U wordt genoemd …

Het kabinet komt er: in het regeer- en gedoogakkoord staan ook al voornemens over de ministers. Er komen minder ministeries: een ministerie van veiligheid en een ministerie van landbouw, economie en innovatie. En die worden gelijk verdeeld tussen het CDA en de VVD. De kranten speculeren al aardig over de verdeling: Verhagen wil of minister van Veiligheid worden of van Landbouw, Economie en Innovatie. Ook zouden en 8 staatssecretarissen komen. Tijd voor een klassieke speculatie dus:

  • Algemene Zaken: Mark Rutte (VVD) wil premier worden. Ik denk dat dat hem zeer kan beschadigen.
  • Binnenlandse Zaken: Maxime Verhagen (CDA), tevens vice-premier. Dit ministerie krijgt Integratie en Grote Stedenbeleid terug van VROM, maar verliest de politie aan "Veiligheid". Misschien wordt asiel en migratie hier ook aan toegevoegd. Wordt zo het ministerie van Antillianen (Koninkrijksrelaties), Asielzoekers (Migratie) en Allochtonen (Integratie).
  • Buitenlandse Zaken: Wim van der Camp (CDA), wordt uit Europa gehaald om minister van Buitenlandse Zaken te worden. Hij krijgt als enige twee staatssecretarissen een VVD'er op Europa en een CDA'er op Ontwikkelingssamenwerking.
  • Financien: Jan-Kees de Jager (CDA), de stabiele factor. Krijgt een VVD staatssecretaris op belastingen.
  • Landbouw, Economie en Innovatie: Charlie Aptroot (VVD), afgewezen als kamervoorzitter, wordt minister van economie, net als Maria van der Hoeven. Krijgt een CDA staatssecretaris op Landbouw.
  • Defensie: Hans van Baalen (VVD) wordt uit Europa gehaald om minister van defensie te worden.
  • Veiligheid: Ivo Opstelten (VVD) wordt beloond voor zijn werk als informateur met het zware ministerie van Justitie en Politie. Krijgt een CDA staatssecretaris op politie.
  • Sociale Zaken & Werkgelegenheid: Edith Schippers (VVD), de #2 van de VVD wordt minister van SZW. Krijgt een CDA staatssecretaris voor werkgelegenheid & arbeidsmarkt.
  • Onderwijs, Wetenschap & Cultuur: Marja van Bijsterveld (CDA) nu al onder Rouvoet de eigenlijke minister van Onderwijs. Krijgt een VVD staatssecretaris op Cultuur en Wetenschap.
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Rene Paas (CDA) moet het sociale gezicht van het kabinet worden.
  • Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu: Gerda Verburg (CDA), moet het groene gezicht worden van het kabinet. Ministerie wordt versterkt met Natuur van LNV. Krijgt een VVD staatssecretaris op huisvesting.
  • Verkeer en Waterstaat: Melanie Schultz-Van Haegen (VVD) collega staatssecretaris van Rutte in het Kabinet Balkenende II.

Atzo Nicolai wordt fractievoorzitter van de VVD fractie en Jack de Vries keert terug om leiding te geven aan de CDA fractie.

Er zitten hier wel een paar haken en ogen aan: het CDA moet naast een groen gezicht, een sociaal gezicht leveren. Naar ik begrijp wil Verhagen "super-minister" worden dan wel van veiligheid dan wel van Bedrijvigheid. Voor die laatste zullen ze dan de minister van Financien voor moeten inleveren: het is zeer onwaarschijnlijk dat het CDA als junior partner twee van de drie ministers krijgt uit de sociaal-economische driehoek. En veiligheid zou ze BZK kosten.

Bij de vorming van Rutte I

Het ziet ernaar uit dat het gaat gebeuren: een regering van
CDA, VVD en PVV.
Links roept moord en brand: dit is de slechtst mogelijke
uitkomst
. Volgens mij zal het mee vallen met deze coalitie. En biedt het juist
kansen voor progressieve politieke partijen.

 

Gevaren

Zowel de PVV zelf als haar tegenstanders zijn niet vies van
een Godwin, een vergelijking met het fascisme. Dat dat zo is, laat zien dat het
mee valt met het “bruine” gehalte van de PVV. Sterker nog: de PVV komt juist op
tegen discriminatie van homo’s en Joden. Extreem-rechts kan je de PVV dus niet
noemen. Ik heb de vergelijking tussen populisten en fascisten nooit begrepen:
fascisten geloven dat een volk een elite nodig heeft die ze leiding geeft.
Populisten geloven dat leiders naar het volk moeten luisteren. In die zin zijn
populisten juist uitermate democratisch (in een
interpretatie van de democratie). Daarnaast deze coalitie kan steunen op 76 (of
78?) zetels in de Tweede Kamer. Onze democratie werkt met die meerderheden. In
de laatste kabinetsperiode waren 76 zetels regelmatig genoeg om allerlei linkse
maatregelen te nemen. Waarom zou het plotseling ondemocratisch zijn om deze 76
zetels uitvoering te laten geven aan haar ideeen? Een gevaar voor de
rechtsstaat is de PVV ook niet: sterker nog: de PVV pretendeert de rechtsstaat
te beschermen tegen elementen die haar willen verzwakken. Ik deel de mening van
de PVV niet dat “moslims” of “de islam” een bedreiging voor de rechtsstaat is
evenmin. De PVV laveert al vaker
tussen retoriek en pragmatisme: ik verwacht dat de PVV steeds sterker zal benadrukken
dat als moslims zich aan de wet houden zij niets te vrezen hebben.

Dit betekent niet dat ik het met het beleid van dit kabinet
wat betreft veiligheid, migratie en integratie verwacht eens te zijn, maar in
Balkenende I regeerde de LPF mee, en Oosterrijk hebben de rechtse populisten
ministers geleverd zonder dat er daar sprake is van een ineenstorting van de
democratie. De constructie die hier gekozen is: met een gedoogde regering werkt
in Denenmarken, een land wat Nederland in veel andere opzichten als lichtend
voorbeeld
ziet.

 

Kansen

Sterker nog: volgens mij is het regeer- en gedoogakkoord op
veel manieren een kans voor progressieve politiek: we lijken vaak te vergeten
dat dit een minderheidskabinet is. En dat er buiten en op de grenzen van het
gedoogakkoord genoeg ruimte is voor progressieve politiek. Dit kabinet doet niets aan de WW, het ontslagrecht, de AOW of de woningmarkt. Waarom komen progressieve partijen
als D66, CU en GroenLinks dan niet met progressieve alternatieven om daarmee
het CDA en de VVD te verleiden?

Een gezamelijke oppositiekuur voor GL, SP, CU, PvdA en D66
(voor het eerst sinds 2003) biedt ook mogelijkheden voor het overwegen van
linkse samenwerking. Want laten we er eerlijk over zijn: als linkse partijen
beter samen hadden gewerkt, als er minder linkse partijen waren geweest dan hadden de rechtse partijen met dit kiesstelsel geen 76 zetels gehad, want het gaat echt om restzeteltjes. En dan was misschien een linkse partij wel de grootste geworden.

