Ecologisch Catan

Eigenlijk is Kolonisten van Catan niet geschikt voor spelers met een groene inborst: je moet zoveel mogelijk bouwen en zo snel mogelijk allerlei grondstoffen aan de natuurlijke omgeving onttrekken: alsof wegen, dorpen en steden bouwen niet tot vervuiling leidt en grondstoffen niet opraken. Daarom heb ik na zitten denken over een ecologisch Catan, waarbij vervuiling, klimaatverandering en oprakende grondstoffen een grote rol spelen.

Er zijn maar een paar extra regels. Het enige wat je extra nodig hebt is een bak met eurocenten en misschien de extra watertegels van een van de uitbreidingen.

Je bouwt het spel normaal op maar legt op iedere berg en heuvel tegel negen centen. Iedere keer dat iemand een erts of een steen krijgt wordt er een cent van die berg dan wel heuvel afgehaald. Als er geen centen meer op een berg of heuvel liggen is hij op en produceert hij niets meer.  Erts en steen zijn delfstoffen waarvan maar een beperkte hoeveelheid is.

Daarnaast levert bouwen en handelen met de bank milieuvervuiling op: een weg levert een vervuilingspunt op, een dorpje twee en een stad drie. Handelen met de bank ook een. Bij iedere negen vervuilingspunten vindt er een milieuramp plaats: een vakje wordt overstroomd. Je gooit met de twee dobbelstenen om te bepalen welke het is (net als in de uitbreiding handelaars en barbaren overigens). Een vakje dat aan het water ligt en de gegooide waarde heeft overstroomd wordt. Voldoen er twee aan beide voorwaarde dan moet nog een keer gooien om te kijken welke van de twee het is (de een bij even de ander bij oneven). Bij zeven overstroomd wordt de woestijn. Als er geen vakje is dat voldoet, wordt er niets overstroomd. Als door een overstroming een haven niet meer aan een kustlijn grenst mag je hem naar kustlijn toe verplaatsen. Er mag dan een dorpje aan meerdere havenpunten liggen. Als er een dorpje of weggetje is dat niet meer aan landtegel grenst dan wordt deze vernietigd. En je verliest de punten.

De rover wordt uit het spel gehaald: bij zeven wordt er niet meer gehalveerd, nog wel bij een ander getrokken. Daarnaast wordt er een vervuilingspunt weggehaald.

Je wint het spel bij 8 punten, of als je als enige nog een dorpje hebt.

Bescherming van de democratie tegen het populisme

Zoals het er nu naar uit ziet zal de Nederlandse partijpolitiek voor de komende jaren gekenmerkt worden door populisme van links en van rechts en door snel wisselende verkiezingsresultaten. Ik wil hier een constitutionele agenda ontwikkelen om in deze tijd politieke stabiliteit te bieden en om onze Nederlandse rechtsstaat te beschermen tegen het populisme.

Ik denk hierbij met name aan het versterken van machtenscheiding en checks and balances die voorkomen dat als een populistische bewegingen het eenmaal het heel goed doet in verkiezingen deze de komende vier jaar alles kan doen wat ze willen. Ik laat mij hierbij direct inspireren door de Founding Fathers van de Verenigde Staten, die checks and balances tot kern van hun politieke stelsel maakten.

Het mooiste zou zijn om 6 hoge colleges van staat, die aan elkaar gewaagd zijn, in te stellen. Te weten: de Staten Generaal, het Kabinet, de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman, de Hoge Raad, en de Raad van State.

Staten Generaal
De Staten Generaal, zou de echte wetgevende macht moeten worden. De wetgevende macht moet niet langer gedeeld zijn tussen Staten Generaal en Regering. Zij zou moeten bestaan uit twee Kamers, die even machtig zijn maar anders zijn samengesteld. Dit houdt in dat de macht van de Eerste Kamer moet worden uitgebreid zodat zij ook het recht van
initiatief en amendment krijgen. Eerste Kamerleden worden voltijds aangesteld. Er komen ook meer Eerste Kamerleden, maar minder Tweede Kamerleden: beide moeten honderd leden hebben. Ze worden beide direct laten verkozen, maar
op andere momenten (bv. om en om iedere twee jaar) en met een ander
kiesstelsel: de Tweede Kamer op basis van proportionele representatie,
de Eerste Kamer op basis van districten ter grootte van de huidige
kiesdistricten, of misschien zelfs enkelvoudige districten. Dit zorgt
ervoor dat nooit een partij de meerderheid in beide kamers zal kunnen
krijgen. Beide kamers krijgen meer geld voor ambtelijke ondersteuning, om haar nieuwe wetgevende taken waar te kunnen maken.

