Omroepen

Nu POWNED van GeenStijl dreigt het Nederlands omroepstelsel binnen te breken, wordt het misschien wel tijd om lid te worden van een omroep. Het zou geen goed teken zijn voor Nederland als het in-en-in cynische geenstijl het idealistische Llink zou vervangen.

Ik kijk overigens nauwelijks televisie. Ik heb zelfs geen TV meer staan, maar ik kijk wel regelmatig via het internet naar Nederlandse televisie programma’s en bij het wakker worden luisteren we naar de radio: Tegenlicht van de vrijzinnige VPRO komt regelmatig langs, maar ook Buitenhof van de VPRO, de VARA en de NPS. Wie is de Mol? van de uiterst burgerlijke AVRO is leuk om te volgen. Ook kijk ik regelmatig naar cabaret fragmenten van Koefnoen (AVRO), De Lama’s (van het progressief-rebelse BNN) en de vele cabaret shows van de VARA.

Waarvan zou ik dan lid moeten worden?

  • Naar dat gene wat ik het meest kijk? Ik kijk naar 2 AVRO programma’s, 2 VPRO programma’s, 2 VARA programma’s en 1 BNN programma. Dat helpt niet.
  • Waar ik me het meest me identificeer? Ik ben jong, progressief en groen dus dan zit ik tussen BNN, de VPRO en Llink.
  • Die het meeste in gevaar is? BNN loopt gevaar maar Llink ook.

Wie helpt mij deze keuze maken? Of blijf ik lekker onafhankelijk? Omroepen zijn zo 1926.

De Obama van het Noorden

Nog geen week nadat de eerste Afro-Amerikaanse president van de Verenigde Staten is ingezworen, is het volgende mondiale glazen plafond gebroken. Kijk: er waren  al eerder zwarte staatshoofden op de wereld, zelfs in Noord Amerika, de huidige Gouverneur-Generaal van Canada, Michaelle Jean, is migrant, vrouw en zwart.

Wat er echter nog nooit eerder was gebeurd, is nu op IJsland door de economische crisis wel gebeurd. Het eerste openlijk lesbische regeringsleider: Jóhanna Sigurðardóttir. Door het aftreden van Geir Haarde is Sigudardottir, al minister, nu regeringsleider. Sigurdardottir is lid van de sociaal-democratische Alliantie-partij. Ze is nu tot de vervroegde verkiezingen premier, maar haar partij staat er in de peilingen goed voor.

Ik zie het in het -o zo homovriendelijke- Nederland nog niet gebeuren: Gerda Verburg 2010!

Partijcultuur

Vorige week was ik toeschouwer bij de gemeenteraad van Leiden, als lid van de lokale programmacommissie en kandidatencommissie wilde ik toch eens zien hoe dat er aan toe ging bij de gemeenteraad. Het was geen spannende zitting, maar het optreden van wethouder John Steegh fascineerde mij. Er was een kritisch amendement ingediend over zijn "fiets fout = fiets weg"-beleid. Hij wist hij de gehele gemeenteraad achter zijn beleid te krijgen, door het amendement net anders te interpreteren en over te nemen. Een prachtig geval van een zalvende, consensus-zoekende politicus.

Gisteravond was ik bij de laatste bijeenkomst van project 2008, het proces om te komen tot het nieuwe beginselprogramma. Het optreden van Bram van Ojik in dat proces deed me denken aan het optreden van Steegh. Consensus-zoekend, bindend, polderend, zalvend. Steegh en Van Ojik komen voort uit de Politieke Partij Radicalen. Een partij uit de Christen-democratische traditie. Polderen, zalven en binden behoren tot het dna van die traditie. Samenwerking is voor de PPR altijd belangrijk geweest: eerst met de PvdA en D66 en later met de PSP en de CPN. Misschien speelt hun PPR-achtergrond een rol in hun bindend leiderschap. Echter ook partijvoorzitter Henk Nijhof (afkomstig uit de PSP) is ook zo’n consensuszoekende GroenLinks’er.

