Dimensionality en Issue Ownership

Met zoveel reacties moet ik wel reageren.

Vincent komt aan met de theorie van issue-ownership om het stemgedrag van kiezers en het gedrag van politici te verklaren. Hij observeert dat "rechts" owner is van de issues "toekomst van de verzorgingsstaat" en "integratie en migratie". Maar hij maakt een cruciale fout. Er is een onderscheid tussen valence en positional issues. Milieu is een valence issue, niemand, noch politici noch kiezers, is daar tegen, iedereen voor. De rol van de overheid in de economie is een positional issue: er zijn kiezers en politici voor meer overheidsinterventie en kiezers en politici tegen.

Nu heeft een valence issue maar een owner, namelijk de partij die er het hardst aan trekt. De PvdD, bv, is owner van het issue "dierenrechten". Een positional issue kan echter meerdere owners hebben, bv. twee. Het issue rol van de overheid in de economie heeft in Nederland twee owners, de SP aan de ene kant en de VVD aan de andere.

Het kenmerk van een dimensie in een politieke ruimte is die gestructureerd wordt door positional issues. Om een echte politieke tegenstelling te vormen moeten er partijen voor en tegen zijn. De toekomst van de verzorgingsstaat, door Vincent benoemd als het issue, is een positional issue. Er zijn kiezers en politici die naar het behoud van de sociale zekerheid streven, die noemen we SP’ers en er zijn kiezers en politici die het hele zooitje willen afbreken, die noemen we VVD’ers. Er zijn twee partijen die het issue toekomst van de verzoringsstaat bezitten: een op links en een op rechts.

Het is in deze polarisatie tussen behoud en afbraak dan ook volslagen onbegrijpelijk voor linkse kiezers als GroenLinks daar een beetje met Vrijheid Eerlijk Delen (inhoudelijke bezwaren daar gelaten) door heen gaat fietsen met hun idee van links hervormen. Het is een feit: de kiezer is daardoor niet enmasse naar GroenLinks gekomen.

Het ziet er steeds meer naar uit, met name als ik Pechtold zetels zie winnen in peilingen, dat wij in Nederland ook een echte positional verdeling krijgen over het integratie vraagstuk. Wilders aan de ene kant en Pechtold aan de andere kant. Er zijn kiezers die voor de multiculturele samenleving zijn, maar door het getapdans van GroenLinks laten wij die nu met name (D66 heeft in de peilingen meer zetels dan GL) over aan D66. GroenLinks laat een politieke kans liggen op stemmenwinst door niet op dit issue te sterk een kant te kiezen en "de beuk erin te zetten".

Ik zag Dibi ook heel trots op politiek24 vertellen hoe hij met een onverwachte coalitie media-aandacht kreeg. Dat lijkt me echt penny-wise, pound-foolish. Okay, GroenLinks trekt nu media aandacht met Dibi/Verdonk, maar op de lange termijn verwatert ons politieke profiel bij de kiezer. In de polarisatie tussen open en trots moeten we nu helder positie kiezen. Kijk je kan die polarisatie willen of niet willen, maar hij is er gewoon. In 2002 is er een einde gekomen aan het polder ideaal.

Ten slotte: Inti, ik ben het echt niet met je eens dat GroenLinks een scharnier functie heeft tussen kosmopolitisch en nationalistisch en dat wij in het midden van de politiek op deze dimensie.  You must have us mistaken with the PvdA … GroenLinks staat (ver) aan de kosmopolitisch/multiculturele kant van dit issue. Daar voel ik me ook thuis: bij mensen die in een open, veelkleurig, gastvrij land willen wonen. Wetenschappelijk onderzoek bv Pellikaan et al. 2007 en Van Holsteyn en De Ridder, 2005 wijst dit ook gewoon uit: GroenLinks kiezers zijn de grootste voorstander van de multiculturele samenleving en GroenLinks staat het meest "links" van alle partijen op het integratie vraagstuk. Nu het er op aan komt, weten we alleen geen gebruik te maken van die positie.

 

Tofik in een politieke ruimte

Vandaag verscheen in de Volkskrant een opinie artikel van de hand van Tofik Dibi en Rita Verdonk. Samen pleitten zij tegen minister Rouvoet. Ik denk dat, de inhoud van het pleidooi latend voor wat zij is, dit een uitermate weinig strategische zet is van ons jongste kamerlid.

Er ontstaat in de politiek een steeds sterkere tegenstelling tussen partijen die trots op Nederland zijn en partijen die pleitten voor een open land. Deze polarisatie is in de Tweede Kamer en in de peilingen duidelijk zichtbaar.

Aan de trotse kant zijn Kant, Verdonk en Wilders de meest prominent woordvoerders. Zij staan voor een Nederland dat zich afsluit voor het buitenland, zich terug trekt uit Europese samenwerking en haar grenzen sluit voor migratie. Ze hechten allemaal aan (hun eigen interpretatie van) de Nederlandse identiteit. Deze identiteit sluit andere identiteiten uit: je bent Nederlander punt uit. Ze komen op voor de zaak van de gewone Nederlanders: een betere publieke sector, lagere belastingen en minder files.