Eigenlijk krijgt iedere oppositie de regering die hij verdient.

Amerikaanse Politiek in een Multidimensionale Ruimte

Diederik ten Cate reageerde scherp op mijn blog van vorige week over de links/rechts tegenstelling. Zijn kritiek zit hem in de manier waarin ik snel de Amerikaanse politiek beschrijf: ik stelde de suggestie dat er tussen 1956 en 1964 een cruciale verandering had plaats gevonden in de Amerikaanse politiek. Waar de Democratische Partij eerst pro-slavernij en racistisch en nu is de Democratische Partij de partij van de burgerrechten. En de Republikeinse Partij ging de andere kant op.  

Diederik stelt heel terecht dat dit deels te kort door de bocht is : tussen 1930 en 1960 is de Amerikaanse politiek beter te beschouwen als een drie-partijensystemen: de Noordelijke Democraten, de Zuidelijke Democraten en de Republikeinen. Hij stelt dat dit links, extreem-rechts en centrum-rechts zijn. De Zuidelijke Democraten zijn inderdaad de diep-racistische, conservatieve blanke Amerikanen. 

Echter deze analyse vind ik dan weer te simplistisch: want het onderscheid tussen de Noordelijke Democraten en de Republikeinen is niet in een simpel links/rechts te vatten. In het progressieve tijdperk (1890-1930) waren er in zowel de Republikeinen als de Democraten progressieven actief: voor democratische vernieuwing, sociale wetgeving en milieubescherming. Woodrow Wilson (Democraat) en Theodore Roosevelt (Republikein) waren allebei progressieven. Echter in de Republikeinse en de Noordelijke Democratische Partij waren er ook conservatieven actief. De electorale verschillen tussen de partij en het electoraat is moeilijk om in links/rechts te vatten: het was eerder zo dat de Noordelijke Democraten steun kregen van Katholieke stemmers, vaak migranten uit Zuid-Europa, en de Republikeinen, "nativists", steun kregen van Protestanten.

SoDemNoDem
Het was pas vanaf dat de New Deal coalitie (1934) dat je kan spreken van een linkse Noordelijke Democratische Partij een rechtse Republikeinse Partij. De suggestie van Diederik dat de Noordelijke Democratische Partij bestond uit Joodse, New Yorks progressieve intellectuelen, lijkt me onjuist: het ging veel eerder om vakbondsmensen, nog steeds overigens vaak Katholiek. Dan rest de vraag of de plek van de Zuidelijke Democraten zo makkelijk te vatten is in links/rechts. De Zuidelijke Democraten steunden een groot deel van de economische agenda van de Noordelijke Democraten. Echter op culturele vraagstukken waren de Noordelijke en Zuidelijke Democraten verdeelt tussen meer progressieve en conservatieve elementen. Je zou dit dus het beste kunnen begrijpen in termen van een twee-dimensionaal model, zoals hierboven is gepresenteerd: progressief-linkse Noordelijke Democraten, centrum-linkse conservatieve Zuidelijke Democraten, en rechtse Republikeinen. De New Deal coalitie bestond uit de Noordelijke en de Zuidelijke Democraten. De huidige Republikeinse Partij lijkt destemeer te bestaan uit de voormalige Zuidelijke Democraten met de oude rechtse Republikeinse basis. Deze ideologische driehoek doet enigszins denken aan de Nederlandse ideologische driehoek.

Echter door de culturele thema's steeds sterker te benadrukken braken de Democraten steeds sterker op, met name toen Kennedy en Johnson de burgerrechten van Afro-Amerikanen: met een pennenstreek had Johnson voor 40 jaar het Zuiden aan de Republikeinen gegeven. De Republikeinen, met name Nixon, wisten hier met een aggressieve Zuidelijke strategie gebruik van te maken. De eerste breuk tussen Noordelijke en Zuidelijke Democraten was echter al in 1946: als de Dixiecrats uit de Democratische Partij stapten, en Truman (Democraat) weet te winnen zonder de Zuidelijke staten.

 

RepDem

Het is inderdaad waar dat de complete draai van progressief naar conservatief tussen Democraten en Republikeinen in 150 jaar heeft plaats gevonden: van de verkiezing van de progressief Lincoln (Republikein, Illinois), die slavernij zou verbieden, tot de progressief Obama (Democraat, Illinois), de eerste Afro-Amerikaanse president. Je zou het als in het bovenstaande figuur kunnen modeleren (alhoewel dit model wederom misschien niet alle nuances pakt): in 1860 zijn de Democraten met name conservatief en de Republikeinen progressief. Met New Deal coalitie schuift het zwaartepunt van de Democratische Partij naar links en dat van de Republikeinse Partij naar rechts. De stappen die door Johnson en Nixon genomen worden zijn kleiner maar wel cruciaal: de Democratische Partij wordt in meerderheid een progressieve club, de Republikeinen worden in meerderheid conservatief. De laatste stap in de figuur is misschien niet helemaal correct: onder Clinton is de Democratische partij duidelijk naar het economishe centrum geschoven en het was de pretentie van "compassionate conservative" Bush dat de Republikeinen minder anti-overheid zouden worden: het is echter de vraag of in de strijd tussen de socialist Obama en de Republican Tea Party deze indeling nog helemaal correct is.

Een GroenLinks prisma & het droste effect

Een tijdje geleden introduceerde ik het idee van het GroenLinks prisma. Een manier om te kijken naar de manier waarop GroenLinks verschillende beleidsterreinen kan beanderen. Hierbij wordt het GroenLinks denken uitgewerkt vanuit drie ideaaltypische perspectieven: een links-liberaal blauw perspectief, dat vrijheid en openheid centraal stelt; een progressief-socialistisch rood perspectief, dat gelijkheid en solidariteit centraal stelt; en een groen perspectief, dat duurzaamheid en natuurlijkheid centraal stelt. Vanuit dat perspectief kan je kijken naar de democratie, volkshuisvesting, volksgezondheid, kunst. Maar ook naar de verdeling van portefeuilles. Eerder heb ik al gespeeld met het idee hoe een GroenLinks fractie verantwoordelijkheden moet verdelen.

Ik ben deze excertie begonnen om na te denken over hoe een grote GroenLinks fractie er uit zou moeten zien. Hoe zou GroenLinks de portefeuilles verdelen tussen 29 kamerleden verdelen? Als we de twee machtigste kamerleden even naast ons neerleggen (de fractievoorzitter en de financieel woordvoerder), die overal over gaan, dan kan je volgens mij door het voortdurend uitdelen door het toepassen door het GroenLinks prisma tot 27 kamerleden te komen. In mijn ogen bestaat een ideale portefeuille van kamerlid uit een combinatie van een beleidsterrein met een focus, dat een focus biedt voor het hele beleidsterrein. Dus: je neemt bijvoorbeeld het onderwerp gehandicapten- en ouderenzorg, met als focus het bieden van de middelen van mensen om zelfstandig te zijn.

