Deense Variant

Als er een Deense variant komt, een minderheidsregering van CDA en VVD, dan kunnen we wel eens heel snel een kabinet hebben. Programmatische overeenstemming tussen CDA, VVD en PVV is gemakkelijk te krijgen. En met twee partijen de taken in een kernkabinet verdelen: een peulenschil. Het kabinet zal er ongeveer zo uit zien:

  • Algemene Zaken – Opstelten: Rutte wordt het niet want dit is geen normaal kabinet. En Kroes wordt het ook niet want Rutte wil niet het verwijt krijgen dat hij zijn Tante uit Europa haalt. Dus wordt de Oom uit Rotterdam. Zou het niet ironisch zijn als niet de oud-burgemeester van Rotterdam premier wordt in plaats van de oud-burgemeester van Amsterdam. Dat zegt denk ik ook veel over de ideologische orientatie van het kabinet
  • Veiligheid (Binnenlandse Zaken, Integratie & Justitie) – Teeven: als de PVV niet in de regering komt is het aan de VVD en het CDA om PVV-achtige ministers te leveren. En binnen de VVD zijn er weinig politici PVV-achtiger dan Fred "Law & Order" Teeven.
  • Buitenlandse Zaken (Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking & Defensie) – Van Baalen: Een van de weinig politici in de VVD die meer PVV-achtig zijn dan Teeven is Hans van Baalen.
  • Economische Zaken (Economische Zaken & LNV) – Aptroot: weer een VVD'er van de rechtse lijn.
  • Sociale Zaken & Zorg (SZW, VWS & Jeugd en Gezin) – Schippers: de tweede vrouw van de VVD, een van de trouwe secondanten van Rutte, en een specialist op deze onderwerpen.
  • Onderwijs (OCW) – Van Bijsterveldt: het CDA partij van rust en stabiliteit zal proberen zoveel mogelijk de huidige ministers te behouden op hun huidige posten.
  • Ruimtelijke Ordening (VROM & V&W) Verburg: nu minister van Landbouw, maar kan prima doorschuiven naar deze post.
  • Financien (Financien) De Jager: stabiliteit en rust zeker op het gebied van financiën. Wordt tevens vice-premier.

Veel conservatieve VVD'ers dus op cruciale posten. Dat betekent dat de CDA'ers duidelijk het sociale geweten van het kabinet zal moeten zijn.

Partijvoorzitterswerk

Ruud Koole schreef een boek over zijn periode als voorzitter
van de PvdA. Het boek geeft een bijzonder inzicht
in de functie van partijvoorzitter. En dan gaat het niet om zo maar een
voorzitter van zo maar een partij, maar om de voorzitter van de PvdA: een van
de machtigste voorzitters van een van de machtigste partijen.

Ik vond het een fascinerend boek. Ten eerste omdat het laat zien wat voor'n marginale functie een partijvoorzitter heeft. Koole is verkozen door het partijcongres als de kandidaat van buiten. Een linkse sociaal-democraat met een hart voor de interne democratie. En het is een relatief invloedrijke functie: de voorzitter van de PvdA zit overal bij. Maar in de periode 2001-2002 wordt Koole overal buiten gehouden. Dit komt nog
het mooist tot uiting in bijna tragi-komische passage in het boek: Koole komt een
keer vroeg op het partijbureau aan. En hij komt er achter dat in zijn kamer de
rest van het campagneteam een overleg heeft: zonder hem, zonder dat hij dat
wist. Koole gaat er gewoon bijzitten: immers het is zijn kamer. Zeker in de
eerste campagne (2002) wordt Koole voortdurend geconfronteerd met faits
accomplis, besluiten achter zijn rug om, en allerlei mensen die buiten de
partijvoorzitter om zich met de campagne bemoeien.

Ten tweede omdat het laat zien hoe je van een relatief marginale
functie wel iets kan maken. Koole grijpt zijn kans bij de moord op Pim
Fortuyn. Die zorgt binnen het PvdA campagne team voor een grote
paniek. De campagne wordt opgeschort. De partij is in paniek. Niemand
weet wat hij moet doen. Koole maakt van dit punctuated equilibrium
gebruik om meer macht naar
zich toe te trekken. Melkert verdwijnt van het toneel, Jeltje wordt
partijleider ad interim, er komt een lijsttrekkersverkiezing. Hij leidt
de zeer succesvolle campagne van 2003. Precies zoals
Koole wou.

Ten derde omdat het een mooi inzicht geeft in hoe politieke processen verlopen: het is mensenwerk, met menselijke fouten. Tijdens het debat in de Eerste Kamer over de gekozen burgemeester (de nacht van Van Thijn) hadden Van Thijn en Noten hun telefoon uit staan. Ze waren dus onbereikbaar voor Koole en Bos, als zij wel contact hadden kunnen leggen hadden zaken wel eens ander kunnen verlopen.

Ten vierde omdat het een mooi perspectief geeft op de recente Nederlandse politieke geschiedenis vanuit het perspectief van de PvdA. Koole is aanwezig bij de fractie, het
bewindspersonenoverleg, het "Wim-Ad-Ruud" overleg. Daar wordt voortdurend de
kwestie van de dag besproken. Dat leidt tot  minutieuze verslagen van wat Koole’s visie was op het debat
in de PvdA op allerlei kwesties. Met name internationale kwesties: 9/11, de
oorlog in Afghanistan, de aanschaf van de JSF, de inval in Irak, het
referendum over de Europese grondwet. Natuurlijk valt hier wel iets op af te dingen: Nederland is op wereldschaal al een
tamelijk onbelangrijke speler. In
de periode 2001-2007 was de PvdA niet de dominante partij. En binnen die partij
is Koole weer niet de machtigste persoon. 

Ten vijfde, omdat het laat zien hoe bijzonder precair de verhouding tussen partij, fractie en de media is. Meer dan bij andere partijen is de
voorzitter van de PvdA een gezicht naar buiten. Steevast stapt Koole in de val dat journalisten ieder
constructief-kritisch punt dat hij maakt over de lijsttrekker groots
uitmeten.
Journalisten zijn maar naar een ding op zoek en dat is conflict binnen
de
partijtop van de PvdA. En steevast leidt het bewuste interview ook tot
een
conflictje tussen partijvoorzitter en de fractievoorzitter. Retrocausaliteit
laten we maar zeggen.