Hier tegenover staan partijen die opkomen voor een open Nederland, waar mensen met verschillende afkomsten en herkomsten hun eigen plek kunnen vinden. Pechtold vormt hier de voornaamste woordvoerder van. Hij staat voor een open Nederland en hecht juist aan internationale samenwerking en Europese integratie en is niet bang voor migratie. Politiek die staat voor een open Nederland gunt mensen de ruimte om verschillende identiteiten op te bouwen: je kan bij hen een Turks-Nederlandse, Europese Wereldburger zin. Open politiek kijkt langs de beperkte belangen van de huidige Nederlanders en komen juist in het geweer tegen klimaatverandering en is voorstander van ontwikkelingssamenwerking.

Alexander Pechtold stelt zich, als een van de weinige politici, polariserend op aan deze kant van de tegenstelling op: hij valt Wilders, Kant en Verdonk aan op hun nationalistische standpunten, hun wil om terug te gaan naar een gedroomde jaren ’50, en hun angst voor de toekomst.

Bij partijen die balanceren op deze dimensie, zoals de PvdA, de VVD en het CDA lopen de kiezers weg. Voor trotse Nederlanders zijn de partijen landverraders, voor open Nederlanders zijn ze te beperkt in hun visie. Deze partijen zijn ook langs deze lijnen verdeeld: Timmermans behoort duidelijk tot de open stroming, met zijn nadruk op Europese samenwerking, terwijl Hamer een exponent is van de trotse stroming met haar verdediging van de verouderde verzorgingsstaat. Binnen de VVD zijn er ook nog steeds Dijkstals en Kamps.

Als er een tegenstelling in de politiek onstaat winnen aan beide extremen partijen kiezers, omdat kiezers zich langs deze as gaan identificeren, en hun politieke voorkeuren hier aan op gaan hangen. Niet voor niets zijn Verdonk en Wilders de meest controversiele politici van Nederland: er zijn mensen die ze op handen dragen en mensen die ze haten, maar niemand staat daar tussen in.

Dibi probeert echter op deze politieke tegenstelling te dansen als een koorddanser: hij stelde Wilders voor samen het moslim terrorisme te bestrijden en schrijft nu samen met Verdonk een artikel in de Volkskrant.

Ik denk dat dit politiek-strategisch niet slim is. GroenLinks moet aan de kiezers duidelijk maken dat wij behoren tot die internationale stroming, en dat als mensen willen opkomen voor een toekomstgericht,  open en divers Nederland zij bij GroenLinks aan het goede adres zijn. Wij moeten net als Pechtold de polarisatie op de as tussen trots en open zoeken en dus het conflict aan gaan met Wilders, Kant en Verdonk aan gaan.

De kiezer begrijpt Dibi’s getapdans niet. Het zal bij hen over komen als flipflopping. Voor kiezers wordt onze GroenLinkse positie, als verdediger van een open en tolerant Nederland zo niet duidelijk. Zij zien een politicus die niet weet waar hij voor staat.

Goodbye Buitenweg!

Vanochtend in de Volkskrant kondigt Kathalijne Buitenweg haar vertrek aan. Ze zal in 2009 niet terug keren naar het Europees Parlement. Maar ze ambieert ook geen andere politieke functies. Ze zegt dat ze een functie bij een NGO ambieert of in de journalistiek.

Ik kan hier natuurlijk een hele lofzang beginnen over Kathalijne: over wat ze bereikt heeft in Europa op het gebied van antidiscriminatiewetgeving; over haar gepassioneerde verdediging van onze grondrechten; over hoe zij, als een van de weinige landelijke politici, goed om gaat met de partijraad; over hoe mooi het is dat er GroenLinks politici zijn die de daad bij het woord voegen en dus vegetarier zijn; over hoe zij vaker dan Tweede Kamerleden haar gezicht op DWARS-bijeenkomsten laat zien; over hoe zij als een van de weinige landelijke GroenLinks politici slim het web gebruikt door regelmatig haar goed geschreven weblog bij te houden; over haar prachtige blauwe ogen.

Maar niets van dat. Er is  denk ik dat er veel interessantere vraag is: wat het effect van haar keuze is op de opvolgingskwestie van GroenLinks is.

Buitenweg’s CV leest als een oploop naar een politieke carriere. Ze was op 15 jarige leeftijd lid van het bestuur van de Nivon. Vervolgens wordt ze tijdens en na haar studie actief in de internationale jeugdbeweging. Ze is in die tijd slapend lid van de PvdA. Vervolgens gaat ze over naar GroenLinks. Ze werkt ze drie jaar bij GroenLinks in het Europees Parlement als medewerker en dan daarna als medewerker van GroenLinks in de Tweede Kamer.

Dan maakt ze in 1999 de sprong naar de politiek. Ze wordt lid van het Europees Parlement, en 2004 zelfs zeer onverwacht lijsttrekker. Ze voert GroenLinks aan in de Europese verkiezingscampagne, en neemt vervolgens ook een prominente plek in de campagne voor de Europese grondwet. Ze behoort daarmee tot de absolute top van GroenLinks. In 2006-7 is ze lijstduwer, neemt ze actief deel aan de verkiezingscampagne en is ze lid van de Commissie van Ojik-I. Ze neemt vervolgens naast haar eigen thema’s antidiscriminatie/burgerlijke vrijheden ook een milieu portefeuille op zich in het Europees Parlement.