Kabinet
Het kabinet behoudt haar slechts haar uitvoerende taken. Zij verliest het recht om wetgeving, anders dan begrotingen, te initieren. De koningin, als neutraal staatshoofd, krijgt een grotere rol in kabinetsformatie. Het moet daarnaast veel moeilijker worden om kabinetten te laten vallen als zij
geen steun meer hebben van het parlement, mogelijk valt te denken aan
het Zwitserse stelsel, waarbij ministers eenmaal verkozen niet meer afgezet kunnen worden door het parlement. Dit versterkt het dualisme. Daarnaast moet de positie van de premier worden verzwakt. Het aparte ministerie van Algemene Zaken kan worden opgeheven: de premier is ook
vakminister, misschien zelfs de positie van premier laten rouleren
onder de ministers.

Raad van State
De adviserende rol van de Raad van State in het wetgevingsproces moet worden versterkt: mogelijk val te denken aan een terugzendrecht aan de Staten Generaal als rechtsprincipes worden geschonden. De koningin wordt uit de Raad van State gehaald.

Hoge Raad
Er moet constitutioneel toetsingsrecht geven worden aan rechters, te beginnen bij de Hoge Raad met name waar het de grondrechten betreft, zodat wetten nooit tegen de beginselen van de rechtsstaat kunnen indruisen. Daarnaast moet de onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie versterkt worden.

Ombudsman en Algemene Rekenkamer
De controlerende rol van de Algemene Rekenkamer moet versterkt worden, naar het model van de Taiwanese Control Yuan. Ook de Ombudsman versterkt en beter ondersteund worden. Andere onafhankelijke controle organen als de Commissie
Beschermingpersoonsgegevens moeten ook meer macht en ondersteuning krijgen. Versterking van de controle functie van de
media.

Overigen
Gemeenten, provincies en waterschappen moeten een sterkere autonomie krijgen, met name een financiele autonomie. De zogeheten `horizontale scheiding der machten´moet worden versterkt, zodat als een partij  of coalitie de macht heeft op het nationale niveau, zij niet onmiddelijk het hele land controleren.
Sterkere verzelfstandiging van bestuursorganen met een helder omschreven takenpakket. Hiermee worden bepaalde beleidsterreinen buiten het bereik van bepaalde politieke bewegingen gelegd, denk hierbij bijvoorbeeld aan de Europese Centrale Bank dat zich geheel onttrekt aan politieke controle.
Ten slotte moet het moet veel moeilijker worden voor Nederland om zich aan internationale verdragen te ontrekken. De internationale rechtsorde moet worden verstevigd. Ook in Nederland: alleen een twee derde meerderheid van het parlement kan een verdrag op zeggen. 

Onne

Laatst werd ik gebeld door Onne, oud-voorzitter van DWARS, of ik donderdag iets met hem wilde gaan drinken als hij toch langs Leiden zou komen. Ik had mij net in allerlei bochten gewrongen om donderdag avond in Amsterdam te kunnen zijn bij een debat over links moraliseren. Dus spraken we nadat debat in Amsterdam af, hoefde Onne ook niet uit zijn natuurlijke leefomgeving te komen.

Het ging al een tijdje rond binnen DWARS maar Onne heeft GroenLinks verlaten, en ook DWARS. Onne was gedesillusioneerd geraakt in de lokale politiek, waar GroenLinks samen met de PvdA in een college zit. Daar worden door beide partijen fouten gemaakt en verkeerd beleid gevoerd. Maar wat hij vooral benadrukte is dat GroenLinks in zijn hele bestaan nauwelijks iets bereikt heeft en altijd regeringsverantwoordelijkheid heeft gemeden. Hij gaat nu zelf partijloos door het leven.

Opvallend is echter alleen dat voor Onne zijn natuurlijke sympathie uitgaat naar D66: 40 jaar geleden is opgericht om bepaalde democratische vernieuwing te bereiken die er nog steeds (gelukkig!) niet zijn uitgevoerd. Daarna is de partij op de pragmatische toer gegaan wat inhield dat ze die dingen beloofde aan de kiezer waarvan ze wisten dat ze die konden bereiken omdat andere partijen daar ook allemaal voor waren. D66 heeft vervolgens drie jaar lang in een coalitie gezeten met het CDA en de VVD, waar de partij fout op fout stapelde en het afbraak- en uitzetbeleid van VVD en CDA accepteerde. Maar ja, Pechtold neemt het nu zo goed op tegen Wilders en Marijnissen.