Dat is de theorie. In deze praktijk zitten er wel wat haken en ogen aan. Soms is een deling van een beleidsterrein wel te maken, maar niet precies langs de lijnen van de kleuren. Ik zal niet de hele boom doorlopen, want dat wordt allemaal wat saai en technisch, maar laat ik eens een stukje doorlopen. We delen alle beleidsterreinen in drie brede gebieden gebaseerd op kleuren: groen zit in bovenste helft, dat gaat dus om allerlei milieu-onderwerpen: groene innovatie (waarbij een vrije markt en creativiteit worden ingezet voor het milieu), groene natuur (dat draait om een gezonde harmonie met onze natuurlijke omgeving) en de groene stad (waar sociale en groene doelen hand in hand gaan, denk isolatie van huurhuizen). Aan de linkerkant liggen de echt rode onderwerpen, dat gaat om de kern van de publieke sector, het onderwijs, de zorg en de sociale zekerheid. Deze kan je zoals ik heb gedaan koppelen aan bepaalde kleuren: onderwijs aan blauw (gelijke kansen), sociale zekerheid aan rood (sociale rechtvaardigheid op zijn puurst) en gezondheidszorg aan groen (kwaliteit van leven). Hierbij is het koppelen van kleuren aan beleidsterreinen al geforceerder. Bij blauw gaat dat nog moeilijker. Dat gaat in principe om de kerntaken van een overheid in een nachtwakersstaat: het beschermen van een open samenleving, met een open overheid, dat open staat voor de wereld. Welke daarvan precies rood, groen of blauw zijn is afhankelijk van de verdere invulling.

Op het laagste niveau vind je de 27 portefeuilles: want iedere portefeuille is weer in drieen gesplitst. Binnen de rode publieke sector, is er dus een rood kernthema (sociale zekerheid) en die heeft weer een rode, een blauwe en groene benadering. De rode benadering gaat om het bestrijden van armoede (inkomen), een blauwe benadering om het bestrijden van afhankelijkheid (werk) en een groene benadering om het bestrijden van stress en haast (verlof). En zo zijn alle onderwerpen uitgedeeld. Soms is dat beter geslaagd en soms minder.


Untitled Image 3

Ik zal ze niet alle 27 doorlopen. Maar ik wel iets zeggen over de patronen die er inzitten. Naar kleur.

Groen is het lastigste op het laagste niveau. Groen stelt in principe een balans centraal tussen mens en milieu. Dat gaat prima in de milieuhoek: het draait groen om een bloeiende natuur en gezond klimaat (energie en OV). Maar wat kan je dan zeggen over onderwijs? Of over de organisatie van de overheid? Ik denk dat een groene benadering van sociale problemen draait om een andere manier van leven. Een manier van leven waarin meer rust en ruimte is, waar mensen tijd voor elkaar hebben en waar problemen worden voorkomen in plaats van genezen. Kwaliteit van leven staat centraal. Eigenlijk zit dat al besloten in groen/groen/groen namelijk de nadruk op natuur. Een bloeiende natuur is namelijk niet alleen mooi op zichzelf maar door in de natuur te recreeren kunnen mensen ook tot rust komen, en door beweging, buitenlucht en natuurvoeding worden ziektes voorkomen. Dus betekent dat in sociaal opzicht een focus op de preventie van ziekten (door bijvoorbeeld sport, weer zo'n vorm van (buiten)recreatie), een samenleving waar mannen en vrouwen tijd hebben voor hun gezin en voor ontspanning, en waar kinderen kind kunnen zijn. Als we kijken naar de rechterkant, dan zien we een groene nadruk op cultuur als een uiting hiervan: cultuur als een vorm van ontspanning. Waar het gaat om de overheid in nauwe zin benadrukt een groene benadering in mijn ogen subsidiariteit: beslissingen nemen op het natuurlijk passende niveau: en dat betekent decentralisatie (een open bestuur) en Europeanisering (open in de EU). Milieuproblemen stoppen niet bij de landsgrenzen en vereisen vaak internationale actie. Maar juist ook decentralisatie is groen: want alleen zo kan je een beweging van Not In My Backyard omzetten in een Not On Planet Earth-beweging. Als iedere gemeente het zelf zou mogen beslissen komt er nergens een kerncentrale. En dan zie je volgens mij dat echt puur-groene politiek om meer gaat dan natuur, milieu of klimaat. Het gaat ook om een andere manier van leven die kwaliteit van leven centraal stelt, en een andere manier van besturen die voor ieder probleem een gepaste beslissingsniveau biedt.

De blauw visie sluit vaak makkelijker aan bij veel onderwerpen. De liberale visie, met haar nadruk op de markt en het vrije, rationele individu is universeler: dat gaat dus om het beschermen van klassieke burgerrechten (de rechtsstaat)  maar ook om dierenrechten en vrede. Dat gaat om het in staat stellen van mensen om zelfstandig te leven waarbij outsiders toegang krijgen tot de arbeidsmarkt en gehandicapten en ouderen de middelen om grip te houden op het eigen leven. Andere aspecten zijn het stimuleren van excellentie door onderwijs en innovatie, culturele en seksuele diversiteit en de vrijheid van de auto combineren met ecologische verantwoordelijkheid door rekeningrijden.

De rode visie is het meest universeel van alle visies. Deze progressief-socialistische visie stelt solidariteit, materiele gelijkheid en positieve gelijkheid centraal. Het gaat om het eerlijk delen van lasten en lusten, of het nu inkomen is, de kosten van gezondheidszorg of van huisvesting. Om het verzekeren van (groene) werkgelegenheid en de training om daar aan de slag te kunnen. En het bieden van veiligheid en zekerheid of het nu gaat om voedselzekerheid of veiligheid op straat. Ten slotte is rood internationaal solidair met landen waar armoede is (OS) en met mensen die onderdrukking ontvluchten (asiel).

Dus mocht GroenLinks ooit 29 kamerleden hebben, of een lijst met 27 kandidaten zou het zo kunnen.

Liberalisme in Reprise

Gister was ik bij de GroenLinks academie: ze hadden een bijeenkomst georganiseerd over het concept van libertair paternalisme. Een fascinerend verhaal van Joel Anderson over het boek Nudge. En een repliek van Dick Pels die pleitte voor meer paternalisme, of het nu libertair was of niet. De zaal knikte mee. Uiteraard had GroenLinks betere visie van het goede leven dan de meeste mensen. En dat moesten we dan ook opleggen: via verboden, nudges, subsidies, belastingen en morele appellen.