Alles duidde er op dat ze na 2009 wilde door stoten tot de Haagse politiek: ze is bezig haar portefeuilles uit te breiden om all-round politica te worden; en ze heeft haar sporen verdient binnen de partij door haar deelname in campagnes en commissies.

In de wandelgangen waar ik kom (dat is dus in de kelders ver onder de absolute top) wordt er regelmatig gespeculeerd over de opvolging van Halsema. De naam van Buitenweg valt daar regelmatig: dat is gezien haar loopbaan dus ook niet raar.

Maar ze geeft nu aan geen verdere politieke carriere te ambieren. Daarmee is het aantal mogelijke opvolgers van Halsema sterk beperkt. Er is een toffe limburger, die wel eens die ambitie heeft uitgesproken, maar zich ook heeft terug getrokken. Voor rest is het ijzig stil rond de opvolging. Naast Buitenweg vertrekken in 2009-10 veel prominente GroenLinks gezichten (Lagendijk, Van Gent, Vendrik). De Tweede Kamer, maar ook de Eerste Kamer fracties bestaan dan grotendeels uit relatieve beginners, die stuk voor stuk ook niet onproblematisch binnen de partij liggen. Dus zal het talent buiten Den Haag of Brussel gezocht moeten worden. Misschien een lokaal/regionaal politicus? Of een een prominent uit een NGO? Een (oud-)partijbestuurder?

Laat ik hier twee interpretaties van de gang van zaken geven. De een wat cynischer dan de ander:

  1. Halsema wilt door. Alhoewel ze bij de verkiezingen in 2006 in een interview in de Volkskrant heeft gezegd dat ze  "niet wilde plakken aan het pluche", gaf ze in een recent interview op Het Gesprek aan door te willen gaan. Ze zou het congres dan om dispensatie moeten vragen, omdat het van de regelementen niet mag. Dat kan dan alleen als het congres het gevoel heeft dat there is no alternative. Een potentiele concurrent zal dus niet gewaardeerd worden, want die dwarsboomt de ambities van Halsema. Buitenweg begreep dit en heeft haar conclusies getrokken.
  2. Niemand binnen GroenLinks houdt zich bezig met de opvolgingskwestie. Er is geen lange termijn strategie. Kamerleden staat vrij om zelf hun eigen ambities te uiten, maar niemand heeft eigenlijk de ambitie voor de zwaarste en machtigste plek. Een halfjaar voor de verkiezingen moet er toch een lijsttrekker gevonden worden. Het landelijk bureau organiseert een doldwaze Idols-achtige internetvoorverkiezing waar je kan stemmen per SMS, maar er staan geen kandidaten op. Prominente talenten slaan allemaal hun eigen pad in. Halsema, die eigenlijk ook niet door wilt, voelt zich toch gedwongen het nog een keer te doen.

Eigenlijk stemmen beide scenario’s mij weinig vrolijk…

Het beginsel van historische parallellen

Gisteren was de laatste vergadering van het toekomstproject. Er bekroop mij het gevoel dat ik ´t allemaal al kende. Het deed me allemaal denken aan de mislukking van het beginselprogramma van 2001 van de PvdA, dat ik "toevallig" net had onderzocht voor mijn scriptie.

In het voorjaar van 1998 werd een commissie samengesteld  die zich bezig moest houden met de beginselen van de PvdA. In de commissie zat niemand van de partijleiding, niet de partijvoorzitter, niet de fractievoorzitter of de premier. In oktober van 1998 publiceerden zij een rapport "de rode draden van de sociaal-democratie". Het stuk was bedoeld als discussie stuk. Het stuk geneerde wat kritiek, met name omdat het over allerlei maatschappelijke trends maar een beetje over babbelde, de verhouding tussen verschillende idealen besprak en vervolgens geen keuzes nam, maar wist de gemoederen in de partij niet los te maken. Vervolgens heeft het partijbestuur van de PvdA opdracht gegeven aan dezelfde commissie om een beginselprogramma te schrijven. Het stuk dat ze in 2000 publiceerde heette "Tussen droom en daad". Onmiddelijk kwam naar voren dat niet de hele commissie achter het nieuwe stuk stond: publiekelijk namPaul Kalma, hoofd van het WBS en bekende luis in de pels, afstand van het stuk. Hij vond dat in het stuk te weinig nadruk lag op de relatie tussen de overheid en de markt. Het ontwerp beginselprogramma werd slecht onvangen door het partijkader en buiten de PvdA en uiteindelijk in 2001 afgewezen door het partijcongres. (Voor een mooie samenvatting van de gebeurtenissen zie Tromp, 2002)

Het vereist maar weinig veranderingen en het is de situatie van GroenLinks nu: in de commissie zit ik, maar in de schrijversgroep alleen Bram, Bart en Henk; het slecht besproken discussiestuk, dat teveel kabbelde en te weinig keuzes maakte heette "de idealen van GroenLinks"; het beginselprogramma dat (nog) niets zegt over de relatie tussen overheid en markt, ligt in concept voor me; overigens de relatie tussen markt en staat is juist een thema dat werd aan geagendeerd door luis in de pels Leo, die daarover een speciale, drukbezochte, discussie avond heeft georganiseerd; wij zijn als commissie gister op de vergadering door schrijversgroep al min-of-meer al van de verantwoordelijkheid ontslagen ons openlijk achter het stuk te scharen, `want het zou toch niet lukken om ons in meerderheid achter het stuk te krijgen´ -als je al niet verwacht dan een commissie van 15 man zich er achter schaart waarom dan wel een partij met ruim 20.000 leden-. Het congres waarin het stuk besproken zal worden is gepland voor 22 november. Het moge de lezer duidelijk zijn wat ik vrees dat daar gaat gebeuren.