Mijn eigen tweede sympathie ligt ook in het geheel niet bij D66, maar bij de Partij van de Arbeid. Kijk als je het nu hebt over dingen bereiken: als 60 jaar is de PvdA bezig om dingen te bereiken, zij stonden aan de basis van de verzorgingsstaat, onder hun visie werd een overheid gebouwd die zich bemoeide met de economische ontwikkeling. Onder de PvdA is veel gedaan voor vrouwen, voor het milieu, voor migranten en voor de derde wereld. Als je op een partij wilt stemmen die iets heeft bereikt in Nederland is dat de PvdA, die Nederland heeft getransformeerd.

Veel belangrijker nog is de toekomst: kijk Pechtold pakt Wilders en Marijnissen aan in het parlement.  Maar de Partij van de Arbeid pakt de causes van Wilders en Marijnissen aan: door zich in dit kabinet in te spannen voor een socialer Nederland, voor integratie, verbetering van de oude wijken en beter onderwijs.

Arp1946 Ten slotte
moet ik denken aan oude ARP-poster: "versterk de dijk", waarop je een anti-revolutionaire dijk ziet die een communistische storm tegenhoudt. De PvdA is nu onze dijk tegen de populistische storm. De PvdA als brede volkspartij voor mensen uit oude wijken, migranten, grachtengordelintellectuelen, en mensen uit de middenklasse is de partij die een dijk opwerpt tegen het aankomend populisme. Alleen als deze partij groter blijft dan Wilders en Verdonk is er een perspectief op een progressief Nederland. Het CDA gaat zo (weer) met Verdonk, alleen als de PvdA groot genoeg is, kan zij een rechtse christen-populistische regering uitsluiten.

Als je D66 steunt, steun je 40 jaar met alle winden mee waaien, als je de PvdA steunt steun je 60 jaar mee bouwen aan een socialer, progressiever, opener en groener Nederland. Als D66 steunt loop je mee met de holle retoriek tegen het populisme van links en van rechts, maar als je de PvdA steunt, steun je de enige partij die links beleid kan stellen tegen het populisme, nu en in de toekomst. Sozialdemokratie oder barbarei.

Ik zou er bijna zelf in gaan geloven. Gelukkig dan maar dat de PvdA net een charismaloze zak aardappelen tot fractievoorzitter heeft gekozen, dat houdt mij nog een tijdje weg.

Gelijke kansen of eerlijke uitkomsten

Gister was een debat van het panel beginselen over sociale politiek. Een van de sprekers was Dick Pels, een uitermate linkse liberaal, die pleitte voor radicale gelijke kansen. Zo snel mogelijk moest in zijn ogen de overheid ingrijpen om ervoor te zorgen dat kansen echt gelijk worden.

Roerend mee eens, tot dat Pels begon te pleiten voor een maximuminkomen.  Met een maximuminkomen maak je typisch de keuze voor een rechtvaardige uitkomst. Het maakt niet uit wat je doet, hoe hard je werkt, er is een grens aan wat je rechtvaardig meer dan anderen kan verdienen. Er zijn bepaalde eindsituaties die wij onrechtvaardig vinden.

Begrijp me goed, ik realiseer dat voor een programma van radicale kansengelijkheid herverdeling nodig is: tussen hen die kansarm en hen die kansrijk zijn. Tussen rijke ouders en arme kinderen, tussen mensen met veel talenten en mensen met weinig talenten, tussen mensen die gehandicapt zijn en die "gezond" zijn. Dat zal misschien inhouden dat je de facto een maximuminkomen krijgt omdat je boven een bepaald bedrag zo veel wilt belasten dat het voor mensen geen zin meer heeft om meer te verdienen.

Ik vind echter een opgelegd maximuminkomen onrechtvaardig: als jij er hard genoeg voor werkt en een zeer groot gedeelte afstaat aan de gemeenschap die jouw opleiding heeft betaald en je talenten gestimuleerd, waarom zou je dan niet meer mogen verdienen dan een bepaalde grens? Als alle kansen gelijk zijn gemaakt, kan hier dus slechts de voorkeur voor een bepaalde eindstaat uitspreken. Waarom zou ik het beste weten welke eindstaat rechtvaardig is? Waarom is het onrechtvaardig als ik na het bereiken van dat maximuminkomen mensen mij nog steeds geld willen betalen? Zolang ik maar afdraag aan de gemeenschap voor hun bijdrage aan mijn inkomen.

