Minder Kamerleden

Naast een reductie van het aantal ministeries, wil GroenLinks het aantal kamerleden reduceren van 150 naar 100. En de Eerste Kamer afschaffen. Daarmee zou het aantal politici dat de regering controleren reduceren van 225 naar 100.

Ik wil twee opmerkingen maken bij het voorstel om het aantal kamerleden te reduceren: het relatief lage aantal kamerleden dat Nederland al heeft in vergelijkend perspectief en het effect op de diversiteit van de kamer.

Parlsize_2 Er is een sterke lineaire correlatie tussen het aantal kamerleden in het Lager Huis dat een land heeft en het aantal inwoners. Deze is in het figuur hiernaast te zien dit betreft alle landen in de Europese Unie: kleine landen hebben kleinere Lagere Huizen en grotere landen hebben grotere Lagere Huizen. Alleen in de kleinste Europese landen hebben kamers die kleiner zijn dan 102 leden: Estland, Letland, Slovenie, Malta, Luxemburg en Cyprus hebben allemaal minder dan 3 miljoen inwoners. Bij de middelgrote landen is er grote variatie: de kleinste Lager Huizen zijn in Litouwen, Belgie en Nederland. Maar Hongarije, een land met net meer dan 10 miljoen inwoners heeft 386 Kamerleden in hun unicamerale parlement. Bij de middelgrote landen valt ueberhaupt op: als zij eenkamer stelsel hebben hebben ze gemiddeld meer kamerleden in het Lager Huis dan als zij een twee kamerstelsel hebben (208 tegen over 169). Daarna is de relatie lineair: grote landen krijgen steeds grotere kamers. Gemiddeld vertegenwoordigt een lid van een Europees Parlement zo’n 49,252 stemmer. Als we dat in Nederland ook zouden doen zou het aantal kamerleden niet verlaagd moeten worden naar 100 leden, maar verhoogt naar 322 leden (meer dan een verdubbeling). Als we kijken naar landen met een unicameraal stelsel en meer dan 3 miljoen inwoners zouden we zelfs aan 529 leden moeten denken (meer dan een verdrievoudiging).

En dan diversiteit. Een reden om een groot parlement te hebben is omdat minderheden daar beter in vertegenwoordigd worden: meer parlementariers betekent dan meer ruimte voor vrouwen en meer allochtonen. Maar ook ruimte voor Friese of boerenvertegenwoordigers. Als we kijken naar de verkozen kandidaten per partij (zonder voorkeursstemmen en ministersbenoemingen) is dit echter niet helemaal waar. Het aantal vrouwelijke kamerleden is onder deze restricties bij 150 leden 55 (37%). Bij 100 leden zou dat 38 leden zijn. Een verbetering. Er zouden meer vrouwen in een kleinere kamer zitten. Bij etnische minderheden is de verhouding net anders: 11 kamerleden met een niet Nederlandse achtergrond bij 150 leden (7%) en 5 leden bij een kamer van 100 leden. Daarbij valt het aantal kamerleden met een diverse achtergrond dus iets naar beneden.

Voor de diversiteit maakt het dus niet veel uit, maar in internationaal perspectief zouden we een uitzondering vormen. En laten we eerlijk zijn: een verlaging van het aantal kamerleden en een afschaffing van de Eerste Kamer betekent dat het aantal GroenLinks parlementariers van 11 naar 5 valt. Laten we dat dan maar politieke moed noemen. 

Minder Ministeries

Een van de voorstellen van GroenLinks in het nieuwe verkiezingsprogramma is de reductie van het aantal ministeries van 13 nu naar 8. Voor een politicoloog of bestuurskundige is het altijd leuk om na te denken over hoe verantwoordelijkheeden rationeel zouden verdeeld moeten worden. In het volle besef dat in het openbaar bestuur beslissingen bijna nooit op rationale gronden tot stand komen. In plaats daarvan is de indeling van ministeries afhankelijk van path dependency en institutional stickiness: of in gewoon Hollands oude beslissingen worden in stand gehouden zonder dat daar rationale redenen voor zijn.

