Formidable Opponent: Populisme

Een onregelmatig terugkerende feature van dit weblog is het, van Stephen Colbert geleende, idee van een echt politiek debat met een echt sterke tegenstander: mijzelf. Het onderwerp is hoe we als progressieven om moeten gaan met het populisme.

Vraag: Neemt de positie van politici af? Waarom? Is dat erg? En wat moeten we daaraan doen?

Simon A: Dat ligt er maar helemaal aan welke periode je als referentiekader neemt. Ja, ten opzichte van de jaren '50 is de positie van gezagsdragers af genomen, maar het cruciale scharnierpunt ligt in de jaren '70. Het waren toen de progressieven die zich daarvoor inzetten. De positie van alle gezagsdragers lag onder vuur. Een generatie van jonge progressieven stond tegenover de regenten: macht moest eerlijker verdeeld worden in de samenleving, mensen moesten zelf meer grip krijgen op hun omgeving. De positie van regenten werd door ridiculisering, actie en uiteindelijk verkiezingen afgebroken. De positie van politici in de laatste 40 jaar is niet sterk veranderd. De Nederlanders zijn sinds de jaren '70 vrijer, autonomer en mondiger. En dat tast de positie van gezagsfiguren aan. Dat lijkt me prima. Dat wilden wij als progressieven toch?

Simon B: Daarmee onderschat je de veranderingen die in de laatste tien jaar zich hebben voortgedaan: een groeiend cynisme ten opzichte van politici en een groeiende politiek tegenstelling tussen populistische en elitaire partijen en tussen het bestuur en het volk. Burgers hebben weinig vertrouwen in politici: veel meer mensen dan voorheen hebben geen vertrouwen in politici, denken dat politici liegen en dat zij het slechts opnemen voor hun eigenbelang. Dit wordt nu politiek steeds meer aangesproken door populistische partijen als de PVV en de SP.

Simon A: Hoeveel vertrouwen heb jij in politici in het algemeen? Als ik denk aan mensen als Verhagen, dan kan ik me niet van de indruk onttrekken dat politici onbetrouwbaar zijn, als ik denk aan Verdonk dan zie toch echt een politica die liegt en denk ik aan Zalm, dan zie ik een politicus die daarna snel zijn onkreukbare reputatie te gelde heeft gemaakt. Het is helemaal niet raar dat in een meerpartijenland, een land van minderheden mensen geen vertrouwen hebben in "de politiek" of "het parlement" als dat voor het merendeel gevuld is voor mensen voor wie je niet gekozen hebt. In Amerika hebben mensen ook altijd weinig vertrouwen in "het Congres" maar wel in hun senator of vertegenwoordiger, want dat is toevallig een goede appel in een rotte mand.

Simon B: Dat is volgens mij niet de oorzaak van het wantrouwen in politici: volgens mij is het inderdaad zo dat veel politici niet de waarheid spreken. Het is zo dat partijen in het huidige stelsel gedwongen worden om flexibel om te gaan met de waarheid. Ze charmeren de kiezers met mooie plannen, maar ze realiseren zich maar al te goed dat ze die in het kabinet niet kunnen realiseren, omdat daar voortdurend compromissen worden gesloten: als ik dit niet krijg, dan krijg jij dat ook niet. En de dingen die ze niet kunnen realiseren worden door de media aan de grote klok gehangen, en wat ze wel realiseren dat wordt verzwegen: denk maar aan de PvdA in het kabinet Balkenende, krantenpagina's vol over hoe de PvdA haar ziel aan het CDA verkocht op onderwerpen als de Europese grondwet, het onderzoek naar de oorlog in Irak en de militaire aanwezigheid in Afghanistan, maar geen woord over hoe de PvdA de inkomensverschillen heeft verkleind. Ik ben dan ook niet verbaasd over het feit dat aan de ene kant er
overvragende extreme flankpartijen zijn die van alles beloven maar
buiten de regering blijven, want anders wordt duidelijk dat ook zij
compromissen moeten sluiten. En grijze centrumpartijen die hun kleine
verschillen breed uit meten tijdens de campagne om daar vervolgens niets
mee te kunnen doen. In het huidige monistische stelsel worden partijen gedwongen om deze compromissen te verkopen als hun eigen standpunten. Het wordt tijd om politieke besluitvorming uit de achterkamertjes terug te brengen waar ze hoort in het parlement: dat is transparanter voor burgers. Dualisme dat is wat dit land nodig heeft.

