Regeren is over je eigen schaduw heen springen

Na de Tweede Kamerverkiezingen zal er geformeerd moeten worden. Partijen
wisselen nu al voorkeurscoalities uit: het
CDA wil met de VVD, D66 en GroenLinks
, D66
wil met VVD, PvdA en GroenLinks
, de
PVV wil met CDA en VVD
.

2le18i1Eerlijk is eerlijk, we moeten nu nadenken en eerlijk zijn over mogelijk coalities. Laat ik mijn inzet formuleren. Nederland staat voor drie crises: een klimaatcrisis, een economische crisis en een financiele crisis. Niets doen is geen optie. Het komende kabinet zal moeten proberen drie stappen tegelijk te nemen: aan de ene kant zal er bezuinigd moeten worden, terwijl we tegelijkertijd de verzorgingsstaat op een socialere manier inrichten en onze druk op het klimaat te verminderen. Groen & sociaal hervormen.

In mijn ogen zijn naast GroenLinks twee partijen die daar een heldere visie op hebben: dat zijn D66, de partij die zich expliciet heeft gecommiteerd aan een set hervormingen: in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, op de huizenmarkt en in het klimaatbeleid. En de ChristenUnie, die onder het motto "Vooruitzien" zich wil inzetten voor een land met een sociale en duurzame economie. GroenLinks, D66 en de ChristenUnie zijn drie partijen die een sociale en groene visie delen. Partijen die durven te hervormen en hun verantwoordelijkheid te nemen om de begroting op orde te krijgen. Welke partijen we ook aan deze combinatie toevoegen: de ideeen komen uit deze hervormingsgezinde, sociale en groene as.

33xvtbqJe moet echter niet naar D66 of de ChristenUnie met zo’n idee komen: die beginnen dan over homo-docenten, medisch-ethische vragen, vrouwenemancipatie, biotechnologie en de plaats van religie in de samenleving. In mijn ogen zijn deze progressieve punten erg belangrijk. Maar we moeten nu over deze symbolen heen stappen. Tussen de ChristenUnie en D66 komt er geen onvereenstemming over homo-docenten of euthanasie. Kunnen we niet vier jaar lang deze onderwerpen stil zetten: kunnen we niet afspreken dat we een pas op de plaats maken? Zijn de economische, ecologische en financiele crises niet zo groot dat we ons moeten inzetten voor sociale en groene hervormingen? Een as van ChristenUnie-D66-GroenLinks zou een begin kunnen zijn van een eerlijker land.

Voor de number-crunchers onder u, we zullen twee partijen extra nodig hebben: samen halen D66, ChristenUnie en GroenLinks 30 zetels. We hebben twee van de grote machtspartijen extra nodig hebben voor een meerderheid. En dan wordt het toch lastig: de VVD wil wel graag hervormen maar doet dit niet sociaal en niet groen. De VVD heeft echt maar een verhaal: minder overheid. De PvdA weet niet of ze wil hervormen. Het kan wel groener en socialer bij de PvdA, maar ze durven daar geen knopen door te hakken zonder dat ze het drie keer door laten rekenen en door laten spreken in focusgroepen en opiniepeilers. En het CDA tsja het CDA. Een kat in het nauw maakt rare sprongen: ze maakt van stilstand op de huizenmarkt een breekpunt maar wil wel met "hervormingsgezinde" partijen in het kabinet. Al met al zullen ze machtspartijen zich aan moeten sluiten bij de ideeen van echte groene en sociale hervormers.

Afbeeldingen afkomstig van het forum van Retekool.

Hoe bijzonder zullen de verkiezingen van 2010 zijn?

Donderdag en vrijdag was ik op het politicologenetmaal, de grootste politicologie-conferentie van Nederland en Belgie. Twee dagen discussie over de populisme in Bulgarije, Henk en Ingrid, en nieuwe partijen in de regering. Martin Rosema hield een interessant betoog waarin hij de komende verkiezingen in historisch perspectief zette. Alhoewel er grote electorale verschuivingen zullen optreden, zo betoogde hij, is er een grote mate van stabiliteit. Ik wil hier een aantal van zijn beweringen in een breder perspectief zetten,

Naamloze_afbeelding
Als we de gemiddelde peilingen (TNS, De Hond, Barometer) vergelijken met de laatste verkiezingen zien we een groot verlies voor het CDA en de SP, en grote winst voor de VVD, PVV en D66. Er ontstaat nu een relatief gelijkmatig verdeeld parlement: er zijn vier partijen met ongeveer 10 zetels, twee partijen met twintig zetels en twee partijen met 30 zetels of meer. Grote fragmentatie dus. Dat maakt het heel lastig om een kabinet te formeren.

Naamloze_afbeelding_2_3 Om de fragmentatie van het parlement te meten, gebruiken politicologen de maat "Effectieve Aantal Partijen". Deze drukt uit hoeveel partijen er zijn maar houdt ook rekening met hun onderlinge verhoudingen. De rode lijn geeft deze maat weer. In 1986 was er 3.5 partij: het CDA, de PvdA, de VVD en een aantal kleine partijen die samen voor een half tellen. Er zijn nu 5.5 partijen in de Tweede Kamer. Als de peilingen uitkomen zullen er 6.5 partijen zijn. Het parlement is bijna twee keer zo gefragmenteerd als 24 jaar geleden. Echter in 1971 en 1972 was het parlement ook sterk gefragmenteerd: er waren toen veel partijen met ongeveer 10 zetels, oude partijen, zoals ARP en de CHU, en nieuwe partijen als DS70 en D66. Voor de jaren ’70 was de fragmentatie weer aanzienlijk kleiner: gedurende jaren ’40 en ’50 waren er ongeveer vier effectieve partijen, naast de KVP en de PvdA waren er drie middelgrote partijen (VVD, ARP en CHU) en een aantal kleinere.
Echter dit perspectief houdt geen rekening met de dynamiek van het partijensysteem: in de jaren ’70 was het parlement niet alleen opgebroken in 14 partijen maar ook in twee allianties: het Progressief Akkoord tussen PPR, D66 en de PvdA en een samenwerkingsverband tussen de Christelijke partijen die het CDA zouden worden. In kabinetsformatie vormden deze partijen samen een blok (of ten minste dat probeerden ze). De blauwe lijn geeft deze ontwikkeling weer. Door de twee allianties was de Nederlandse politiek toen veel minder gefragmenteerd dan ooit te voren. Als we nu naar de ontwikkeling kijken zien we dat Nederland sinds de jaren ’70 nog nooit zo gefragmenteerd is geweest.

Naamloze_afbeelding_8
Een andere manier waarop het Nederlandse politiek een grote mate van stabiliteit toont is de balans tussen links en rechts. Tussen 1918 en 1967 had rechts (de Christelijke en de rechts-liberale partijen) 66% van de stemmen. Sinds 1971 is de balans ongeveer 56%: alleen bij de verkiezingen van 2002 wordt dit patroon echt gebroken. Met 59% valt de balans in 2010 tamelijk sterk voor rechts uit. Let wel hierbij reken ik vanuit historisch perspectief de CU bij rechts, omdat de RPF en de GPV duidelijk rechtse partijen waren, terwijl ik nu zou stellen dat de CU hoort bij de brede linkse "Generaal Pardon"-coalitie.

Naamloze_afbeelding_9 Echter de samenstelling van dat linkse en rechtse blok verandert sterk. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er drie partijen geweest die de grootste zijn geweest: de KVP, de CDA en de PvdA. Hun ontwikkeling is in dit figuur te zien. Als de VVD op 9 juni inderdaad een zetel of 36 haalt en de PvdA een zetel of 30, dan zal dit de eerste keer sinds de Eerste Wereldoorlog zijn dat het niet een Christen-democratische of een sociaal-democratische partij de grootste partij is in de Tweede Kamer. Het is ueberhaupt de tweede keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat de VVD de grootste partij op rechts is.