Wat ook opvalt is dat de partijtop, de fractie, de handen al lang lijkt te hebben terug getrokken van het hele toekomstgebeuren. Femke Halsema is zelfs zelf bezig met haar eigen "alternatieve aanvliegroute" voor GroenLinkse idealen, haar eigen manifest over consumptie. Toen ik begon aan mijn scriptie vertelde Ruud Koole, voormalig voorzitter van de PvdA en mijn scriptiebegeleider, mij, dat als hij een ding had geleerd van de geschiedenis van de sociaaldemocratische beginselprogramma´s voor het schrijven van het programma van 2005 dat was dat je als je de partijtop niet commiteert aan het stuk, je al de moeite voor niets hebt gedaan.

Er is echter een verschil tussen het GroenLinks en de PvdA: het moet allemaal supersnel, maar de schrijversgroep heeft nog twee weken om het stuk bij te sturen, om een beter, scherper, helderder beginselprogramma te schrijven dat in gaat op al de thema’s, die er toe zullen doen voor linkse, groene, vrijzinnige en kosmopolitische politiek.

Bij het afscheid van Jan M.

Alle plichtplegingen ten spijt is er maar een vraag die echt relevant is: kan de SP verder zonder Marijnissen? Is er socialisme zonder Jan? De keuze van een nieuwe leider voor de SP zal onvermijdelijk de toekomst van de SP als politieke beweging bepalen. Voor het eerst sinds jaren staat de SP niet op winst in de peilingen. De (electorale) toekomst van de SP is afhankelijk van de keuze die SP nu maakt.

Er zijn drie serieuze contenders:

Met ieder van deze fractieleiders kiest de SP voor een bepaald onderdeel van de lijn van de SP.

Het Publieke Zaak Socialisme van Agnes Kant
Met de keuze voor de nummer 2, Agnes Kant zou de SP kiezen voor een SP die zich inzet voor publieke voorzieningen, voor de zorg, het openbaar vervoer, sociale zekerheid en het onderwijs. De SP als "houdster van dat van wat ons allemaal" is. En daarmee is de SP beschermer van de belangen van de zwaksten: van zieke, van arme, van allerjongsten, van alleroudste mensen.
Dat zal het goed doen bij onderwijzers en bij ziekenhuispersoneel, maar ook bij ouderen, langdurigzieken en gehandicapten, en natuurlijk bij mensen van wie het links hart klopt. Deze mensen vinden bij de PvdA niet genoeg hart voor de publieke zaak. Met het publieke zaak socialisme kiest de SP voor aansluiting bij een links blok die na de verkiezingen een links kabinet moet vormen om de publieke zaak beter te beschermen. Deze koers wijkt het minst af van de koers van Jan en zal tot de minste interne strubbelingen leiden.
Bij deze koers verliest de SP wel (want dat lijkt me onvermijdelijk) maar weinig: 5 zetels naar 20. Echter het zal op lange termijn constant blijven of licht winnen. Op de lange termijn valt een fusie met de PvdA niet uit te sluiten.

Het Anti-Neo-Liberaal Socialisme van Harry van Bommel
Met de keuze voor Harry van Bommel, de nummer drie, kiest de SP voor de ideologische lijn: tegen de neo-liberale globalisering, tegen verdere Europese eenwoording, tegen oorlog in Irak en armoede in Afrika. Het is een principiele lijn met een heldere visie op internationale economische en politieke ontwikkelingen. Echter het is ook een wat meer academische visie, complexer, abstracter, minder aansprekend voor de man op de straat. Het spreekt meer aan bij studenten, bij linkse intellectuelen, die bij de PvdA of GroenLinks het ideologische vuur missen. Echter met de keuze voor het anti-neo-liberale socialisme sluit de SP samenwerking met veel partijen uit: de SP gaat niet met PvdA met haar neo-liberale programma, niet met GroenLinks met haar naieve liberalisme, niet met de ChristenUnie die het kapitalisme niet principieel afwijst, en alle helemaal niet de top-privatiseerders van D66. Dit is een koers die alleen maar kan leiden tot verdere versterking van de principiele oppositierol van de SP. Daarnaast zal Harry vanuit zijn nieuwe machtspositie proberen hervormingen door te voeren. Meer macht voor de leden, minder voor de top, meer scheiding van posities en minder monisme. Dat zal leiden tot meer debat en discussie, maar ook tot meer conflict.
De SP zal 10 zetels verliezen en terug vallen naar 15. Het verlies zet zich de volgende verkiezingen door tot de SP terug is op zo’n 5 zetels.