Zeker een aanrader dus voor iedereen die wil begrijpen hoe partijen intern functioneren.

Het Rode, het Blauwe of het Groene Geluk?

Mijn bezoek aan Het Schip in Amsterdam heeft mijn interesse in volkshuisvesting sterk gestimuleerd. Daarom heb ik Het Rode Geluk van Jos van der Lans gelezen. Het is een geschiedenis van wat ooit een van de grootste woningbouwverenigingen van Amsterdam was: de Algemene Woningbouw Vereniging. Het fascinerende aan volkshuisvesting is dat het naadloos aansluit bij de groene, rode en blauw agenda van GroenLinks.

Het Rode Geluk vertelt de geschiedenis van de sociaal-democratische woningbouwvereniging. In de beginjaren veranderde AWV het leven van arbeiders in Amsterdam radicaal: daarvoor woonde arbeiders in erbarmelijke omstandigheden, in kleine kamers van huisjesmelkers in krottenbuurten. Deze aflevering van Andere Tijden geeft een goed beeld van het leven in Amsterdam voor de sociale woningbouw. De AWV bouwde goede, volwaardige en betaalbare huurhuizen voor arbeiders. Maar de AWV bood meer dan een huis: het was een volwaardig deel van een de socialistische zuil. Als de arbeiders van hun werk terugkeerden naar hun arbeidershuisjes werden ze meteen opgenomen in het socialistische verenigingsleven, waar de woningbouwverenigingen een belangrijk onderdeel van waren. En zelfs na hun werkzame leven konden ze bij de AWV in een bejaardenhuis terecht. Zo bouwde de AWV mee aan het socialistische gemeenschapsleven.

Maar het boek geeft ook een mooi beeld van de Amsterdamse gemeentepolitiek: de PvdA heeft altijd de Amsterdamse politiek gedomineerd maar in de jaren '70 vindt er een dramatische verandering plaats in het linkerblok. De PvdA en de CPN hadden altijd grote bouw- en stadsvernieuwingprojecten gesteund. Maar in de jaren '70 ontstaat er onder de bevolking grote tegenstand tegen het slopen van delen van de oude binnenstad voor nieuwbouw en metrolijn. Plotseling zijn grote stadsvernieuwers die in de traditie van Wibaut staan, regenten, bestuurders en technocraten. Ze staan tegenover de buurten en sociale bewegingen als de Provo's, de Kabouters en de krakers. Deze weten zich politiek vertegenwoordigd door de Nieuw Linkse stroming binnen de PvdA, de PSP en de PPR die in de jaren '70 Roel van Duyn als wethouder levert (in En Tranen beschrijft Van Duyn zijn (verloren) strijd als wethouder tegen de Amsterdamse regenten). Zij eisen democratisering van de bouwprojecten, meer invloed en inspraak van bewoners op wat er in hun leefomgeving gebeurd. De stad moet leefbaar blijven en dat vereist een kleinschaligere opzet, die meer van de oude stad instandhoudt.

Wat mij fascineert aan volkshuisvesting is dat het zo'n breed spectrum aan onderwerpen beslaat. Dat komt in Het Rode Geluk ook naar voren. Dat had ik al gemerkt bij het schrijven van het Leidse verkiezingsprogramma:

  • Aan ene kant past het onderwerp prima in de rode, sociale agenda van GroenLinks: dan gaat het om goede levensomstandigheden, om betaalbare huren, en de ontwikkeling van gemeenschappen.
  • Maar ook juist in de groene stroming speelt huisvesting een belangrijk rol: dan gaat het niet alleen om energiegebruik, isolatie en duurzaam bouwen, maar ook juist om de ontwikkeling van groene, levende, menselijke steden.
  • Op verschillende manieren sluit volkshuisvesting ook goed aan bij de blauwe agenda van GroenLinks, gericht op een open samenleving: het gaat om inspraak en invloed die mensen uit kunnen oefenen op hun eigen leefomgeving, maar ook om de manier waarop een stad in ruimtelijke zin omgaat met de verschillen tussen bevolkingsgroepen en gevoelens van onveiligheid (niet voor niets is Wonen nu gekoppeld aan het onderwerp Integratie). En ten slotte kunnen gebouwen prachtige voorbeelden zijn van toegepaste kunst: er zijn in mijn ogen weinig dingen zo mooi als die stukken van Amsterdam Zuid en Amsterdam West die zijn neergezet door woningbouwcorporaties in de jaren '20. Er zijn weinig onderwerpen waarin Groen, Sociaal en Open op zo'n mooie manier allemaal samen komen.

Westwood …

Dit weekend heb ik Deadwood afgekeken: een serie over een dorpje in het Wilde Westen tijdens de Goldrush. Niet helemaal mijn genre, cowboys, sherrifs en indianen. Maar eigenlijk gaat de serie over een samenleving zonder wetten en politieke autoriteiten die langzaam wordt opgenomen in de beschaafde Verenigde Staten.

De serie opent met de aankomst van Bosh en Alma Garret in het dorp. Ze worden door de lokale kroegbaas Al Swearengen opgelicht: hij verkoopt ze een stuk land, waarin hij claimt dat er veel goud zou zitten, maar dat lijkt niet zo te zijn. Bosh, die daarachter komt wordt vermoord door een van Swearengen's mannen. Zijn vrouw Alma erft het land en zij komt er achter dat het wel vol met goud zit. In het eerste seizoen is zij druk bezig om haar nieuw gevonden belangen te verdedigen met hulp van Seth Bullock tegen Swearengen in. Swearengen heeft het hele dorp in zijn macht: hij stuurt de prostitutie, de drugshandel, de burgemeester is een van zijn minder slimme mannen (E.B. Farnum), en als er een rechtzaak moet komen zorgt hij ervoor dat de uitkomst gunstig is voor zijn belangen.

In het tweede seizoen komt er een concurrent het dorp in: George Hearst, een man die een heel imperium aan goudmijnen heeft in de VS. Hij stuurt eerst wat van zijn mannen om de boel te verkennen. De bewoners van Deadwood geven hem alle ruimte. In seizoen drie komt hij zelf naar het kamp: hij heeft zijn oog op het land van Garret en wil dat verkrijgen. Er broeit een onrustige sfeer in het dorp. Swearengen, Bullock en Garret verenigen zich met elkaar tegen Hearst. Hearst zet zware middelen in: hij laat de verkiezingen (die er van de Amerikaanse overheid moeten komen) manipuleren, laat Swearengen's vinger er af hakken en laat Garret's tweede man vermoorden. Een groot gevecht tussen de mannen van Swearengen tegen de mannen van Hearst dreigt. Garret besluit haar land te verkopen aan Hearst en deze vertrekt en laat het dorp in relatieve vrede achter.