Ik zal het nog een keer proberen. Waarom ik als een liberaal ben, fel anti-paternalistisch ben en wat dat dan inhoudt. En dat draait allemaal om de vraag wat een goed leven is.

Ethiek, de filosofische discipline die onderzoekt wat een goed leven is, is een lastig vak. En niet alleen omdat er zoveel verschillende ethische opvattingen zijn: moeten we ons richten op de maximalisatie van geluk (utilisme)? Of moeten we ons aan strikte morele regels houden (deontologie)? Of juist onze deugden oefenen (deugdethiek)? Of betekenisvolle persoonlijke relaties onderhouden (ethics of care)? Er is niet een eenduidig antwoord op de ethische vragen die er zijn. Maar er is een dieper probleem: er is geen methode om morele oordelen te grondvesten. Er is geen morele werkelijkheid die wetenschappers kunnen reconstrueren. Er is in mijn ogen een groot moreel funderingsprobleem. Er is geen manier om te bewijzen wat een betere visie op het goede leven is. De een zich wil wijden aan een orthodox geloof, een ander een leven sex, drank en drugs en een derde hard wil werken. Er is geen manier om te bepalen wie het beste leven leidt. Er is een geniale scene uit South Park waarin een nieuwe groep zielen in de hel komt. Een ambtenaar roept: "I'm sorry; I'm afraid you were wrong… You chose the wrong religion. I'm afraid it was the Mormons. Yes, the Mormons' was the correct answer." Zo is het dus niet. Wij zijn nu niet in bezit van het ene levensplan dat voor iedereen het goede leven is. Dat ene antwoord.

Dat we dat ene antwoord niet hebben, maakt samenleven ingewikkelder. Als we dat ene correcte antwoord zouden hebben dan zouden we dat aan iedereen moeten opleggen: immers dan zouden zij het goede leven. Maar kan je moraliseren als er geen gedeelde moraal is? Een overheid is nog steeds noodzakelijk, volgens bijvoorbeeld John Rawls omdat in alle ideeen van het goede leven bescherming ten opzichte van geweld, bijvoorbeeld, noodzakelijk is. Maar die overheid moet wel mensen vrij moeten laten om hun eigen idee van het goede leven te ontwikkelen en toe te passen. Dat er ruimte moet zijn voor experiments in living, in termen van J.S. Mill. Uiteindelijk betekent dat volgens mij dat we een radicale positie in moeten nemen. Dat de overheid neutraal moet zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven. Er is geen enkele grond om sommige ideeen van het goede leven te bevoordelen of benadelen, omdat we niet weten welke beter of slechter zijn.

Dat is de basis van mijn liberalisme: een fundamentele onzekerheid, aporia, over wat goed en fout is. En dat we toch met elkaar moeten samenleven, omdat iedereen er dan op vooruit gaat. Ik heb dit eerder epistemologisch liberalisme genoemd: we zijn liberaal omdat we niet weten wat het goede leven is. Dat vereist een staat die neutraal is ten opzichte van het goede leven. Goed-bedoeld paternalisme, staatsinterventie omdat de overheid denkt te weten wat een goed leven is voor anderen is volgens mij hoogst problematisch. Want waarom zou de overheid weten hoe wij moeten leven, als we dat zelf niet weten? Wie weet zeker dat "live hard, die young, leave a beautiful corpse" voor sommige mensen niet de juiste manier om te leven? De overheid moet ingrijpen om schade aan de derde (vervuiling, uitbuiting, onderdrukking) te bestrijden, omdat het toestaan hiervan de keuzes van sommigen bevoordeeld ten koste van anderen. Maar een bepaald idee van het goede leven opleggen, dat mag een overheid niet.

Wat ooit Links was, is nu Rechts. En wat ooit Rechts was is nu Links.

Wat links of rechts is, welk thema gekoppeld wordt aan de ene of andere partij of welke standpunten horen bij het ene of het andere blok kan over tijd sterk veranderen. Het mooiste voorbeeld komt uit Amerika. De Republikeinse Partij is ooit ontstaan als een progressieve, liberale anti-slavernij partij. De Democratische Partij was de conservatieve racistische pro-slavernij partij. Nog geen 150 jaar later is het de Democratische Partij, die een Afro-Amerikaanse president levert en is het de Republikeinse Partij die zich met name onderscheidt door conservatieve standpunten over de autonomie van staten en onderwerpen als positieve discriminatie De partijen zijn volslagen omgedraaid qua standpunten en qua electoraat. De omslag is het best zichtbaar in deze twee figuren die de uitslag laten zien van de verkiezingen van 1956 en 1964: wat eerste Democratisch was, was later Republikeins.

800px-ElectoralCollege1956.svg
800px-ElectoralCollege1964.svg

Als je de discussies volgt over Wilders dan zou het zelfde anno nu in Nederland gebeuren. Meindert Fennema stelt in zijn onvolprezen, monumentale biografie van de zielenroerselen van de heer Wilders dat anti-semitisme tegenwoordig links is en anti-fascisme rechts. En dat maakt aanvallen op Wilders zo moeilijk. Wilders gelooft dat de Islam een fascistische ideologie is en die wil hij bestrijden. "links" steunt daarentegen de anti-semitische krachten in het buitenland (Hamas) en het binnenland (die zelfde Moslims), volgens Fennema. Links staat toe dat er steeds meer geweld is in Nederland tegen Joden en homo's. En dit terwijl traditioneel "Rechts" antisemitisch was en links antifascistisch Dit lijkt me een grove, obscene misrepresentatie van de positie van links en van rechts: zeker als links op dit moment wetten indient om hate crimes harder te vervolgen, om maar een voorbeeld te noemen. En dat ook "rechtse" politici van bijvoorbeeld ARP huize heel actief zijn geweest in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

En er zijn onderwerpen waarop links en rechts elkaar tegenwoordig lijken te kruizen. Neem een onderwerp als het koningshuis: republicanisme was jarenlang een kenmerk van principeel links. Nu is het Wilders die kritiek levert op het koningshuis en links dat knikt bij de vrijzinnige woorden van onze kroonprinses ("de Nederlander bestaat niet"), die overigens door familiebanden betrokken bij de rechtse Argentijns junta om het geheel nog ingewikkelder te maken. Een ander voorbeeld: de Europese Unie is ooit opgericht door Christendemocraten (rechts), maar het is steeds meer links dat hier een groot voorstander van is terwijl rechts om economische of culturele redenen steeds minder ziet in een sterke Europese Unie. Nog een voorbeeld: het was rechts dat de arbeidsmigranten naar Nederland toe haalde, terwijl links daar allerlei voorwaarden, beperkingen en bezwaren aan wou stellen. Zo schreef de PPR in 1971: "De werkgelegenheid voor Turken, Marokkanen, Spanjaarden, enz. behoort op de eerste plaats in hun eigen landen gemaakt te worden." Maar tegenwoordig is het steeds meer links dat arbeidsmigratie wil toe staan, terwijl rechts de grenzen wilt sluiten.