Simon A: Ik denk dat je aan de ene kant de rol van politiek overschat en de grote van het maatschappelijke wantrouwen onderschat: in landen waar er dualistischer bestuur is als Amerika, Zwitserland, Noorwegen en Denenmarken is het politiek vertrouwen niet groter (eerder kleiner). Het is een logisch gevolg van een vrije samenleving dat er wantrouwen is ten opzichte van politici maar ook andere gezagsdragers: religieuze leiders, politie-agenten, onderwijzers of artsen. In een vrije samenleving leven mensen meer op zichzelf, zonder dat ze het gezag nodig hebben, zijn kritisch over hun samenleving en beslissen graag over zichzelf in plaats van dat hun de les gelezen worden door een zelfbenoemde elite.

Simon B: Maar dan erkennen we dus beiden dat er wantrouwen is ten opzichte van het bestuur. Ik denk dat het in de laatste tien jaar is gestegen en jij denkt dat het gelijk is gebleven. Okay: maar ik heb een oplossing daarvoor. Jij niet. Hoe zou jij het wantrouwen oplossen?

Simon A: We moeten gewoon erkennen dat er in een vrije samenleving wantrouwen is. Er zijn gewoon cynische kiezers die verdienen ook vertegenwoordiging. Populisme is daarnaast een belangrijk democratisch fenomeen: het houdt politici bij de les, zorgt ervoor dat ze naar burgers luisteren. Dat is de kern van de democratie: dat iedereen vertegenwoordigd wordt en dat politici naar burgers luisteren. Er is dus niets om op te lossen!

Simon B: Dat vind ik een te radicaal-democratische opvatting. Er is ook een liberaal-democratische opvatting die stelt dat democratie niet slechts gaat om het vertegenwoordigen of het uitvoeren van de wil van het volk, maar om het beschermen van de mensenrechten en burgerrechten. Democratie is een middel om burgerrechten te beschermen, geen doel op zich. Het huidige rechtse populisme bedreigt de burgerrechten zoals privacy om veiligheid te beschermen, mensenrechten zoals vrijheid van godsdienst, om de Nederlandse identiteit te beschermen, en de het internationale volkenrecht om Nederland te beschermen tegen het "gevaar" van vluchtelingen. Dat zijn ook democratische waarden.

Simon A: Democratische waarden? Het is wel erg gemakkelijk om je eigen progressieve waarden neer te zetten als democratische waarden. Ik vind het heel typisch om alles wat mooi en eerlijk is (de rechtsstaat, tolerantie, internationalisme) per se democratie te noemen. Democratie gaat over de vertegenwoordigen van de wil van het volk.

En dus is er maar een conclusie mogelijk: of je het populisme ziet als een bedreiging voor of een uiting van de democratie is afhankelijk van je eigen visie op democratie: als het draait om de vertegenwoordiging van de wil van het volk, dan moeten we accepteren dat er mensen zijn met rechtse opvattingen die gevoelig zijn voor populistische argumenten. En dan hoort de democratie te schuren en hoort wantrouwen erbij. Als democratie draait om liberale waarden, zoals mensenrechten en tolerantie, dan kan het populisme een bedreiging vormen voor onze democratie. Dan staan democratische waarden onder druk door rechts-populisme.

The Return of American History

Een pseudonieme reactie op mijn weblog over de (afwezigheid van) Amerikaanse geschiedenis heeft me aan het denken gezet. Mijn stukje over Amerika heeft denk op twee punten mensen op het verkeerde been gezet. Ten eerste mist het stukje een rigoreuze definitie van geschiedenis en ten tweede lijkt te impliceren dat het door mij gestelde afwezigheid van Amerikaanse geschiedenis negatief zou zijn.

Ten eerste, zonder definitie kan ik met gemak alles wat misschien geschiedenis zou kunnen zijn met een snel argument weg zetten. Zo wees de reactie mij erop dat ik de Indiaanse geschiedenis niet had genoemd, waar ik overigens in het Museum for the American Indian wel kennis van had genomen. Ik zou kunnen stellen dat dat dit geen Amerikaanse geschiedenis is, maar geschiedenis van andere volken die op het zelfde grondgebied hebben geleefd.