De serie is gebaseerd op waar gebeurde feiten: Bullock, Hearst, Swearengen hebben allemaal bestaan. Er is echter wel een flinke dosis fictie aan toevoegd. Daar komt nog bij dat de serie is gecancelled. Dus het natuurlijke einde dat ik hier beschrijf is niet het echte einde. De vraag rijst: wat is de boodschap van deze serie?

Het centrale verhaal lijkt te gaan over hoe mensen met elkaar om gaan in een samenleving zonder wetten of moraal. Er is wel een Christelijke moraal, maar de lokale priester (Smith) wordt door niemand serieus genomen. Er is ook een sherrif en een burgemeester maar hun handelen is allemaal onderworpen aan de echte wetten in Deadwood: die van geweld, van geld en van seks. Met geld en geweld kan je alles krijgen in Deadwood. Er wordt gedronken, gegokt, gescholden, gespoten, er zijn prostitutees te over. En omdat er in land met goud wordt gehandeld is er ook vol op geld. En wie geld heeft, heeft macht: zeker Hearst en zijn mannen wordt een lange tijd de hand boven het hoofd gehouden, omdat hij mensen weet te binden met de belofte van geld. De politici laten allemaal hun oren hangen naar de macht van geld en geweld.

Niemand wordt echt gebonden door morele regels of morele overwegingen. Als hun belangen zo liggen dan werken Swearengen en Garret samen, terwijl de eerste de man van de tweede heeft laten vermoorden. Het enige wat telt is hoe de belangen van mensen beschermd kunnen worden. In deze "natuurstaat" zonder wettelijke of morele beperkingen is er duidelijk een consequentialistische, hedonistische ethiek. Mensen richten zich op hun eigen belang. De morele superioriteit van de witte Christelijke man dient de macht en dus viert anti-semitisme, mysogynie en racisme.

Deze "natuurstaat" wordt gesteld tegenover de Verenigde Staten. Langszaam komt de beschaving dichterbij. Maar dat komt in de vorm van de grotere schurk Hearst, corrupte politici en perverse geologen. Juist ook in de beschaafde wereld zijn geld en geweld dominant. Hearst zorgt er voor dat de politieke macht naar Deadwood komt om zijn belang te dienen. Er is helemaal geen tegenstelling tussen de beschaafde orde en de chaotische natuurstaat. In beide tellen dezelfde regels: die van geld en geweld.

Luis, Brug, Blik of Kweekvijver?

Voor DWARS hield ik vandaag een verhaal bij de nieuwe ledendag over de geschiedenis van DWARS. Daarbij kwam ik het onderstaande verhaal tegen over de functies van PJO's, dat mooi op dit weblog past.

Politieke
Jongerenorganisaties
(PJOs) vervullen verschillende functies in het
democratische bestel. Zo bemoeien ze zich met de politieke lijn van de
moederpartij, zijn ze een kweekvijver voor jonge talenten, voeren ze campagne
en ze onderhouden ze contacten met maatschappelijke organisaties. Hier zal
gekeken worden deze functies van PJOs en de performance
van DWARS in deze functies vroeger en nu. De functies van PJOs zullen worden afgeleid van de
functies van politieke partijen in een democratie en de functies binnen
politieke partijen. Er zullen vier functies van PJOs onderscheiden worden:
kweekvijver, blik vrijwilligers, kritische luis en brugfunctie. Nadat deze
functies kort zijn toegelicht zal ik kijken hoe, wanneer en in welke mate DWARS
deze functies heeft gehad.

Grofweg zou je
kunnen stellen dat een politieke partij een vereniging mensen is die er op gericht
is om via verkiezingen politieke posities te verkrijgen om zo een
gemeenschappelijk programma uit te voeren. Hierin zie je meteen drie
belangrijke functies binnen politieke partijen: het opstellen van een
gemeenschappelijk politiek programma, het voeren van verkiezingscampagnes en
het verkrijgen van kandidaten voor politieke functies. Een vierde functie zou
ik hier nog aan toe willen voegen, die met al deze functies samen hangt: het
onderhouden van banden met de samenleving. Deze vier functies hangen sterk
samen met de functies van politieke partijen binnen de democratie: in het
mobiliseren van kiezers bij verkiezingen; het uitdragen van de belangen van
bepaalde groepen; en het recruteren van politieke leiders. Aan ieder van de
bovengenoemde functies van partijen zijn functies van PJOs verbonden.

  • Blik vrijwilligers: in het vervullen van
    de campagne functie van politieke partijen kunnen PJOs een belangrijke
    rol
    spelen: ze kunnen vrijwillgers mobiliseren. Jongeren hebben meer tijd
    dan de
    meeste volwassenen en zijn energiek en enthausiast. Bij de uitvoering
    van de
    campagne op de straat en in de wijken kunnen jongeren, georganiseerd in
    PJOs
    een belangrijke functie spelen.

  • Opleidingscentrum: een PJO biedt ook een
    plek voor jongeren om te de politiek te leren kennen, hun eigen talenten te
    testen en het politieke handwerk te leren kennen. Een PJO kan zo een
    opleidingscentrum zijn voor partijen en hun zo helpen bij het scoutings-,
    selectie- en scholingsfunctie, door politieke talenten te vinden en hun
    ervaring op te laten doen. JOVD (VVD), JS (PvdA) en het CDJA (CDA) en ROOD (SP)
    zijn in dit opzicht uitermate succesvolle PJOs: een oud-JOVD voorzitter is nu
    partijleider, een oud-JS voorzitster was  staatssecretaris op OCW, een oud-ROOD voorzitster is nu kamerlid.