Zeker waar het gaat om de multiculturele samenleving worden de standpunten van links en van rechts steeds lastiger om te onderscheiden: is het zo dat "links" tegenwoordig confessionele politiek bedrijft, niet meer opkomt voor de rechten van vrouwen en homo's, steun geeft aan fundamentalistische religieuze organisaties, terwijl rechts zich keihard inzet voor de emancipatie van homo's, tegen religieuze invloed op de samenleving en voor de rechten van de vrouw? Het lijkt meer het geval te zijn dat een deel van rechts een harde conservatief-seculiere agenda nastreeft die de huidige verworvenheden op het gebied van homo- en vrouwenrechten wil beschermen. Daarbij moet ik overigens wel opmerken dat de PVV minder heeft met de Nederlandse "verworvenheden" op het gebied van prostitutie, euthanasie en soft drugs. En de rechten van bepaalde religieuze minderheden wil inperken, terwijl ze dezelfde intolerantie wel dult van de SGP, zolang deze maar de rechtse regering gedoogd. Links heeft een veel ingewikkelder verhaal: zij streeft een multiculturele samenleving na waar verschillende groepen elkaar accepteren en tolereren dat er mensen zijn die hun leven anders inrichten. Dat betekent dat zowel homo's als Moslims het recht hebben om hun leven zo in te richten als zij het best vinden. En dat mensen soms dingen doen die wij niet zouden willen. Het "Rechts" van de PVV streeft een samenleving na van uniforme vrije individuen, terwijl "Links" een vrije samenleving na streeft waar ruimte is voor verschil.

In een aantal opzichten neemt Wilders inderdaad trekken over het links uit de jaren '70: Hij stelt zich (of stelde zich tot de formatie?) extreem principieel op. Hij heeft het morele gelijk in handen, terwijl de linkse regenten zich, in zijn ogen, al lang al hebben overgeleverd aan Europa, de Moslims en bureaucratie, om daar hun baantjes en privileges mee te beschermen. Daarnaast voert Wilders een keiharde polariserende strategie, richting links en richting de Islam. Wilders "zegt wat hij denkt en doet wat hij zegt". En als groepen zich daar beledigd door voelen, als mensen dat onfatsoenlijk vinden, dan is dat maar zo: door een grote tegenstelling tussen "wij" en "zij" te creeeren weet Wilders het "wij"-gedeelte van het electoraat aan zich te binden. Ten slotte heeft rechts een groot geloof in de maakbaarheid van de samenleving: mensen zullen als herboren terugkomen uit inburgeringscursussen, met een pennenstreek kan alle bureaucratie uit het onderwijs gehaald worden, en door strengere regels en hardere straffen zal de gezelligheid weer in de straat terug keren. In de jaren '60 en '70 was het links dat het morele gelijk in pacht had, en een polariserende strategie volgde en geloofde dat we vanuit Den Haag de samenleving precies naar de hand kon vormen. Links lijkt nu steeds meer te geloven in een pragmatische oplossingen, in consensus ("de boel bijelkaar houden") en in gelijdelijke maatschappelijke ontwikkeling. Links gelooft dat  secularisering van Moslims niet vanuit Den Haag opgelegd moet worden, maar dat een combinatie van tijd, gelijke kansen, eerlijk gedeelde welvaart en goed onderwijs, de gemiddelde polder-Moslim evenveel aan de Ramadan zal gaan doen als de gemiddelde Katholiek aan de vastentijd.

Maar er is wel een opzicht waarin "links" en "rechts" elkaar misschien steeds meer zijn gaan spiegelen, dat is ten minste waarin GroenLinks en de PVV lijken te zijn gewisseld in wat traditioneel links en rechts is. En dat gaat om de positie van de zwakkeren in de samenleving. GroenLinks heeft in de laatste jaren een nieuw sociaal-economisch profiel opgebouwd: het bekende verhaal van kortere, hogere uitkeringen, betere, persoonlijke begeleiding naar werk, betere ontslagbescherming voor flexwerkers. Het verhaal over gelijkere rechten voor insiders en outsiders (alleenstaande vrouwen met kinderen, migrantenjongeren, gehandicapten, flexwerkers). Hierachter ligt de notie dat iedereen zelfstandig moet zijn. De sociale zekerheid moet erop gericht zijn iedereen zelfstandig te maken, mensen grip op hun eigen leven te geven. Deze achterliggende notie komt ook op andere plaatsen terug, zoals het denken over volksgezondheid: mensen met een handicap of een chronische ziekte moeten ondersteund worden, om een zelfstandig leven te kunnen leiden. Het gaat er niet om zwakke mensen te beschermen maar om ze te bevrijden. Mensen moeten in staat worden gesteld om vorm te kunnen geven aan hun eigen leven. Ondertussen is de PVV voor de traditionele verzorgingsstaat gaan liggen: voor de huidige WW en voor huidige ontslagbescherming bijvoorbeeld. Deze regelingen beschermen met name mensen die het al goed hebben, die al lang aan het werk zijn, die hun positie al hebben verkregen. Het verhaal over lagere belastingen sluit hier ook naadloos bij aan: de hardwerkende Nederlander die moet niet gepakt worden. Diens positie moet niet verder worden aangetast: niet alleen de huidige verzorgingsstaat moet behouden worden maar ook de huidige sociaal-economische verhoudingen. De PVV wil mensen niet emanciperen uit armoede en achterstand: de rechten van mensen die het nu al aardig hebben moeten beschermd worden, en mensen die daarbuiten staan, zeker als zij van een bepaalde afkomst hebben hoeven niet te worden binnen gelaten in de verzorgingsstaat. En in de volksgezondheid wordt deze logica voortgezet: de PVV komt op voor ouderen in verzorgingstehuizen en voor gehandicapten die opgevangen zijn in instellingen. Niet om hen verder te helpen zelfstandig te blijven of te worden, maar om hen in hun huidige, afhankelijke positie, als zorgvrager te behouden. "Links" en "rechts" lijken hier wel enigzins te draaien: zelfstandigheid is nu van links en bescherming is nu van rechts. Natuurlijk moet ik dan opmerken dat  GroenLinks en de PVV niet de enige exponenten zijn van links of van rechts. Maar er blijven essentiele kenmerken van links en rechts behouden: rechts wil de huidige maatschappelijke verhoudingen bevriezen, behouden. Nu dat socialere verhoudingen zijn dan '50 jaar geleden wil rechts dus socialere verhoudingen bewaren, maar ze wil deze nog steeds vastleggen. Links wil juist mensen vooruit helpen: iedereen moet vrij en zelfstandig kunnen worden, ook als ze daar ondersteuning bij nodig hebben of als dat betekent dat andere, beter gesitueerde mensen daarvoor iets van hun bevoorrechte positie moeten inleveren.