En daarmee zij we full circle: het lijkt alsof we een zeer gefragmenteerd parlement zullen hebben met samenstelling die sterk afwijkt met de periode 2006-2010. Als we de ontwikkelingen preciezer volgen zien we dat er een grote mate van stabiliteit is tussen blokken en dat er eerder sterke fragmentatie is geweest. Echter als we nog preciezer naar deze ontwikkelingen kijken is het duidelijk dat er wel grote veranderingen zijn: nog nooit was het parlement zo gefragmenteerd terwijl de partijen zo individueel opereerden, nog nooit waren de liberalen de leidende partij in een rechts blok dat op een meerderheid kan rekenen.

Roemer Girls en Halsema Boys

De dag nadat vier mannen met elkaar in debat gaan over wie er premier
  moet worden (terwijl
  Nederland eigenlijk een vrouw wil
) een bespiegeling over geslacht
en leeftijd in de toekomstige kamer: de SP blijkt een partij van oude
mannen. GroenLinks toont zich een partij van jongeren en vrouwen. Een
verschil tussen progressieve en conservatieve politiek?. De grote
partijen zijn gevuld met oudere beroepspolitici met een lange politieke
ervaring: echte regentenpartijen?
Laten we er eens vanuit gaan dat het gemiddelde van de huidige
peilingen (peil, de barometer en nipo)
een aardig beeld geeft van de kamer: een stuk of 10 zetels voor de SP
(9), GL (10), CU (9) en D66 (11). Een stuk of 20 voor PVV (18) en CDA
(23). En iets meer dan 30 zetels door VVD (35) en PvdA (32). Daarnaast
is er een zetel voor de dierenpartij en twee voor de SGP.

ManvrouwIn de
hele kamer zitten nu zo’n 63 vrouwen.
Na de verkiezingen worden dat er 59. Dat is iets minder. Deze zijn
schreef verdeeld tussen de partijen. Uiteraard levert de SGP alleen maar
mannen, en de Partij voor de Dieren een vrouw en bij de PvdA valt het
natuurlijk 16/16 uit elkaar. GroenLinks is de enige grotere partij met
een vrouwelijke  meerderheid (6/4). GroenLinks
kiezers zijn ook al dominant vrouw
. De PVV en de SP zijn
daarentegen een echte mannenpartijen: slechts twee op de negen
kamerleden is daar vrouw. Je ziet dat vrouwen met name in de
progressieve en minder mate in de linkse hoek zitten: bij het CDA (8/15)
en VVD (13/22) zijn er minder vrouwen dan aan de linkerkant. Bij D66 is
er een kleine mannelijke meerderheid (5/6), maar ook bij de   
ChristenUnie, die tot 8 jaar geleden nog nooit een vrouw in hun   
gelederen had, valt het redelijk gelijk uit (4/5). Al met al valt met
name de slechte score voor de SP valt uit de toon: Roemer laat zich
omringen door mannen. Opvallend is ook dat partijen die veel
vrouwelijke kiezers hebben
zelf ook veel vrouwelijke kandidaten
hebben (de relatie wordt heel sterk als we de eenvrouws- en de
tweemansfracties eruit gooien).

De gemiddelde leeftijd van de
kandidaten op verkiesbare plekken is 44. De jongste onder hen
verkiesbare plaats is Jesse Klaver
(GroenLinks – 24) en de oudste is Jan de Wit (SP –
65).  Maar opnieuw zijn er sterke verschillen tussen de partij. Bij de
kleinere partijen zitten met name jongere kandidaten: De PvdD is de
jongste partij (38) gevolgd door de kleinere partijen, die allen onder
de 44 jaar zitten. Grote partijen (CDA, VVD en PvdA) hebben met name
oudere kandidaten, die zitten allemaal boven de 45. Dat zal er wel met
name mee te maken hebben dat je een grotere baanzekerheid hebt bij een
grote partij. Dit hangt samen met de lengte die hun kandidaten al in de
nationale politiek zitten: zij zitten allemaal in de 4 jaar politieke
ervaring (het CDA zelfs 7 jaar). Bij de grote groeiers (PVV en D66)
hebben de kandidaten maar 2 jaar ervaring in de nationale politiek. Ook
GroenLinksers hebben 3 jaar ervaring in de nationale politiek. Overigens
de CU en de SP lijst zijn ook tamelijk ervaring (5 en 6 jaar).

Waar
de leeftijd voor vrouwen en mannen ongeveer gelijk is over het
algemeen, zijn er grote verschillen tussen de partijen: bij GroenLinks
zijn de vrouwen zo’n tien jaar ouder dan de mannen. De mannen van
Halsema zijn gemiddeld maar 35 jaar. Daar staan de vrouwen van Roemer
tegenover: gemiddeld 33 en zo’n 14 jaar jonger dan de SP mannen. Bij
andere partijen is het beeld gelijkmatiger: D66 mannen zijn zes jonger
dan D66 vrouwen, en de ChristenUnie mannen zijn dan weer vijf jaar
ouder.

Opvallende conclusies zitten dus met name bij de SP: veel
oudere, mannelijke kandidaten die al lange tijd in de politiek rond
lopen. Daar staat GroenLinks tegenover: veel vrouwelijke, jonge
kandidaten die minder politieke ervaring hebben. Vrouwen zitten bij
progressieve, linkse partijen met vrouwelijke  kiezers: de verschillen
tussen de feminiene en de masculiene cultuur van SP en GL worden steeds
groter. Daarnaast lijken met name de grote partijen oudere kandidaten te
hebben met meer ervaring: mensen die kunnen rekenen op een stabiele
baan in de Nederlandse politiek, tegenover de jongere kandidaten van de
nieuwe partijen: nieuwe, vernieuwende, jonge politiek tegenover oude
politiek.

Deserving and Undeserving Poor

Je zou simplistisch kunnen stellen dat het “links” is om de
zwakkeren in de samenleving te willen ondersteunen, en dat het “rechts” is om
de eigen verantwoordelijkheid van mensen te benadrukken. Links kiest voor
kleinere verschillen tussen inkomens en rechts kiest ervoor mensen te belonen
voor hun inzet.

Dit is echter een zeer beperkt beeld van hoe partijen staan
tegenover de sociale voorzieningen. Zo verbaast het veel mensen dat een partij
als de PVV (“rechts”) zich zo sterk verzet tegen de verhoging van de
AOW-gerechtigde leeftijd en zich sterk laat horen waar het gaat om de
gezondheidszorg. Maar je ziet dat
rechtse partijen zich vaker inzetten voor bepaalde groepen aan de “onderkant”.
Erica Terpstra is een mooi voorbeeld van een VVD politica die zich hard maakte
voor ouderen en gehandicapten. Maar ook Fortuyn wilde de inkomens van ouderen
versterken. En binnen het CDA ligt bezuinigen op de voorzieningen voor ouderen
en gehandicapten ook nooit goed. Sterker nog, de ouderenpartijen uit de jaren
’90 stelden zich op veel sociaal-economische thema’s rechts op: lage
uitkeringen, verplicht solliciteren en snel weer aan het werk. Behalve waar het
om ouderen en gehandicapten ging.

Daarom is het misschien nuttig om een onderscheid te maken
tussen verschillende groepen armen. Je zou een onderscheid kunnen maken tussen
armen die het niet verdienen om arm te zijn en armen die het aan zich zelf te
wijten hebben. Lui of echt behoeftig. In de Engelse Poor law wordt dat
deserving en undeserving poor genoemd.

Het lijkt alsof rechtse politici een sterk onderscheid maken
tussen mensen die het niet verdienen om arm te zijn, zoals ouderen en
gehandicapten, en mensen die dat wel verdienen, zoals veel werkelozen en mensen
aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Aan de voorzieningen voor de “onverdiende
armen” mag je eigenlijk niet komen. De AOW is daar een goed voorbeeld van, in
het verleden waren het juist de rechtse partijen die hierop niet wilden
bezuinigen, de fiscalisering van de AOW werd weggezet als Bos-belasting en de
PVV verzet zich sterk tegen de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Rechtse partijen zien weinig in regelingen voor arme mensen,
die dat “aan zich zelf te wijten hebben”: die moeten niet te veel in de watten
gelegd worden, die moeten worden gestimuleerd wat van hun eigen leven te maken.
Sobere regelingen, lagere lonen, kortere uitkeringen. Een partij als de SP,
maar ook andere linkse partijen, zet zich vaak juist in voor zulke groepen: kan
het niet wat menselijker? Kunnen de lonen niet hoger? Kan zo’n regeling niet
inkomensafhankelijk?