Uit de PSP lijkt echter overwegend een heel ander soort politicus voort te komen: tegendraads, dwars en overtuigd van zijn of haar eigen principes. Leo Platvoet, de woordvoerder van Krities GroenLinks, is daar een mooi voorbeeld van. Maar even zo zeer Amsterdams wethouder Frank Koehler, die bekend stond bekend als polariserend. Ineke van Gent liet zich van haar dwarse kant zien toen ze tegen het huwelijk van Maxima en Willem-Alexander stemde vanuit republikeinse overwegingen en zich tegen het Nederlandse militaire optreden in Kosovo en Afghanistan keerde. Dit past ook wel bij het beeld dat ik van de PSP heb gekregen. Ruud Koole noemde de PSP ooit een "dissidentenpartij". De partij is opgericht door mensen die te links waren voor de PvdA en te vrijzinnig voor de CPN. Een partij van mensen die werden verbonden door hun onafhankelijke opstelling en hun overtuiging van het eigen gelijk. Bij de PSP heeft dat dan ook geleid tot een aantal felle conflicten tussen allerlei facties die net principielere in de socialistiese leer waren dan de ander. Erik Meijer -op dit moment Europees Parlementarier voor de SP- was een belangrijker speler in die tijd, vanuit de Trotskistische factie.

Zou het onderscheid tussen dwars-liggende en consensus-zoekende, tussen tegendraadse en bindende, tussen polderende GroenLinks politici en GroenLinks politici overtuigd van het eigen gelijk samen hangen met achtergrond of affiniteit met een van de moederpartijen. Wordt GroenLinks bevolkt door zalvende PPR’ers en polariserende PSP’ers? Nee, want er waren ook zalvende PSP’ers (werd Leo Platvoet ook niet ook "supersamenwerker" genoemd" en PPR’ers die konden breken (Ad Melkert, bijvoorbeeld). Misschien is het een religieus onderscheid, de meeste oud-PPR’ers hebben een katholieke achtergrond, de PSP had met name in de begintijd een zekere affiniteit met het protestantisme. Protestanten breken, katholieken zalven.

Hoe dan ook, het blijft een interessant en relevant onderscheid. Een voorbeeld: de mate waarin GroenLinks ooit succesvol kan gaan regeren is afhankelijk van de verhouding tussen brekers en zalvers. Zonder de dwarse brekers krijgen we nooit een profiel om kiezers te trekken, maar de zalvers zijn nodig om de compromissen die we zullen moeten sluiten door de partij heen te loodsen.

Keuzes maken

Ik was van plan gister naar Amsterdam te gaan om een van de laatste lijsttrekkersdebatten te zien. De regen weerhield mij daarvan. Dan moet ik toch maar mijn keuze baseren op mijn eigen intuities, ervaring, contacten en kennis van de kandidaten en hun filmpjes. En natuurlijk op mijn eigen kieswijzer.

Ik denk dat ik na lang wikken en wegen op de volgende preferentie ordening uitkom:

  1. Niels
  2. Bas
  3. Judith
  4. Tineke
  5. Alexander

Het is een embarrassment of riches. Vijf uitermate geschikte kandidaten voor het Europpes Parlement. Toch zit er voor mij toch een groot gat tussen Tineke en Alexander enerzijds en andere drie kandidaten anderzijds. Tineke en Alexander lijken me uitermate ervaren vakkundige parlementariers die ik vertrouw om precieze en goede wetgeving te maken. Maar het zijn geen lijsttrekkers die veel kiezers gaan winnen.

De ordening tussen Judith, Bas en Niels vind ik uitermate lastig.