Ministeries

Toch zijn er rationale elementen aan hoe verantwoordelijkheden tussen ministeries samen hangen: de bestuurders die de ministeries indeelden probeerden dat zo rationeel mogelijk te doen en in de tussentijd proberen bestuurders de bestaande structuur rationeel te gebruiken.  Je zou kunnen stellen dat de huidige ministeries met elkaar samenhangen in clusters van ministers met een aan elkaar gerelateerde portefeuilles. Dat zie je terugkomen in de kabinetsformaties waarbij geprobeerd wordt om binnen zulke clusters alle partijen deel te laten nemen. Grofweg zou je de structuur van de ministers kunnen voorstellen als in dit figuur: centraal staat de sociaal-economische driehoek met daarin de ministers van Financien, SZW en Economische Zaken. De minister van sociale zaken staat echter ook relatief dichtbij de ministers van OCW en VWS, die zo samen een cluster rond de softe publieke sector vormen. De minister voor Economische Zaken staat dichtbij de ministers van V&W en LNV, die zich bezighouden met sectoren waar de vrije markt in principe het belangrijkste regulerende principe is. Economische Zaken in mindere mate, maar Verkeer en Landbouw in grotere mate hebben veel overeen met de minister van VROM, omdat zij allemaal te maken hebben met ruimtelijke en milieu-vraagstukken. Boven in het figuur staan de ministers van BZK, BuzA, Justitie en Defensie. Tussen hun portefeuilles bestaan een opvallende relatie: de ministeries van BZK en Justitie houden zich bezig met het binnenlands bestuur, de ministeries van Defensie en BuZa met internationale samenwerking. BZK en BuZa houden zich met name bezig met de organisatorische kanten hiervan. Justitie en Defensie met de toepassing van geweld.

Ministeries2
Op basis van deze complex structuur van paren, driehoeken en vierkanten, kan je simpel een nieuwe indeling voorstellen: laten we alle paren, vierkanten en driehoeken samenvoegen. Dat gaat prima als we de sociaal-economische driehoek behouden. Dan ontstaan er ministerie van Buitenlandse Zaken en ministerie van Binnenlandse Zaken. Naast het ministerie van Financien, dat vanwege zijn meta-portefeuille moeilijk is te integreren, ontstaat het ministerie voor VOSZ (Volksgezondheid, Onderwijs en Sociale Zaken) en VROEM (verkeer, ruimtelijke ordening, economie en milieu).

Simpel en rationeel! Uiteraard zit er een aantal haken en ogen aan: zo vind ik als liberaal de scheiding der machten heel belangrijk: dus vind ik het fijn dat de minister van BZK verantwoordelijk voor de AIVD en de politie niet ook verantwoordelijk is voor het OM. Dat de minister voor BuZa niet als enige over buitenlands beleid gaat. En dat de minister van V&W een groene tegenhanger heeft in de minister van VROM.

Het blijft complexe materie: minder ministers.

Progressief?

Progressieve samenwerking. Dat is het nieuwe buzz-word:

Een van de minst bruikbare politieke termen in het Nederlands is de term "progressief". Het betekent grofweg vooruitstrevend, veranderingsgezind. Maar er zijn vier problemen met het idee dat dit een nuttige politieke term is:

Ten eerste, alle partijen streven naar verandering. Een partij is een organisatie die dingen in de maatschappij wil veranderen. Alle partijen hebben programma’s met voorstellen voor verandering. De verhalen dat het CDA of de SP tegen verandering zijn is onjuist. Ook het CDA heeft voorstellen voor verandering, een heel programma vol: koolcentrales bouwen, arbeidsparticipatie verhogen, de kenniseconomie versterken en de veiligheid van dorpen en steden verbeteren. En juist ook de SP wil mensen gelijker maken door de belastingen te verhogen en de hypotheekrenteaftrek af te schaffen. Iedere partij wil dus verandering, anders zaten ze niet in de politiek.