Een nivilering is geen doel op zich maar het is het gevolg van gelijke kansen. Je kan het vergelijken met de quota’s voor vrouwen die ze nu in de top van het bedrijfsleven willen invoeren. Het is onrechtvaardig als vrouwen daar niet besturen. Nee, het is onrechtvaardig als vrouwen niet de kans krijgen om daar te komen, als er sprake is van ongelijke kansen voor bepaalde maatschappelijke posten. Je grijpt dan niet in door daar meer vrouwen neer te zetten (onafhankelijk van hun talent), maar door het bereiken van die posten alleen maar afhankelijk te maken van talent en niet meer van sekse. Dan zouden, omdat vrouwen even getalenteerd zijn als mannen, er even veel vrouwen in de top van het bedrijfsleven komen.

Het zelfde geldt voor inkomensnivilering, als je kansen radicaal gelijk maakt, zullen inkomens gelijker liggen, omdat je inkomensongelijkheden door talenten, geboorte, opvoeding etc. elimineert. Gelijkmatig verdeelde inkomens zijn een symptoom van een rechtvaardige samenleving, geen wezenskenmerk.

Ten slotte, gelijkheid in inkomens kan juist ongelijke kansen veroorzaken. Laten we de niet al te rare aanname doen dat er talentvolle, hardwerkende mensen in het bedrijfsleven werken. Als we nu alle banen in de (semi-)publieke sector maximeren aan een bepaald inkomen, dan maken we de overstap voor mensen in het bedrijfsleven naar banen bij de overheid veel moeilijker. We voorkomen hiermee dat onze overheidsbedrijven, woningbouwcorporaties, ziekenhuizen etc. geleid en bemand worden door de meest capabele mensen. Dat kan zeer negatieve gevolgen hebben voor het maatschappelijk welzijn dat deze instellingen generen, maar belangrijker nog, het kan ongelijke kansen instand houden. Als je de keuze hebt voor een secretaris-generaal van het ministerie van onderwijs, kies je dan voor iemand die een "groot" inkomen wil verdienen en die instaat zal zijn om het onderwijs zeer veel te verbeteren, of kies je voor iemand die een "klein" inkomen wilt verdienen, maar die daar veel minder goed toe instaat zal zijn. In plaats van dat je kiest voor de kansen gelijkheid (hoeveel kunnen ze doen voor het onderwijs?), kies je bij maximering van de inkomens voor het prijskaartje. Dat is pennywise, maar pound-foolish.

Groen & Sociaal in Leiderdorp

Ik was als panel lid uitgenodigd om in Leiderdorp de dilemma’s van het toekomst project te bespreken. De discussie richtte zich op twee thema’s moraliseren in de milieu politiek en paternalisme in de sociale politiek. In de uitkomsten van de discussies zat een heldere rode lijn:

De consensus was al snel in het milieu debat dat de tegenstelling tussen ingrijpen en vrij laten in het geval van het milieu een valse is: het is een verdelingsvraagstuk. Onze vrijheid gaat ten koste van die van toekomstige generaties. Een keuze om nu milieubeleid te voeren is een keuze om de vrijheid tussen de huidige en toekomstige generaties eerlijk te verdelen. Dit werd prachtig geillustreerd door een voorbeeld uit de lokale politiek: je kan de ruimte in een nieuwbouw wijk gebruiken voor de auto’s van de ouders of voor de speelplaatsen voor kinderen. De huidige politiek kiest voor ouders. Het ingrijpen dat werd voorgesteld was ook heel liberaal: verhoog de prijzen van milieuvervuilende diensten en producten en stimuleer duurzame alternatieven. Een van de aanwezigen vertelde over een klimaatneutrale airconditioning voor fietspaden in Qatar. Dat maakt fietsen fun!