A0fac0e8-e273-45ac-aaad-7f064617e0e1_wildersaow11jun10
Ondernemer_cm300_1

En dat betekent dat een deel van het electoraat draait van links naar rechts en vice versa: de oude arbeiderswijken die vroeger voorbehouden waren aan de CPN, zijn nu het speelveld van de PVV. En tegelijkertijd zijn het de kleine ondernemers (die wij tegenwoordig ZZP'er moeten noemen) die door GroenLinks gecourt worden. En hiermee lijken links en rechts weer te draaien. Ben je hoogopgeleid, heb je zelf veel kansen, dan stem je GroenLinks, ben je lager opgeleid, ben je minder kansrijk, dan stem je PVV. GroenLinks is steeds meer een partij van de elite: de culturele elite misschien, maar het is een partij die haar wortels in de arbeidersklasse verloren heeft.

Dus veranderen links en rechts? Ja, zeker: wat rechts in de jaren '70 verdedigde een federale Europese Unie, met open grenzen voor arbeidsmigranten lijkt nu omarmt te zijn voor links. De PVV lijkt de polariserende, moralistische stijl van de PvdA uit de jaren '70 overgenomen te hebben inclusief het naieve geloof dat vanuit Den Haag alle maatschappelijke ontwikkelingen gestuurd kunnen worden. Ondertussen lijken ook kiezersgroepen te draaien: dynamische, hoogopgeleide zelfstandige ondernemers stemmen GroenLinks, angstige, laagopgeleide arbeiders stemmen PVV. Op de belangrijkste politieke vragen op dit moment (Hoe moeten we ons stelsel hervormen? En hoe moeten we omgaan met onze diverse samenleving?) zijn de antwoorden van (Groen)Links en PVV-rechts heel anders. De PVV wil de huidige sociale en liberale verworvenheden op het gebied van homo-rechten en uitkeringen beschermen, terwijl GroenLinks een samenleving wil waar verschil tussen mensen wordt geaccepteerd en mensen zich kunnen emanciperen uit armoede en achterstelling. Hieronder ligt nog steeds de klassieke links/rechts verhouding. De PVV wil de huidige maatschappelijke verhoudingen bevriezen, terwijl GroenLinks streeft naar een vrijere samenleving, zelfs als dat soms knarst, en een eerlijkere verdeling van kansen, zelfs als sommige mensen daarvoor achteruit moeten gaan.

Nieuwe Politiek: van vertrouwde consensus naar gecodificeerd wantrouwen

We vergeten wel eens dat er een tijd was waarin formaties een paar weken duurden, waarin moties sporadisch werden gebruikt en waarin verkiezingsprogramma's uit een paar pagina's bestonden. Een andere manier van politiek bedrijven waarbij minder hoefde te worden vastgelegd, waar vertrouwen en consensus het politieke smeermiddel waren. 

Lengte-verkiezingsprogramma
Het moment voor verandering is in de jaren '70. In het figuur hierboven kan je de gemiddelde lengte van verkiezingsprogramma's zien: voor 1971 zijn er weinig programma's langer dan 5000 woorden, en na 1981 ligt het gemiddelde boven de 25000 woorden. Wat is het cruciale verschil in die periode? Wat is er gebeurd? In de jaren '70 vond een radicale verschuiving in de Nederlandse politiek plaats: vertrouwen tussen kiezers en gekozenen die verbnden waren zuilen, werd vervangen door een nieuwe politieke verhouding tussen kiezers en gekozenen, maar ook tussen partijleden en partijtop. In de nieuwe verhoudingen was vertrouwen niet meer genoeg, en moesten er afspraken gemaakt worden. Met een veel uitgebreider programma probeerden partijen kiezers, waar ze vroeger op konden rekenen, te binden. Maar met een veel uitgebreider programma werden ook partijleden en de partijtop gebonden. In de nieuwe verhoudingen werden kamerleden niet gekozen om hun eigen ideeen uit te voeren, maar om het partijprogramma uit te voeren. In deze periode neemt ook bijvoorbeeld de partijdiscipline dramatische toe. Individuele kamerleden zijn geen vrije volksvertegenwoordigers maar vertegenwoordigers van een partij met een partijprogramma en partijdiscipline.

Aantal-moties
Maar ook de verhouding tussen parlementariers en ministers verandert radicaal, in bijna dezelfde periode. Zoals is te zien in het figuur hierboven, waarin het gemiddeld aantal moties per jaar per parlementaire periode is weergegeven, is tussen 1972 en 1982 het aantal moties radicaal gegroeid. Daarna neemt het af om langszaam verder te groeien, maar het keert nooit terug naar het niveau van voor 1972 toen het gemiddelde aantal moties ver onder de 100 ligt. Sinds 2002 ligt het niveau hoger van in de jaren '70. In 2010 ligt het aantal moties boven de 2000. Wat verklaart dit patroon? Op nieuw speelt denk ik wantrouwen een grote rol: de jaren '70 is de periode van polarisatie tussen links en rechts. Parlementariers proberen net als partijleden, ministers (natuurlijk die van andere partijen) te binden om bepaalde plannen uit te voeren. Ministers kunnen niet langer in vrijheid hun eigen plan uit voeren, maar worden geacht om zich aan de wil van de kamer te houden. In de periode 1986-2002 lijkt het vertrouwen hervonden, het aantal moties ligt lager en groeit gestaag. Maar vanaf 2002 neemt het aantal moties sterker toe: is het de polarisatie? De groeiende rol van de media? Een nieuwe, dualistische verhouding tussen kamer en kabinet? Het lijkt er in elk geval op dat meer en meer kamerleden proberen ministers te binden.

Lengte-formatie
In de lengte van kabinetsformaties (het figuur hierboven) is er een ander, maar vergelijkbaar patroon: in de periode 1946-1956 neemt de lengte van formaties toe: van minder dan 40 dagen naar meer dan 100 dagen. Dan valt dat naar beneden van 100 dagen naar minder dan 40 dagen. Tussen 1972 en 1981 is er een sterke piek in de lengte van de formaties: het jaar 1977 met bijna 200 dagen is natuurlijk een grote piek. Daarna stabiliseert de lengte van formties tot tussen de 60 (jaren '80) en de 100 dagen (jaren '90-'00). In dit patroon speelt het vertrouwen en wantrouwen een grote rol: tussen '48 en '71 is het vertrouwen tussen de grote partijen sterk. In de periode van polarisatie groeit het wantrouwen en daarmee de lengte van formaties. Het wordt steeds minder makkelijk voor partijen om compromissen te sluiten. In de jaren '80 lijkt het vertrouwen hervonden, maar sindsdien neemt de lengte van formaties weer gestaag toe, omdat het vanwege de partijpolitieke polarisatie steeds moeilijker wordt? Omdat het voor partijen steeds moeilijker is om afspraken te maken met lange programma's? Of omdat er steeds meer op detail niveau geregeld moet worden?