Rechtse partijen beroepen zich vaak op eigen
verantwoordelijkheid om regelingen voor armere mensen af te breken: mensen
moeten zelf wat van hun leven maken, niet afhankelijk gemaakt worden van
publieke voorzieningen. Maar er spelen ook vaak morele argumenten een rol: je
moet werken, want dat is de enige manier om wat van je leven te maken. Voor
kinderen zorgen, vrijwilligerswerk, op de bank hangen: daarvoor betaalt de
hardwerkende Nederlander niet.

Progressieve, linkse politiek moet dit idee van behoeftige
en luie arme mensen niet overnemen. Aan de ene kant omdat ouderen en
gehandicapten niet “zielig” zijn en niet allemaal onze sympathie, compassie of medelijden
nodig hebben: we moeten ervoor zorgen dat ook juist deze mensen zelf
verantwoordelijk kunnen blijven voor hun eigen leven. Dit zijn geen zielige
mensen die we moeten verzorgen en beschermen, maar mensen die ook regie en sturing
moeten kunnen houden over hun eigen leven.

Aan de andere kant denk ik
niet dat we mensen in uitkeringen snel moeten afdoen als luie mensen die
strengere arbeidsmoraal moeten worden aangeleerd. Niet alleen omdat zulke
morele oordelen geen rol hebben in vrijzinnige progressieve politiek –alhoewel
dat voor mij altijd op de achtergrond blijft spelen– maar ook omdat
inkomensverschillen voor een groot deel niet kunnen worden terug gebracht op
eigen verantwoordelijkheid: zeker als armoede en werkloosheid in hoge mate van ouder
op kind wordt door gegeven.

Het Persoonlijke is Politiek

"Het Persoonlijke is Politiek" zo luidt een oud feministisch motto. HP/De Tijd en de Weekend namen dit erg letterlijk door een glossy uit te brengen over de prive-levens van politici: "Het Binnenhof". De cover -met een rokende Femke Halsema- zegt dat het blad onthullend is. Echter wat er "onthuld" wordt is niet interessant en de methodes zijn onethisch. Hoe je met integere journalistiek een veel interessanter, onthullender en persoonlijker beeld kan schetsen, toont Steffie Kouters in een interview met diezelfde Halsema in het Volkskrant Magazine.

Het Binnenhof is een kleine 150 pagina’s van de zwakste journalistiek in jaren. De artikelen die er in staan bevatten nauwelijks nieuwe informatie. Om het blad gevuld te krijgen met roddels moeten de auteurs (ze journalisten noemen is een belediging voor deze beroepsgroep) terug gaan tot 1946 (!). In lijsten van omstreden politici en grote graaiers komen de klassieke verhalen naar voren: de zonnebril van Bos bijvoorbeeld en het belletje van Bomhoff. Er was nauwelijks informatie over hedendaagse politici. En wat er wel was overschreed duidelijk de grenzen van integere journalistiek. Foto’s van de huizen met prijzen en hypotheken van lijsttrekkers kunnen misschien nog – de informatie kan door iedereen worden na gezocht, al was de Terrorisme-tzaar niet blij. Foto’s van het prive-leven van politici (Halsema met sigaret; Rutte bij de supermarkt) is in mijn ogen al een inbreuk van de privacy. Foto’s van de kinderen van politici is echter een brug te ver: zij zijn geen "publieke figuren" – in zoverre politici dat wel zijn. De auteurs toonden zich echte riooljournalisten door in het afval van politici te zoeken. Daarmee braken ze ernstig in op de prive-sfeer van politici en hun familie. En door persoonlijke paramedische informatie en brieven van scholen te tonen zonder dat dit enige nieuwswaarde had, lieten de auteurs zien geen enkel oog te hebben voor de scheiding voor publiek en privaat. Meest opvallend misschien wel, in een week dat de kranten vol stonden over het prive leven van een staatssecretaris van Defensie, schreef dit blad daar geen letter over. Kortom: in Het Binnenhof leren we niets over onze volksvertegenwoordigers dat het waard is om te weten, terwijl daar allerlei inbreuken op de privesfeer van hen en hun familie tegenover staan.

Daar staat het openhartige interview van Femke Halsema in het Volkskrant Magazine tegenover. Dit is natuurlijk een fundamenteel andere vorm van journalistiek. De journalist kan slechts rapporteren wat de politica toont. Het enige wat de journalist kan doen is de politica verleiden om meer te vertellen. De politica blijft in control. Dat betekent echter niet dat we niets leren over Halsema als persoon: ze vertelt openhartig over haar kinderen en de manier waarop ze zich opstelt als "witte" moeder in een "zwarte" school en over hoe het overlijden van een kind van een collega haar het politiek functioneren heeft beinvloed. In het interview staat niet het prive-leven van Halsema centraal, maar des te meer de manier waarop een prominente politica om gaat met het publieke beeld van haar persoonlijk leven. In een mooie analyse van hoe ze met journalisten praat(te) over haar jeugd en studietijd, toont Halsema zich van haar reflectieve kant: door voortdurend een paar anecdotes te herhalen over die tijd kan Halsema een deel van haar persoonlijk leven afschermen.

Het interview van Halsema in de Volkskrant laat een vele malen interessanter, opener en onthullender beeld van de persoon Halsema dan een paar foto’s van haar kinderen of een opengesneden afvalzak.

Post-Convention Spin IV: Hoe rationeel was het congres?

Van de week zag ik de notulen van het Groenlinks congers met daarin de uitslagen van de verschillende stemmingsronden. Op basis hiervan kunnen misschien iets beter doorgronden hoe de stemgedrag bij de veelbesproken GroenLinks verkiezingsprocedures in elkaar steekt.

Wat ik hier met name wil bekijken is of het congres collectief rationeel was. Als een groep mensen niet rationeel stemt zou je dit in een aantal dingen moeten kunnen zien: vrij kleine meerderheden (want er is geen coordinatie), onverwachte uitslagen in tweede rondes, en een vrije chaotische wisseling van voorkeuren tussen rondes als kandidaten erbij komen of wegvallen. Dit is natuurlijk geen goede definitie van rationaliteit, maar om een formeel rationaliteitsbegrip te toetsen zou ik veel meer informatie nodig hebben. Een aspect van rationaliteit dat ik niet toets maar aanneem is dat stemmers niet tussen stemmingen van voorkeur wisselen.

Een quick reminder over de procedure: voor iedere plek wordt er in twee ronden gestemd over iedere plek op de kiestlijst: ik noem deze Ronde A (waarin alle kandidaten mee mogen doen) en Ronde B (waarin alleen de twee hoogst geplaatse kandidaten uit ronde A mee mogen doen). Ik kijk hier alleen naar deze plekstemmingen en niet naar de blokstemming.

Ik loop eerst de stemmingen voor 1 tot 11 individueel af om te kijken naar wisselingen tussen stemmingen. Dan kijk in een wat breder perspectief naar plek 12 tot 15 en 16 tot 20. Ten slotte kijken we naar alle plekken vanuit het perspectief van GroenLinks als een partij met verschillende stromingen, en specifiek naar opkomst en blanco stemmen. 

Plek 2
Plek_2
Voor plek 2 stemt bijna de helft van de aanwezige leden in ronde A al voor Sap, een kwart op Dibi en een achtste op Peters en een achtste op Van Tongeren. In de tweede ronde gaan vervolgens tweede derde van de Peters & Van Tongeren-stemmers voor Sap en een kwart voor Dibi. En zo wordt Sap verkozen met een twee-derde meerderheid.

