muur om zo de echte vormen af te leiden. Dus kijken we naar het gedrag van partijen dat slechts een reflectie is van de Platoonse vorm. De beelden zijn sterk vervormd, in mijn geval door de parlementaire mores en het coalitie akkoord.

De stemmen tellen: politieke ruimte gemeten aan de hand van parlementaire stemmingen

Er waren diegene die klaagde dat ik te weinig vertelde over politicologie op dit weblog.  Ik zal hier kort een van mijn huidige onderzoeksvoorstellen toe lichten.

Volgens veel politicologen wordt de positionering van politieke partijen op allerlei vraagstukken gestructureerd door bepaalde dimensies: er zijn mensen die stellen dat een links-rechts dimensie genoeg is om deze politieke ruimte te beschrijven, terwijl anderen stellen dat er meerdere dimensies nodig zijn.

Tot nu toe is het meeste onderzoek, een aantal uitzonderingen daar gelaten, op de volgende wijze te werk gegaan. Politicologen bedenken op basis van hun eigen intuitie welke dimensies de politieke ruimte structureren. Soms is dat vrij basic: als het gaat om Europese vraagstukken zal er wel een pro en anti-Europa tegenstelling zijn en een links-rechts tegenstelling. Soms is dat minder basic en verzinnen politicologen allerlei tegenstellingen om de huidige politieke ruimte te structureren: tussen progressief en conservatief, tussen multicultureel en monocultureel, tussen groen/alternatief/libertair en traditioneel/autoritair/nationalistisch. Er wordt vaak geen verantwoording gegeven waarom politicologen menen dat deze dimensies er toe doen. De dimensies worden simpel weg opgelegd aan de posities van politieke partijen. Het is voor deze wetenschappers een gegeven dat de politieke ruimte door deze dimensies gestructureerd wordt.

Als er vervolgens een controverse is tussen politicologen die menen dat de politieke ruimte meer-dimensionaal is of een-dimensionaal, of tussen mensen die menen dat dimensies die de politieke ruimte zijn veranderd, en tussen hen die stellen dat ze het zelfde zijn gebleven, lost het verwijzen naar deze aan de werkelijkheid opgelegde ruimtes niets op. Immers je laat alleen maar je mening zien. Deze ruimtes zijn geen manier om iemands gelijk te bewijzen.

Het doel van een van mijn huidige onderzoeksprojecten is om te kijken welke dimensies de politieke ruimte nu werkelijk onderliggen. Het uitgangspunt daarbij is dat ik kijk naar stemmingen in het parlement. Ik heb voor een bepaalde periode alle stemmingen in het parlement geregistreerd. Iedere keer dat twee partijen anders stemmen over een motie, amendement of wetsvoorstel (de een voor, de ander tegen) dan is dat een teken dat de partijen een verschil van mening hebben over een bepaald thema. Hoe meer partijen verschillen van mening, des te groter is de afstand tussen hen in de politieke ruimte. Je kan tussen alle partijen zo afstanden berekenen en op deze afstanden een bepaalde statistische analyse op toe passen. De analyse vertelt me hoeveel dimensies er nodig zijn om de politieke ruimte te beschrijven.

Zo zou ik dus te weten kunnen komen of de Nederlandse politieke ruimte een of meer-dimensionaal is en wat de aard is van deze dimensies. Voor meer informatie: lees mijn onderzoeksvoorstel hier.

Partijraad: controle, vertrouwen of deliberatie?

Gisteren was de trainingsdag van de partijraad. Er lag een grote nadruk op het onderlinge debat tussen partijraadsleden: hoe zie jij nou de rol van de partijraad? Hoe zouden wij vorm moeten geven aan onze relatie met het bestuur en de fracties?

Een belangrijk vraagstuk was het onderscheid tussen controle en vertrouwen: moet de partijraad alle processen binnen de partij proberen te controleren, met moties het bestuur en de fractie dwingen bepaalde dingen te doen of standpunten in te nemen? Of moet zij hands-off zijn en het bestuur en de fractie haar eigen gang laten gaan?