Je zou de groei van het aantal moties, de lengte van formaties en de lengte van programma's proberen te kunnen verklaren aan de hand van de groei van de verantwoordelijkheden van de overheid. Maar opvallend genoeg is het de jaren '50 en  '60 waarin de overheid meer is gaan doen: aan maatschappelijk werk, industriebeleid en de volkgezondheid. Het was juist in de jaren '80, '90 en '00 dat de overheid taken afstoot en aan de markt overlaat. Maar de lengte van programma's neemt niet af. En, na een kleine val in de lengte van formaties en het aantal moties neemt het gestaag toe: terwijl de overheid minder gaat doen. Een verandering van de politieke cultuur lijkt me een redelijke verandering: met meer moties, langere programma's en langere formaties proberen burgers, politici en partijleden elkaar te binden in een tijd dat de politiek van vertrouwen en consensus niet langer geldt en is vervangen door het gecodificeerde wantrouwen van programma's, formaties en moties.

Linkse Familiegevoel

Terwijl rechts zich toch lijkt te kunnen verenigen rond hun meerderheid van 76 (78?) zetels is bij links een ware familieruzie uitgebroken: de centrale vraag daarbij is, moet links samenwerken.

De PvdA in haar gelekte oppositiestrategie zegt "Ja", zolang zij maar de leiding kunnen nemen. Tussen het links-liberalisme van D66 en GroenLinks en het dogmatische socialisme van de SP staat de PvdA die als spil zou kunnen opereren in het wisselende oppositiefront. De PvdA wil samen optrekken en niet de onderlinge confrontatie zoeken met de dogmatisten en overbodige links-liberale pragmatici. Er zit dus een zeker opportunisme in: de PvdA maakt zichzelf de noodzakelijke kracht van links, die D66 en de SP kan samenbrengen. Alleen door een machtsspel te spelen kan de sociaal-democratie zich relevant maken. Het zijn niet haar standpunten die haar aantrekkelijk moeten maken, maar haar middenpositie.

DWARSvoorzitster Eline van Nistelrooij verwerpt linkse samenwerking hardgrondig in haar artikel in de Volkskrant. Ze benadrukt dat GroenLinks vroeger "trekjes" vertoonde van de SP, en dat Kritisch GroenLinks, "een handjevol" "verzuurd[e]" conservatieven dat in stand wil houden. Maar dat GroenLinks daar gelukkig nu van genezen is en nu streeft naar hervorming na van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, pro-Europees is en niet bang is om verantwoordelijkheid te nemen. Dat het juist Leo Platvoet was die in het verleden kritisch was over de keuze van GroenLinks om niet deel te nemen aan de onderhandelingen met het CDA en de PvdA lijkt Van Nistelrooij vergeten.Als klap op de vuurpeil, roept de voorzitster van de GroenLinkse Jongeren op om samen te werken met rechts, niet omdat dat wiskundig noodzakelijk is of omdat een kabinet een brede basis nodig heeft, maar omdat alleen de samenwerking van linkse en rechtse hervormingspartijen de grote problemen kan op lossen. Zijn toont zich een echte links-liberale pragmatica.

ROODvoorzitter Leon Botter neemt het op tegen Van Nistelrooij op JOOP.nl: links moet de onderlinge verschillen niet benadrukken en in plaats daarvan net als rechts samenwerken. Hij verwijt de PvdA en GroenLinks tunnelvisie. Zij moeten Paars+, een kabinet met rechts, opgeven en in plaats daarvan kiezen voor linkse samenwerking. Linkse samenwerking dat zou goed zijn voor Nederland, voor de wereld. Dat die linkse samenwerking maximaal 72 zetels zou hebben lijkt Botter weinig te deren. In het verleden had de SP van Botter nog het realisme te willen samenwerken met het CDA. De SP zag onterecht niet dat Maxime Verhagen de gangmaker van ultrarechts is. Nog altijd is het CDA de vertegenwoordiger van het rauwe kapitalisme dat sinds de jaren tachtig (sinds de kabinetten van Lubbers) welig tiert in Nederland. Van dat neo-liberalisme wil de SP toch af zou je zeggen. Dus is het CDA ook geen optie voor hen. Maar is terug trekken op een links eiland wel een goed plan? Hoe dan ook Botter toont zich een echte socialistische dogmaticus, vol idealen maar met weinig realisme.

Dus is er een weg tussen de orientatie van GroenLinks op het liberalisme? De obsessie van de SP met een links blok? En het zelfzuchtige opportunisme van de PvdA? Is een links front een oplossing? Of moeten we juist de verschillen tussen links en rechts overbruggen, omdat de verschillen binnen links even groot zijn als daarbuiten?

Ten eerste, we lijken te vergeten dat het gaat om een minderheidskabinet. En dat biedt volgens mij kansen voor progressieve partijen. De antagonistische links/rechts dynamiek die de PvdA en de SP verkiezen, zorgt ervoor dat we Nederland ten minste vier jaar overgeven aan rechts: aan het inperken van burgerrechten en het uitbreiden van ongelijkheid. In plaats daarvan zouden een aantal hervormingsgezinde partijen een alternatieve agenda moeten formuleren voor de VVD en het CDA, om hen te overtuigen te investeren in duurzaamheid en sociaal te hervormen. One catches more flies with honey than with vinegar. 

Ten tweede, electoraal biedt een links blok zowel kansen als gevaren: er zijn 4 partijen op rechts. En zes partijen op links. De gemiddelde linkse partij heeft 12 zetels. De gemiddelde rechtse partij heeft bijna 20 zetels. Zolang het spel bij de verkiezingen "wie wordt de grootste?" is, zou het zinnig zijn om het aantal linkse partijen te verkleinen. Aan de andere kant: het moment waarop links serieus een meerderheid kon krijgen was het moment waarop de partijen breed gespreid stonden: het was in 1998 toen de PvdA een middenkoers voer, en in 2006 toen de partijen waren verspreid van Christelijk-sociale CU via progressief-liberale PvdA, tot de populistisch linkse SP. Dat waren de momenten waarop er een linkse meerderheid was. Buiten die tijd was er in Nederland min-of-meer een permanente rechtse meerderheid. Een echt links blok, een Progressieve Volkspartij, zou geen meerderheid kunnen halen.

En dan ten slotte: de steeds sterkere links/rechts dynamiek in het Nederlandse parlement past niet binnen de klassieke spelregels van de Nederlandse politiek: hierin staat breed gedragen consensus centraal, samenwerking, polderen, het eerlijk verdelen van macht, respect voor het neutrale staatshoofd en boven al het respect voor minderheden. Het principe is dat een meerderheid van 76 zetels niet genoeg is, maar dat een brede coalitie gesmeed moet worden. De keuze om nu een links blok te vormen in de hoop dat deze een rechts blok kan opvolgen in 2015 is niet alleen gebaseerd op onjuiste electorale wiskunde of op slechte politiek voor de korte termijn, maar het gaat ook uit een een politiek van "Winner takes all", van polarisatie en van het uitsluiten van minderheden. En dat maakt het volgens mij alles behalve links.

