“Ik ben eigenlijk wel een fan van Spinoza.”

Al eerder schreef ik over de rol van filosofen in de Tweede Kamer. Een van de opvallende dingen was de gehechtheid van een bepaald D66 kamerlid aan de denkbeelden van bepaalde Verlichtingsfilosofen. Boris van der Ham toont zich wel een “beetje fan van Spinoza” door hem in een aantal debatten aan te halen. Zonder meer Van der Ham’s mooiste Spinoza verwijzing was in een debat in de Tweede Kamer over de mijter van Sinterklaas, waarin Van der Ham stelde dat “[h]et in de klassieke traditie van Spinoza uit Amsterdam [is] dat we daar [die mijter] geen kruis op zetten.”

De interesse van Van der Ham voor vroege Nederlandse verlichtingsfilosofen zit diep. In een aantal "vrijzinnige schriftlezingen" heeft Van der Ham nu het denken van een verlichtingsfilosoof aan de politiek praktijk gekoppeld in een kort YouTube filmpje: een over de radicale filosoof Van den Enden, een over de remonstrantse Theoloog Arminius, en een dus over Spinoza. Op basis van een zin, of zelfs maar een paar woorden van de “klassieke” denker en dan een kort betoog van de politicus, die zich hier als een theoloog een soort tekstexegese doet. In een paar minuten weet Van der Ham kundig zijn progressief liberale gedachtegoed te koppelen aan het vroege, radicale verlichtingsdenken.

Van der Ham’s laatste vrije schriftlezing betreft het werk van Spinoza, een denker die mijn bijzondere interesse heeft. Het is een uitermate veelzeggend filmpje, omdat Van der Ham er aan de ene kant blijk van geeft het werk van Spinoza niet geheel doorgrond te hebben, aan de andere kant weet hij wel, via een zijweg de kern van Spinoza’s denken goed weer te geven.

Van der Ham stelt in deze exegese dat hij “eigenlijk wel een beetje fan van Spinoza [is]”. Omdat hij veel van zijn eigen gedachten in het denken van Spinoza terug vindt, in het bijzonder in het denken over “de scheiding van kerk en staat, democratie en de afschaffing van de slavernij”. Wie een keer de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) heeft gelezen, Spinoza geen voorstander is van de scheiding van kerk en staat. Daar is de vroege verlichtingsfilosoof heel helder in: de kerk moet ondergeschikt zijn aan de staat. Of zoals Spinoza zelf stelde in de opdracht van hoofdstuk XIX: “the Right over Matters Spiritual lies wholly with the Sovereign and that the Outward forms of Religion should be in accordance with Public Peace, if we would worship God aright” [TTP: Elwes translation 19:0]. Over religieuze aanlegenheden moet de overheid beslissen en niet de kerken zelf. Geen scheiding van kerk en staat maar onderschikking van alle kerken aan de macht van de soeverein.

Het is al te gemakkelijk om te zeggen, zoals Van der Ham doet, dat we Spinoza "in zijn tijd moeten zien": John Locke, in het zelfde jaar geboren, pleitte juist in zijn Letter concerning Toleration voor de scheiding van kerk en staat; Luther erkende dat er twee aparte rijken waren met aparte regeringen, een spiritueel en een materieel; sterker nog de Bijbel zelf verwijst naar dit idee als in Mattheus 22:21 Jesus stelt “Geef wat van de keizer is aan de keizer en wat van God is aan God”. Spinoza kende tijdgenoten die voor de scheiding van kerk en staat waren. Daarover schreef hij "I do not pause to consider the arguments of those who wish to separate secular rights from spiritual rights, placing the former under the control of the sovereign, and the latter under the control of the universal Church; such pretensions are too frivolous to merit refutation" [TTP: Elwes translationb 19:57].

Moet vrijzinnige politiek zich dan laten inspireren door Spinoza. De kern van Van der Ham’s betoog is dat we "voor ons zelf moeten denken", niet alles wat in heilige geschriften staat klakkeloos overnemen. Hierbij lijkt hij Spinoza helemaal los gelaten te hebben, en betoogt hij over het algemeen over vrijzinnige gelovigen. Echter de kern van de TTP ligt juist in hoe wij met klassieke, Bijbelse teksten om moeten gaan. Spinoza stelde dat de Bijbel niet een door God geschreven tekst was, maar mensenwerk, dat "we niet altijd op de letter [moeten] volgen, soms in zijn tijd zien, zelf blijven na denken, niet klakkeloos volgen."