Het Gewone Man Socialisme van Emile Roemer
Ten slotte is er de keuze voor het gewone man-socialisme. Emile Roemer, die zich beklaagd over de benzine prijs, is hier de voornaamste exponent van. Korte zijnoot: bij de SP hebben ze niet door dat een hogere benzine prijs op de lange termijn goed is voor de economie, het milieu en de samenleving, omdat het een prikkel is om in zuinig gebruik en alternatieven te investeren, voor burgers, bedrijven en de overheid. Leve marktwerking! Nee, bij de SP moeten de lonen omhoog en de prijzen omlaag. Brede wegen en meer milieubehoud. Om tijdelijke verbetering voor de gewone man te bewerkstelligen zal de SP in een kabinet principiele punten laten vallen. De SP schuift naar het conservatieve midden. Electoraal zal de SP dan met Verdonk en Wilders de strijd om de voor populisme-gevoelige kiezer aan gaan.
Met deze strategie zal de SP (tijdelijk) nog wel een zetels kunnen winnen. De SP wint 5 zetels en komt op 30. Echter bij de volgende verkiezingen, zeker nadat de SP geregeerd heeft, zal de partij zetels veel verliezen. Als ook Verdonk verdwenen is zullen Trots op Nederland en de SP fuseren tot de Volkspartij voor Socialisme en Democratie

Het belang van beginselen

Doen beginselprogramma’s ertoe? Hebben zij een programmatische functie? Geven zij aan welke posities politieke partijen kunnen innemen? Die vragen staan centraal in mijn master scriptie, die ik vorige week in eerste versie heb ingeleverd. Ik wil hier kort mijn onderzoek uiteen zetten.

Mijn onderzoek richtte zich op een partij: de PvdA. Vanwege tijdsoverwegingen kon ik niet de hele populatie doen, dus heb ik mij gericht op een case study over tijd. Van de mogelijke opties (alle partijen sinds die de hele periode 1945-2006 hebben bestaan) sprak de PvdA mij het meest aan. Ik heb mij bezig gehouden met de programmatische functie van partijen: de mate waarin voorstellen uit het beginselprogramma terug komen in verkiezingsprogramma’s. Dus als het beginselprogramma zegt "de productiemiddelen moeten gesocialiseerd worden", worden er dan ook in concrete verkiezingsprogramma’s voorstellen gedaan om de productiemiddelen in gemeenschapshanden te krijgen. Ik heb alle voorstellen (dat gaat 20 tot 120)  uit ieder beginselprogramma vergeleken met alle verkiezingsprogramma’s uit de periode dat die beginselprogramma’s golden.

Ik had twee, eigenlijk drie hypothesen: de eerste was de hypothese van de folk theory. De theorie die je leest in kranten en statuten van partijen. Een beginselprogramma legt de koers van de partij vast. En tot een nieuw beginselprogramma geschreven is geldt het oude. Dus is de gelijkenis tussen beginselprogramma en verkiezingsprogramma’s hoog en constant.
Met de term folk theory impliceerde ik al dat er een genuanceerdere relatie zou kunnen zijn.  Het schrijven van een beginselprogramma opent niet nieuwe ideologische perspectieven, maar legt de veranderde visie van een partij vast. Een verandering van een beginselprogramma volgt wat er geschreven wordt in verkiezingsprogramma’s. Politieke partijen veranderen over tijd overmijdelijk van positie in het politieke speelveld. Deze ideologische verandering wordt gereflecteerd in hun verkiezingsprogramma’s. Als de partij te ver van haar ideologische positie zoals vastgelegd in haar beginselprogramma komt, dan onstaat er onenigheid binnen een partij over de koers van de partij. Als de onenigheid te groot wordt, zal de partij de onenigheid willen overkomen door een nieuw beginselprogramma te schrijven. Dit heb ik de Tromp-Koole hypothese genoemd, naar mijn begeleider Ruud Koole en Bart Tromp, de inzichtrijke PvdA-ideoloog. Tromp formuleerde hem in een artikel in 1985 maar Koole werkt ‘t verder uit in zijn De Moderne Kaderpartij.
De derde hypothese was de nul-hypothese, dat er ueberhaupt geen relatie is tussen beginel- en verkiezingsprogramma.

 

Pvda
De data (in het figuur hiernaast) ondersteunt heel duidelijk de tweede hypothese: je ziet tussen 1946 en 1948, 1948 en 1959, 1977 en 2006 hetzelfde patroon van verval: de lijn begint hoog maar eindigt al snel (heel) laag en blijft vervolgens constant op een laag niveau. Tussen 1959 en 1977 zie je echter een ander patroon. De lijn stijgt heel licht. De verklaring is de opkomst van Nieuw Links, die de partij wel van koers veranderde maar in sociaal-economische zin dichter bij het beginselprogramma van 1959 bracht. Zij namen echter ook nieuwe posities in over buitenlands beleid en democratisering. De volgende vraag is of de lijn die wordt uitgezet in verkiezingsprogramma’s wordt overgenomen in beginselprogramma’s. De omgekeerde scores (dus hoeveel trends uit de laatste verkiezingsprogramma’s worden overgenomen in beginselprogramma’s) is ongekend hoog. Gemiddelde score is zo’n 75%. Dus: beginselprogramma’s kunnen de standpunten die politieke partijen nemen maar voor een heel beperkte periode beperken of leiden. Al snel "slaat de partij los" van een groot deel van beginselprogramma. Om vervolgens op basis van de nieuwe koers een nieuw beginselprogramma te schrijven. Nou ja "politieke partijen" de conclusie kan zich slechts beperken tot de PvdA.