Van plek 2 naar 3
Plek23
Van plek 2 naar plek 3 zien we opvallende veranderingen en stabiliteit. Er komen meer dan 400 Sap stemmers vrij: we zien dat Peters en Van Tongeren min-of-meer de steun houden die ze al hadden. 100 daarvan gaan over naar Dibi en Dirkmaat en 200 naar Klaver. De stelling dat er een "groen" blok is wordt hierdoor gelogenstraft: de deelname van Dirkmaat breekt het aantal Van Tongeren stemmers niet op. Dibi wordt vervolgens door de leden gekozen.

Van plek 3 naar 4
Plek34
Van plek 3 naar plek 4 vallen er 361 Dibi stemmers vrij: een groot deel daarvan (186) gaan naar Peters, 96 gaan naar Van Tongeren en zo’n 40 naar Klaver en Dirkmaat. De richting waarin de leden gaan is vrij helder: er is een grote swing naar Peters die vervolgens in ronde B gekozen worden.

Van plek 4 naar 5
Plek45
Van plek 4 naar plek 5 is er een opvallende beweging. Er komen 305 Peters-stemmers vrij, die lijken zich niet te verdelen over de andere kandidaten, maar ze gaan dominant naar Van Gent. Van Gent trekt ook stemmen weg bij Dirkmaat (-5), Van Tongeren (-14) en Klaver (-21). Zelfs met deze nieuwe kandidaat blijven de blokken dus tamelijk gelijk. Van Gent wint vervolgens in ronde B.

Van plek 5 naar 6
Plek56 Vanaf plek 6 doen 5 extra kandidaten mee. Daarnaast komen er 338 Van Gent stemmers vrij. Zo’n 148 stemmers komen uit bij een van de nieuwe kandidaten. Geen van het haalt meer dan 50 stemmen. 152 gaan naar de bestaande kandidaten: 70 bij Van Tongeren, 51 bij Klaver en 31 bij Dirkmaat. Daarnaast vallen er zo’n 38 stemmers uit. Klaver die al drie keer als tweede uit de bus kwam in een ronde A komt nu als eerste uit, in deze ronde echter komt hij uit als eerste, maar wordt hij in ronde B toch niet gekozen. Dit komt de hele lijst maar 4 keer voor dat degene die als eerste uit ronde A komt, niet ronde B wint.

Plek 6 naar 7
Plek67 Op plek 7 komen er 242 Van Tongeren stemmers vrij. Daarvan gaan er 91 naar Klaver. De rest van de stemmen wordt relatief evenwichtig verdeeld: 21 voor Dirkmaat, 25 voor El Fassed, 24 voor Braakhuis, 6 voor de Bruin en 1 voor Van Bogelen. Van den Berg verliest 1 stem. Daarnaast doen er twee extra kandidaten mee: de vakbondsvrouwen Van Pijpen en
Voortman. Die krijgen 25 en 57 stemmen. Klaver wint nadat hij deel heeft genomen aan 5 rondes B.

Plek 7 naar 8
Plek78Op plek 8 komen er niet alleen 365 Klaver stemmers vrij, maar ook 185 Dirkmaat-stemmers, die op dit punt zijn handdoek in de ring gooide. Er komen dus samen zo’n 550 stemmers vrij: een ruime meerderheid van de congresgangers. Daarnaast zijn er vier extra kandidaten. In totaal zijn er 11 kandidaten. De verdeling van de stemmen is, in vergelijking met eerdere rondes relatief evenwichtig: alle kandidaten gaan erop vooruit. Maar drie kandidaten komen het beste eruit: El Fassed wint 59 stemmen, Braakhuis 106 en Grashoff komt binnen met 112 stemmen. De strijd is dus tussen Braakhuis en El Fassed en wordt gewonnen door de eerste.

Plek 8 naar 9

Plek89 Op plek 9 komen er "maar" 165 stemmen vrij. Daarnaast gaan er van enkele kandidaten (Grashoff, Van Boggelen, en Uijlenhoet) stemmen weg. We zien grote stabiliteit bij veel kandidaten. Alleen El Fassed en Voortman gaan er sterk op vooruit. El Fassed zal dan ook winnen

Plek 9 naar 10
Plek910
Met de verkiezing van El Fassed komen er 208 stemmen vrij. Twee nieuwe kandidaten doen mee Brugman en Van Putten. De stemmen van El Fassed worden ongelijk  verdeeld. Alleen Voortman gaat er sterk op vooruit: zij wint 80 stemmen, terwijl de rest min-of-meer stabiel blijft.

Plek 11
Plek1011
Plek 11 is een geval apart, vanwege de herstemming en de interventie van de Marijke Vos. Er komen 200 Voortman-kiezers vrij en bijna 100 De Bruin-kiezers. Veel van de andere kandidaten verliezen een paar stemmers. Zo’n 20 stemmers verlaten het congres. Twee kandidaten profiteren met meest van deze verschuivingen: Grashoff die uitkomt op 205 stemmers achter zich krijgt en Van der Bergie die daar met 227 net bovenuit komt.
Plek11_2
In de tweede  ronde is er (net) geen meerderheid. Van den Berge staat met 373 stemmen voor op Grashoff die 367 stemmen heeft gekregen. 16 mensen stemmen blanco en 18 mensen doen niet meer mee. Herstemming is noodzakelijk
Dan is er de interventie van Vos die het congres oproept om op Van Boggelen en Van den Berg te stemmen. Er is een nieuwe ronde A. Daarin doet Van den Berge het iets beter dan daarvoor. Grashoff verliest 20 stemmen. Van Boggelen en Van den Berg ("C") in de figuur hiernaast, winnen samen bijna 45 stemmen meer dan daarvoor. De overige kandidaten die in beide rondes mee doen ("E") verliezen zo’n 25 stemmen, en twee kandidaten doen niet mee in deze tweede ronde ("F"). Maar drie mensen stemmen blanco, en in vergelijking met de ronde A hiervoor zijn er 45 mensen die niet meer mee doen. Een tweede ronde B is nodig. Grashoff doet het hier bijna even goed als daarvoor en Van den Berge verliest 23 stemmen. 20 blanco stemmen en 35 mensen die niet mee doen. Grashoff is verkozen.
De interventie van Vos lijkt maar een klein deel van het congres aangesproken te hebben: 45 congres gangers volgen haar advies. Evenveel mensen haken af.

Plek 12-15
Plek1215_3
Voor plek 12 tot 15 is het volgende patroon te zien: er zijn vier kandidaten die boven de 70 stemmen uit komen in de ronde A voor plek 12: Van den Berg, Van den Berge, Van Boggelen en Van Os. Deze worden door het congres in die volgorde op de lijst gezet. Deze kandidaten springen vooruit als er weer een kandidaat verdwijnt omdat deze op de lijst wordt gezet. Onder hen staan zo’n 8 kanidaten die nauwelijks vooruitkomen: deze blijven juist relatief stabiel staan op het aantal stemmen dat ze voor plek 12 al gekregen hadden. Dit logenstraft het beeld dat het congres een tombola is: want dit patroon was eerder ook al te zien. Er zijn weinig kandidaten die uit de onderste regionen helemaal naar boven komen. Sterker nog er lijkt een grote minderheid op het congres lijkt iedere keer correct voorspeld op wie het congres dan zou stemmen. Van grote collectieve actie problemen is geen sprake, anders zou er niet zo consistent gestemd.

Plek 16-20
Plek1620
Voor plek 16 tot 20 valt grotendeels hetzelfde te zeggen als voor plek 16 tot 20. Je ziet dat voortdurend kandidaten opstijgen: Uijlenhoet, Ganzevoort, Van Putten, voortdurend zie je een grote groep op het congres samen voor de kandidaat gaan die het uiteindelijk wordt. Een andere groep kandidaten lijkt veel minder goed instaat om congresgangers achter zich te krijgen. De enige persoon voor wie dit patroon niet geldt, is Paul Smeulders. Hij wordt hier drie keer achter elkaar afgewezen. De laatste keer staat hij 30 stemmen voor op zijn tegenstrever maar weet deze hem toch in de tweede ronde te verslaan.