Het is, ten tweede, echter de vraag of verandering altijd verbetering is. Maar dat is een politieke vraag. Als Rouvoet zegt dat de CU wil dat mensen meer tijd hebben voor hun gezin en minder voor hun carriere, dan is dat in de ogen van de VVD misschien achteruitgang.("terug naar de jaren ’50"), maar de ChristenUnie ziet dat als een stap richting een betere samenleving. Een D66′er ziet een hervorming van de AOW misschien als een vooruitgang, voor een SP’er is dat een teruggang naar de periode van de jaren ’30 waar ouderdom voor veel mensen armoede betekende. Wat voor- of achteruitgang is, is niet objectief vast te stellen.

Ten derde, is de term niet erg tijdsbestendig: een voorstel dat op het ene moment een radicale verandering betekent, is op het andere moment het verdedigen van de status quo. De PvdA staat al 60 jaar voor een verzorgingsstaat. Dat betekende in de jaren ’40-’50 een hervormingsagenda, vanaf de jaren ’80 was dat behouden van verworven rechten. In 30 jaar zijn progressieve voorstellen plotseling conservatief geworden. Conceptueel dus een weinig solide of bestendig begrip.

Er is ook, ten vierde, onenigheid over wat een "progressieve" politieke agenda inhoudt, zeker in internationaal perspectief: in Ierland waren de Progressive Democrats klassieke liberalen, in Amerika streefde de Progressive "Bull Moose" Party van Theodore Roosevelt naar sociale, economische en institutionele hervormingen, in Canada waren de Progressive Conservatives van de lijn van Reagan en Thatcher, in de Oekrainie staat de Progressieve Socialistische Partij voor een fel anti-NAVO en anti-EU geluid, in IJsland is de progressieve partij een boerenpartij, in de Europese Unie waren de Progressive Democrats Euroskeptici. Er is dus niet een progressieve agenda.

Waarom dan progressieve samenwerking? De term is in Nederland afkomstig uit de periode ’67-’77 toen de PvdA streefde naar een progressieve meerderheid, en zelfs werkte aan de opbouw van een Progressieve Volkspartij. De keuze voor de term "progressief" was simpel: Nederland was toen een land van zuilen: socialistisch, katholiek, neutraal, protestant. Om een meerderheid van de kiezers te krijgen moest een term gekozen worden die niemand zou afschrikken, maar mensen toch een goed gevoel gaf. Termen die te veel gekoppeld waren aan een zuil, zoals het begrip "socialistisch" of "links" vielen af: immers de samenwerking ging door de klassieke zuilen heen: de PvdA vanuit de socialistische zuil, de katholieke PPR en D66 met een achtergrond in de neutrale zuil vormde de kern van de progressieve samenwerking. "Progressief" was een term die vaag genoeg was om niemand af te schrikken.

We moeten ons dus dan ook hevig zorgen maken als partijleiders zeggen te streven naar een zo progressief mogelijk kabinet, want dat zegt helemaal niets.

Het Cohen Effect

Het zullen nog interessante maanden worden, die verkiezingsmaanden. Het cruciale begrip in de komende maanden is het begrip "momentum": wie kan er overkomen als een natuurlijke winnaar? Wie houdt de media aandacht vast? Wie kan twijfelaars uit zijn blok overhalen door de logische keuze te worden?