Minder Partijen?

Gerd Leers pleitte in de Volkskrant vanochtend voor een
kiesdrempel van 5%
. Dat zou de versplintering van de Nederlandse politiek tegen
gaan en zo bijdragen aan de bestuurbaarheid van Nederland.

Laat ik voor opstellen: de Nederlandse politiek
versplintert. Nog geen twintig jaar geleden haalden het CDA en de PvdA samen
ruim 100 zetels in de Tweede Kamer. In de laatste peilingen is een stabiele
drie-partijencoalitie een unicum. Vanuit de marge worden nieuwe en kleine
partijen electoraal steeds sterkere spelers. Haalden de vier grootste
partijen in 1989 nog 90% van de stemmen, in 2006 blijft de teller voor de vier grootste
op 79% steken en in de laatste peilingen halen de vier grootste partijen 67%
van de stemmen. En daarbij komt nog eens bij de samenstelling van de lijst met grootste partijen hevig verandert: in 2006 was de SP, jarenlang een marginale partij, een van de
top 4 en nu zal de PVV misschien niet de grootste worden maar lijkt zij niet
uit de top 4 te slaan. Politicologen gebruiken het effectieve aantal politieke
partijen
om te kijken hoe versplinterd het parlement wordt. Deze maat kijkt ook naar de relatieve grote van partijen. Deze was in
1989 4 en in 2006 5,5 en in de laatste peilingen zelfs 7. Kortom: het
Nederlandse parlement versplintert. En met meer partijen wordt het lastiger
regeren.

Naamloze_afbeelding_1_2
Maar gaat een kiesdrempel van 5% daartegen werken? In de
figuur hiernaast zie je een overzicht van hypothetische Nederlandse parlementen (1989-2006)
met een kiesdrempel van 5%. We gaan uit van de verkiezingsuitslag zonder
strategisch gedrag van partijen of kiezers. In 1989 en 1994 zijn er vier
partijen met meer dan 5% van de stemmen: het CDA, de PvdA, VVD en D66. In 1998
breekt GroenLinks boven de 5% uit. In 2002 komen LPF en SP erbij. In 2003
verdwijnt D66 onder de 5%. De VVD en het CDA hebben dan zonder D66 ook een
meerderheid. In 2006 vallen de LPF en GL onder de 5%, maar de PVV komt
boven de 5% uit. Zelfs met een kiesdrempel van 5% wisselt de samenstelling van
de Tweede Kamer sterk, stijgt het aantal partijen en weten populistische
bewegingen de Tweede Kamer binnen te komen. Overigens: als populistische bewegingen niet
meer dan 5% van de stemmen zouden halen, zouden we toch ook geen kiesdrempel
nodig (denken te) hebben?

Pvvcorrect
Waar de situatie tot 2006 nog redelijk georganiseerd was,
laten de laatste peilingen een ander beeld zien: in de figuur hiernaast zie je
de samenstelling van de Tweede Kamer op basis van de gemiddelde van de laatste
peilingen van de Hond, NIPO en de Politieke Barometer, zonder kiesdrempel, met
een drempel van 5% en met een drempel van 10%. Zonder kiesdrempel zullen 11 partijen in de Tweede Kamer komen: van Trots met 1 zetel tot de
PvdA met 34 zetels. Met een kiesdrempel van 5% vallen er slechts drie partijen
uit de Tweede Kamer: de SGP, de PvdD en TON. Ze zijn samen 5 zetels waard. De
samenstelling van de Tweede Kamer verandert nauwelijks. Een van de drie
partijen is de SGP, het constitutionele geweten van de
Tweede Kamer, die eerder bijdraagt aan politieke stabiliteit in Nederland dan daar vanaf doet. Pas bij een kiesdrempel van 10% verandert de samenstelling van de
Kamer drastisch. De CU, de SP, GL en D66 verdwijnen uit de Kamer. De PVV, de
VVD, het CDA en de PvdA blijven over. Alhoewel er meer stabiliteit in de Kamer
zal zijn, is de kiesdrempel niet een manier om de bestuurbaarheid van Nederland
te vergroten. Het CDA en de VVD hebben samen geen meerderheid. Er is alleen
maar een coalitie mogelijk van de PvdA met het CDA (uitgesloten door de PvdA)
en van de PvdA met de VVD (uitgesloten door de VVD), van of CDA, VVD en PVV
(niet een stabiele meerderheid), of van PvdA en PVV (in Almere en Den Haag niet mogelijk gebleken).