Ronde B

Ronde_b
Dat opent een nieuwe vraag: hoe gaan uitslagen van de eerste naar de tweede ronde? Van deze uitslagen is iets te zien in de figuur hiernaast. Deze laat zien hoe mensen stemmen in ronde B, voor zo ver zij niet in ronde A gestemd hebben op #1 of #2 (of blanco). Dit zijn dus de extra stemmen, die #1 en #2 (en blanco) erbij krijgen van ronde A naar ronde B. Er zijn drie gebieden: relatieve chaos aan het begin en het eind en grote stabiliteit in het midden: aan het begin lijkt kandidaat #1 de grootste kans te hebben: Sap, Dibi en Peters winnen zo’n 67% van de extra stemmen. Dan komt plek 5 (Van Gent vs. Klaver). Hierbij krijgt juist Klaver (#2) het merendeel van de extra stemmen: de Van Gent stemmers hadden zich in ronde A al aan haar verbonden. Op plek 6 en 7 zet deze trend zich door de #2 krijgt veel stemmen, maar nu is juist de #1 Klaver. Vanaf plek 8 tot plek 16 krijgen de #1 en de #2 kandidaat allebei ongeveer 50% van de stemmen. Het congres valt half/half uit. Vanaf plek 17 zijn de verschillen groter. Het is relevant om op te merken dat voor plek 18, 19 en 20 iedere keer een kandidaat minder stemmen krijgt: Paul Smeulders, onafhankelijk van of hij op #1 of #2 eindigde.

Blokken

Gso_2
Na het congres ontstond bij veel mensen het beeld dat het groene deel van de partij onder gepresenteerd was en dat daarom zoveels sociale kandidaten waren door gekomen. Dat zou er op duiden dat het congres uit stabiele blokken bestaat die voortdurend op de kandidaat van hun kleur zouden stemmen. We kunnen dit toetsen door alle kandidaten aan een kleur toe te kennen en dat te kijken of deze blokken stabiel zijn. Uiteraard is het toe wijzen van kandidaten aan kleuren arbitrair en lastig. Ik heb gekozen voor het Groen/Sociaal/Open model: waarbij groene kandidaten mensen zijn met een interesse voor milieu, landbouw en verkeer en/of wortels in de milieubeweging. Kandidaten die lastig te plaatsen zijn hebben een * achter hun naam. Groen zijn in dit geval Van Tongeren, Dirkmaat, Grashoff*, Van den Berg, Brugman, Van den Berge en Berkelder. Rood zijn kandidaten met een interesse in zorg en werk & inkomen en/of wortels in de vakbond. Dat zijn Sap, Klaver, Van Gent, Voortman, Van Boggelen, Van Pijpen, Kaspers, Van Schendelen, Mevis*, Smeulders* en Kerkwijk*. Dan vallen de andere kandidaten dus in Blauw, dat gaat van internationaal, via justitie en onderwijs naar integratie: Dibi, Peters, Braakhuis*, El Fassed, De Bruin*, Uijlenhoet*, Van der Meer*, Van Putten, Van Os, Ganzevoort, Barrahmun, Harika*, Springer en Diks*. Wat opvalt is niet zo zeer de stabiliteit tussen de blokken, maar de grote pieken in de ontwikkeling. Dat duidt op een heel ander patroon: het congres dat plek voor plek besluit dat het iemand’s beurt is en daar in grote meerderheid op stemt.

Opkomst
Opkomst Wat zijdelings ook interessant kan zijn is de opkomst: wanneer en waarom haken congresgangers af? De blauwe lijn geeft de opkomst in de ronde A weer en de rode
lijn in de ronde B. Er is een zeer sterke relate tussen deze twee
lijnen. Je ziet dat over tijd de opkomst daalt: er is een zeer sterke
relatie tussen de plek waarvoor gestemd wordt en het aantal stemmers.
Dit gebeurt in ogeveer 3 drie gebieden: tussen plek 1 tot 9 ligt de
opkomst min-of-meer stabiel op 850. Daarna valt de opkomst naar beneden
met ongeveer 30 stemmers per keer. Dan is een scherpe cesuur tussen plek
15 en 16. Dan valt de opkomst van 612 naar 424. Daarna is de opkomst
opvallend stabiel rond de 400.
GroenLinks leden lijken dus met name
bij te willen te dragen aan plekken die tellen en lopen weg als er geen
relevante plekken in stemming komen. Dat valt zeker op te vatten als rationeel gedrag. Van de 850 GroenLinksleden die
stemmen zijn er 400 echte die-hards. Er wordt wel eens geklaagd over het
feit dat maar 2% van de Nederlanders lid is van een partij. Deze data
is echter nog schokkender: Van de 5% van de GroenLinks stemmers die ook
GroenLinks lid is, stemt maar 4% mee met de kandidatenlijst en daarvan
blijft maar 50% hangen voor de hele lijst.

Blanco-stemmen

Blanco
Een ander fenomeen zijn blanco stemmen. Veel blanco stemmen kan erop duiden dat stemmers voor geen van de kandidaten een voorkeur heeft en dus geen volledige preferentie ordening bezit.
Je ziet hier het aantal blanco stemmen in ronde A en B als percentage
van het totale aantal stemmen. Het eerste wat opvalt is dat mensen in
ronde A vaak wel een preferentie kunnen uit drukken, uit alle kandidaten
die mee doen hebben ze een eerste keuze. Minder dan 1% kan dan niet.
Waar het gaat om ronde B is er een groter deel van het congres dat niet
kan kiezen. Als we de eerste plek over slaan (waar blanco stemmen
betekent "tegen Halsema", de enige kandidaat), kunnen we aantal dingen
zien: ten eerste, er is een vrij sterke correlatie tussen het aantal
stemmen in ronde A en B. Als veel mensen in ronde A niet kunnen kiezen
kunnen nog meer mensen dat in de B niet. Daarnaast zien we een sterke
opgaande trend: hoe lager de plaats is, des te meer mensen geen voorkeur
hebben voor een der kandidaten. Maar daarnaast zien we een sterke
schommeling die er op duidt dat een blanco stem sterk context afhankelijk
is.

Conclusie
Welke conclusies kunnen we hier uit trekken? Ik denk dat er een belangrijke conclusie is, als je het stemgedrag bekijkt is het geen tombola of een strijd tussen blokken. Het congres lijkt redelijk rationeel plek voor plek gekozen te hebben voor de kandidaat die zij het beste vond. Je ziet vaak dat de kandidaat die als tweede uit de ene ronde B komt, in de volgende ronde B wordt gekozen (12 van de 16 stemmingen): bijvoorbeeld Dibi verloor van Sap voor plek #2 en krijgt vervolgens plek #3. Je ziet ook vaak dat de kandidaat die als eerste uit ronde A komt ook in ronde B wordt gekozen (15 van de 19 stemmingen): dus Sap was eerste voor plek #2 in ronde A en wint dus ook plek #2 in ronde B. Dat duidt allemaal op een grote mate van rationaliteit en coordinatie. Kandidaten die onderaan staan, blijven in verschillende stemmingen de steun houden die ze hadden.

Er zijn een paar punten waar dit misloopt: Klaver die voor plek 3 tot 6 als #1 of #2 uit de ronde A komt maar pas voor plek #7 een meerderheid achter zich krijgt. Dirkmaat die zich terug trekt voor plek #7, terwijl als je kijkt naar het stemgedrag het congres hem waarschijnlijk plek #8 had gegeven. De zeer kleine marges bij plek #11 die leiden tot herstemming. Van Schendelen die door een zeer opvallend persoonlijk verhaal in een keer plek #16 weet te veroveren. En Smeulders die drie keer wordt afgewezen voor een plek op de lijst terwijl hij zeer goed uit de ronde’s A komt. Opvallend genoeg speelt dit bij drie jonge, DWARSe kandidaten, Klaver, Van den Berge en Smeulders. Misschien dat een deel van het congres deze kandidaten erg jong vond en kandidaten met meer ervaring steunde.