De gemeenteraadsverkiezingen vormden het moment om te bepalen wie de wind mee en wie de wind tegen zou hebben. Bij de gemeenteraadsverkiezingen werden de opgaande trends van D66, de PVV en de VVD bevestigd. En de neergaande trends van de SP, PvdA en het CDA. De leiderschapswisselingen die volgden op de gemeenteraadsverkiezingen zijn echter van cruciale invloed op de dynamiek van de campagne. Met de leiderschapswisseling heeft de PvdA het initiatief in de verkiezingscampagne over genomen van D66. Door Wouter Bos, beschadigd door de campagne van 2006 en de val van het kabinet, in te ruilen voor Job Cohen krijgt de PvdA een groot voordeel: hij heeft het zelfde progressieve profiel als Pechtold en Halsema, maar bij hem is het meer dan woorden. Maar zal ook een geduchte concurrent vormen voor Balkenende, als capabele bestuurder. En daarmee kan de PvdA de strijd op twee zijdes (centrum rechts & links) die zij in 2006 zo pijnlijk verloren, winnen.

En dat zorgt ervoor dat de uitslag van de verkiezingen er een stuk anders uit zal zien dan we dachten een week geleden: de PvdA gaat winnen: ten koste van D66 en GroenLinks. Ook de VVD wordt als vierde partij van het land het slachtoffer van een strijd tussen PvdA en CDA om de plek wie de grootste wordt. Dat is de beweging die er nu in het electoraat zal zitte, tot er weer een opmerkelijke verandering komt.

Cohen_effect
En dat zal al met al tot de volgende uitslag leiden: het CDA zal rond het dieptepunt van 17% blijven hangen (behalve als op het laatste moment daar ook een leiderschaps wisseling wordt gemaakt). De PvdA haalt ongeveer 26% van de stemmen en zal daarmee de duidelijke winaar zijn. De SP kan nauwelijks verder dalen, maar zal ook niet van de 7% af komen. Sommige VVD’ers zullen naar het CDA of de PVV uitwijken om te voorkomen dat Cohen premier wordt. Zo’n 13% van de stemmen voor Rutte. De PVV zal niet ver boven de 17% uitkomen: rechts zal verdeeld blijven over wie de echte concurrent van Cohen zal zijn: Balkenende of Wilders. Voor GroenLinks zullen de verkiezingen tegen vallen: een klene verbetering zit er misschien nog wel in maar erg ver boven de 7% zal GroenLinks niet uitkomen. De ChristenUnie zal iets verliezen in de strijd tussen Balkenende en Cohen (4%). D66 zal aanzienlijk minder winnen dan mogelijk: Meer dan 7% zal het niet worden. Voor de Partij voor de Dieren en de SGP zal het weinig uit maken. Verdonk maakt geen kans meer in de titanenstrijd

Over staatsmannen (m/v)

Willem Drees en Ruud Lubbers. Dat waren staatsmannen: mensen met een visie op de maatschappij. Bestuurders van een groot kaliber. Maar boven alles mensen die grote delen de burgers aan zich konden binden. Visionaire bestuurders met charisma. Mensen die we niet snel zullen vergeten omdat ze iets hebben gerealiseerd in de maatschappij, omdat ze vertegenwoordigers waren van een nieuw tijdperk.

Soms vraag ik me af welke politici uit deze tijd als staatsman (m/v) gezien zullen worden. Wie zal er snel vergeten worden en wie zal ons bij blijven als een moedige bestuurder? Ik hoop dat een man als Balkenende snel vergeten zal worden, zoals een hele lijst van matige Christen-democratische premiers zonder visie, zonder bestuurlijke kracht en zonder bindend leiderschap: Marijnen, Biesheuvel, Cals, De Ruijs van Beerenbrouck, wie kent ze nog? Maar laten we eerlijk zijn ook aan de linkerkant zijn er politici die snel vergeten zullen worden: Gerdi Verbeet, Agnes Kant en Lousewies van der Laan. Allen waren ze op het verkeerde moment op de verkeerde plek, naar voren geschoven niet vanwege hun vermogens maar omdat er niemand anders was. Met alle respect: Agnes Kant was een prachtige tweede vrouw voor een oppositiefractie, maar ze miste het charisma van haar voorganger. Gerdi Verbeet verbleekt naast Jeltje van Nieuwenhoven.