Wat zegt dit nou over het GroenLinks programma van 2008, dat geschreven wordt as we speak? Als de patronen binnen GroenLinks hetzelfde zijn als bij de PvdA kan je het volgende zeggen. Het programma zal in gross en ganzen de nieuwe "liberale" koers vertolken met een nadruk op individuele vrijheid, ontplooiing en emancipatie, groene innovatie, nieuwe vormen van solidariteit en pro-Europees, kosmopolitisch buitenlands beleid. Het programma zal een beperkte houdbaarheid hebben en zal overeenkomen met de koers tot dat een nieuwe partijleider in een nieuwe politieke ruimte een nieuwe koers uit zet.

The end is just a little harder …

Net als het organisatiepanel, zag ook het beginselenpanel haar laatste vergadering. Ik had in voorbereiding op de vergadering een aantal adviezen over de formele en stylistische kanten van beginselprogramma’s geformuleerd. Ik heb voor mijn scriptie alle programma’s van de PvdA doorgeploegd en kan ze nu uit mijn hoofdreciteren. Ik had dus wel zo’n beetje een beeld van wat een sterk en een toekomstbestendig programma is. Ik had al drie hoofdregels bedacht:

  • Wees niet te gedetailleerd, want dan wordt het al gauw gedateerd;
  • Schrijf niet te veel een wollige beschouwing, maar probeer helder en precies standpunten te formuleren;
  • En kondig een structuur aan en gebruik die consequent.

Het PvdA beginselprogramma van 2005 is hierbij mijn grote voorbeeld. Ja, dat programma dat een "fatsoenlijk bestaan" centraal stelt. Het mooie aan dat programma is dat die term dus ook voortdurend terugkeerd en uitgewerkt wordt. Het PvdA beginselprogramma van 1977 was mijn ergste nachtmerrie, te wollig, te gedetailleerd, te praktisch, te verkiezingsprogramma-achtig, en zonder enige vorm van een logische structuur. Misschien is alleen het PvdA verkiezingsprogramma van 1994 erger, een doolhof gemaakt van wol en meel, waarin geen enkel standpunt wordt ingenomen en overal omheen gedraaid.

Met mijn adviezen kon onze schrijfgroep wel wat doen, dacht ik. Toen lag het daar plotseling, onaangekondigd, de eerste concept-versie. Snel lezend kwamen in mij allemaal herinneringen naar boven naar 1977 en 1994. Wollig, beschouwend, vol met voorbeelden die het nog geen vier jaar uithouden, veel te praktisch en verkiezingsprogramma achtig. Het kondigt de ene structuur aan en gebruikt vervolgens een andere.

De rest van de avond heb ik doorgebracht met het proberen de schrijfgroep ervan te overtuigen dat ons beginselprogramma zoveel mooier en gestructureerder, completer, preciezer en abstracter zou kunnen.  Gelukkig voor mij, maar minder voor de schrijfgroep, werd mijn kritiek gedeeld door de rest van het enigszins overvallen panel. Voor een inhoudelijke discussie was geen ruimte, wel voor een lijst verzoeken van onderwerpen die misten. De schrijfgroep krijgt nog een leuk weekend: want volgende week moet de tweede versie af zijn.

p.s. voor de geinteresseerden: mijn scriptie is in eerste versie af! Ik zal een samenvatting binnenkort posten.

“Socialists are liberals who really mean it”

Een van de belangrijkste dilemma’s die GroenLinks lijkt te splijten is die tussen individualisten en gemeenschapsdenkers. Er zijn enerzijds GroenLinks’ers die zich zelf als liberaal/vrijzinnig/libertarisch/progressief/libertijns (kies zelf je eigen label!) beschouwen. Zij willen vrijheid centraal willen stellen. Erik van Ree gaf in een debat bij de waterland stichting deze positie zeer kundig weer: links moet niet moralistisch en paternalistisch worden. En er zijn anderzijds GroenLinks’ers die solidariteit centraal stellen. Zij zullen zich zelf niet snel communotarier, moralist, socialist, paternalist of gemeenschapsdenker noemen, maar zullen zo’n label prefereren boven liberaal.

Zolang we de "tegenstelling" tusen vrijheid en solidariteit behandelen als een tegenstelling tussen vrijheid en gemeenschapszin, tussen "progressief" en "conservatief" komen we niet uit deze tegenstelling. Dan zal dit sleetse debat zich zinloos rond dezelfde rigide tegenstelling afspelen: ik ben liberaal, jij niet. Want laat er geen twijfel over zijn: ik denk dat GroenLinks behoort tot de
"vrijheidslievende traditie van links" en dat links en vooruitstrevend
moeten zijn. Dat houdt echter niet in dat solidariteit een loos woord
is.