  1. Volgens mijn eigen test komen mijn voorkeuren voor een linkse en idealistische lijsttrekker goed overeen met Niels. Ik ken Niels ook persoonlijk via DWARS, waar hij altijd voor een idealistische koers heeft gestaan. De twijfel die toch bij Niels heb is dat ik niet zeker weet of zijn moment "nu" is. Ik denk dat Niels tot grote hoogte kan groeien, maar is hij ready to lead on day one?
  2. Bas doet in het in mijn test heel slecht. Maar toch staat hij bij mij op twee. Dat komt door de indruk die hij op mij heeft gemaakt in de tijd dat we samen in het panel beginselen van project 2008 zaten. Hij zit vol goede ideeen, scherpe analyses van de partij en haar idealen;   
  3. Judith staat nummer twee in mijn test, dat komt met name door haar idealistische uitstraling en haar nadruk op internationale solidariteit. Ze heeft mijn hart gestolen door te zeggen dat ze niet voor Nederlanders in het Europees Parlement wil maar voor de wereld. Daarmee toont ze haar kracht, haar idealisme, maar ook haar zwakte, want wie gaat er op iemand stemmen die zegt dat zij het niet voor hem op gaat nemen?

Een lijst met mitsen en maren dus. Een balans zal dus zeker nodig zijn in het duo dat we in Europa kunnen zetten. Mijn keuze voor een jongere, groenere, idealistische lijsttrekker betekent ook dat ik een nummer twee wil met ervaring en verstand van wetgeving en een passie voor sociale, internationale of tolerante onderwerpen. 

Leidse uitslag

Of ik op mijn weblog ook niet net als David Rietveld een voorspelling van de lokale verkiezingen deed, vroeg een collega mij gisteren. Nee eigenlijk niet. Maar eigenlijk is een voorspelling zo gemaakt. Je legt de huidige landelijke peilingen tegen de landelijke uitslag om de trends te zien en past dat toe op de laatste uitslag. Even puzzelen en je hebt wat.

Leiden2009 

De PvdA valt van 10 zetels nu naar 6 zetels. In 2006 deed PvdA het heel goed bij de gemeenteraadsverkiezingen en nu een stuk minder in de landelijke peilingen. De VVD valt van 6 naar 5, doet het slecht in de landelijke peilingen maar een gedeelte van de TON en PVV stemmers zullen hier toch op stemmen omdat er geen alternatief is. GL gaat van 4 naar 5. In mei 2006 stond GroenLinks er slechter voor dan nu. D66 gaat van 2 naar 5. Het Pechtold effect. CDA blijft gelijk. De lokale partijen  (Stadspartij Leiden Ontzet en Leefbaar Leiden) winnen een beetje op de coat tails van populistische partijen als PVV en TON. Dat uit zich in een extra zetel voor Leefbaar Leiden. De SP doet het landelijk iets slechter dan in 2006. De ChristenUnie doet het iets beter dan in 2006.

Dat zorgt ervoor dat al met al de zetels in de raad vrij gelijk matig zijn verdeeld: twee partijen met zes zetels en vier partijen met vijf zetels en dan weer twee met drie zetels. Waar sinds 2006 de PvdA een dominante positie in de raad heeft.

Niet-burgerschap

Politiek filosofen, politicologen en politici maken vaak een groot punt van burgerschap. In sociale contract theorie bv., staat de toestemming van de burgers centraal in de legitimiteit van de staat. De politieke participatie van actieve burgers wordt sinds Putnam‘s werk over sociaal kapitaal als een belangrijke voorwaarde gezien voor economische ontwikkeling en democratische stabiliteit. Vandaag hoorde ik een lezing van James Bohman over de legale status van immigranten. Het punt dat hij maakte is dat in klassieke politieke theorie er geen ruimte is voor migranten, en zeker niet voor illegale migranten.

Dit roept de vraag op moet er een formele status van niet-burger zijn in een staat en op welke rechten kan een niet-burger aanspraak maken?