En dan hebben we nog niets eens gekeken naar strategisch gedrag: als er een kiesdrempel van 5% was geweest in Nederland, hadden, bijvoorbeeld, de kleine Christelijke partijen eerder een verband gesloten. Die zijn samen historisch gezien ongeveer goed voor 5% van de stemmen. En een breder verband van GL en SP komt sinds 1994 ook altijd boven de 5% van de stemmen uit. Een kiesdrempel zal kleine partijen dwingen om samen te werken, maar zal ze niet uit de kamer kunnen houden. In Duitsland is er een kiesdrempel van 5% en zijn er drie partijen die rond die 5% hangen, in de laatste 20 jaar: de FDP, die Gruenen en die Linken. De kiesdrempel heeft het toe treden van die laatste twee partijen niet voorkomen. Ze werden gevormd door coalities van progressieve en groenen enerzijds en linkse socialisten en oude communisten anderzijds. En de aanwezigheid van deze partijen heeft coalitievorming  ingewikkelder gemaakt, daar kan een kiesdrempel van 5% niets aan doen.

Al met al heeft een kiesdrempel van 5% dus geen enkele zin.
Het land wordt er niet bestuurbaarder op: dan moeten de grote partijen minder
onderling uitsluiten en conflicten maken. Meer of minder partijen maakt niets
uit. 

Stop de Katholisering van Nederland!

Een paar weken gelden blogde ik over de gelijkenis tussen de vroege sociaal-democratie en het hedendaagse populisme.

Beiden waren vernieuwende,
democratische politieke bewegingen die een onderscheid tussen het volk en de
elite centraal stel(d)en. Op een element verschilt een man als Wilders van een politicus als Troelstra: het exclusieve, verdelende element. Het idee dat er een gevaarlijke "ander" is die een bedreiging is voor de waarden van het volk.

Dit was echter voor het Nederlandse politieke protestantisme, in haar begin jaren, de kern van hun politieke ideeen: zowel de Anti-Revolutionaire stroming, de CHU als de SGP zijn ooit ontstaan uit expliciet wantrouwen ten opzichte van de Katholieken in Nederland.

Jarenlang waren Katholieken in Nederland tweederangsburgers, die alleen maar in schuilkerken hun geloof mochten beleiden. De provincies waar Katholieken in de meerderheid waren, mochten zichzelf niet besturen, maar werden als generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. In de loop van de 19e eeuw kwam hier verandering in: onder het patriotische en later het liberale bewind kwamen er ideeen op om Katholieken als gelijke Nederlandse burgers te zien. Dus werd voorgesteld om de Katholieken toe te staan bijvoorbeeld hun Bisschoppelijke hierarchie te herstellen. Dat zou betekenen dat er erkent zou worden dat Nederlandse Katholieke burgers ook loyaliteit hadden richting de Paus en zich naast Nederlander ook lid voelden van een Katholieke gemeenschap. De anti-Roomse gevoelens waren sterk in Nederland met name onder de orthodoxe Calvinisten. Zij zagen Nederland als een protestantse natie waar gewetensvrijheid was omdat de macht van de Katholieke kerk was ingedamd. Dus ontstond er een anti-Katholieke maatschappelijke beweging, de Aprilbeweging, die zich verzette tegen de groeiende macht van de Katholieke kerk in Nederland en de liberale politieke elite die onder het mom van geloofsvrijheid de Katholieken hun gang liet gaan. Uit deze Aprilbeweging groeide de latere Anti-Revolutionaire Partij: Stop de "Katholisering van Nederland".