Het heeft denk ik geen zin om een precieze definitie van geschiedenis op te zetten. Het centrale punt van het stuk gaat namelijk niet over het al dan niet bestaan van geschiedenis, maar over hoe Amerikanen met hun verleden om gaan. Amerikanen gaan op een heel andere manier om het verleden om, dan bijvoorbeeld Nederlanders. Er zijn in Amerika geen (of nauwelijks) afgesloten hoofdstukken. In alle vraagstukken is er een lijn tussen het verleden het heden. De grote vraagstukken die speelden in de 19e  eeuw (migratie, grootte van de federale overheid, de relaties tussen zwarten en blanken) blijven allemaal actueel. Historische documenten als de Declaration of Independence zouden in Nederland allang al weg gestopt zijn in een archief (waar is de Acte van Verlatinghe overigens?). In Amerika blijft dit document een actuele rol spelen in politieke discussies. De vraagstukken die in Nederland in de 19e eeuw speelden (relatie tussen Koning en parlement, tussen protestanten en katholieken, de kolonisatie van Indonesie) zijn allemaal grotendeels afgesloten hoofdstukken.

Ik heb nog nooit een land gezien als Amerika, waarin verleden zo sterk aanwezig is, dat je kan stellen dat het nog geen geschiedenis geworden is. Dat is in mijn ogen niet iets negatiefs of slechts, maar iets wat te bewonderen waard is. Een discussie over migratie heeft in Nederland weinig historisch besef. In Amerika richt die discussie zich nu op het veertiende amendement van de grondwet, en zelfs in programma's als de Daily Show wordt er verwezen naar historische parlementaire debatten uit de 19e eeuw, over dat amendement. In Amerika leeft het verleden: omdat het politieke stelsel geen grote schokken heeft gehad, maar eigenlijk continu heeft gefunctioneerd sinds 1789. Amerikaanse presidenten staan in de schaduw van  Lincoln en Washington. En omdat het als civic nationalist staat voortdurend nieuwe groepen toe laat en deze vormt in de politieke idealen van hun founders. Amerikaanse musea over Afro-Amerikaanse geschiedenis, de Amerikaanse Indiaan, en over de Grondwet herinneren daaraan. Dat is volgens mij iets wat prijzenswaardig is.

Ik ben daarom ook een stuk positiever over het idee van Nationaal Historisch Museum dan ik zeg 3 jaar geleden was. Dit zou volgens mij een prachtige manier kunnen zijn om na te denken over onze eigen geschiedenis, niet als iets dat afgelopen is, maar iets dat onze samenleving heeft gevormd en blijft vormen. Een plek waar we vorm kunnen geven aan onze eigen Nederlandse identiteit: als een land waar democratie gelijdelijk is ontstaan omdat elites zich pragmatisch en flexibel opstelde; als een land dat gebaseerd is op de notie van godsdienstvrijheid en waar dat hand in hand kon gaan met vrijheid van meningsuiting. En als land dat altijd als een veilige haven heeft gediend voor vrijdenkers, dissidenten en politieke vluchtelingen. Die aspecten van onze geschiedenis moeten we nu, zeker nu, in het oog houden.

Alternatief gedoogakkoord

De formatie tussen de VVD, het CDA en de PVV komt aardig op stoom. De SP heeft voorgesteld om met de andere linkse partijen een alternatief regeringsakkoord. Politicologen De Lange en De Vries gaan een stap verder: zij stellen in de Volkskrant dat de linkse partijen moeten een schaduwkabinet moeten vormen. Immers zo kan er mooie links-rechts -dynamiek ontstaan, die helderheid aan de kiezers geeft.

Ik denk dat geen goede strategie is. We kunnen moeten Nederland niet vier jaar over geven aan een conservatieve meerderheid van 76 zetels. Een minderheidskabinet kan inderdaad een zegen zijn: dat betekent dat wetsvoorstellen, amendementen en moties een andere meerderheid kunnen vinden dan de combinatie in vak K. En daarom biedt het kansen voor kleine, progressieve, hervormingsgezinde ideeenpartijen om meer te bereiken dan vanuit de oppositie in een klassieke meerderheidskabinet. GroenLinks, D66 en de ChristenUnie moeten de handen in een slaan voor een alternatief gedoogakkoord. In dat gedoogakkoord moeten de progressieve partijen afspraken maken over de initiatieven die zij zullen nemen over die onderwerpen waar het echte coalitieakkoord gaten heeft laten vallen, omdat bijvoorbeeld de partijen het niet eens kunnen worden.