  • Luis in de Pels: De meeste PJOs hebben
    een stem in de Tweede Kamerfractie en op het congres en kunnen zo de politieke
    besluitvorming beinvloeden. Zij kunnen het programma bijsturen door
    amendementen op het programma. Vaak staan de zijn de idealistische jongeren
    radicaler dan hun moederpartij. Ook kunnen zij erop toe zien dat de fractie dit
    ook uitvoert.
  • Brug: PJOs kunnen ook een brug vormen
    tussen de partij en de buitenwereld. Zij bedrijven geen partijpolitiek en
    kunnen zo dichter komen bij maatschappelijke organisaties en sociale
    bewegingen. PJOs kunnen gemeenschappelijke events, acties en campagnes
    organiseren met (jongerentakken van) vakbonden of de milieubeweging. Hiermee
    kunnen ze de banden tussen de politiek en de samenleving versterken.

DWARS heeft in
de loop van de tijd verschillende functies binnen GroenLinks gespeeld.

  • Wel bruggenhoofd, maar geen brug: Tussen
    1991 (oprichting) en 1996 beschouwde DWARS zich als een onderdeel van de
    actiebeweging en stond ze met twee voeten in de kraakbeweging. In die zin was
    ze een GroenLinks bruggenhoofd in
    deze sociale beweging. Echter de relatie met GroenLinks was zo slecht dat je
    zou moeten stellen dat zij een bruggenhoofd bleef en geen brug was. Als DWARS
    zich vanaf 1996 meer met GroenLinks gaat bemoeien verliest zij ook haar banden
    met de krakersbeweging. Een opvallend moment in deze zin is het aftreden van
    Rutger van Dool in 2004 omdat hij te veel
    sympathiseert met het radicale deel van de dierenrechtenbeweging. Op de
    Nederlandse Sociale Fora die in 2004 en 2006 georganiseerd worden als
    ontmoetingspunt voor de linkse actiebeweging voelde DWARS zich niet op haar
    plaats. DWARS heeft dan een steving bruggenhoofd in GroenLinks maar geen banden
    meer met de actiebeweging.
  • Van Luis naar Schild: Vanaf 1999 had
    DWARS een schaduwfractie, die erop gericht was de luis in de pels van GroenLinks politiek te zijn. DWARS slaagt er
    steeds beter in dingen binnen GroenLinks voor elkaar te krijgen. Het beste
    voorbeeld is dat DWARS de steun van GroenLinks voor de oorlog in Afghanistan
    wist op te schorten door een petitie onder partijleden in 2001. Bij Vrijheid Eerlijk Delen speelt DWARS een
    andere rol: niet de luis in de pels van de partijtop, maar als schild van de partijleider tegen
    kritiek. DWARS is niet kritisch over GroenLinks, maar over Kritisch GroenLinks.
  • Van
    Ondanks naar Dankzij:
    Voor GroenLinksgezinde ambitieuze jongeren was er tot
    2006 een aparte organisatie het Jongerennetwerk. Uit deze periode zijn weinig
    prominente DWARS’ers op spilfuncties terecht gekomen, Judith Sargentini is de enige uitzondering. En in haar geval bereikte ze de functie van fractievoorzitter en lijsttrekker in het Europees Parlement eerder ondanks DWARS dan dankzij DWARS. Uit de
    huidige generatie DWARS’ers vinden een aantal opvallend snel, dankzij hun
    tijdens DWARS gemaakte contacten en opgedane ervaring, doorgang binnen
    GroenLinks landelijke en lokaal. Ook zijn het steeds meer al actieve jonge
    GroenLinks raadsleden die bij DWARS landelijk GroenLinkse politiek willen
    bedrijven. Als DWARSsecretaris Jesse Klaver op landelijke politiek verklaart
    dat hij als ambitie heeft politiek leider van GroenLinks te worden, dan is het
    duidelijk dat DWARS gezien wordt als de plek om ervaring en contacten op te
    doen om verder in GroenLinks te komen.
  • Van
    actie naar campagne:
    DWARS’ers konden altijd goed actievoeren, als
    onderdeel van de kraakbeweging, dat deden zij echter niet voor GroenLinks.
    Steeds meer is DWARS minder actiegericht geworden en meer GroenLinks gericht.
    Bij de laatste verkiezingen zijn het juist DWARS’ers die actief zijn in het
    campagneteam van GroenLinks en zijn het leden van het GroenLinkse campagneteam
    die meer bij DWARS gaan doen.

Aan de ene kant lijkt DWARS als PJO sterk genormaliseerd: meer steun bij de GroenLinks campagne, meer DWARSkandidaten. Maar in de twee andere functies lijkt DWARS minder normaal: DWARS is geen luis in de pels en geen brug tussen partij en maatschappij. Al met al is DWARS sterk verGroenLinkst.

Filosofie & Politicologie

Regelmatig zit ik te puzzelen aan een het idee voor een opleiding politieke filosofie. Een opleiding in de lijn van de OxBridge Politics, Philosophy & Economy. Dat zou een brede opleiding zijn die gericht is om academici te trainen die normatieve vraagstukken zouden kunnen beantwoorden maar ook oog hebben voor hoe politieke processen werken.

Zo'n opleiding zou moeten bestaan uit een deel politicologie, een deel filosofie en een deel verdieping dat tussen deze vakken inzit.

Politicologie verschilt van disciplines als natuurkunde, psychologie of economie: er is niet een geaccepteerde theoretische benadering, er is een grote diversiteit aan vragen die beschouwd worden als politicologisch en veel verschillende politicologische methoden.Twee belangrijke verschillen is het verschillen tussen de focus van de politicologie en de locus van de politicologie. De focus is de theoretische benadering van het politieke proces en de locus is het niveau waar de politieke besluitvorming plaats vindt. Daarnaast is er in de politicologie als empirische discipline een veelvoud van methodologische benaderingen.

Er zijn vier belangrijke foci binnen de politicologie, dat zijn manieren om naar politieke processen te kijken en ze te verklaren.