Ik denk dat het belangrijk is om een onderscheid te maken tussen drie zeer gevarieerde niet-burgers, die allemaal wel een juridische status (zouden moeten) hebben:

  • Migranten
  • Kinderen
  • Dieren

Migranten
Migranten zijn geen burger omdat ze (nog) niet genationaliseerd zijn maar toch in een land leven. Dit is in principe een vrij sterk omschreven juridische status, omdat (bijna alle) migranten wel burger zijn in een ander land. Via internationale en bilaterale verdragen is de positie van buitenlanders best wel beschermd: zo zijn er afspraken over recht op asiel, uitlevering als ze misdaad hebben begaan, vergunningen om te werken, reizen en bescherming als krijgsgevangene.

In principe zou het niet moeilijk moeten zijn om de rechten van migranten in een ander land op te schrijven. Ze hebben mensenrechten maar geen burgerrechten. Iedereen heeft recht op leven. Dat iemand een buitenlander is, is geen reden om hem niet te beschermen tegen een moordenaar. Dat zelfde geldt voor bescherming tegen slavernij, marteling, of arbitraire vrijheidsbeperking. De vraag is natuurlijk dan wat een mensenrecht is en wat een burgerrecht is. Stemrecht, bv., is een recht dat ook aan niet-burgers is toegekend bij gemeentelijke verkiezingen. Maar is dat stemrecht dan nu juist niet het belangrijkste burgerrecht? Ik vind dat alle burgers van een staat recht hebben op een inkomen, vrije tijd en arbeid, maar alle mensen die in dat land wonen ook? Wat voor’n effect zou dat hebben op migratie?

Kinderen

Kinderen zijn natuurlijk wel burgers, maar hun rechten zijn wel anders dan die van volwassenen. Soms hebben ze minder rechten: ze mogen niet werken, niet stemmen. Maar ze hebben ook meer rechten op bijzondere bescherming tegen kindermishandeling en kindermisbruik. In internationaal opzicht is het best beschermde aspect van kinderrechten dat ze niet in een leger mogen dienen. Hieruit blijkt de ambigue aard van de juridische status van kinderen. Ze mogen minder: niet in een leger dienen. Maar ze worden ook beter beschermd dan volwassenen: tegen gedwongen recrutering. Voor kinderen zijn bepaalde vrijheidsrechten ingeruild voor recht op bescherming. Voor hun eigen bestwil.

Bij deze bijzondere juridische status zijn wel een aantal problemen: ten eerste hoe bepaal je waar kind-zijn op houdt en volwassenheid begint? Doe je dat door leeftijdsbegrenzing (vanaf 18 mag alles) of door een langszaam opvoerende leeftijdsbegrenzing (vanaf 12 stemmen voor de gemeenteraad, 14 voor de provinciale staten, 16 voor de Tweede Kamer en 18 voor het Europees Parlement) of stel je een test in (rijbewijs). We hebben nu in Nederland gekozen voor verschillengde grenzen op verschillende leeftijden, soms met testen soms zonder. Het blijft natuurlijk arbitrair: waarom mag een sociaal geengageerd meisje van 17 niet stemmen maar haar gedesinteresseerde moeder wel en haar demente oma ook?

Ten tweede, de wisseling van kind naar volwassene is een wisseling van het soort vrijheid dat op iemand van toepassing lijkt te zijn. Een kind is subject van positieve vrijheid. Deze vrijheid kan je het best beschrijven als paternalisme: het kiezen voor het "belang" van een persoon, vastgesteld door een hogere macht (in dit geval ouders) boven wat hij zelf wilt. Een kind kan nog zo graag een leeuw willen aaien, maar zijn ouders weten dat dit niet goed voor hem is. Positieve vrijheid wordt ook vaak gekoppeld aan het opleggen van een bepaalde rationaliteit. Dat is precies wat we bij kinderen doen: we leren hen hoe ze moeten lopen, lezen en leven. Als volwassene is daarentegen is negatieve vrijheid op je van toepassing. De vrijheid van paternalistische machten boven je om zelf te bepalen wat goed voor je is. Dat maakt volwassen worden een soort magisch moment waarop plotseling een heel ander soort vrijheid van toepassing is. A different realm of freedom. Dat is natuurlijk maar ten dele waar: door kinderen op te voeden naar hun ouders’ standaarden van rationaliteit zorgen ouders ervoor dat deze negatieve vrijheid beperkt is. Als je als kind is vertelt is wat je moet willen, is kunnen doen wat je wilt dan nog wel echt vrijheid?