Bij Wouter Bos heb ik altijd mijn twijfels gehad: hij toonde zich een goede manager in de economische crisis, en hij was bij vlagen een goede campaigner. Maar een staatsman? Ik denk dat Wouter Bos in theorie wel wist wat hij moest zeggen, maar niet hoe het moest. Een voorbeeld: bij de verkiezingen van 2006 benadrukte Bos dat hij een bindend leider wilde zijn. Maar een bindend leider dat wil je niet zijn: dat ben je. Bos was een capabele crisismanager maar geen staatsman. 

Een Nederlandse politicus werd altijd genoemd als een potentiele staatsman van de nieuwe eeuw: Job Cohen. Hij toonde zich een bindend leider in Amsterdam na de moord op Van Gogh. Als rector magnificus, staatssecretaris en burgemeester toonde hij zich een capabel bestuurder. Zijn beleid in Amsterdam was echt "sterk en sociaal": bindende sociale politiek waar het gaat om integratie maar ook hard optreden tegen georganiseerde criminaliteit. Als burgemeester van de hoofdstad toonde hij zich ook regelmatig de burgemeester "van ons allemaal".

Job Cohen heeft de potentie om een staatsman te zijn: een bindend leider die de problemen van de nieuwe eeuw kan oplossen. Zoals Drees ons land opbouwde na de oorlog, Lubbers de verzorgingsstaat betaalbaar hield in een economische crisis zou Cohen de problemen rond immigratie en integratie kunnen overstijgen. 

Groen, Sociaal en Effectief?

De centrale vraag die Nederland door de economische crisis en de noodzaak van
bezuinigingen op haar bord krijgt is de rol van de centrale overheid. Voor een
vrijzinnig linkse partij als GroenLinks is dat altijd een ingewikkelde vraag geweest: het
GroenLinks beginselprogramma uit 1991 spreekt in dit verband over selectief overheidsingrijpen: "Soms is ingrijpen en sturing noodzakelijk, soms dient de overheid juist terug te treden." Het verkiezingsprogramma uit 1998 opent met deze discussie: welke balans moet
er zijn tussen overheid en markt om ervoor te zorgen dat de autonomie van de
burger maximaal wordt versterkt: het programma waarschuwt voor de klassieke maakbaarheidsmodellen, die geen oog hebben voor "de schaduwzijde van zo’n alles besturende overheid en [het verlangen van] mensen [om] directere greep te hebben op hun eigen leven en leefomgeving." Halsema schetste in haar Vrijzinnig Links hoe
volgens haar de overheid zich soms moet terug treden om de "negatieve vrijheid"
van burgers te vergroten maar soms juist moet optreden om de positie van de
burger te versterken en zo bij te dragen aan "positieve vrijheid". Op
kernpunten van het GroenLinks programma keert deze problematiek terug: het speelt zowel in groen als sociaal.

Waar het sociaal beleid aan gaat, speelt deze discussie
natuurlijk klassiek tussen de terugtredende overheid van de VVD en de
ingrijpende overheid van de SP. Echter de discussie binnen GroenLinks over de centrale rol van de overheid overstijgt deze simplistische indeling: de vraag is, als je aanneemt dat een overheid mensen moet
ondersteunen om maatschappelijk te participeren, hoe kan je dat het best kan
aanpakken. Ga je voor maatwerk? Laat je gemeenten vrij om zelf te organiseren
hoe ze mensen weer aan het werk te krijgen? Stimuleer je competitie tussen
re-integratiebedrijven op kwaliteit? Is dat de beste manier om mensen weer in
staat te stellen zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven? Of
stel je juist heldere regels vanuit een centrale overheid om ervoor te zorgen
dat de rechten van werkzoekende beschermd worden? De vraag is dus: Wat is de beste manier om de
positie van de burger te versterken? Een optredende of een terugtredende centrale overheid?