Dat kan gaan over kleine hervormingen, denk aan een nieuw voorstel voor het papaverlof. Of over grote hervormingen, want als het CDA, VVD en PVV geen akkoord kunnen krijgen over de AOW leeftijd is er met D66, GroenLinks en de ChristenUnie een ander meerderheid. Deze partijen zouden voorstellen kunnen doen voor de vergroening van de economie, wat goed is voor milieu, innovatie en de werkgelegenheid, en sluit zo naadloos aan bij de waarde van rentmeesterschap, ondernemingszin en protectionisme van de nieuwe regeringspartijen. Het is overigens niet alleen een kwestie van CDA en VVD charmeren, op het gebied van de landbouw en de volksgezondheid stelt de PVV zich juist progressiever op en liggen er dus ook kansen.

De kern van een minderheidskabinet is dat er andere meerderheden gevonden kunnen worden. Het is volgens mij aan GroenLinks, D66 en de ChristenUnie om als "progressieve drie" daar werk van te maken. Dat betekent dus niet het pluche van de oppositie op zoeken en gemakkelijk kritiek leveren op de afbraak van de verzorgings- en rechtsstaat, maar het voortzetten van de kwaliteitsoppositie die deze partijen zo kenmerkt.

Een Bijzonder Meerderheidskabinet

Alles lijkt er op dat er een "bijzonder meerderheidskabinet" komt. En daar is nog wel wat debat over: een minderheidskabinet, dat past toch niet in het huidige bestel. Maar eigenlijk zijn er wel meer "bijzondere meerderheidskabinetten" geweest. Een recent voorbeeld is het tweede kabinet Balkenende (2003-2006).

In een traditioneel meerderheidskabinet is er een sterke mate van overeenstemming in het stemgedrag van de coalitiepartijen: ze stemmen samen voor de wetsvoorstellen van de regering, en stemmen samen tegen moties en amendementen van oppositiepartijen. In een minderheidskabinet bestaat de mogelijkheid dat er in verschillende stemmingen verschillende meerderheden gevonden worden: er is dus niet een blok van coalitiepartijen dat altijd tegenover een blok van oppositiepartijen staat.

Nadat de formatie tussen PvdA en CDA mislukt was, zijn er drie mogelijkheden onderzocht, de VVD, het CDA en of wel D66, dan wel de LPF, dan wel de  CU en de SGP. Uiteindelijk werd gekozen voor de eerste mogelijkheid. Maar die andere twee mogelijkheden waren parlementaire meerderheden waar ook op punten grote overeenstemming was. Gedurende de parlementaire periode kwamen de relaties tussen D66 en de coalitiepartners CDA en VVD steeds sterker onderdruk te staan. D66 was het eens met VVD en CDA over de hervorming van de verzorgingsstaat, maar op onderwerpen als migratie en het milieu was de overeenstemming tussen deze partijen minder groot. Dan komen de CU, de SGP en de LPF in het beeld. Want zelfs als D66 anders dan haar coalitiepartners stemden, dan konden CDA en VVD rekenen op de LPF, de ChristenUnie en/of de SGP voor een meerderheid. Zo konden voorstellen van de linkse oppositiepartijen tegen gehouden worden en konden voorstellen van het CDA en de VVD toch doorgang vinden zelfs zonder D66. Het bestaan van alternatieve meerderheden stond, bijvoorbeeld, minister Verdonk toe om aan te blijven zelfs nadat D66 het vertrouwen in haar had opgezegd. Een crisis waarbij de grenzen van het staatsrecht werden opgezocht. Gedurende de gehele periode functioneerde het kabinet eigenlijk als een minderheidskabinet. 