Dieren
Dieren hebben anders dan migranten of kinderen geen mensenrechten. Maar toch is er wel een bijzondere juridische status voor dieren. Bij het debat over dierenpornografie, bv., werd de intrinsieke waarde van het dier aangehaald als argument om het niet te verkrachten. Daarmee verschilt een dier dus van een ding en krijgt het bijzondere bescherming. Maar deze bescherming gaat maar zo ver: een recht op leven hebben dieren niet, want we mogen ze doden om op te eten. Dieren zijn dan geen dingen ze worden wel behandelt als bezit en niet beschermd tegen slavernij. De vraag voor mensen die dieren wel rechten toe willen kennen is: welke mensenrechten zijn voor behouden aan mensen als bepaalde soort dieren en welke zijn op alle soorten van toepassing?

Aan dieren worden eigenlijk alleen maar welzijnsrechten toegekend: dierenrechten zijn er op uit om het welzijn van de dieren te vergroten. We mogen dieren niet (zinloos) dood maken of mishandelen, maar dieren mogen niet stemmen en hebben geen recht op vrijheid van meningsuiting. De redenering er achter is utilistisch: ergens in onze afweging van geluk en ongeluk moeten we het geluk van dieren ook mee nemen. Dieren zijn relevant in die afweging omdat ze pijn kunnen voelen. Vrijheidsrechten die afgeleid worden van menselijke rationaliteit zijn niet op hun van toepassing, omdat dieren niet rationeel zijn.

Conclusie

De (potentiele) juridische positie van migranten, dieren en kinderen verschilt sterk. Kinderen hebben geen burgerrechten omdat ze daar nog niet klaar voor zijn, migranten om dat ze daar niet voor gekozen hebben en dieren omdat ze niet een burger kunnen zijn, want ze zijn geen mens.

Kinderen en dieren worden met name welzijnsrechten toegekend: ze hebben recht op een goede behandeling in hun eigen belang. Kinderen hebben daarnaast een "recht" op de vorming tot een verantwoordelijke volwassene, om van subject van positieve vrijheid, subject van negatieve vrijheid te kunnen worden. Migranten daarentegen hebben wel vrijheidsrechten. De meeste universele rechten, met name diegene die sterk verankerd zijn in het internationaal recht zijn vrijheidsrechten. We kennen migranten geen bijzondere welzijnsrechten toe boven op de mensenrechten. Allerlei sociale, culturele en economische rechten achtten we niet van toepassing.

Bij alle drie de soorten rechten van niet-burgers spelen grenzen een belangrijke rol: welke rechten van burgers zijn eigenlijk rechten van alle mensen? Welke mensenrechten zijn eigenlijk rechten van alle dieren? En waar leggen we de grens tussen mens en dier? En tussen kind en volwassene?

Een algemene status voor alle niet-burgers is te groot. Er zijn weinig rechten die ze allemaal delen. Wel zijn er dus interessante parallellen en tegenstellingen tussen de rechten van de verschillende soorten niet-burgers.

-5%

Terwijl de Partij voor de Dieren en D66 in ledenaantal stijgen met 15% en 20%, daalt het GroenLinkse ledenaantal met 5%. Zelfs de VVD – in permanente crisis en allerlei afsplitsingen – weet leden te winnen. Over het algemeen verloren de partijen iets. Waarom zou GroenLinks nu leden verliezen?

Ik denk dat ons verlies terug te brengen is op project 2008. Anderhalf jaar hebben we naar onze navel zitten staren. Die interne gerichtheid heeft zich ook in electoraal opzicht geuit: stabiel net boven de huidige zeven zetels, geen grote expansie, dus ook geen nieuwe leden. In verkiezingstijden als politiek meer aandacht krijgt zal het met alle politieke partijen wel iets beter gaan.