  • Politieke psychologie: politieke psychologie benadert politieke processen als processen waar individuen aan mee doen die allemaal eigen psychologische drijfveren hebben. Als we deze drijfveren begrijpen kunnen het gedrag van politici of kiezers begrijpen. Deze subdiscipline hangt sterk samen met psychologie maar ook met communicatiewetenschappen. Kiesgedrag wordt door politiek psychologen verklaard door te kijken naar de psychologische behoeften (zekerheid, angst, protest) die kiezers proberen te vervullen door op een bepaalde partij te stemmen.
  • Rationele keuzetheorie: rationele keuze theorie is ook manier om individueel gedrag te verklaren. Maar nu wordt het verklaard door te kijken naar hoe individuen zouden moeten handelen als ze rationeel zijn. Deze subdiscipline hangt sterk samen met de economie. Kiesgedrag wordt door rationale keuzetheoretici verklaard door te kijken naar de plek die partijen en kiezers in een politieke ruimte hebben: een kiezer kiest voor de partij die het dichtstbij hem staat.
  • Institutionalisme: institutionalisme verklaart gedrag door te kijken naar de instituties waarbinnen politieke processen plaats vinden. Instituties bepalen de voorkeuren en verwachtingen van individuen bepalen en beperken hun gedrag. Deze subdiscipline staat dichtbij geschiedenis en sociologie. Kiesgedrag wordt door institutionalisten verklaard door te kijken naar bij welke groep een individu hoort (religie, klasse) en hoe de groep traditioneel stemt.
  • Politieke filosofie: politieke filosofie is zelf weer subdiscipline van politicologie. Het verschilt van de drie eerdere disciplines dat zij niet zo zeer probeert bepaalde politieke processen te verklaren, maar probeert te kijken hoe bepaalde politieke institituties gerechtvaardigd kunnen worden. Hierbij kan gekeken worden naar het denken van verschillende historische denkers (Plato of Rousseau) of naar het hedendaagse debat over specifieke onderwerpen (milieu of democratie).

Er zijn twee loci in de politicologie: niveau waarop politieke besluitvorming plaats vindt:

  • het internationale niveau: het internationale niveau betreft beslissingen die gemaakt worden tussen staten of op een bovenstatelijk niveau. Dat kan gaan om beslissingen binnen internationale instituties (zoals de Verenigde Naties of de Europese Unie) of juist beslissingen tussen staten onderling.
  • het nationale niveau: het nationale niveau betreft beslissingen die wordt gemaakt binnen nationale staten. Hierbij spelen de traditionele politieke actoren (parlementen, kabinetten, presidenten, kiezers, partijen, maatschappelijke organisatie) een belangrijke rol. Men kan zich hierbij richten op de geschiedenis van een politiek stelsel of institutie of een vergelijking tussen verschillende instituties.

Daarnaast zijn er binnen de politicologie een aantal belangrijke onderscheiden tussen methodologische benaderingen:

  • kwantitatief: een kwantitatieve benadering probeert politiek gedrag te verklaren door van veel casussen dat te verzamelen en deze statistisch te analyseren. Data kan verzameld worden uit documenten (verkiezingsprogramma's) informatie te halen (door deze te coderen) of door onder veel deelnemers vragenlijsten te verspreiden en deze te analyseren.
  • kwalitatief: een kwalitatieve benadering probeert politiek gedrag te begrijpen door naar enkele casussen te kijken en deze in een precieze analyse met elkaar te vergelijken. Je kan een verandering over tijd bestuderen in een enkele casus, of twee casussen met elkaar vergelijken. Data kan verzameld worden door documenten precies te lezen, door in diepte interviews te houden met enkele deelnemers of door zelf aan een politiek proces deel te nemen.

De filosofie is even zo een veelzijdige discipline, die verschilt van andere disciplines doordat zijn niet probeert processen te begrijpen of te verklaren, maar antwoorden probeert te geven op vragen die andere disciplines niet kunnen beantwoorden. Binnen de filosofie is er een onderscheid tussen een historische benadering en een thematisch benadering. Er zijn ook twee belangrijke methoden.

Historisch gezien kan er een onderscheid worden gemaakt tussen vier periodes binnen de filosofie (en westerse geschiedenis):

  • klassieke filosofie: de eerste filosofen komen uit de klassieke tijd, Plato en Aristoteles zijn de belangrijkste klassieke filosofen. Hun werk betreft alle thema's van de filosofie, waarvan de indeling nog steeds gebaseerd is op die van Aristoteles
  • middeleeuwse filosofie: met de opkomst van het Christendom ontstaat er een nieuwe vorm van filosofie. Door de val van het Romeinse Rijk gaat veel klassieke filosofische kennis verloren. Als geleidelijk klassieke kennis terug komt moeten filosofen proberen om het Christendom en de filosofie met elkar te verenigen. Klassieke filosofen bij uitsterk zijn Thomas van Aquino en Augustinus.
  • moderne filosofie: bij Descartes ontstaat er een scheiding in de filosofie. Het middeleeuwse maar ook het klassieke denken blijkt niet aan te sluiten bij de groeiende kennis over de werkelijkheid. Er ontstaan een aantal belangrijke vragen over kennis en moraliteit. Door Kant worden een aantal definitieve antwoorden gegeven, waarop een redelijk stille laat-moderne tijd volgt.
  • hedendaagse filosofie: er zijn nog steeds veel debatten en onbeantwoorde vragen tussen filosofen die nu moeilijk te ordenen zijn.

Er zijn een aantal belangrijke, samenhangende thema's binnen de filosofie:

  • ethiek & politieke filosofie: deze disciplines kijken naar de rechtvaardiging van individuele beslissingen (ethiek) of maatschappelijke instellingen (politieke filosofie).
  • epistemologie & wetenschapsfilosofie: deze disciplines kijkt naar de vraag hoe we kennis en specifiek wetenschappelijke kennis kunnen rechtvaardigen.
  • filosofische antropologie & filosofie van de cultuur: deze disciplines kijken naar hoe mensen functioneren in de samenleving, met een focus op dan wel de individuele mens of de samenleving, Meer dan de andere disciplines proberen deze disciplines de samenleving te beschrijven en gedrag te verklaren.
  • metafysica & filosofie van de geest: metafysica kijkt naar de manier waarop de werkelijkheid bestaat en filosofie van de geest richt zich dan bijzonder op het opmerkelijke fenomeen van de menselijke geest.

Er zijn grofweg twee manieren om filosofische vragen te benaderen:

  • logica: hierbij worden redeneringen bestudeerd door te kijken naar de samenhang tussen individuele argumenten en argumentatieve structuren. Het probeert te kijken of een redenering valide is: of de conclusie volgt assumpties.
  • hermeneutiek: hierbij is de interpretatie van teksten centraal. Zo staat niet de individuele redenering centraal maar de tekst zelf en de context. Het doel is begrijpen wat de tekst daar werkelijk zegt.