Partijen

De VVD en het CDA hoefden niet slechts te rekenen op D66 voor een een meerderheid maar ook met de LPF of de CU en de SGP, die officieel in de oppositie waren, waren er meerderheden te vormen. Als je kijkt naar het stemgedrag van de partijen dan is er een opvallend patroon, dat te zien is in het bovenstaande figuur. Het laat zien in welke mate partijen mee stemmen met het CDA en de VVD in alle stemmingen. Deze partijen stemmen in 86% van de stemmingen hetzelfde. Opvallend genoeg stemt oppositiepartij SGP het meest met deze partijen mee (80%), gevolgd door oppositiepartij LPF (76%). Dan pas volgt D66 die in 73% van de stemmingen met haar eigen coalitiepartners mee stemt. De ChristenUnie ten slotte stemde ook in meerderheid van de stemmingen met het CDA en de VVD mee (68%). De linkse oppositie partijen stemmen in meerderheid niet met de VVD en het CDA mee. 46% voor de PvdA, en maar 35% voor GroenLinks en de SP. De traditionele dynamiek tussen oppositie en coalitie is niet zichtbaar in het stemgedrag van de partijen, terwijl dit in de Nederlandse politiek altijd zichtbaar is, en in veel parlementaire systemen aanwezig is: twee oppositiepartijen stemmen vaker mee met de coalitiepartijen, dan een van de regeringspartijen.

Onderwerpen

Als we de stemmingen op moties uitdelen naar onderwerp dan is er een opmerkelijk patroon zichtbaar: op een aantal onderwerpen stemt D66 meer mee met de VVD en het CDA en op andere stemt de LPF meer mee. Met beide partijen konden VVD en CDA een meerderheid vormen. Aan de ene kant zijn er groene onderwerpen zoals landbouw en verkeer, nieuwe populistische onderwerpen als veiligheid en migratie, en buitenlands beleid. Op deze onderwerpen is de overeenstemming met tussen CDA, VVD en LPF anderzijds groter, dan tussen CDA, VVD en D66. Op onderwerpen als onderwijs en bestuur is de overeenstemming tussen D66 en CDA en VVD groter: dit zijn de kroonjuwelen van D66. Dat geldt ook voor gezondheidszorg, dat door de invoering van het nieuwe zorgstelsel een belangrijk speerpunt van het kabinet was. Op onderwerpen als sociale zaken, arbeid en economie is de overeenstemming tussen de VVD, CDA en LPF en respectievelijk D66 ongeveer even groot. Er is een redelijk sterke, significante, negatieve correlatie (-0,5) tussen de mate waarin de LPF mee stemt met CDA en VVD en de mate waarin D66 mee stemt met de VVD en het CDA: op die onderwerpen waar D66 het niet eens is met het CDA en de VVD (veiligheid, milieu, maar ook buitenlandse zaken) is het de LPF die mee stemt met de coalitie. Terwijl op de onderwerpen die belangrijk zijn voor D66 (bestuurlijke vernieuwing en onderwijs – de nieuwe en oude kroonjuwelen) de coalitiepartners en D66 vaker hetzelfde stemmen.

Het CDA en de VVD konden dus rekenen op wisselende meerderheden. Daarin leek het kabinet Balkenende II dus sterk op een minderderheidskabinet: er was niet een parlementaire meerderheid, maar meerdere. Het was dus misschien geen minderheidskabinet, maar het was, net als het komende kabinet-Opstelten, een bijzonder meerderheidskabinet, dat de grenzen van het staatsrecht op zocht.

Those Americans … They Have No Culture

Naast politieke en historische locaties, hebben ook de vele moderne kunstmusea in de VS mijn aandacht getrokken, zoals de National Gallery of Art in DC en het Guggenheim en het Museum of Modern Art in New York. Daar kwam ik tot de wonderbaarlijke conclusie dat er bijna geen, echt Amerikaanse kunst is. Zo weinig dat je zou kunnen stellen dat er geen Amerikaanse cultuur is.

De centrale onderliggende vraag is wat kunst is. Ik zou willen stellen dat kunst het maken van voorwerpen is die in de eerste plaats bedoeld zijn mooi te zijn. De intentie van de kunstenaar staat hierbij dus centraal. Het zijn of haar doel om iets te maken dat mooi is: dat dus voldoet aan esthethische eisen over harmonie, in compositie, toon, kleurgebruik etcetera. Religieuze, politieke of functionele doeleinden staan dus op een tweede plaats in de kunst.