Opvallend is overigens bij de cijfers van de leden aantallen dat grotere partijen verhoudingsgewijs minder leden dan kleine partijen: per stem hebben kleine partijen meer leden. (getallen voor nov.2006/jan.2007).

  • CDA kreeg bij de laatste verkiezingen 2,608,573 stemmen maar heeft maar 69,200 leden: dat is 0,027 lid per stem;
  • PvdA kreeg 2,085,077 stemmen en maar 59,327 leden: 0,029 lid per stem;
  • De SP deed het vroeger heel goed (toen ze veel minder zetels had) maar nu een stuk slechter. 1,630,803 stemmen en 50,238 leden. 0,031 leden per stem;
  • De VVD haalde 1,443,312 stemmen binnen en heeft maar 36,832 leden. 0,026 lid per stem;
  • GroenLinks doet het bestwel aardig: 453,054 stemmen en 21,901 leden. 0,048 leden per stem;
  • De kleine Christelijke partijen doen het heel goed: De ChristenUnie had 390,969 stemmen en 27,683 leden. Dat is 0,071 lid per stem;
  • D66 deed het electoraal heel zwak in 2006 en verloor op dat moment veel leden. Haalde 193,232 stemmen en 10,370 leden. Dat is 0,054 leden per stem.
  • De SGP doet het ‘t best. 179,988 stemmen en 26,906 leden. 0,149 leden per stem.
  • De PvdD haalde niet veel stemmen (153,266) maar had toch best wel wat leden (6,972). 0,046 leden per stem.

Ik heb het nooit begrepen waarom zouden kleine partijen verhoudingsgewijs meer leden hebben?

PPE

Ik zelf heb politieke wetenschappen en filosofie van de sociale wetenschappen gestudeerd. In Oxford hebben ze daar een aparte opleiding voor: PPE "Politics, Philosophy and Economy". Met enige regelmaat vind ik me zelf tijdens een vergadering of lezing de outlines van zo’n soort opleiding (een BA in Politics & Philosophy) uitschetsen, andere mensen doodlen anderen dingen. Om deze opleiding op te bouwen zullen we eerst naar de onderdelen van een BA Politicologie en een BA Filosofie moeten kijken.

Veel BA’s filosofie bestaan uit een kleine basis en daarna veel keuzevakken. De kleine basis bestaat uit dezelfde vakken in gedeeld in vier domeinen:

  • Geschiedenis van de filosofie
  • Praktische filosofie, dat zich richt op menselijk handelen
    • Ethiek, met als hoofdvraag "Wat is de goede handeling?"
    • Politieke filosofie, met als hoofdvraag "Wat is een rechtvaardige samenleving?", gerelateerd aan Ethiek
    • Esthetiek, met als hoofdvraag "Wat is schoonheid?"
    • Cultuurfilosofie, dat zich richt op de mens als cultuurwezen
  • Theoretische filosofie, dat zich richt op menselijk denken
  • Filosofische methoden:
    • Hermeneutiek, een interpretatieve filosofische methode die met name in de Esthetiek en de Cultuurfilosofie wordt toegepast
    • Logica, de filosofische methode die met name in dit domein gebruikt wordt.

Binnen de politicologie zijn er ook een aantal domeinen, alhoewel verschillende politicologie opleidingen sterk verschillen in de mate waarin ze deze structuur hebben. De structuur hangt samen met de interne verdeeldheid binnen de politicologie, over het onderwerp van onderzoek en de benadering.