Kamerleden, ministers en de perfecte correlatie

Sommige relaties zijn eigenlijk te mooi om te beschrijven. Zo vroeg ik me af of er een relatie was tussen de grootte van smaldeel van eeb partij in het kabinet en in de Tweede Kamer. Intuitief zou je zeggen dat een partij die meer zetels heeft ook meer ministerposten mag eisen, maar is dat direct evenredig aan de vertegenwoordiging in de Tweede Kamer of zou er meer aan de hand zijn?

Rplot

De relatie is te zien in het figuur hierboven. Ik heb weinig relaties gezien die zo prachtig lineair zijn: het lijkt er op dat het percentage ministers dat een partij heeft van alle ministers met een partijband direct evenredig is aan het percentage kamerleden dat een partij heeft van alle coalitiepartijen. Dit betreft alle kabinetten tussen 1918 en 2006. De relatie is krachtig, positief, significant en verklaart ruim 89% van alle variantie. In de sociale wetenschappen geldt zo'n sterke relatie als verdacht.

De kleuren staan voor de verschillende partijen (zwart voor RKSP/KVP/CDA, rood voor SDAP/PvdA, groen voor ARP, grijs voor CHU, roze voor VDB/D66, blauw voor LSP/VVD en lichtblauw voor alle kleintjes). Dat laat zien dat er geen partijen zijn die sterk afwijken van dit patroon. 

We kunnen dus vrij precies kunnen voorspellen welk percentage van de ministersposten een partij kan krijgen. In Paars+ zouden de partijen 38,7% (VVD), 37,4% (PvdA) en 2 maal 11,6% van de ministers leveren (D66 en GL). [Telt op naar 99,3%]. In een Roti+ coalitie zouden partijen 41,3% (VVD), 26,2% (CDA) en 2 maal 12,4% (D66 en GroenLinks) en 5,5% (CU) van de ministers leveren. [Telt op naar 97,8%]. Als we de voorspelling uit zouden mogen extrapoleren naar het PVC-variant zou de VVD 62,2% en het CDA 39,7% van de ministers krijgen [Telt op naar 101,9%].

Dat er een bijna perfect lineaire correlatie is tussen de grootte van het smaldeel ministers en kamerleden, duidt er op dat kleinere partijen niet structureel oververtegenwoordigd worden: dat is meer ministers krijgen dan dat ze "recht" op hebben. Of dat er natuurlijke grens zit aan hoeveel ministers een grote partij krijgt. Het lijkt perfect evenredig. Mooi, maar ook een beetje saai.

[UPDATE:] Ik heb nog even gekeken naar Tom Louwerse's suggestie: of het uitmaakt of een partij de minister-president levert. Op zich is er een positieve correlatie tussen het aantal ministers dat een partij levert en of ze de premier levert (maar die lijkt me "spurious": grotere fracties leveren meer ministers en de premier). Als je hiervoor controleert dan is het effect van het leveren van de premier zwak, negatief en insignificant: over de gehele periode moeten de premierspartijen daar iets voor inleveren, maar niet een "significante" hoeveelheid.

Right For all the Wrong Reasons

Ik luister graag naar Philosophy Bites, een heel interessante podcast met interview met zeer prominente filosofen over allerlei filosofische onderwerpen. Vaak bieden de interviews interessante inzichten, mooie samenvattingen of heldere betogen.

Maar soms gaat het ook mis, dan zit er een filosoof die gewoon onzin beweert. Een geval daarvan is dit interview met Jeff McMahan, over het eten van vlees. McMahan en ik zijn het over een aantal dingen eens, zoals dat het eten van vlees moreel niet te rechtvaardigen is, maar daar houdt het ook wel zo'n beetje op.

McMahan is, alhoewel hij dat aan het einde van het interview ontkent, een echte utilist. Zijn redenering is gebaseerd op een afweging tussen geluk en leed van dieren en mensen: hoe groot is het geluk dat mensen krijgen van het eten van dieren? En welk leed van dieren staat daar tegenover? En hoeveel geluk hebben we voorkomen door die dieren om te brengen? In preciezere termen als het extra geluk dat wij krijgen van het eten van het dier (in plaats van het eten van een vleesvervanger) groter is dan het leed van het dier omdat het geslacht werd plus het niet gerealiseerde potentiele geluk van het dier als het zou door leven, dan mogen we het dier eten.

Deze redenering is denk ik, in grote mate, pervers. Dieren in de bio-industrie zijn verschrikkelijk ongelukkig. Als we ze dood maken dan betekent dat het voorkomen van toekomstig leed. Iedereen die zou beweren dat alhoewel die dieren lijden dit beter is dan dood zijn, moeten echt op passen: maximalisatie van geluk zou dan betekenen dat het juist zou zijn om heel veel dieren in de bio-industrie te maken: met minimale kosten extra geluk. Als we, zoals McMahan verdedigt (geheel tegen zijn theorie in overigens), vrij levende vissen dood zouden mogen maken om dat op te eten dan voorkomen we juist toekomstig geluk: deze dieren zijn juist heel gelukkig. In die zin zou een utilist er voor moeten kiezen om bio-industrie vlees te eten boven vlees uit de biologische landbouw of de jacht: het potentiele geluk dat voorkomen wordt is veel kleiner.

McMahan maakt een onderscheid tussen verschillende dieren en de mate waarin zij "moreel relevant" zijn, dat is opgegeten mogen worden. Mensen zijn moreel relevanter dan zoogdieren, die weer relevanter zijn dan vissen en garnalen. De morele relevantie van wezens is volgens McMahan gebaseerd op hun vermogen om gelukkig te zijn, waardevolle ervaring te hebben en te kunnen lijden. Hiermee komt McMahan bij een typisch probleem van het utilisme. We weten niet of iemand anders gelukkig(er) is: we kunnen niet in zijn of haar hoofd kijken. Geluksniveau's zijn "incommensurabel": niet te vergelijken tussen mensen en al zeker niet tussen verschillende dierensoorten door. Alles wat hij hier doet is speculatie, over wat er bij mensen en dieren intern gebeurd.

Wat ik daarnaast mis van een complete utilitische overweging, maar dat kan McMahan met zijn ambigue utilisme misschien niet aangerekend worden, is een argument vanuit de ecologische gevolgen van de veeteelt en de visserij: overbevissing, de kap van bos voor landbouwgrond, de voedselcrisis. Allemaal het gevolg van de (over)consumptie van vlees. Op de lange termijn is het eten van vlees gewoon niet vol te houden. We putten de planeet uit, en brengen zo mensen en dieren in gevaar. Denk maar eens na over het potentiele geluk van mensen en dieren dat op die manier geschaad wordt door vleesconsumptie.