Balancing the Court

Nog geen jaar na de vorige vacature is er weer een plek over in de Supreme Court of the United States (SCOTUS). Obama heeft nu Elena Kagan, zijn landsadvocaat, voor gedragen voor de post. En hiermee ontstaat er een bijzondere situatie in het Supreme Court: drie vrouwelijke, drie joodse rechters. En geen enkele blanke, protestantse Amerikaan, de WASP, die Amerika domineerde.

SCOTUS heeft negen leden. Na de Amerikaanse president zijn zij de machtigste politieke actoren in Washington, door hun vermogen om wetten ongrondwettelijk te verklaren en nieuwe jurisprudentie te maken. Zoals alle Amerikaanse politiek worden hun politieke opvattingen gezet in een een-dimensionaal model: van progressieve activistische rechters naar conservatieve rechters die zich aan de letter van de grondwet houden. De huidige 9 rechters zijn:

  • John Roberts, de huidige chief justice, een gematigde katholieke conservatief benoemd door Bush jr.
  • John Stevens, die nu aftreedt, was door de Republikeinse president Ford in de jaren ’70, toch behoorde hij tot de liberale vleugel. Hij was de laatste protestant on the bench.
  • Antonin Scalia, een van de helderste conservatieve geluiden in SCOTUS. Benoemd door Reagan. Ook een katholiek.
  • Anthony Kennedy, de "mediane" opperrechter die dan wel de liberale of wel de conservatieve meerderheid maakt. Wederom een katholiek benoemd door Reagan.
  • Clarence Thomas, een Afro-Amerikaanse opperrechter, die (en dat is bijzonder voor Afro-Amerikanen) katholiek en conservatief is. Benoemd door Bush sr. Wordt algemeen beschouwd als een van de minst gekwalificeerde opperrechters.
  • Ruth Bader Ginsberg, een gematigd liberale, Joodse, opperrechter, benoemd door Clinton.
  • Stephen Breyer, wederom een liberale, Joodse, opperrechter, benoemd door Clinton.
  • Samuel Alito, een conservatieve katholiek, benoemd door Bush sr.
  • Sonia Sotomayor, de gematigd liberale opperrechter benoemd door Obama, de eerste Hispanic.

En nu wordt dus Kagan benoemd. Dan zouden er twee vrouwen opperrechter zijn en drie mensen met een Joodse achtergrond. Hiermee verschuift de demografie van het Hoge Gerechtshof sterk. Balans speelde altijd een belangrijke rol bij benoemingen. Eerst balans tussen de regio’s van de Verenigde Staten. Zo was er altijd een "zuidelijke zetel" voor de Zuidelijke staten. Daarna speelden religie een belangrijkere rol en was er een vaste "Katholieke zetel", in een dominant Protestants hof. Die situatie veranderde de laatste jaren sterk toen er plotseling een groot aantal Katholieken werden benoemd zodat Protestanten zich eerst in een minderheid bevonden en nu zelfs geen "eigen zetel" meer hebben. Sinds de jaren ’60 speelt etniciteit een grote rol toen Thurgood Marshall benoemd werd, als eerste Afro-Amerikaanse opperrechter. Hij werd op de spreekwoordelijke "zwarte zetel" opgevolgd door Thomas. En met de benoeming van Sotomayor zijn ook Hispanics (weer?) vertegenwoordigd. Met de benoeming van Sandra Day O’Connor in de jaren ’80, waren ook vrouwen vertegenwoordigd. Als Kagan benoemd wordt zouden dus drie van de negen vrouwen vertegenwoordigd zijn.

Puur wiskundig gezien, zijn Joden een sterk overtegenwoordigde groep. Slechts 2% van de Amerikanen is Joods en straks is 33% van de opperrechters Joods. Ook Katholieken zijn overtegenwoordigd: 66% van de rechters en 25% van de bevolking. De 50% van de Amerikaanse bevolking is Protestants. Die hebben dus 0 opperrechters. Vrouwen (50% van de bevolking) hebben 33% van de rechters. Met 12% en 15% van de bevolking zijn Afro- en Hispanic-Amerikanen goed vertegenwoordigd.

De meest opvallende verschuiving is toch die naar een Katholiek Hoge Gerechtshof. In de jaren ’80 was er een Katholiek. Midden jaren ’90 was er een niet-Protestantse meerderheid. Midden jaren ’00 werd dat een Katholieke meerderheid. En nu dus geen enkele Protestant meer. Een goede verklaring heb ik er niet voor. Behalve misschien dat Katholieken zowel voor Democraten als voor Republikeinen een interessante achterban vormen: veel Katholieken zijn conservatief op morele vraagstukken (en dus Republikeins) maar de religie heeft ook een traditionele band met de Democratische partij, die in het verleden het sterk voor Katholieke migranten opnam.

Er is nog een twist aan de voordracht van Kagan: in de Amerikaanse pers gaat het gerucht de ronde dat Kagan lesbisch is. Ik zou het heel veel belovend vinden als ook deze groep een plek in het Oppergerechtshof zou krijgen, zeker nu homo-rechten steeds meer een politiek vraagstuk wordt -en bijvoorbeeld in Zuid Afrika het Hoge Gerechtshof het homohuwelijk heeft gelegaliseerd. Echter het zijn maar geruchten die ontkend worden door het Witte Huis.

Benoemingen naar het Hoge Gerechtshof gaan altijd om balans: ideologische balans tussen liberale of conservatieven, maar ook balans tussen de verschillende groepen in de VS: eerst waren dat regio’s, later religies en nu etniciteiten en sekses.

De Grenzen van het Kieskompas

Andre Krouwel, de man achter het kieskompas, klaagt dat de stemwijzer "kiezers voorliegt" over de standpunten van politieke partijen. Een van de grote voordelen van zijn stemwijzer is dat het KiesKompas heel transparant is over de standpunten van politieke partijen. Echter bij het interpreteren van de posities van politieke partijen in zijn KiesKompas is voorzichtigheid echter ook geboden.

Kieskompas
Bij het uitkomen van het KiesKompas was er veel aandacht van partijen en opiniemakers over de plaatsing van partijen in de politieke ruimte. Anja Meulenbelt spinde er druk op los: D66 was volgens haar maar een rechtse partij en ook GroenLinks was een aardig eind naar rechts verschoven, ten opzichte van de SP. De Dagelijkse Standaard vond dat de PVV relatief links staat in dit KiesKompas, dichtbij de traditionele linke partijen. Ook de Trouw berichtte uitgebreid over de posities van partijen in het landschap. Echter de ruimte waarin de partijen geplaatst zijn, is niet gebaseerd op de partijposities, waardoor uitspraken de posities met een grote korrel zout genomen moet worden.

Achter het KiesKompas zit een ruimtelijke theorie van partijcompetitie: kiezers kiezen de partij, die het dichtst bij hun staat in een politieke ruimte. De verschillen tussen partijen kan in ruimtelijke termen begrepen worden: sommige partijen en kiezers zijn links, sommige partijen en kiezers zijn rechts. Rechtse kiezers stemmen volgens deze theorie op rechtse partijen. In het geval van het KiesKompas wordt zo’n ruimte wordt opgebouwd uit verschillende stellingen waar partijen en kiezers in meer of mindere mate mee kunnen in stemmen. Het centrale idee achter deze vragen is dat deze met elkaar samen hangen. Je kan op basis van iemand’s antwoord op de ene vraag, het antwoord op een andere vraag voorspellen: iemand die voor hogere belastingen voor rijke mensen is, is waarschijnlijk ook voor inkomensafhankelijke kinderbijslag.

Een complicerende factor is dat de antwoorden op vragen van partijen en kiezers op verschillende manieren kunnen samenhangen. Dat betekent dat ruimte waarin partijen zich positioneren niet gelijk hoeft te zijn van de ruimte waarin kiezers zich positioneren. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat dit inderdaad voor Nederland het geval is: kiezers en partijen positioneren zich in andere ruimtes. Dat zorgt ervoor dat er voor de makers van het KiesKompas een groot probleem is: in welke ruimte worden de kiezers en de partijen geplaatst? De partijenruimte of de kiezersruimte? De makers van het KiesKompas hebben er (waarschijnlijk) voor gekozen gebruik te maken van de kiezersruimte. Hun twee dimensionale model zegt dus (waarschijnlijk) met name iets over kiezers en mindere mate iets over partijen. De ruimte is dus deductief aan de partijen opgelegd.