Een goede opleiding filosofie & politicologie zou niet alleen maar deze twee lijsten samen moeten voegen maar juist kijken naar de normatieve elementen in de politicologie en de politieke elementen in de filosofie.

Binnen de filosofie lijkt me dit gemakkelijk. Je zou het geheel kunnen reduceren tot tien echt filosofische vakken, met waarin politieke elementen worden versterkt

  • Geschiedenis van de politieke filosofie I Klassieke Politieke Filosofie: dit vak zou zich met name richten op het denken van Plato en Aristoteles, met ruimte voor denkers als Cicero. Hierin staat de relatie tussen de burger en staat centraal.
  • Geschiedenis van de politieke filosofie II Middeleeuwse Politieke Filosofie: dit vak zou zich met name moeten richten op het denken van Aquino en Augustinus, met ruimte voor figuren uit de renaissance en de reformatie als Erasmus en Luther. Hierin staan de relatie tussen de kerk, de burger en de staat centraal.
  • Geschiedenis van de politieke filosofie III Vroeg-Moderne Politieke Filosofie: dit vak zou zich met name moeten richten op het denken van Hobbes, Locke en Rousseau. Centraal staat het sociaal contract als manier om vorm te geven aan de relatie tussen burger en staat.
  • Geschiedenis van de politieke filosofie IV Laat-Moderne Politieke Filosofie: dit vak zou zich met name moeten richten op het denken van Marx en Mill, met ruimte voor figuren als Smith, Hegel en Bentham. Centraal staat de relatie tussen de burger, de markt en de staat. Het centrale debat is tussen socialisten en liberalen.
  • Benaderingen in de filosofie I Ethiek: ethiek legt de basis voor de politieke filosofie. Veel politiek filosofische benaderingen hebben hun basis in de ethiek. Er zal hier gekeken worden naar de drie centrale benaderingen in de ethiek: utilisme, deontologie en deugdethiek.
  • Benaderingen in de filosofie II Filosofie van de sociale
    wetenschappen
    : de laatste benadering richt zich niet op de politiek
    maar op de politicologie. Er zijn specifieke vragen en specifieke
    problemen binnen de sociale wetenschappen waar zeker filosofische
    onderlegde filosofen kennis van moeten hebben.
  • Benaderingen in de filosofie III Meta-Ethiek: meta-ethiek (een tak van de ethiek die deels leent van de metafysica) bestudeert de aard van ethische eigenschappen als goed en fout. Ook moet er in deze cursus ruimte zijn voor de psychologie van morele oordelen.
  • Benaderingen in de filosofie IV Post-Moderne Politieke Filosofie macht, mens en maatschappij: veel anthropologische en cultuurfilosofische benaderingen richten zich op macht, en de relatie tussen mens en maatschappij. Dit is dus een meer empirische benadering van politieke filosofie
  • Methoden in de filosofie I Logica: dit vak richt zich op de klassieke logica.
  • Methoden in de filosofie II Hermeneutiek & Retorica: dit vak richt zich op het lezen en interpreteren van teksten en het houden van filosofische debatten.

Binnen de politicologie is het lastiger om de filosofische, normatieve vragen overal terug te laten komen, zeker omdat in de debatten in de politicologie empirische onderbouwing noodzakelijk is. In mijn ogen moet er ruimte zijn voor tien vakken:

  • Internationale politiek I instituties en staten: dit vak richt zich op de internationale politiek: het kijkt naar de relaties tussen staten, conflict en samenwerking, waar het gaat om veiligheid en handel en heeft aandacht voor internationale instellingen, in het bijzonder de Europese Unie.
  • Internationale politiek II theoretische vraagstukken: dit vak richt zich op de theoretische debatten die er zijn in de internationale politiek, de controverses tussen realisten, idealisten & liberalen, constructivisten, rationalisten en marxisten. Hier liggen genoeg met name wetenschapsfilosofische vragen.
  • Vergelijkende analyse van politieke stelsels I instituties en staten: dit vak kijkt naar de politieke instellingen in verschillende landen, met een bijzondere aandacht voor Nederland, maar ook de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Polen, Frankrijk, Duitsland, Italie, Spanje en Zweden.
  • Vergelijkende analyse van politieke stelsels II Evaluatie van de democratie: dit vak kijkt naar het functioneren van de democratische stelsels en de verschillen tussen bepaalde democratische stelsels, zoals het onderscheid tussen consensus en majoritaire democratieen.
  • Benaderingen in de Politicologie I Inleiding: hierin worden de drie belangrijkste empirische benaderingen van de politicologie ingeleid.
  • Benaderingen in de Politicologie II Rationele Keuze Theorie:
    zowel binnen de politieke filosofie als binnen de politicologie speelt
    de rationele keuze theorie een belangrijke rol. Centraal hierin staat
    hoe mensen zouden moeten handelen, in principe een normatieve vraag, die
    ook empirische toepassingen heeft. Dat vereist dus extra verdieping van dit vak.
  • Rechten: alhoewel rechten geen onderdeel is van de politicologie hebben we dit vak wel expliciet genoemd binnen het politicologische curriculum omdat het zo relevant is voor politicologische als politiek-filosofische vraagstukken. Dit vak richt zich in het bijzonder op staatsrecht.
  • Economie: economie is ook geen subdiscipline van de politicologie maar wel een empirische benadering die bijzonder relevant is voor diegenen die geinteresseerd zijn de rationele keuze theorie, politiek-economische besluitvorming en vragen van verdelende rechtvaardigheid. Dit vak richt zich in het bijzonder op macro-economie.
  • Methoden in de Politicologie I Kwantatieve benaderingen: dit vak richt zich op kwantitatieve methoden van dataverzameling en data-analyse.
  • Methoden in de Politicologie II Kwalitatieve benaderingen: dit vak richt zich op kwalitatieve methoden van dataverzameling en data-analyse.

Met deze 20 vakken zouden de eerste twee jaar van het curriculum gevuld moeten kunnen worden: 10 vakken per jaar, 5 vakken per semester. De vier methodenvakken zouden een track kunnen vormen, net als de vier historische vakken, de vier-locusvakken, de vier focusvakken, en de vier thematische vakken.