Veel van de Amerikaanse musea hangen vol met collecties van Europese schilders. Hierbij ontwikkelde schoonheid zich langszaam van het zo-realistisch mogelijk weer geven van (geidealiseerde) landschappen, stillevens en portretten naar stijlen als impressionisme, expressionisme en abstracte kunst waarbij realisme werd ingeruild voor mooie kleurtegenstellingen en composities. Ik heb denk ik niet andere periodes van drie weken zoveel Renoirs, Seurats, Van Goghs, Manets, Picassos, Braques, Legers, Monets, Rodins, Gaugains, Matisses en Cezannes gezien als in de VS.

Zoals vroeger de Britten uit hun Griekse en Egyptische veroveringen hele tempels met beelden al mee namen, kochten de Amerikanen in de gebieden die zij hebben bevrijd hele schilderijcollecties op om in Amerika ten toon te stellen. Eerder waren de Amerikaanse schilders bijzonder geinteresseerd in Europese schilderkunst. Ze kopieerde Europese stijlen, en ze bezochten Europa tijdens een Grand Tour om daar te schilderen. Er dus wel kunst uit de periode voor grofweg 1950 van Amerikanen maar dat is vaak nauwelijks te onderscheiden van hun Europese tijdgenoten.

Edward_Hicks_-_Peaceable_Kingdom
Er zijn een aantal uitzonderingen. Die zijn te vinden in twee wegen: er zijn kunstenaars die expliciet een Amerikaanse methode gebruiken, zoals Edward Hicks in de vroege 19e eeuw die in tegenstelling tot het academisch realisme naief te werk ging. Maar eerlijk gezegd is dat zo slecht geschilderd dat we nauwelijks van kunst kunnen spreken.

Nighthawks MacDonaldWright_AirplaneSynchYelOrng
Amoskeag_Canal,_Sheeler O'Keeffe_Georgia_Ram's_Head

De tweede weg zijn kunstenaars die specifiek Amerikaanse te werk gaan: ten eerste zijn er kunstenaars die afreisden naar de Indianen, die Founding Fathers als Washington schilderden, die het Amerikaanse landschap weergaven, of met name sinds 1920 die ontwikkelingen als het kapitalisme, industrialisatie of de massa-maatschappij weergaven. Stanton McDonald-Wright en Charles Sheeler gaven op geheel eigen wijze de ontwikkeling van de techniek weer. Georgia O'Keeffe gaf het  landschap van het Amerikaanse Zuid-Westen weer. En Edward Hopper probeerde de vervreemding van de massa-maatschappij weer te geven.

Warhol-Campbell_Soup-1-screenprint-1968

Echter na de Tweede Wereldoorlog ontstaat er, onder de invloed van Europese ontwikkelingen twee opmerkelijke stromingen: het abstracte expressionisme aan de ene kant, waar de chaotische, bijna toevallige schilderijen van Jackson Pollock het meest van opvallen. En de anti-kunst, geinspireerd op de Dada, zoals bijvoorbeeld de Pop Art van Andy Warhol. Dada, ontstaan in Europa na de Eerste Wereldoorlog, probeerde niet meer mooie kunst te maken, maar veroordeelde de nadruk op schoonheid van de "bourgeoise" kunstenaars voor hen. Duchamp wilde bijvoorbeeld WC-potten als kunst in gallerij uitstallen. Warhol volgt hem door een schilderij van een kan soep als kunst te zien. Sindsdien is min-of-meer het eind zoek.

  No._5,_1948

Aan de ene, de abstract-expressionistische kant, telt iedere verfkladder op een doek als kunst. Aan de andere, Dadaistische kant, telt alles als kunst: van een verzameling verfrommelde bierviltjes, een stapel stenen, tot een "performance" waarbij er hard in een microfoon gegild wordt (alle drie gezien echt). Het idee dat kunst draait om schoonheid is niet meer zichtbaar. Kunstenaars willen bepaalde ideeen communiceren, bestaande academische regels schenden, of zich zelf uitdrukken in hun eigen kunst. De individuele beleving van de kunstenaar staat centraal: hij of zij bepaalt wat kunst is, hij of zij drukt zich zelf uit via het voorwerp of brengt zijn of haar individuele visie naar voren. Maar er wordt niet meer gestreeft naar een (universele, toegankelijke) notie van schoonheid.  Uiteraard zijn er aantal uitzonderingen, maar over het algemeen is wat er sinds 1950 gemaakt wordt niet kunst te noemen, als we kunst, zoals boven expliciet koppelen aan schoonheid.