Maar ook in het milieubeleid speelt deze tegenstelling: wat
is de beste manier om ervoor te zorgen dat we de productie van groene energie
vergroten? En hoe stimuleer je groene innovatie? Moet de overheid zich op het
micro-niveau met deze ontwikkelingen bemoeien: door zelf te investeren
windparken? Of door specifieke ontwikkelingen te stimuleren met specifieke subsidie-maatregelen?
Of treedt je als centrale overheid terug en heb je vertrouwen in de
vindingrijkheid van mensen: de groene belastingverschuiving van arbeid naar vervuiling die
GroenLinks al jaren voorstaat is geschoeid op markt-liberale principes:
bedrijven door prijsprikkels stimuleren om zelf te onderzoeken hoe ze minder
kunnen vervuilen en meer werkgelegenheid kunnen creëren. De vraag is dus: hoe kunnen we het
beste duurzame ontwikkeling stimuleren? Door een overheid die zich op een
micro-niveau bemoeit met specifieke ontwikkelingen, of een overheid
die op een macro-niveau bepaalde doelen stelt en de rest overlaat aan creatieve
en innovatieve bedrijven?

Het gaat niet
zo zeer om een tegennstelling tussen links (“overheid”) en rechts
(“markt”). We delen de
beleidsdoelen: meer duurzame energie en meer maatschappelijke participatie. Dat
is onze linkse en groene agenda. Het gaat ook niet zo zeer om de vraag of de
samenleving maakbaar is: we geloven in de mogelijkheid van maatschappelijke
verandering. Het gaat om de vraag wat de meest efficiente en effectieve middelen zijn om onze doelen te
bereiken: is dat direct optreden van de overheid om specifieke ontwikkelingen te stimuleren en een gelijke behandeling van burgers te verzekeren? Of moeten we
vertrouwen hebben in bedrijven en gemeenten om innovatieve en creatieve
oplossingen te zoeken die werken voor specifieke situaties?

Amsterdams kiesgedrag in ruimtelijk perspectief

Een verzoeknummer: naar aanleiding van mijn
vorige bericht over het Leidse stemgedrag
vroeg oud-college Joost Berkhout
of ik mijn analyse ook voor Amsterdam zou kunnen draaien.

Untitled_image_3
Verschilt het stemgedrag van de stadsdelen? En welke structuur ligt daar onder?
Je ziet het allemaal in het figuur hiernaast (aan klikken voor een betere
versie). Stadsdelen en partijen zijn in een zelfde ruimte gezet: hoe dichter
een stadsdelen bij elkaar liggen hoe meer het stemgedrag op elkaar lijkt. Hoe
verder partijen uit elkaar liggen, des te groter zijn de verschillen tussen
waar zij hun stemmen vandaan halen. In de horizontale dimensie is zo’n 55% van
het verschil in stemgedrag opgenomen, zo’n 24% in verticale dimensie. Samen
wordt dus 79% van de verschillen in stemgedrag in dit model opgenomen.

Het eerste wat opvalt is dat Amsterdam Zuid en de VVD samen vallen: 29% van de
VVD aanhangers stemmen in Zuid. Ook Red Amsterdam heeft haar kiezers met name
in Zuid (28%). Zuid is het rijkste stadsdeel en er wonen relatief veel autochtonen en westerse migranten. D66 kiezers komen onevenredig veel uit het centrum. Ook een rijk stadsdeel met weinig niet-westerse migranten. GroenLinks
krijgt bijzonder veel kiezers uit West (22%) en Oost (21%). Qua bevolkingssamenstelling en inkomen vrij gemeleerde wijken. En hiermee hebben we de rijkere delen van de stad gehad: de liberale partijen van links (GL), van het centrum (D66) en van rechts (VVD) zijn dus met name sterk in de wijken aan linkerkant van deze figuur. Klein puntje: wat nauwelijks opvalt aan deze kant van de figuur, omdat het zo klein is dat de mini-partij "De Groenen" met name sterk is in het "mini-stadsdeel" Westerpoort. Dat zal wel komen vanwege de aanwezigheid van de culturele vrijplaats "Ruigoord".