Volgens mij is er een derde relatie mogelijk tussen partijraad, fractie en bestuur: deliberatie. In plaats van standpunten op leggen of "zomaar te accepteren", zou de partijraad de plaats kunnen zijn waar fractie en bestuur uitleggen waarom ze bepaalde keuzes hebben gemaakt: de plaats om de argumenten te bespreken die achter de beslissingen liggen van de partij. Waar twijfelde de fractie over? Waarom koos het bestuur nou juist voor die variant?
Je kan dit niet alleen achteraf maar ook vooraf kunnen doen. Laat de fractie en het bestuur maar met een plan naar de partijraad komen, niet om toestemming te zoeken, maar om een klankboord te zoeken, om je twijfels en argumenten met een anderen delen om zo tot een beter besluit te komen. Een besluit van het bestuur en de fractie zelf wel te verstaan.

Dat vereist een heel ander soort partijraadslid. Niet een die wantrouwig is bij ieder besluit, die wilt dat Den Haag, Brussel en Utrecht meer doen wat "de normale leden" willen, maar ook niet een die alleen maar kan klappen voor Kathalijne, Femke, Tof of Henk. Het is een partijraadslid dat constructief mee wilt denken, dat kan luisteren en naar lijnen van argumentatie kan kijken.
Het vereist ook een andere houding van het bestuur en de fracties: die moeten naar de partijraad komen met hun vragen, met hun problemen en met hun twijfels. Die moeten gebruik durven maken van hun eigen partijleden om tot beter doordachte besluiten te komen.

Je verschuift zo van een klassieke controlerende functie van bv. een rekenkamer, een raad van beroep en een parlement, naar een deliberatieve functie van bv. de Griekse agora en Townhall meetings.

Dijsselbloem is neo-liberaal, en daar is niets mis mee.

De politiek van SP tot VVD deelt de conclusies van de commissie-Dijsselbloem. Dat  is opvallend want het voorstel ademt, een voor mij overigens verfrissend, neo-liberalisme uit. Dat de SP en de PvdA juichend achter dit voorstel staan fascineert me: het vermindert de macht van de centrale overheid en het voorstel kan als het begin worden gezien om marktwerking in het onderwijs in te voeren.

Wat Dijsselbloem voorstelt is het volgende: de overheid bepaalt de (leer)doelen van het onderwijs en controleert de kwaliteit van het onderwijs door regelmatig te toetsen. De scholen zijn zelf vrij om het onderwijs te geven als zij willen: geen onderwijsmethodes van bovenaf maar vrijheid van scholen om zelf te bepalen hoe zij onderwijs geven.

Deze logica is uitermate neo-liberaal: de centrale overheid stelt slechts doelen en controleert of deze behaald worden (en zou dan vervolgens de organisaties daarvoor moeten straffen). Organisaties die niet behoren tot de centrale overheid, in dit geval scholen, maar dat kunnen ook marktpartijen zijn, verplichten zich om de doelen te halen. Dit is geheel volgens de logica van het New Public Management: de bureaucratische centrale overheid wordt zoveel mogelijk op de zijlijn gesteld en er wordt ingespeeld op de menselijke neiging tot nutsmaximalisatie door het nut van de uitvoerende dienst gelijk te stellen aan het sociale nut dat de dienst heeft: kortom je beloont organisaties die doen wat ze moeten doen. De privatisering van de NS is het zelfde: geen centrale overheidinmenging in de organisatie van het spoor, maar een prestatiecontract voor een zelfstandige NS, er wordt ook op dezelfde manier met de politie om gegaan: targets worden gesteld (aantal boetes) en die moeten de politiekorpsen halen. (Kijk in het geval van de politie zijn de doelen pervers: je zou het aantal verkeersongevallen, of aggregate subjectieve veiligheidsgevoel als target moeten nemen, niet de hoeveelheid geld die je de centrale overheid oplevert).

Dijsselbloem’s aan bevelingen lijken zeer op mijn eigen voorstel om een vorm van marktwerking in het onderwijs in te voeren. Het voorstel Dijsselbloem lijkt nog te veel op de NS en de politie: maak een monopolist (in een bepaalde regio) onafhankelijker van de overheid. Maar zo’n systeem werkt volgens mij beter als je marktwerking stimuleert door meerdere aanbieders toe te laten treden.