Een type onderwerpen is dan nog niet behandeld: de thematische benadering van de politieke filosofie. In mijn ogen een goede afsluiting van de opleiding (naast de scriptie met een empirische en een filosofische vraag). Je zou het thematische veld kunnen indelen in vier centrale thema's

  • Thema's in de Hedendaagse Politieke Filosofie I Verdelende Rechtvaardigheid: dit vak richt zich op het hedendaagse debat over verdelende rechtvaardigheid. Een discussie tussen linkse en rechtse liberalen, zoals Nozick, Rawls, Sen en Dworkin. Hierin staat de vraag centraal hoe we aan gelijkheid recht doen. Kennis van economie, laat-moderne politieke filosofie en rationele keuzetheorie is hiervoor vereist.
  • Thema's in de Hedendaagse Politieke Filosofie II Individu & gemeenschap: dit vak richt zich op het hedendaagse debat tussen liberalen, communitaristen, multiculturalisten en feministen over hoe individu en gemeenschap zich tot elkaar zouden moeten verhouden. Kennis over vroeg-moderne politieke filosofie en het denken binnen de politicologie over individu en gemeenschap (benaderingen in de politicologie I) zijn hierbij vereist
  • Thema's in de Hedendaagse Politieke Filosofie III Democratie: dit vak richt zich op het hedendaagse debat over hoe de democratie moet worden ingericht.. Er is een veelvoud van democratietheorieen, waaronder de liberale en republikeinse. Kennis van vroeg-moderne politieke fllosofie, en politicologische democratie-theorieen zijn hiervoor vereist.
  • Thema's in de Hedendaagse Politieke Filosofie IV Rechtvaardigheid zonder Grenzen: dit vak richt zich op het debat over rechtvaardigheid in een globaliserende wereld, dat betekent dat er aandacht is voor wereldwijde rechtvaardigheid en democratie, maar de filosofie van oorlog en conflict. Kennis van laat-moderne politieke filosofie en de theorie van internationale relaties is daarvoor vereist.
  • Thema's in de Hedendaagse Politieke Filosofie V Ecosofie: misschien de meest vreemde eend in de bijt. Een vak over groene politieke filosofie. Hoe moeten we omgaan met de oprakende grondstoffen? Welke waarde heeft de Aarde, dieren of eco-systemen? Het past minder goed in het voorgaande curriculum.

8

Er komen waarschijnlijk 8 ministeries. En als Paars+ gerealiseerd wordt dan zal de formule 3-3-1-1 worden toegepast voor ministers. Daarnaast zullen er ongeveer 16 staatssecretarissen komen, schat ik, met een verdeling van 6-6-2-2. Hoe zullen die verdeeld worden over D66, VVD, PvdA en GL?

Eerst de grote kernportefeuilles. Als ik de Volkskrant mag geloven dan worden het deze ministeries:

  1. Algemene Zaken – het kleinste ministerie blijft alleen in haar coordinerende functie, in het verleden is wel geopperd om Europese samenwerking hieronder te laten "resorteren"
  2. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties & Justitie -  een ministervan Veiligheid
  3. Financien – het machtigste minister blijft bestaan
  4. Economische Zaken & Landbouw – twee van de kleinste en zwakste ministers worden samengevoegd
  5. V&W & VROM – Ruimte & Milieu
  6. VWS & SZW – Tot in de jaren '70 was er een minister van Sociale Zaken & Volksgezondheid
  7. OCW – Onderwijs is een speerpunt van dit kabinet
  8. Buitenlandse Zaken & Defensie – een minister voor internationale zaken

In mijn ogen is dit niet de beste verdeling. Liever had ik EZ en V&W samengevoegd tot een minister voor de economische structuur en LNV samengevoegd met VROM en elementen van EZ voor een minister van klimaat en milieu. Ook vind ik het raar AZ zo te sparen, liever had ik BZK opgesplitst tussen een openbaar bestuur-deel (BZK) en een veiligheid deel (Justitite). Hoe dan onder de formule 3-3-1-1 zullen de posten verdeeld worden:

  1. AZ – VVD – VVD (als we het advies van Tjeenk-Willink volgen Kroes of Opstelten)
  2. BZK&JUS – PvdA (Albayrak? of anders Dijsselbloem? of zou Cohen zijn functie als partijleider opgeven om vice-premier te worden?)
  3. FIN – PvdA (Teuling [net als in 1994 Zalm vanuit het CPB gehaald werd] of Plasterk [heeft een kandidaats economie])
  4. EZ&LNV – VVD (Verwaayen, als een klassieke liberale VVD'er of misschien Blok)
  5. VW&VROM – GroenLinks (waarschijnlijk Vendrik, maar hij zou ook op EZ&LNV kunnen)
  6. VWS&SZW – PvdA (Hamer? Die beloont wordt voor haar dienst als fractievoorzitter?
  7. OCW – D66 (waarschijnlijk Rinnooy Kan)
  8. BZ&DEF – VVD (Van Baalen, een echte rechtse VVD'er in het kabinet?)

Als er kernministers komen komen er meer staatssecretariaten. Ongeveer 16 schat ik tegenover de 11 nu.

  1. AZ – Europese Zaken (PvdA – Timmermans?)
  2. BZK & JUS – ten minste drie: openbaar bestuur (D66), politie (VVD) en migratie (PvdA – Albayrak?)
  3. FIN – Fiscale Zaken (VVD)
  4. EZ&&LNV – ten minste twee: buitenlandse handel (D66) en landbouw (PvdA)
  5. VW&VROM – ten minste drie: verkeer (VVD), klimaat (PvdA) en huisvesting (VVD)
  6. VWS&SZW – ten miste twee: zorg (VVD) en sociale zaken (GL – Thissen?)
  7. OCW – ten minste twee: wetenschap (VVD) en cultuur (PvdA – Dijksma?)
  8. BZ&DEF – ten minste twee: defensie (PvdA – Timmermans?) en ontwikkelingssamenwerking (GL – Karimi?)

Monisme en 76 zetels

De verkiezingsuitslag heeft mooie ironische kanten. Er wordt nu onderhandeld over een paars+ kabinet. Achter gesloten deuren, langszaam en gestaag en grotendeels op initiatief van Hare Majesteit. De partijen die het hardst beloofde dat er een snelle formatie zou komen (VVD), dat de formatie transparant zou zijn (GroenLinks) en dat de Koningin een kleinere rol moest hebben tijdens de formatie (D66) moeten snel terug komen op hun afspraken over het politieke proces.