Het sociale debat lag lastiger. De zoektocht was naar een balans tussen arbeid, vrije tijd en zorg. Voor mensen onderaan de maatschappij die overkomen van de vrije tijd, want zonder werk zitten en mensen bovenaan de maatschappij die overkomen in de arbeid. Onderaan de maatschappij geldt dat als je mensen (bv. tienermoeders) vrij laat om zelf te kiezen tussen zorg en arbeid, je kansenloosheid in stand houdt: ze kunnen als hun kinderen naar school gaan, zelf moeilijk aan het werk komen. Bovenaan de maatschappij geldt dat je mensen heel moeilijk kan dwingen rustiger aan te doen, zelfs als dat beter voor ze zou zijn. Je kansen mensen in beide gevallen hoogstens keuzes bieden: keuzes voor werk en ontplooing door arbeid, maar ook keuzes voor vrije tijd en zorg. Echter zodra iemand beroep wilt doen op overheidsvoorzieningen splijt de zaal: blijft de vrijheid en ondersteuning van de overheid gelden, of moet je dan je verantwoordelijkheid nemen? Dat geldt zo wel voor mensen onderaan die een uitkering willen omdat ze geen werk kunnen vinden, als voor mensen bovenaan die een burn-out krijgen.

In beide gevallen toonde de Leiderdorpse GroenLinks’ers zich van hun liberale kant, maar werd de vrijheid beperkt waar het verdelingsvraagstukken betrof.

Liberalisme: empirisch, moreel en epistemisch

Er zijn verschillende redenen om liberale politiek te bedrijven, om mensen vrij te laten zelf inrichting te geven aan hun eigen leven, om mensen te bevrijden uit staatsbemoeienis, gemeenschapsdwang en achterstelling. Ik zal hier drie verschillende rechtvaardiging van het liberalisme weergeven: een epistemische, een empirische en een morele. Eerst zal ik kort proberen weer te geven welke definitie van de liberale praktijk deze drie rechtvaardigingsgronden ondersteunen. Vervolgens zal ik deze drie rechtvaardigingsgronden bespreken.

De liberale praktijk die al deze rechtvaardigingsgronden ondersteunen is de volgende: de liberale overheid is een overheid die neutraal is ten opzichte van opvattingen van het goede leven van haar burgers. Dit uit zich door het wettelijke rechten die de overheid aan de burgers geeft die erop gericht zijn de individuele vrijheid van burgers te beschermen en hen de middelen geeft om gebruik te maken van hun rechten. Dit betreft primair rechten die burgers de vrijheid geven om zelf vorm te geven aan hun leven, waar het zingeving door geloof of levensbeschouwing betreft, waar het handelingen en uitingen betreft en waar het tijdbesteding in arbeid, vrije tijd, zorg, kunst, wetenschap en opleiding betreft.

Ik zal drie verschillende concurrerende rechtvaardigingen hierover presenteren:

  • Empirisch liberalisme: het empirisch liberalisme stelt dat er een groot onderscheid is in de huidige samenleving van verschillende opvattingen van het goede leven. Er zijn verschillende (sub)culturele en religieuze groepen. De overheid moet de bestaande diversiteit respecteren. Dit liberalisme is helder te zien in het werk van Rawls (we kiezen voor religieuze vrijheid achter de Veil of Ignorance omdat we de kans hebben om niet tot de meerderheidsreligie te behoren) maar is ook helder te zien in het werk van de hedendaagse communitaristen en multiculturalisten, als Taylor. Met name voor de laatste groep wordt de individuele vrijheid begrensd en heeft de overheid een rol in het beschermen van de opvattingen van het goede leven van groepen. Overigens heeft dit liberalisme een rijke historische traditie en spelen dit soort opvatting van tolerantie tussen groepen als sinds de reformatie.
  • Moreel liberalisme: Moreel liberalisme gaat terug op  Kant (en in zekere zin op Locke) Voor moreel liberalen is er namelijk wel een idee van het goede leven: het goede leven is een leven geleid in vrijheid en autonomie. Zelf meester zijn van je eigen lot is de beste manier om te leven. De overheid moet de vrijheid van burgers bevorderen en beschermen omdat dat op zichzelf waardevol is. Veel tegenstanders van het liberalisme (Sandel) vallen dit liberalisme vaak aan omdat zij menen dat deze opvatting verre gaande assumpties maakt over hoe mensen beslissingen kunnen nemen (helemaal autonoom) en of dat wenselijk is.
  • Epistemisch liberalisme: Epistemisch liberalen behandelen van de vraag "hoe te leven" op een wetenschappelijke manier. Zij menen dat deze vraag nog niet beantwoord is. Zij willen de samenleving zo organiseren dat we daarachter kunnen komen. Liberalen als J.S. Mill pleiten voor een samenleving waarin individuen radicaal experimenteren om er achter te komen wat het goede leven is. De neutraliteit van de overheid is een middel om ruimte te maken voor individuele vrijheid om verschillende ideeen van het goede leven te testen. Er zijn sterke aanknopingspunten in het werk van Popper die deze denktrant ook volgen en hij formuleert een staatsopvatting die hierbij past ("piece meal social engineering").