In het centrum van de figuur staan de SP en de PvdA. Veel SP kierzers wonen in West of Oost (samen goed voor 35% van de SP-kiezers). De PvdA is door de hele stad sterk maar staat het sterkst in Zuid-Oost (de Bijlmer) en Nieuw West. Arme stadsdelen waar veel Turken en Marrokanen wonen (Nieuw West) of Surinamers en Antillianen (de Bijlmer). De Partij voor de dieren staat in het midden van de figuur. De ChristenUnie doet het ook heel goed in Zuid-Oost en Nieuw-West waarschijnlijk vanwege de Christelijke migranten. Het CDA doet het het sterkst in Nieuw-West en Zuid. Amsterdam Noord ten slotte: dit het belangrijkste gebied voor lokale partijen als Trots maar ook Leefbaar, Tulpen voor Amsterdam en Amsterdam’s belang. In dit armere stadsdeel wonen relatief veel autochtonen.

Dus wat is de voornaamste scheidslijn die door Amsterdam heen loopt? De belangrijkste scheidslijn lijkt hier toch inkomen te zijn. Deze scheidslijn komt min of meer overeen met de horizontale dimensie: dit scheidt de liberale gedeeltes van de stad (Zuid van de VVD, het centrum van D66 en Oost en West van GroenLinks) van de rest van de stad, waar men met name voor volkspartijen als de PvdA, het CDA en populistische lokale partijen kiest. Hierbij moet worden opgemerkt dat in de gemeleerde stadsdelen West en Oost ook de SP het goed doet. De tweede scheidslijn scheidt de stad in links en rechts: GroenLinks, PvdA en SP aan de ene kant en VVD, D66, CDA en de lokale partijen aan de andere kant. Hierbij lijkt etniciteit een belangrijkere rol te spelen. Met name in de Bijlmer domineren deze partijen.

Leidse Stemmen in ruimtelijk perspectief

Van het stemgedrag van kiezers bij de Europese verkiezingen had ik al een ruimtelijk model gemaakt. Je kan een zelfde model maken voor de Leidse Gemeenteraadsverkiezingen: waar zijn welke partijen sterk?

Untitled_image_1

In het figuur hiernaast (even op klikken voor een beter resultaat) zie je een model van de uitslag van de verkiezingen in verschillende wijken: is er een verschil tussen de wijken waar D66 sterk was en waar de SPsterk is of putten zij uit dezelfde kiezers? In het model zijn zowel wijken als partijen geplot: hoe dichter een partij en een wijk bij elkaar staat, hoe meer mensen uit die wijk op die partij stemden. Hoe verder twee partijen of twee wijken uit elkaar staan, des te groter zijn de verschillen in stemgedrag.

Twee caveats voor ik begin: ten eerste omdat je nu overal mag stemmen, kan je moeilijker iets zeggen over de inwoners van die wijk op basis hiervan. Ten tweede alhoewel het een twee-dimensionaal model is, ligt het grootste gedeelte van de verklarende kracht in de horizontale dimensie.