  • De politicologie heeft verschillende onderwerpen: "locussen"
    • Nationale politiek richt zich op het politieke systeem binnen een staat
    • Vergelijkende politiek richt zich op het vergelijken van verschillende nationale politieke systemen
    • Internationale politiek richt zich op het politieke systeem tussen staten
    • Europese politiek richt zich op een uitzonderlijk politiek systeem dat tussen statelijk en inter-statelijk inzit: de Europese Unie
  • Binnen de politicologie zijn er verschillende benaderingen: focussen
    • Rationele Keuze Theorie verklaart politiek gedrag door aan te nemen dat mensen rationeel handelen
    • Politieke psychologie verklaart politiek gedrag door te kijken naar menselijke emoties en affecties.
    • Institutionalisme verklaart politiek gedrag door te kijken naar de instituties waar binnen politieke actoren functioneren
    • Politieke filosofie richt zich niet op verklaren maar op rechtvaardigen van politiek gedrag.
  • Binnen de politicologie is er een sterke verdeling tussen verschillende methoden

Als we deze naast elkaar liggen blijken er een overlap te zijn: politieke filosofie, maar voor de rest zijn er veel verschillen. Daarnaast is de filosofie opleiding nu wel erg algemeen en weinig gericht op specifieke politiek-filosofische vraagstukken. Daarom zou je achter alle filosofische vraagstukken moeten zetten "van de politiek". En er zouden ook een aantal politicologie vakken theoretischer moeten worden.

  • Geschiedenis van de Filosofie:
    • Klassieke Politieke Filosofie, dat is dus met name Griekse en Romeinse politieke filosofie. Deze richt zich met name op de relatie tussen staat, leiders en burgers;
    •  Middeleeuwse Politieke Filosofie, dat is dus met name Christelijke politieke filosofie, zowel Katholiek als Protestant. Deze richt zich met name op de relatie tussen burgers, staat en kerk;
    • Vroeg-Moderne Politieke Filosofie, dat is dus met name Verlichtingsfilosofie. Deze richt zich met name op de relatie tussen burgers en staat vanuit het perspectief van het sociale contract;
    • Laat-Moderne Politieke Filosofie dat is dus met name filosofie uit de 19e eeuw. Deze richt zich met name op de relatie tussen burgers, staat en de markt.
  • Overige filosofische vakken
    • Inleiding Ethiek, dat zich voor politiek filosofen een belangrijk vak is;
    • Filosofie van macht, een analyse (tussen metafysica en cultuurfilosofie in) van het fenomeen "macht";
  • De politicologische locussen:
    • Inleiding Nationale & Vergelijkende Politiek;
    • Empirische modellen van democratie, wat met name in gaat op de evaluatie van democratische systemen;
       
    • Inleiding Internationale & Europese Politiek;
    • Theoretische vraagstukken in de internationale politiek, wat met name in gaat op allerlei theoretische vraagstukken in de IB.
  • De politicologische focussen:
    • Rationale Keuze Theorie, wat zo wel in de politicologie en de politieke filosofie gebruikt wordt;
    • Politieke psychologie;
    • Institutionalisme.
  • De politicologische methoden:
    • Kwalitatieve methoden;
    • Kwantatieve methoden.
  • Dan blijft de hedendaagse politieke filosofie over dat het hoogtepunt van de opleiding zou moeten zijn. Ik heb dit ingedeeld in vier grote vervolgcursussen:
    • Democratie Theorie
    • Vraagstukken van Verdelende Rechtvaardigheid over links- en rechts-liberalisme en socialisme
    • Identiteit, Gemeenschap en Vrijheid over feminisme, multiculturalisme, liberalisme en communotarisme
    • Rechtvaardigheid buiten grenzen over cosmopolitiek en ecologisme

Ervaring meten

Mijn stemwijzer maakt al weer wat los. Een belangrijke vraag, bijvoorbeeld wordt opgeroepen door Harmen Binnenma is die van ervaring. Ik denk dat het centrale vraagstuk bij de keuze voor een nieuwe lijsttrekker inderdaad de keuze is voor een ervaren of een onervaren kandidaat, waarbij geldt dat de meer onervaren kandidaten zich kenmerken door hun idealisme.