Je zou het volgende kunnen doen: financieer scholen primair op basis van het aantal leerlingen dat er onderwijs volgt, maak informatie over hoe goed een school is publiek en probeer leerlingen en ouders ervan te overtuigen dat zij voor het beste onderwijs moeten gaan, zorg ervoor dat er diversiteit in het onderwijs is, vergroot het aantal scholen. En vervolgens krijg je echte marktwerking in het onderwijs: scholen die het goed doen, waar veel leerlingen naar toe gaan omdat die goed onderwijs geven, krijgen veel geld, scholen die het minder goed doen, waar minder leerlingen naar toe gaan (omdat ze slecht onderwijs geven), krijgen minder geld en zullen worden gedwongen zich op te heffen. Je zou daarnaast ook nog een bulk financiering kunnen geven per school: als je dit doet stimuleer je het bestaan van kleine scholen.

De enige klacht tegen marktwerking die volgens mij steek houdt is dat het ongelijkheid tussen arm en rijk in de kaarten speelt: de rijken kopen op de markt, met hun grotere inkomen, beter onderwijs. Ik zou zeggen draai de logica dan om: zorg ervoor dat onderwijs alleen nog maar gefinancieerd wordt door de overheid, maar op zo’n manier dat keuze van de leerling en het niveau van de leerling er toe doen. Je zou kunnen denken aan voucher systeem, waarbij leerlingen overheidsvouchers voor onderwijs krijgen. Kansarme leerlingen krijgen meer vouchers dan kansrijke, zodat je juist geen ongelijkheid vergroot, maar gelijkheid van kansen vergroot.

Politiek Spin en Politiek Vertrouwen

Ik vind de reactie van Tofik Dibi op mijn kritiek op zijn kamervragen fascinerend:

Hij heeft de kamervragen gesteld, en dat was overigens al overduidelijk in zijn blog, vanwege zijn eigen politieke agenda. Hij gebruikt het nummer dat gaat over wantrouwen ten opzichte van de politiek ("de dove en corrupte top")  om een eigen politiek punt te maken over het gebrek aan verantwoording en transparantie van het kabinet. De vragen van Lange Frans en Baas B. interesseren Dibi niet echt: hij geeft er een politieke spin en gebruikt ze voor zijn eigen doel.

Laat me twee aspecten hiervan uitlichten die ik fascinerend vind:

Waar de rappers benadrukken dat de politiek doof is, benadrukt Dibi dat het kabinet niet-transparant is. De rappers staan buiten de politiek en noemen die dus doof, Dibi staat buiten het kabinet en noemt die dus niet-transparant. De frustraties lopen parallel: net die laag van de macht waar je zelf bent buiten gesloten is niet-transparant.

Belangrijker echter, Dibi toont zich dus even doof en "corrupt" als de politici uit het nummer: de vragen van de rappers interesseren hem niet, maar hij geeft er een spin aan en gebruikt het nummer om zijn eigen doel te bereiken. Is dat respectvol ten opzichte van deze kunstenaars/intellectuelen? En: voedt je daarmee niet het wantrouwen ten opzichte van de politiek dat je wilt bestrijden?

Dibi verwoordt de gevoelens van onlust ten opzichte van de politiek van bepaalde bevolkingsgroepen. Maar we hebben in Nederland al genoeg partijen en politici die daar geluid aan geven (de PVV en de SP bijvoorbeeld). De vraag is of je door het herhalen van de mantra’s over gebrek aan transparantie en verantwoording, het wantrouwen tussen politiek en burger verkleint. Je kan kamervragen stellen, maar je kan je ook inzetten om daadwerkelijk politiek en burger dichterbij elkaar te brengen: ik dacht dat GroenLinkse politiek stond voor meer dan het alleen maar roepen dat het niet goed is, namelijk voor het bieden van alternatieven, oplossingen en perspectieven.

kamervragen over “Kamervragen”

Tofik Dibi verklaart op zijn weblog dat hij zich direct herkende in het gevoel dat de rappers Lange Frans en Baas B in hun laatste single "kamervragen" vertolken.