Homo peiling is gay

Volgens de laatste "peilingen" van gay.nl en gk.nl zouden homo’s vaker op rechtse partijen stemmen. Aldus rapporteert NOVA, die zonder blikken of blozen de data rapporteert. Over de status van deze "peilingen" valt weinig feitelijk vast te stellen, maar destemeer te betwijfelen.

Gay.nl heeft een peiling uitgezet onder haar 2,500 leden. Hoeveel daarvan gereageerd hebben weten we niet. De vraag is of deze groep gezien kan worden als een "random sample" van homo’s. Dat is zeker niet het geval alleen leden van gay.nl zijn benaderd, bij een normale random sample zou je uit alle homo’s een steekproef trekken en die benaderen. Misschien is het dan een "representative sample". Gezien dat gay.nl met name een grote contact advertentie is, lijkt mij dit niet het geval: de groepering homo’s die hier zit is jonger, vaker single, en actiever op het internet, dan de gemiddelde homo. Daarnaast is de site met name gericht op mannen.

Van de sample van gk.nl weten we minder. We  weten dat het totaal 1186 stemmers zou zijn. Dat lijkt heel aardig, maar opnieuw weten we niets van de manier waarop de steekproef is bereikt. Volgens gk.nl zouden deze homo’s ouder zijn dan de homo’s van gay.nl. Dus zeggen NOVA, gay.nl en gk.nl dat omdat zo jonge en oude homo’s vertegenwoordigd zijn we een goed beeld hebben van de stemvoorkeuren van alle homo’s.

Dat lijkt me onzinnig. Beide peilingen zijn uitgezet op het internet, op plekken waar veel singles komen (ze staan op sites waar dating en profielen een belangrijke rol spelen), en met name homo mannen komen. Alhoewel geen van de "peilingen" rapporteren welk percentage vrouwen hun voorkeur heeft doorgegeven, lijken me gezien de male-bias van beide sites dit geen heel hoge percentages.

Wat met name opvalt in de uitslagen is de hoge fluctueringen in de peilingen in de laatste maanden. Ik denk op basis daarvan dat je kan twijfelen aan de betrouwbaarheid van de peilingen. Natuurlijk is een peiling bedoeld om veranderingen in voorkeur te meten en zijn er, alhoewel kleinere, fluctuaties in voorkeuren bij andere peilingen geweest. Zulke sterke fluctuaties kunnen ook aangeven dat de verschillende peilingen over tijd niet te vergelijken zijn qua sample, dat deze dus zo slecht getrokken wordt dat ze drie keer een volslagen andere en onvergelijkbare groep beschrijven.

De Fractievoorzitter is weg! Leve de nieuwe fractievoorzitter!

Jacques Tichelaar stopt.  De fractievoorzitter van de PvdA geeft er de brui aan. De vraag is wie zal hem opvolgen. Wie van de 32 andere PvdA kamerleden?

De nieuwe leider van de PvdA zal de volgende kenmerken hebben

  • Ervaring binnen de PvdA en goede relaties binnen de fractie;
  • En een klassiek sociaal-democratisch profiel, als balans voor de sociaal-liberale vice-premier.

Er zijn nu 32 kamerleden, uitgezonderd Jacques Tichelaar.  