Laten we eens de partijen langs gaan: geheel rechts in dit figuur staat Leefbaar Leiden, de partij voor de Leidenaar. Deze partij deed het met name sterk in de Stevenshof en Noord, echte volkswijken, die bedreigd worden door de . Dichter in het centrum staan de PvdA, de Stadspartij en de SP: ook deze partijen scoren met name in de volkswijken zoals de Noord (veel PvdA) en Stevenshof (relatief veel SP en Stadspartij), in het midden van de figuur staan de ChristenUnie en de Partij voor de Dieren. Deze partijen scoren heel gelijkmatig door de stad heen. Het CDA scoort het best in het Bos- en Gasthuisdistrict. Dan komen we bij de VVD, GroenLinks en D66. Deze partijen scoren sterk in de binnenstad van Leiden en in het Boerhaavedistrict (relatief veel GL), het rijkere Roodenburgerdistrict (veel D66) en op het station. Overigens de positie van D66 is zo dominant dat zij over de hele stad de grootste partij zijn: behalve in Noord, waar de PvdA de grootste is.

Vanuit dit ruimtelijke perspectief lijkt er een dominante scheidslijn door het stemgedrag in Leiden te lopen: tussen de volkswijken waar socialistische en populistische partijen hun steun vinden en de binnenstad, treinforensen en rijkere wijken, waar met name liberale partijen het goed doen. De dominante scheidslijn is dus niet tussen links en rechts: in volkswijken wordt er ook op rechtse partijen als de leefbaren gestemd, en in de binnenstad ook op linkse partijen als D66, maar het is een scheidslijn tussen de universiteit en de stad.

Leidse Voorkeursstemen

Heeft het zin om lijstduwers op je lijst te zetten? Kan je met aansprekende lijstduwers stemmen winnen? En met name heeft het voor GroenLinks’ers zin? Een analyse van de Leidse uitslag op micro-niveau.

De Leidse GroenLinks lijst viel in twee delen uiteen: lijstduwers (vanaf 15) en echte kandidaten (tot 15). Naast de soms onbekende jonge talenten wilde de kandidatencommissie met bekende Leidenaren extra stemmen trekken. Dat is grotendeels een zinloze aangelegenheid geweest. 76% van de stemmen kwam bij de eerste twee kandidaten: de lijsttrekker en de eerste vrouw. De volgende dertien, verkiesbare, kandidaten haalden samen 17% van de stemmen. Slechts 7% van de Leidse GroenLinks kiezers stemde op een lijstduwer.

Untitled_image6

Maar wat bepaalde een stem op een kandidaat? Het overgrote deel van de stemmen gaat dus naar de lijsttrekker of de eerste vrouw. Daarvoor gelden eigen regels. Als we hen buiten de analyse laten, kunnen we naar een aantal factoren kijken. Laten we beginnen met plek op de lijst: er is een lichte negatieve relatie tussen het aantal stemmen en de plek op de lijst. Er zijn een aantal mensen die zich aan deze relatie onttrekken: #3 Walter van Peijpe, de twee hoog geplaatste vrouwen Rose Headley en Aysel Sabahoglu, en lijstduwers John Steegh en Kamal Mohajerani. Opvallend dit zijn dus vaak vrouwen, ervaren krachten en allochtonen.

Dat duidt er op dat er drie factoren zijn die ook een rol zouden kunnen spelen: geslacht, etniciteit en politieke ervaring. We zouden dus een analyse kunnen doen waar we al deze factoren in opnemen. En omdat we toch bezig zijn op het vlak van identiteit kunnen meteen sexuele voorkeur ook in het model opnemen. We draaien de analyse voor plekken 3 tot 30. En wat blijkt dan? Als we alle factoren samennemen, krijgen mensen die de laatste 4 jaar in het stadhuis actief zijn geweest maar 8 stemmen meer, allochtonen 56 stemmen meer, vrouwen 5 stemmen meer en HoLeBi’s krijgen 14 stemmen meer.

Er kan dus maar een conclusie zijn: in deze tijd waar de afkomst van mensen sterk gepolitiseerd wordt, beinvloed dat ook de voorkeursstemkeus. Als je extra stemmen wilt trekken dan moet je op de lijst de culturele diversiteit van de stad laten terug komen. Oudgediende op de lijst zetten is misschien goed voor de interne sfeer maar lijkt geen invloed te hebben op de voorkeursstemkeus.