Het is volgens mij veel nuttiger om te kijken hoe de verhouding tussen solidariteit en vrijheid kan worden opgelost door hem te behandelen als een verdelingsvraagstuk. Laat ik dit aan de hand van twee iets concretere voorbeelden laten zien.

Neem bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Een naieve liberaal zou zeggen dat op deze markt werknemers en werkgevers in vrijheid contracten zouden moeten kunnen sluiten en dat overheidsbemoeienis dan wel bescherming niet nodig is. Er is echter, volgens klassiek socialistische theorie sprake van een machtsongelijkheid tussen werknemers en werkgevers: bijvoorbeeld werknemers zijn van hun werk afhankelijkheid voor hun overleving, terwijl er voor veel werkgevers minder op het spel staat. Daarnaast zijn . Dit rechtvaardigt volgens hen (collectieve) bescherming van werknemers (tegen ontslag) en collectieve arbeidsonderhandelingen. Door collectieve bescherming wordt de machtsongelijkheid tussen werknemers en werkgevers verschoven in het voordeel van de zwakste partij. Omdat hier de mogelijkheid is om macht eerlijker te verdelen tussen zwakken en sterken is de keuze voor de links-liberaal snel gemaakt: hij gebruikt  Een links liberaal die vrijheid en gelijkheid na streeft zal moeten erkennen dat solidariteit hier in dienst van vrijheid staat en

Of neem de kansen die wij als overheid aan mensen bieden, zoals onderwijs. Er zijn mensen, die al veel vermogens hebben die deze kansen met beide handen aangrijpen om zich zelf te verbeteren en te ontplooien. Echter veel mensen in veel zwakkere posities "kiezen" er niet voor om zich te emanciperen uit armoede en achterstelling. Een naieve liberaal zou zeggen: eigen keuze, eigen verantwoordelijkheid. Eigen schuld, dikke bult. Echter de vermogens (denk aan sociaal kapitaal) om gebruik te maken van de kansen die geboden worden zijn oneerlijk verdeeld in de huidige samenleving. Ook voor een links liberaal is er dan voor de overheid een rol om zich in te spannen om een eerlijke (gelijke) verdeling van kansen hand in hand te laten gaan van een eerlijke (gelijke) verdeling van de vermogens om van die kansen gebruik te maken. Dat kans soms vormen van "paternalisme" en "moralisme" betekenen, maar dat zijn vormen van paternalisme en moralisme die in dienst staan van een eerlijke verdeling van vrijheid.

Het blijft gewoon waar: "Socialists are liberals who really mean it." (Parkin, 1979, quote met dank aan Ruud Koole). Voor consequente liberalen of vrijzinnige socialisten staat solidariteit dus in dienst van vrijheid, om met Dick Pels te spreken. Dat ontkent echter niet de centrale rol die dit ons sociale beleid zal moeten spelen.

Geniaal!

Zonder meer de beste collumnist/blogger/stukjesschrijver is volgens mij Mark Rosewater. Dat is geen politicus, politiek analist, (sociaal) wetenschapper of politiek filosoof, maar een spelletjesmaker. Hij is op dit moment de Head Designer van Magic the Gathering. Een kaartspel dat ik al zo’n 10 jaar off and on speel. Zelfs in de periodes waarin ik het off speelde lees/las ik Mark’s collumns op de magic site.

Wat mij erg interesseert zijn creatieve (groeps)processen, welke overwegingen er spelen bij het ontwerpen van systemen, in dit geval een kaartspel, dat geniaal in zijn collumns beschreven wordt, maar ik heb dezelfde fascinatie voor goed in-elkaar gestoken films en series. Mij fascineert hoe zo’n mooi samenhangend systeem ontworpen is. Rosewater’s collumns hebben echter nog een reden dat ik ze graag lees omdat hij met enige regelmaat collumns schrijft van een superieure inventiviteit.

Neem zijn laatste collumn over "allied colors". Misschien moet ik voor leken even uitleggen hoe het speel deels in elkaar steekt. Laten we zeggen dat het een gewoon kaartspel is, maar dat er niet 52 kaarten zijn met enkele duizende kaarten zijn. Het is aan de speler zelf om die kaarten uit te zoeken die samen een goed deck, een samenhangend geheel, vormen. Er zijn dus heel veel verschillende kaarten die heel veel verschillende dingen kunnen.

Deze kaarten hebben kleuren, grofweg de equivalenten van schoppen, klaver, ruiten en harten. Er zijn er vijf: zwart, blauw, wit, groen en rood. Maar deze kleuren hebben allemaal hun eigen identiteit, dat zich uit in dingen waarin ze beter en slechter zijn. De vijf kleuren zijn zo geordend dat ze lijken op en dezelfde dingen kunnen als andere kleuren. Dat zijn hun "allies". Iedere kleur heeft twee "allies" en twee "enemies". De ordening is zo dat van iedere kleur de andere "ally" dan zich de kleur zelf een vijand van die kleur is. Dus bv. zwart heeft rood en blauw als allied kleuren en wit en groen als enemy kleuren. Echter de andere ally van rood is groen en van wit is blauw. The friend of your friend is your enemy laten we zeggen.