Ton Heerts : vakbondsbestuurder met weinig ervaring binnen de PvdA. Was nummer 5 op de lijst. Kanshebber.
Mariëtte Hamer: kamerlid sinds 1998 ook partijvoorzitter geweest, nu vicefractievoorzitter. Kanshebber.
Martijn van Dam: kamerlid sinds 2003, was in 2005 politiek talent van het jaar. Te onervaren.
Marianne Besselink: kamerlid sinds 2006, daarvoor statenlid. Te onervaren.
Attje Kuiken : kamerlid sinds 2006, daarvoor jonge socialist. Te onervaren.
Gerdi Verbeet : voorzitter van de Tweede Kamer. Leeft nu haar meisjesdroom
Pauline Smeets : backbencher sinds 2003. Te onbekend.
Hans Spekman: kamerlid sinds 2006, wethouder in Utrecht, prominent op de volks linkse flank. Kanshebber.
Angelien Eijsink: backbencher sinds 2003. Te onbekend.
Diederik Samsom: kamerlid sinds 2003, daarvoor milieu en LSVb activist, prominent op de progressief linkse flank. Kanshebber.
Chantal Gill’ard:  kamerlid sinds 2006. Te onervaren.
Staf Depla : kamerlid sinds 2002, rode ingenieur. Kanshebber.
Agnes Wolbert : kamerlid sinds 2006. Te onervaren.
Jeroen Dijsselbloem : kamerlid sinds 2002. Prominent op conservatieve linkse flank en befaamd vanwege zijn onderwijsonderzoek. Kanshebber.
Lutz Jacobi:  kamerlid sinds 2006. Te onervaren.
Paul Kalma: voormalig directeur WBS. Prominent op de klassiek linkse flank. Kanshebber.
Samira Bouchibti:  kamerlid sinds 2006. Te onervaren.
John Leerdam:  kleurrijk kamerlid sinds 2003. Kanshebber.
Lia Roefs : voormalig  wethouder in het limburgse bergen. Nu al 5 jaar backbencher.
Luuk Blom : kamerlid sinds 2004. Te onervaren.
Lea Bouwmeester: kamerlid sinds 2006, daarvoor jonge socialist. Te onervaren.
Eelke van der Veen : kamerlid sinds 2006, daarvoor verzekeraar. Te onervaren.
Roos Vermeij: kamerlid sinds 2006, daarvoor medewerker op het partijbureau. Te onervaren.
Harm Evert Waalkens : kamerlid sinds 1998, biologische boer. Kanshebber.
Khadija Arib: kamerlid sinds 1998, daarvoor vrouwenrechtenactivist, had aanvaring met de PVV. Kanshebber.
Paul Tang:  kamerlid sinds 2007. Te onervaren.
Margot Kraneveldt:  kamerlid sinds 2003, waarvan 4 jaar voor de LPF en daarom kansloos.
Pierre Heijnen: kamerlid sinds 2007, daarvoor wethouder in Den Haag. Kanshebber.
Mei Li Vos : kamerlid sinds 2006, zit op de sociaal-liberale flank en daarom kansloos.
Marjo van Dijken: eerder gemeenteraadslid in Groningen nu sinds 2003 backbencher.
Anja Timmer : keerde net als backbencher terug daarvoor raadslid.
Jan Boelhouwer: keerde net als backbencher terug daarvoor gedeputeerde

Kanshebbers zijn dus oud-vakbondsbestuurder Heerts, vice-fractievoorzitter Hamer, oud-wethouder Spekman, oud-activist Samsom, rooie ingenieur Depla, onderwijsonderzoeker Dijsselbloem, oud-WBS directur Kalma, regiseur Leerdam, boer Waalkens, activist Arib, oud-wethouder Heijnen.

Wat zou hieruit nou een goede keuze zijn? Samsom te progressief, Kalma te intellectueel,
Leerdam te kleurrijk, Depla, Waalkens en Heijnen te onopvallend, Arib te
controversieel bij haar collega’s. Ik denk dat Heerts, Hamer, Spekman, Dijsselbloem reele keuzes zijn. Allen hebben ze een klassiek profiel, met name Heerts en Spekman hebben sterke banden met de wijken en de vakbond. Hamer ligt goed binnen de partij, Dijsselbloem binnen de kamer en op de onderwijsvloer.

Ik denk dat met Dijsselbloem de PvdA de beste kandidaat heeft: hij ligt goed binnen de kamer na het onderwijsonderzoek, wat hem ook credit op de werkvloer heeft gekregen. Hij heeft een conservatief, oud-links profiel en kan zo de concurrentie met de SP aan.

Maar hij zal het niet worden: Hamer ligt wel heel goed binnen de PvdA en heeft het als vervangend fractievoorzitter niet onaardig gedaan. De PvdA kiest met haar voor continuiteit, maar daarmee ook voor iemand die misschien wel goed ligt binnen de partij, maar geen uitstraling heeft naar buiten.

Wereldproblemen!

Werd ik vandaag gebeld door de Mare, het universitaire weekblad, of er iets in of rond de faculteit waar ik me druk over maakte, zodat ik achterop kon komen met mijn mening en foto. Ik kon eigenlijk niets bedenken dat mij, in of rond de faculteit, in negatieve zin, zeer opviel. Tsja, het is niet zo handig dat het station voor de faculteit poortjes heeft gebouwd, dan kan ik er niet meer door heen fietsen.