Uiteindelijk bleek het voor de ARP toch handig om samen te gaan werken met de Katholieken: op de grote vraagstukken van die tijd, stemrecht en bijzonder onderwijs vonden deze twee stromingen elkaar wel. Echter binnen de eigen kring werd het Katholicisme nog steeds als een bedreigende beweging gezien. Dat leidde tot twee nieuwe politieke bewegingen: de CHU en de SGP. De Staatkundig Gereformeerde Partij brak op theologische gronden. Het vraagstuk was de Nederlandse Geloofsbelijdenis, een van de basisteksten van het Nederlandse protestantisme. Het vraagstuk was of er hierin moest staan of het de opdracht van de overheid was om "te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen." Hiermee werd gedoeld op de "valse" Katholieke godsdienst, die er afgodsbeelden op na hield en geleid werd door de Paus, die de protestanten gezien werd als anti-Christ: de SGP zag dit als een Paapse schijnreligie.

De Christelijk-Historische Unie brak met de ARP’ers over de vraag of er met de Katholieken
moest worden samengewerkt. Zij hielden er, in grote lijnen, dezelfde ideeen op na als de SGP. Zij stelde dat Nederland "[i]n overeenstemming met de historische ontwikkeling van het Christendom op
Nederlandschen bodem bestuurd [moet] worden als een Christelijke Staat in
Protestantschen zin." Nederland was in hun ogen, vanuit historisch perspectief, een Protestantse natie. Een te grote rol voor Katholieken in Nederland, zou een gevaar zijn voor het voortbestaan van Nederland als zodanig.

Uiteindelijk koos ook de CHU ervoor om met de Katholieken samen te werken, echter op een aantal symbolische vraagstukken namen zij een principiele lijn in. Tot 1971 was het Katholieken niet toe gestaan om religieuze processies te houden in bepaalde gemeenten. Zelfs met de Katholieken in de regering en met vele Katholieke premiers, bleef er een grondwetsartikel bestaan dat bestaande anti-Katholieke regelgeving in bepaalde gemeenten in stand hield (art. 167 uit de Grondwet van 1848). De anti-Katholieke symbool politiek werd hard gespeeld. Zo viel in 1925 het eerste kabinet Colijn, op een voorstel van de SGP’er Kersten om het gezantschap bij de Paus op te heffen. De CHU stemde hiermee in en vervolgens trokken de katholieke ministers zich terug. Het werd door de SGP en de CHU gezien als erkenning van de Paus, een gevaarlijke totalitaire heerser, om een Nederlandse gezant daar heen te zenden.

Welke conclusie kunnen we uit deze geschiedenissen trekken? Ten eerste dat exclusionistische politiek niets nieuws is in Nederland. De angst voor een religie die dreigt een deel van de Nederlanders te binden aan een buitenlandse macht, die godsdienstvrijheid in gevaar brengt, is zo oud als de Nederlandse staat. In die zin sluit Wilders prima aan bij een Nederlandse traditie. Ten tweede, de rare paradox dat Wilders om religieuze vrijheden te beschermen een bepaalde religie juist wil in dammen past prima bij de opstelling van het Nederlandse protestantisme: de vrijheidslievende verzetsbeweging tegen het gevaarlijke Katholicisme. Ten derde, past het benadrukken dat een bepaalde religie wezensvreemd is aan de Nederlandse Protestantse c.q. Joods-Christelijke cultuur ook prima in deze traditie. Ten vierde ook het Katholicisme werd gezien als een politieke beweging in plaats van slechts een religie. De wereldlijke macht van de Paus over Nederlandse burgers werd gezien als bedreiging van Nederlandse soevereiniteit.

Maar, nog veel belangrijker, Nederland is en was een land van compromissen en polderaars. De Anti-Revolutionairen en CHU moesten gaan samenwerken met de Katholieken. En uiteindelijk zijn deze anti-Roomse partijen samen gegaan met de Katholieke Volkspartij in het CDA. Jarenlang bleef het anti-Katholicisme beperkt tot symboolwetgeving over processieverboden en diplomatieke afvaardigingen naar de Paus.

Ik zie het nog wel gebeuren: minister Wilders in het kabinet Marcouch. Programmatische overeenstemming over een conservatieve lijn op veiligheid en centrumlinks economisch programma. En wat strijd over symbolen als burqa’s en minaretten.