In die zin is er een heel korte periode waarin er ruimte is voor Amerikaanse kunst: voor 1920 waren veel Amerikaanse kunstenaars niet te onderscheiden van Europese kunstenaars: qua methode en qua onderwerpen. En na 1950 is het hek in kunstzinnige dam en anything goes. In die korte periode hebben kunstenaars as McDonald Wright, Sheeler, O'Keeffe en Hopper gelukkig een aantal mooie dingen neer gezet.

Those Americans … They Have No History

Ik heb net een drie wekenlange tour door het Oosten van de VS gemaakt: Washington, Philadelphia, New York en Boston. Vier historische locaties. Maar een bezoek aan de oude centra, de musea en gedenkplaatsen, opent de vraag of Amerikanen eigenlijk wel geschiedenis hebben.

HPIM0461
Het centrum van DC staat vol met historische locaties, zoals het Witte Huis, het Congresgebouw. Maar dat zijn niet echt historische gebouwen. Alhoewel historische figuren als Lincoln in beide huizen hebben gediend, en beslissingen zoals het Dertiende Amendement daar zijn genomen, maakt dat ze niet historisch: net als de Amerikaanse Grondwet nauwelijks is veranderd, zijn de locaties van de Amerikaanse politiek nauwelijks veranderd: in het Witte Huis, het Congres en het Hoge Gerechtshof gaat politiek op dezelfde plaats door. En in de periode dat wij er waren werd bijvoorbeeld Elena Kagan benoemd als Opperrechter.

 
En dan zijn er de monumenten: voor Washingon, Jefferson, Lincoln en FDR staan er prominente monumenten aan de National Mall in Washington. Maar dit zijn eigenlijk geen historische locaties. Ze herdenken dat er iemand heeft geleefd die historisch was. Toen ik op de stappen van het Lincoln-monument stond had ik een mooi uitzicht op het Washington-monument, maar het enige wat de locatie echt bijzonder maakte was dat Martin Luther King op die plek zijn "I have a dream speech" heeft gehouden. Maar dat is weer niet echt geschiedenis, want dat is nog geen 50 jaar geleden.

HPIM0512

En dan zijn er de historische musea. Van oppervlakkige musea zoals het National Museum of American History, waar niet alleen de "echte" Star-spangled Banner staat, maar ook de slippers van Dorothy uit de Wizard of Oz en slippers van president Truman. Eigenlijk zijn er weinig interessant historische overblijfsels in de musea over Amerikaanse geschiedenis. Maar er zijn ook hele aangrijpende musea, zoals het Holocaust Museum, dat vertelt stap-voor-stap de geschiedenis van het anti-semitisme en de Holocaust in Europa: de beelden, de artefacten, de verhalen, ik kan moeilijk onder woorden brengen hoe aangrijpend dat is. De ironie van een bezoek aan museum over de holocaust is mooi onder woorden gebracht door Layla de Jong, die als toerist een bezoek aan Auschwitz bracht. Het opvallende aan dat museum is dat het over Europese geschiedenis gaat, over de geschiedenis die Joodse migranten hebben mee genomen uit Europa. Geen Amerikaanse geschiedenis dus.

Philadelphia lijkt op het eerste gezicht wel een historische stad: het is de voormalig hoofdstad van de VS en hier hebben mensen als Franklin gewoond en is de Grondwet geschreven. Om dat te herinneren is het National Constitution Centre op gericht. De achtergrond van de Amerikaanse grondwet wordt geschetst, en er worden verschillende gebeurtenissen waarbij constitutioneel recht een belangrijke rol speelt, besproken. Dan gaat het om vragen als migratie, de macht van de centrale overheid, de steeds groter groeiende groep waarvoor gelijke rechten gelden. En dat zijn vragen die nog steeds spelen in de VS. En juist toen wij in de VS zijn speelden deze vraagstukken weer: denk aan de juridische strijd over Proposition 8. Het National Constitution Center is ook eigenlijk geen museum over de politieke geschiedenis van de Verenigde Staten, maar een museum over de politieke methode die de Verenigde Staten heeft gekozen om conflicten en onenigheden op te lossen: de combinatie van rechters die individuele rechten beschermen, directe volksvertegenwoordiging en regionale en nationale overheden. Het museum is een manier om burgers te scholen in de politieke principes van de Verenigde Staten. Het is dus geen museum over geschiedenis, maar over politiek.