In dit nummer verklaren de rappers te geloven in allerlei complot theorieen. Zo verklaren de rappers dat Volkert van der G. 1) gehersenspoeld was, 2) een van meerdere schutters was en 3) Fortuyn heeft vermoord om er voor te zorgen dat het Joint Strike Fighter-project doorgang zou krijgen. Daarnaast stelt de rapper Lange Frans dat hij klaar is voor een coup (een staatsgreep tegen de Nederlandse overheid). Volgens de rappers schreeuwt het volk "tegen een dove en corrupte top". Ook vragen zij zich af wat minister Remkes af weet van buitenaardse leven. De rapper vraagt aan de kamer om hier antwoord op te geven.

Dibi stelt dat ook hij zich er stoort dat dit kabinet (volgens mij refereren de rappers aan de Nederlandse politieke top in het algemeen, inclusief Dibi zelf) weigert verantwoording af te leggen over belangrijke issues. Zoals dus schijnbaar ook het bestaan van buitenaards leven en de kennis van Nederlandse ex-ministers hiervan. Dibi zegt dat hij naar aanleiding hiervan kamervragen heeft gesteld, waarin de minister president vraagt om antwoord te geven op de vragen die de rappers stellen en of hij zich erkend in het gebrek aan transparantie en verantwoording dat de rappers verwoorden.

Laat ik de constitutionele vraagstukken laten voor wat zij zijn: zoals de vraag of de huidige minister president iets zou kunnen zeggen over de kennis van vorige ministers van justitie en volksgezondheid en dat Dibi de vragen niet stelt aan diegene aan wie de rappers de vraagstellen, namelijk de Tweede Kamner.

Mijn bezwaar is veel fundamenteler: een GroenLinks kamerlid stelt dat hij zich kan herkennen in het extreme politiek cynisme van twee rappers en stelt hun vragen die gebaseerd zijn op complot-theorieen aan de minister-president. Een politieke partij of een kamerlid zouden nooit voeding moeten geven aan zulk politiek cynisme, dit soort crackpot theorieen, laat staan deze oproepen tot omverwerping van de constitutionele orde.

Bedrijven, burgers, internet & de bevrijding van de Amerikaanse politiek

Bij de huidige Amerikaanse primary verkiezingen speelt internet een grotere rol dan bij eerdere verkiezingen, het lijkt de macht van grote bedrijven in de Amerikaanse politiek te eroderen, maar slaagt daar tot nu toe niet in.

Conventioneel werden primary campagnes in de VS als volgt uitgevoerd: kandidaten kregen grote zakken geld van bedrijven, lobbyisten, rijke donoren etc. Hiermee kochten ze zendtijd op de (in Amerika dominant commerciele) televisie, om zo de burgers ervan te overtuigen op de ene kandidaat te stemmen en niet op de ander. Simpel gesteld: Amerikaanse politici vormen sluisden geld van de ene groep grote bedrijven (de donoren) naar de andere groep grote bedrijven (televisie-stations) om zo burgers te overtuigen.

Nu gaat het anders: burgers kunnen op het internet kleine donaties geven aan hun kandidaten (Clinton bedankt ze bijvoorbeeld hier).  Met dat geld  kopen kandidaten nu zendtijd op televisie-stations. De macht is dus deels verschoven naar gewone burgers. Door al hun kleine donaties hebben burgers meer macht gekregen over welke kandidaat het benodigde campagne geld heeft om presidentskandidaat te worden. Maar daarvan worden dan hele saaie, truttige filmpjes van gemaakt (bv. deze van Hillary of deze van Ron Paul), die volgens mij niemand overtuigen of aanspreken.

Je ziet in deze campagne echter ook een derde trend: burgers die zelf de macht naar zich toe trekken, door via web 2.0 zelf het voor hun eigen kandidaat opnemen. Geen dure en truttige reclame filmpjes verzenden naar mensen die weg zappen, maar op internet twijfelaars en zoekers aan spreken met een overtuigende inspirerende boodschap. Het initiatief van Wil.I.Am van de N.E.R.D. voor het uitermate inspirerende filmpje voor Barack Obama is hier het mooiste voorbeeld van. Met miljoenen keren bekeken is dat een veel betere (en veel goedkopere) campagne stunt geweest van welke kandidaat dan ook.

Misschien transformeert het internet de manier van politieke communicatie wel fundamenteler dan we nu zouden kunnen overzien: Het bevrijdt Amerikaanse politiek uit de handen van grote doneren en geeft politici een manier om kiezers te bereiken zonder dat grote media magnaten daar tussen staan.