Als we iets over de partijposities willen zeggen op basis van de data van het KiesKompas zullen we eerst moeten kijken of de verschillende stellingen wel consistente schalen vormen. Als dit niet het geval is, zijn de twee dimensies (links-rechts en conservatief-progressief) betekenisloos. Je moet er vanuit kunnen gaan dat als een partij voor, bijvoorbeeld, het hervormen van de studiefinanciering is, deze ook tegen het hervormen van de hypotheekrenteaftrek is. De antwoorden van de partijen op de verschillende stellingen moeten consistent zijn, anders is hun positie in de ruimte betekenisloos. Dat is de logica van schaling.

Er zijn bepaalde statistische technieken om de consistentie van antwoorden te onderzoeken, in dit geval is polychotome Mokken schaal analyse passend. Uit deze analyse blijkt het volgende:

  • De horizontale links/rechts dimensie vormt een middelmatige schaal. (H-waarde van .401 dat is echt met hakken over de sloot). Van de 17 stellingen zouden er 6 uit de schaal gegooid moeten worden. Met name de antwoorden van partijen op stellingen over de AOW, studiefinanciering, de WW en kilometerheffing hangen niet sterk samen met de antwoorden van partijen op andere stellingen. Dit zijn juist een aantal van de cruciale sociale hervormingen waar de verkiezingen over gaan. De verschillen tussen partijposities over het hervormen van de verzorgingsstaat lijkt niet in een simpel links/rechts model te vangen.
  • De verticale progressief/conservatief dimensie vormt een zwakke schaal. (H-waarde van .390, dat is net onder de grenswaarde). Van de 13 stellingen zouden er 7 (!) uit de schaal gegooid moeten worden. De antwoorden op de stelling van de gekozen burgemeester hangen het minst samen met de andere stellingen: deze zijn zelfs negatief gerelateerd aan de andere antwoorden (partijen die voor een direct gekozen burgemeester zijn, zijn bijvoorbeeld vaak tegen kernenergie). Maar ook de vragen over arbeidsmigratie, asiel, de toetreding van Turkije, en discriminatie hangen niet goed samen met de antwoorden op andere vragen. De verschillende onderwerpen die in de verticale dimensie zitten (milieu, integratie, religie, democratie) blijken niet goed samen te hangen met elkaar. Met name de stellingen over het integratie-vraagstuk, dat sinds de opkomst van Wilders hoog op de agenda staat, blijkt dus niet samen te hangen met de andere stellingen.

De politieke ruimte waarin partijen worden geplaatst hangt dus niet samen met de antwoorden die zij geven op de stellingen. Omdat er een schalingslogica onder de posities zit die partijen zijn toegekend, moeten we goed op passen: de partijen geven geen consistente antwoorden op de vragen, dat betekent dat erover hun positie een hoge mate van onzekerheid bestaat.

Betrouwbaarheid
Mijn collega Tom Louwerse heeft hier specifiek naar gekeken. Hij heeft een betrouwbaarheidsinterval berekend van de partijen. De berekening is gemaakt op basis van een bootstrapping procedure, waarbij er 1000 aselecte steekproeven getrokken worden van de stellingen. De onderliggende aanname is dat ook de makers van het KiesKompas hun stellingen hebben getrokken uit een grotere populatie van steekproeven en dat het voor de partijposities niet zou moeten uit maken welke steekproef je precies trekt. Op basis van de gemiddelde waarde en de spreiding van de schaalwaarden uit deze steekproeven kan je zien in hoeverre de positie van partijen zeker is. Je kan in de figuur hiernaast rond de gemiddelde positie van iedere partij zien een ellips zien. Deze ellipsen geven het gebied weer waar met 95%-zekerheid kunnen zeggen dat de partij daar staat, als men aanneemt dat de stellingen willekeurig zijn getrokken uit een groot aantal mogelijke stellingen. Bij de posities van kiezers geeft het KiesKompas wel onzekerheid aan, maar bij partijposities niet, dit figuur geeft dat wel aan. Je kan zien dat de posities van partijen erg onzeker zijn:

  • De positie van de PVV en Trots is erg onzeker. Dat geeft aan dat de PVV
    en Trots niet consistent in het model van het KiesKompas te vatten zijn. Dit verklaart ten dele de verbazing over de posities van deze partijen die soms links en soms rechts zijn, in termen van het KiesKompas,.
  • Maar ook de posities van partijen als het CDA en de ChristenUnie, zijn
    vrij onzeker. Dit zijn partijen die in het politieke centrum zitten,
    dat betekent dat je soms linksere en soms rechtsere posities in nemen.
    Maar ook op de culturele progressief/conservatief-as zijn de posities
    van deze partijen onzeker, omdat ze wel religieus zijn, maar dus niet
    consistent conservatief.
  • De positie van de SP is redelijk zeker en erg consistent. Maar op de links/rechts-as is de positie aanzienlijk consistenter dan op de progressief/conservatief as. Datzelfde geldt voor de VVD en de PvdA. Dat geeft aan dat partijen op deze progressief/conservatief as niet consistent antwoorden.

Bij het interpreteren van de partijposities moeten we dus erg voorzichtig zijn. Omdat de antwoorden van de partijen op de stellingen niet consistent zijn, zijn deze posities dus erg onzeker. De PVV kan even rechts uit komen als de PvdA, maar ook dicht in de buurt van de VVD, als we uit gaan van dit deductieve model dat aan de posities van partijen is opgelegd.

3dd12
We zullen dus naar een inductief model van de posities van partijen toe moeten. Op basis daarvan kunnen we veel meer zeggen over de relatieve plaatsing van partijen. In hoeverre lijken de posities van partijen op elkaar? Het figuur hiernaast is gemaakt op basis van multidimensionale schaling, die een visuele weergave van de verschillen tussen partijposities maakt. Dit is een twee-dimensionale weergave van de verschillen tussen partijen. De data geeft aan dat een drie-dimensionale weergave het meest correct is (Het geeft stress van .18 voor 1 dimensie, van .10 voor 2 dimensies, en van .03 voor 3 dimensies). Maar met de beperking van de hedendaagse techniek is een twee dimensionaal model handig: daarom zal ik het 3 dimensionale model in drie stappen moeten weergeven. Eerst dus de eerste en de tweede dimensie. Zoals je kan zien, bevindt de meeste spreiding zich op de horizontale dimensie. De afstanden op de verticale dimensie zijn kleiner. Je kan grofweg drie clusters zien:

  • Het eerste cluster bestaat uit VVD, Trots en PVV. Zij hebben een bijna identieke positie. Deze partijen stellen zich hard op op integratie, kiezen voor economische groei, zijn seculier en zijn rechts op (veel) economische onderwerpen. Van een linkse koers van de PVV valt hier weinig te zien .
  • Het tweede cluster bestaat uit PvdD, GroenLinks, PvdA en SP. Deze partijen delen een zachtere opstelling ten opzichte van integratie, zijn seculier, kiezen voor het milieu, en een linkse positie op economische onderwerpen. Het valt hier op dat GroenLinks dichtbij de SP staat, terwijl deze bij KiesKompas ver van elkaar verwijderd zijn.
  • Het derde cluster bestaat uit CDA, SGP en ChristenUnie. Dit zijn religieuze partijen. Ze zijn met name verdeeld op de horizontale dimensie met de linksere ChristenUnie in de buurt van PvdA en de rechtsere CDA in de buurt van de VVD.
  • D66 staat relatief alleen tussen de VVD en PvdA in en staat ver van het CDA.

Het lijkt als of er twee belangrijke scheidslijnen zijn in deze ruimte: een horizontale links/rechts-scheidslijn die PVV op rechts en SP op links scheiden. En een verticale religieus/seculier-scheidslijn die SGP scheidt van D66. Dit zijn de klassieke tegenstellingen tussen de Nederlandse partijen sinds het begin van de vorige eeuw.