HPIM0534
Het historische centrum van Philadelphia ("the most historic square mile of the United States") is soms een beschamende plek: het huis van Benjamin Franklin staat er niet meer, maar omdat het zo'n grote Philadelphiaan is, moet de locatie toch voor het nageslacht worden bewaard. Het belangrijkste achterblijfsel: de locatie van de grote Amerikaan zijn WC had. Niet echt wereldgeschiedenis dus. Dat geldt ook voor de Freedom Trail, die
historische locaties in Boston met elkaar verbindt. Boston is de stad waar de Amerikaanse Revolutie is begonnen. Tussen de historische locaties is onder andere de kerk waar Washington
eens een dienst heeft bijgewoond, de zaal waar net niet werd besloten om
de Boston Tea Party te houden (want te klein), en het huis van een man
die Britse invasie zag aanvkomen. Daar zaten dus veel plaatsen tussen
met een beperkte historische significantie.

In Philadelphia hebben we ook een bezoek gebracht aan het kleine Afro-Amerikaans Museum. Het vertelt de sociale geschiedenis van de Afrikanen die als slaaf in de VS leefden maar terecht kwamen in een staat die slaven emancipeerde (Pennsylvania), zodat Afro-Amerikanen steeds meer het heft in eigen handen konden nemen door bijvoorbeeld zelf deel te nemen aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Ook was er een expositie over de strijd tegen segregatie in het Zuiden, maar belangrijker nog: er was ook aandacht voor hedendaagse succesvolle vrouwelijke Afro-Amerikanen die als rolmodel kunnen dienen voor anderen omdat in de VS nog steeds armoede en slechte levensomstandigheden samen hangen met huidskleur. Ook dit grote vraagstuk in de VS is helaas nog geen geschiedenis.

HPIM0810
 

In New York staat op Ellis Island het Immigration Museum. Tussen 1892 en 1954 diende het eiland als de voornaamste ingang voor migranten. Het museum vertelt het verleden van Amerikaanse migratie: de sociale geschiedenis aan de ene kant: de levensomstandigheden van die migranten die kwamen om in Amerika over gouden wegen te lopen, en er achter kwamen dat juist zij welkom waren om die wegen aan te leggen, en de politieke geschiedenis aan de andere kant: het voortdurende debat over immigratie. En ook dat is een goed voorbeeld van een strijd die nog niet gestreden is. Net toen wij in New York waren, liep het debat over migratie sterk op door de Arizona Immigratie wet, die illegale immigratie in het Zuid-Westen moet beperken. Want het is niet de periode 1892-1954 die de grootste migratie naar de VS zag, maar juist nu.

Het is dus een curieus mengsel, die historische locaties in de Verenigde Staten. Het is een land dat zo jong is dat er weinig geschiedenis is, en dus de slippers van en de bijna-plekken ook maar als historisch moeten worden gelabeld. In een jong land kunnen ook de meeste politieke conflicten, zoals rond de de gevolgen van slavernij, segregatie en immigratie, nog niet zijn op gelost. Als je die relatieve jonge leeftijd combineert met het feit dat Amerika een land is dat is gebaseerd op een gedeeld ideaal in plaats van een bloedband tussen haar inwoners, en nog steeds grote migratie kent, dan begrijp je waarom een voortdurende nadruk op de politieke instellingen en idealen noodzakelijk is: Amerika moet aan iedere nieuwe generatie Amerikanen haar idealen mee geven.

HPIM0738

Dat zorgt er te samen voor dat Amerika geen echte geschiedenis heeft om in musea uit te stallen. De interessante "historische" musea gaan over politieke vraagstukken die nog steeds spelen of politieke keuzes die nog steeds relevant zijn. Kortom: Amerika heeft dus (nog) geen geschiedenis.