Ook een uitermate ironisch aspect van de verkiezingsuitslag kunnen we zien als we kijken naar de brief van de formateur Herman Tjeenk-Willink en in het bijzonder de bijlage. De (voormalige) informateur pleit net als Halsema eerder voor een kort coalitie akkoord, met name gericht op financiele kwesties. En buiten dat coalitie akkoord zijn zaken vrij voor de kamer om zelf te beslissen, zonder dat dat de coalitie in gevaar mag brengen.

Dat lijkt me in principe een goed verhaal: het monisme ondermijnt het politieke vertrouwen omdat partijen worden gedwongen hun beloften te breken en zorgt ervoor dat beleidskeuzes het resultaat zijn van politieke uitruilen en niet van inhoudelijke overwegingen. Een dualistischer bestuur zorgt ervoor dat beleid dichterbij de voorkeuren van kiezers zullen liggen.

Dat is een mooie roze bril, maar politiek gaat om uitkomsten. En een kort financieel regeerakkoord gecombineerd met een rechtse meerderheid dat betekent dat GroenLinks en de PvdA zich moeten commiteren aan relatief rechts bezuinigingsprogramma in het coalitie akkoord. Daarin zal weinig ruimte zijn voor onderwerpen als milieu. En juist op die onderwerpen die buiten het coalitie akkoord vallen is er een meerderheid van 76 zetels van VVD, PVV en CDA.

In een echte formatie met een echt coalitieprogramma zouden GroenLinks en de PvdA meer van de VVD kunnen eisen. Op onderwerpen die niet vitaal zijn en waar de partijen er moeilijk uitkomen, zou normaal een compromis of een uitruil plaats moeten vinden. Daar zouden de VVD en PvdA er samen uit moeten komen. Nu kunnen die onderwerpen over gelaten worden aan een parlementaire meerderheid: en daar zijn er 76 zetels van rechts.    

In het korte coalitie akkoord zullen zware ingrepen staan: hele grote bezuingingen, kortingen op de zorg, hervorming van de huurmarkt, liberalisering van de arbeidsmarkt, afschaffen van de studiefinanciering, verhoging van de AOW-leeftijd. Grote bezuinigingen die mensen zwaar zullen raken. Bezuinigingen die noodzakelijk zijn om de overheidsfinancien te herstellen. En waar partijen verantwoordelijkheid voor moeten nemen. In een normale formatie krijgen partijen daar kleine dingen voor de achterban in ruil voor terug. Nu is het alleen de VVD die samen met de PVV en het CDA hun rechtse hobbies kunnen uitleven.

Verantwoordelijkheid nemen voor ingrijpende hervormingen met de PvdA en zelf met de PVV veel kleine rechtse initiatieven nemen. Volgens mij is de ideale combinatie voor de VVD. Zelfs in een rechts kabinet met de weinig hervormingsgezinde PVV zou ze niet in staat zijn om zoveel van haar programma te realiseren.

Wat Mark kan leren van Jeanine

Judith Sargentini wees me via haar weblog op een interessant onderzoek naar het stemgedrag van Europarlementariers door Simon Hix. Op zijn site VoteWatch houdt hij het stemgedrag bij van alle Europarlementariers. Het is niet alleen interessant voor Eurofielen maar ook voor Nederlandse formatiewatchers. Rutte kan nog veel leren van zijn Europese collega's van Jeanine
Hennis
en Guy Verhofstadt.

RplotOmdat er geen regeringscoalitie is, moet er op ieder onderwerp naar een meerderheid gezocht worden. En zo ontstaan er dus verschillende meerderheden. Er zijn grofweg drie mogelijkheden. Het kan over links met de socialisten, groenen, de sociaal-democraten en de liberalen, het kan over rechts met de conservatieven, de Christen-democraten en de liberalen of er kan een middencoalitie ontstaan (sociaal-democraten, liberalen en Christen-democraten). In Nederland noemen wij die opties paars+, de peroxide coalitie en de midden coalitie. De liberalen hebben dus een spilpositie. Zij zijn eigenlijk voor iedere coalitie nodig en dus staan ze ook 89% van de gevallen aan de winnende kant. Je kan de mogelijke coalities hier naast zien ingetekend. Gelukkig gaan de liberalen relatief vaak naar links met name op onderwerpen als het milieu, burger- vrouwenrechten en de begroting.

Mark Rutte heeft net zijn tweede vrouw gehaald uit Europa (de nummer #4 op de VVD lijst was Europarlementarier Jeanine Hennis). Laten we hopen dat hij van haar kan leren dat een paarse+ meerderheid perspectief heeft. Overigens, Verhofstadt, de leider van de liberale fractie heeft ook lange tijd een paarse+
coalitie geleid. Toen op Nederlandse inspiratie, nu misschien een
inspiratie voor Nederland?

Hoe dan ook: waar de Europese campagne ging over de vraag meer (D66) of
minder Europa
(PVV), volgt het dagelijkse werk in het Europees parlement de
links/rechts dimensie, en dat geeft een centrum-speler als de liberalen
de ideale positie. In Tweede Kamer zou het eigenlijk niet anders moeten
zijn: na een harde campagne tussen links en rechts constructief aan het
werk in een paarse+ meerderheid.

Nog even over de figuur. Het figuur hierboven is
gemaakt op basis van de data van Hix. Het is een simpele MDS. En het geeft een beeld van hoe
partijen zich tot elkaar verhouden. De vorm van het figuur doet denken
aan het hoefijzer model:
de partijen van extreem-links en extreem-rechts boven in de figuur en
de partijen van het centrum aan de onderzijde. We moeten deze interpretatie van het figuur met een korrel zout nemen.
De vorm ten dele een statistische anomalie. De GUE/NGL stemt niet vaak
hetzelfde als de EFD (maar 34% van de gevallen, de laagste waarde van
alle fractieparen), maar de tweede dimensie is deels het gevolg van het
feit dat de GUE/NGL en de EFD zo ver van alle andere partijen moeten
worden gezet omdat ze zovaak tegen de rest stemmen. Een een-dimensionaal
model (die grofweg de x-as zou moeten volgen) zou 55% van de
verschillen in stemgedrag verklaren. Ten slotte hebben GUE/NGL+ALDE+S&D+GEFA geen meerderheid in het parlement (359 van de 369) dus moeten zij voor een plenaire meerderheid altijd rekenen op dissidente nationale delegaties of afwezige Europarlementariers.