Nee, als er zoveel mis gaat in de wereld, dan kan ik niet zo inzitten over mijn kleine problemen.

Bij de opheffing van de faculteit

De Leidse Faculteit van de Wijsbegeerte wordt opgeheven in ruil van een Faculteit der Humaniora. Samen met Godsdienstwetenschappen en Letteren en misschien Archeologie en Kunsten wordt er een grote faculteit gemaakt. Ik denk dat dit geen goede keuze is vanuit het opzicht van bepaalde disciplines van de filosofie. De wijsbegeerte heeft een aantal disciplines. De onderscheiden zijn lastig te maken. Ik zal hier drie (of vier) onderscheiden aanstippen.

Een belangrijk onderscheid is tussen de historische en thematische benadering van de wijsbegeerte. Het onderscheid filosofen die bezig zijn met de analyse en bestudering van de teksten en opvattingen van bepaalde filosofen, vaak gekoppeld zijn aan bepaalde periodes en traditiesL Plato-kenners of studenten van Descartes. En er zijn filosofen die zelf proberen vragen te beantwoorden, vaak op basis van een bepaalde thematische interesse. Politiek filosofen of metafysici. Natuurlijk is er overlap tussen de twee velden, want Plato heeft bijgedragen aan bv. de politieke filosofie of de metafysica.

Binnen de thematische benadering zijn er een aantal centrale vragen gekoppeld aan een aantal belangrijke disciplines.

  • Wat is de werkelijkheid? Welke dingen bestaan? Dit zijn centrale vragen uit de metafysica;
  • Hoe moet ik handelen? Wat is rechtvaardig? Dit zijn de centrale vragen uit de ethiek;
  • Wat kan ik weten? Aan welke regels moet wetenschap zich houden? Dit zijn centrale vragen uit de epistemologie.
  • Wat is waarheid? Aan welke regels moet een redenering zich houden? Dat zijn centrale vragen uit de logica.
  • Wat is mens? Hoe verhoudt de mens zich tot de cultuur? Dat zijn centrale vragen uit de wijsgerige antropologie.

Ieder van deze velden heeft een bijzondere relatie met bepaalde takken van de wetenschap. De logica met de wiskunde, de metafysica met de natuurwetenschappen, de ethiek met de sociale wetenschappen en het recht, de wijsgerige antropologie met mens- en cultuurwetenschappen. Veel velden van de filosofie bevinden zich expliciet op grensgebieden: denk aan politieke filosofie (tussen ethiek en de sociale wetenschappen), filosofie van de taal (tussen logica en taalwetenschappen), filosofie van de geest (tussen metafysica en psychologie).

Ook is er een onderscheid in methode. Er is niet een filosofische methode, ook zelfs niet eens een aantal afgebakende methodes. Je zou wel een lijn kunnen trekken tussen filosofen die met name gebruik maken van literatuurwetenschappelijke technieken als hermeneutiek, etymologie en retorica en tussen filosofen die met name gebruik maken van logische technieken en van strikte redeneringen van uit axioma’s.

In een aparte faculteit der wijsbegeerte kan er interdisciplinair gewerkt worden tussen filosofen en wetenschappers uit alle velden. De wijsbegeerte is onafhankelijk en kan dus een balans zoeken tussen kritiek en cooperatie.

In een faculteit der humaniora worden bepaalde takken van de filosofie bevoordeeld. Als je een faculteit samenwerkt met historici en literatuurwetenschappers komen bepaalde benaderingen en technieken beter uit. Door in een omgeving te komen gevuld met taal-, cultuur- en menswetenschappen zullen bepaalde vormen van interdisciplinaire samenwerking gestimuleerd worden.

In een faculteit der humaniora verwacht ik dan dus dat filosofie historisch georienteerd is, een meer literatuurwetenschappelijke techniek hanteert en met name interesse heeft voor taalfilosofische, cultuurfilosofische of filosofisch antropologische vraagstukken. Mocht ik nu net meer geinteresseerd zijn in de thematisch georienteerde filosofie, in de meer logica-georienterde methode en in thema’s als ethiek, met name politieke filosofie en epistemologie, met name wetenschapsfilosofie. Op een faculteit der Humaniora voel ik mij niet thuis.