Nu laat Rosewater in zijn laatste collumn dus prachtig zien hoe die kleuren overlappen en van elkaar verschillen, maar hij doet dit niet door dit droog uit te leggen, maar door vijf MSN gesprekken met die kleuren weer te geven. Fictionele MSN-gesprekken dus. Alle gesprekken gaan de "liefde" die er is tussen de verschillende allied colour pairs. Hij laat zo niet alleen zien hoe de kleuren werken, qua dingen die ze kunnen, maar hoe de kleuren "denken", wat de logica en rationale achter de kleuren is.

Een geniale collumn dus maar eigenlijk alleen leuk als je het spel goed kent …

Politicologische puzzelkunde III

Ten slotte dan de verdeling van de ministersposten in dat vijfde kabinet Balkenende van VVD, D66, CDA en ToN, met gedoogsteun van de OSF.

D66 heeft drie posten: een zware ministerie, een ministerie en een zware staatssecretaris. Ze leveren de minister van OCW (die zich bezig gaat houden met Hoger Onderwijs en Wetenschap), de minister van VROM (die zich bezig gaat houden met groene innovatie) en de staatssecretaris van Europese Zaken. Hiermee worden de drie kernpunten van D66: vrijzinnig, toekomstgericht en internationaal goed vertegenwoordigd.

De VVD heeft vier posten: drie ministeries, waarvan een lichte en een staatssecretaris. Ze leveren de minister van Defensie, de minister van Financien, de Minister van Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van cultuur. Hiermee komen de prioriteiten van de VVD, als partij van veiligheid (internationaal en nationaal) en een kleine overheid (qua publieke sector en overheidsfinancien) goed uit.

Trots op Nederland heeft acht posten: drie ministeries, waarvan een lichte, twee ministers zonder portefeuille en drie staatssecretarissen. Ze leveren de minister van Justitie, van V&W, van SZW, en van Ontwikkelingssamenwerking, en Bestuurlijke Vernieuwing en staatssecretarissen op financien, volkshuisvesting en sport. Hiermee komen haar prioriteiten voor minder files/meer asfalt,  minder regels/meer democratie, minder criminaliteit/meer veiligheid en minder belasting/betere publieke sector vormgeven, terwijl ze nog genoeg plekken heeft om vastgoedjongens neer te zetten, die veel geld hebben betaald voor een ministerspost.

Het CDA heeft negen posten: vijf ministers, waaronder de premier een lichte , een minister zonder portefeuille en drie staatssecretarissen, waaronder een zware. Ze leveren de minister-president, BuZa, EZ, VWS en LNV, de minister voor integratie, en de staatssecretarissen voor buitenlandse handel, onderwijs en werkgelegenheid. Zo is de CDA, als machtspartij in alle sectoren (sociaal-economisch, publieke sector, milieu, binnenlandse zaken en buitenlandse zaken) goed vertegenwoordigd en kunnen ze leuke dingen doen voor ouderen, boeren, brave burgers, ouders en ondernemers.

Er zitten vijf vrouwen in de ministerraad en negen in het kabinet.

Verdeling:
Minister van Algemene Zaken, tevens Minister President: Jan Peter Balkenende (CDA)

Minister van Justitie, tevens eerste vice-Minister President: Rita Verdonk (ToN)
Minister van Defensie, tevens tweede vice-Minister President: Henk Kamp (VVD)
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, tevens derde vice-Minister President: Alexander Rinooy-Kan (D66)

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: vastgoedjongen (ToN)
Minister van Economische Zaken: Maria Verhoeven (CDA)
Minister van Financien: Bibi de Vries (VVD)
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu: Ageeth Telleman (D66)
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: Johan Remkes (VVD)
Minister van Verkeer en Waterstaat: vastgoedjongen (ToN)
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Ab Klink (CDA)
Minister van Buitenlandse Zaken: Maxime Verhagen (CDA)
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid: Gerda Verburg (CDA)

Minister zonder Portefeuille binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in het bijzonder benoemd voor Ontwikkelingssamenwerking: vastgoedjongen (ToN)
Minister zonder Portefeuille binnen het Ministerie van Justitie, in het bijzonder benoemd voor Integratie en Immigratie: Orhan Coruz (CDA)
Minister zonder Portefeuille binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in het bijzonder benoemd voor Bestuurlijke Vernieuwing: Kay van der Linde (ToN)

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het bijzonder benoemd voor Europese Zaken, die zich in het buitenland Minister voor Europese Zaken mag noemen: Sophie in ‘t Veld (D66)
Staatssecretaris van Economische Zaken in het bijzonder benoemd voor Buitenlandse Handel, die zich in het buitenland Minister voor Buitenlandse Handel
mag noemen: Carien van Gennip (CDA)

Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het bijzonder benoemd voor basis- en middelbaar onderwijs: Marja Bijsteveldt (CDA)
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het
bijzonder benoemd voor cultuur en media: Atzo Nicolai (VVD)
Staatssecretaris van Financien in het
bijzonder benoemd voor fiscale zaken: vastgoedjongen (ToN)
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in het
bijzonder benoemd voor volkshuisvesting: vastgoedjongen (ToN)
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het bijzonder benoemd voor Sport: sporter (ToN)
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het bijzonder benoemd voor Arbeidsmarktaangelegenheden: Liesbeth Spies (CDA)