Maar laten we die ervaring dat begrip ervaring eens uitwerken. Het gaat natuurlijk om politieke ervaring die je verkrijgt door als politicus of medewerker mee te lopen in een raad, een parlement of een college. Dit zal ik "politiek actief" noemen. Maar het gaat ook om Europese kennis ervaring, die je kan krijgen door in allerlei Europese projecten en Europese organisaties actief te zijn.

Laten we eens kijken naar de ervaring van de verschillende kandidaten:

  • Tineke Strik is al zo’n twaalf jaar politiek actief. Tussen 1997 en 2001 als medewerker van de kamerfractie. Tussen 2002 en 2006 als wethouder in Wageningen en sinds 2007 als senator. Aan de laatste twee functies heeft zijn een Europese component toegevoegd door de actief te zijn in de Raad van Europa, eerst als plv. lid van het congres van lokale overheden en nu als lid van de Raad zelf.
  • Alexander de Roo is al sinds 1982 politiek actief. In de eerste drie jaar als duo-raadslid, vervolgens 14 jaar als fractiemedewerker en daarna vijf jaar als Europarlementarier. In de laatste 10 jaar was de Roo niet politiek actief, zoals hierboven gedefinieerd. De periode als Europarlementarier en medewerker had natuurlijk een Europese component.
  • Judith Sargentini is sinds 1999 actief in de Amsterdamse politiek. De eerste drie jaar als duo-raadslid, de laatste drie jaar als fractievoorzitter, daartussen was ze gewoon raadslid. Daarnaast werkt ze sinds 2007 als lobbyist bij de Europese federatie van progressieve ontwikkelingsorganisaties.
  • Niels van de Berge is sinds twee jaar beleidsmedewerker van de Europese fractie. Daarvoor was hij duo-raadslid in Wageningen (ongeveer een jaar?).
  • Bas Eickhout heeft geen politieke ervaring zoals hierboven gedefinieerd. Wel heeft zijn baan als milieuonderzoeker die hij al 10 jaar heeft, een sterke Europese component.

Je zou op basis hiervan maten van Europese en politieke ervaring kunnen formuleren. Laten we Europese ervaring definieren als aantal volle arbeidsjaren dat iemand zich met Europese vraagstukken bezig houdt: Judith’s werk in de Europese ontwikkelingssamewerking edlt, Niels’ en Alexanders’ werk voor (en in) de Europese fractie. Bas’ zijn werk als milieuonderzoeker geldt dan ook, maar niet de volle tien jaar een wilde schatting is dat de helft zijn werk een sterke Europese component heeft. Het werk van Tineke als fractiemedewerker, wethouder en Senator heeft ook altijd een Europese component gehad. Dit tel ik wel mee maar veel minder sterk dan het werk van de anderen.

Politieke ervaring definieren we als volle arbeidsjaren dat iemand actief is geweest als lid van een raad, college of parlement of medewerker als medewerker van een kamerfractie. Duoraadsleden besteden natuurlijk minder tijd aan hun raadslidmaatschap dan fractievoorzitter hier houden we dan ook rekening mee. Senatoren werken ook niet voltijds.

We kunnen deze maten dan bij elkaar op tellen als maat van Europese plus politieke ervaring. Ervaring in het Europarlement telt dan inderdaad dubbel, want daar draait het toch om. Hier onder een staatje:

  • Tineke – 9 punten politieke ervaring – 1 punt Europees – samen 10 punten
  • Alexander – 17 punten politieke ervaring – 17 punten Europees – samen 34 punten
  • Judith – 5 punten politieke ervaring – 1 punt Europees – samen 6 punten
  • Niels – 2 punten politieke ervaring – 2 punten Europees – samen 4 punten
  • Bas – 0 punten politieke ervaring – 5 punten Europees – samen 5 punten

Zo ontstaan er twee groepen: de sterk ervaren Alexander (niets voor niets is zijn slogan "Een beetje ervaring kan ook geen kwaad") en de rest. Daarbinnen is dan weer onderscheid te maken tussen de bes wel ervaren Tineke van groen tot groener: Judith, Bas en Niels.