3dd13
Hiernaast zie je een figuur met de eerste en de de derde dimensie. De derde dimensie scheidt D66 van de PVV. Daarbij staat de SP dichtbij de PVV en CDA dichtbij D66. Dit lijkt dus een scheidslijn te zijn die de populistische oppositiepartijen van de gevestigde hervormingspartijen scheiden. Je kan hierin iets van het hoefijzer model in zien waarbij de partijen van extreme partijen van links en rechts (De SP en de PVV) bepaalde politieke posities gelijk hebben. Deze "new politics"-dimensie is wel minder belangrijk dan de twee eerder genoemde dimensies over religie en economie.

3dd23
In deze laatste figuur zie je de tweede en de derde dimensie: de scheidslijn tussen religieuze en seculiere partijen (verticaal) en de populistische en gevestigde partijen (horizontaal).

Het model van het Kieskompas gaat er vanuit dat de tegenstelling tussen religieuze en seculiere partijen en de tegenstelling tussen populistische en hervormingsgezinde partijen gelijk lopen, maar dat is onterecht. Daarnaast geldt dat de tegenstelling tussen multiculturele en monoculturele partijen gedeeltelijk gelijk loopt met de tegenstelling tussen linkse en rechtse partijen.

Al met al moeten de posities van de partijen in het KiesKompas met een grote korrel zout genomen worden: partij positioneren zich niet consistent op de twee dimensies. Met name de verticale dimensie, waarin migratie en religie zijn opgenomen, is  de structuur van de antwoorden van de partijen niet consistent. Het idee dat de antwoorden van de PVV sterk lijken op de linkse partijen of dat er een groot verschil is in de antwoorden tussen GroenLinks en de SP, is ongegrond op basis van een preciezere analyse van de data, zoals hier gepresenteerd. We moeten dus voorzichtig zijn met het interpreteren van de partijposities op basis van het KiesKompas.

Een Gemengd Kiesstelsel?

Tijdens de spaarzame eerste uitslagen van de Britse verkiezingen gisteravond had ik een discussie over Twitter over de kiesstelselwijziging die D66 voorstaat. D66 wil een gemengd kiesstelsel met elementen van proportionele en districtsvertegenwoordiging, een gemengd kiesstelsel.

Stelsel_1

 In een variant hierop wordt de helft van de Tweede Kamer wordt gekozen in middelgrote districten en  de andere helft in een landelijk district. Dit lijkt op het Schotse kiesstelsel Hongaarse Kiesstelsel waarbij er wordt gewerkt met enkelvoudige districten. Als je dat in Nederland toepast op basis van de verkiezingen van 2006 (waarbij kiesgedrag niet strategisch hierop wordt aangepast en er geen lijstverbindingen zijn), zou je het resultaat van hiernaast kunnen krijgen. Echter ik heb geen enkelvoudige districten genomen maar Nederland in gedeeld in 5 districten met ongeveer 15 zetels. Dan zou de kamer er zo uit zien: 45 zetels voor het CDA (+4), 36 zetel voor de PvdA (+3): samen goed voor een meerderheid. VVD 24 (+3), SP 29 (+4) en PVV 10 (+1). Allemaal partijen die zetels halen uit de districten. GL en CU zouden 3 zetels halen (allemaal van de nationale lijst) en D66, SGP en PvdD 1. Dat is een variant die nog steeds een vrij disproportioneel resultaat oplevert.

Stelsel_3_2
De Duitse Bondsdag wordt met een ander stelsel verkozen. Hierbij wordt het zetelaantal dat een partij krijgt bepaald op basis van proportionaliteit en de personele invulling bepaald door districten. De helft van 598 zetels wordt verkozen op basis van districten. Op Landesniveau wordt bepaald hoe de delegaties eruit zien. Daarom ontstaan er soms overhangmandaten, als een partij meer districten heeft gehaald in dat land als dat er zetels zijn.
Op basis van de data die we hebben kunnen we hier iets op variëren: we volgen eenzelfde procedure, het zetelaantal wordt gebaseerd op basis van proportionaliteit en de personele invulling op basis van districten. Nu delegeren allebei echter 150 zetels. We delen Nederland in 10 districten met allemaal 15 afgevaardigden. Op basis van dit stelsel zijn er relatief veel overhangmandaten. CDA krijgt 50 zetels (+9), PvdA 40 (+7), VVD 25 (+4) en SP 29 (+4). Alle andere partijen halen evenveel zetels als nu; GL 7, CU 6, D66 3, SGP 2 en PvdD 2. Opnieuw zouden CDA en PvdA goed zijn een meerderheid (90 zetels).

De argumenten over betere band tussen kiezer en gekozenen in zo’n gemengd kiesstelsel vind ik niet zo interessant. Echter beide resultaten laten zien dat er wel iets anders kan ontstaan: door de uitslag een klein beetje disproportioneel te maken, kunnen er helderdere parlementaire meerderheden ontstaan.  Dat is misschien een beter probleem om de huidige instabiliteit op te lossen dan de invoering van een kiesdrempel.

Het GroenLinks Prisma: op democratie

Gisteren introduceerde ik het GroenLinks prisma als een manier om te GroenLinks posities te analyseren. En aangezien GroenLinks na moet denken over democratisering, is het interessant om vanuit de prisma GroenLinkse posities over democratisering te kijken.

Er is dus een groen, rood en blauw perspectief: groen stelt natuurlijkheid & duurzaamheid centraal, rood gemeenschap & solidariteit en blauw vrijheid & openheid.

  • Rood stelt waar het gaat om democratisering collectieve besluitvorming centraal: we willen samen beslissen over wat ons allemaal aan gaat. Uitbreiding van onderwerpen waarover democratische beslissingen gaan (radicale democratisering) en mensen een grotere stem geven (directe democratisering). Werknemers moeten meer invloed krijgen in bedrijven, bewoners in woningbouwcorporaties, leerlingen op scholen en patienten op ziekenhuizen. Burgers moeten ook meer invloed krijgen op de publieke zaak: door direct burgemeesters en presidenten te verkiezen, en in referenda mee te beslissen over cruciale onderwerpen. "Een democratische overheid moet borg staan voor het publieke belang."
  • Blauw stelt waar het gaat om democratisering individuele vrijheid centraal: burgerrechten moeten beter beschermd worden. Dat betekent dat we de rechtsstaat moeten versterken. Een centraal idee binnen een rechtsstaat is dat ongecontroleerde macht een gevaar is voor individuele vrijheid. Dus moeten we tegenmacht organiseren voor de machten: het kabinet moet beter gecontroleerd worden door het parlement; de politiek moet beter gecontroleerd worden door de rechterlijke macht. De overheid moet beter gecontroleerd worden door de media. "Iedereen moet worden beschermd tegen een wantrouwende en argwanende overheid."
  • Groen stelt waar het gaat om democratie de menselijke maat centraal: beslissingen moeten op het laagst mogelijke niveau plaats vinden. Dit betekent aan de ene kant dat besluitvorming op een natuurlijk niveau plaats vindt in de buurt van betrokkenen. Aan de andere kant betekent dit dat we klimaat- en milieuproblemen op juiste niveau moeten oplossen: sommige problemen zijn mondiaal dus die vereisen mondiale oplossingen, andere problemen zijn regionaal, dus die vereisen regionale oplossingen. Waterschappen zijn een prachtig voorbeeld van een "groene" bestuurslaag. Waterschappen trekken zich niets aan van kunstmatige grenzen maar passen zich aan aan natuurlijke grenzen, zoals de stroomgebieden van rivieren. Daarnaast zetten juist waterschappen zich in voor een gezonde leefomgeving.

Kortom: rood stelt directe, radicale democratie centraal, blauw stelt scheiding der machten centraal, en groen decentralisatie en subsidiariteit. Soms werken deze principes samen: directe democratisering werkt goed op het lokale niveau. Maar soms werken deze principes elkaar ook tegen: scheiding der machten betekent dat meerderheden soms moeten worden beperkt.