GroenLinks tussen SP en D66

Femke Halsema opende vorige week de discussie over linkse samenwerking. In haar ogen moest de PvdA kiezen tussen progressief-linkse samenwerking met D66 en GroenLinks, of conservatief-linkse samenwerking met de SP. Dat leidde tot negatieve reacties vanuit de PvdA en de SP. In de ogen van Halsema is de verwantschap tussen de progressief-linkse partijen D66 en GroenLinks sterker dan tussen de GroenLinks en de SP.  Maar is dat echt zo? Lijkt GroenLinks meer op D66 dan op de SP?

Stemmen
Hier boven zien we de mate waarin fracties in de Tweede Kamer hetzelfde stemmen tussen 1994 en 2010, de periode waarin de SP in de Tweede Kamer zit. Over de hele periode stemt GroenLinks meer dan 80% van de SP mee. In de periode 2003-2006 is dat bijna 90%. De verwantschap met D66 is veel kleiner: als D66 in het kabinet zit (en GroenLinks in de oppositie) stemmen de partijen minder dan 60% hetzelfde. Maar zelfs als D66 in de oppositie zit (2002, 2006-2010) is de gelijkenis in het stemmen minder dan 80%. Dat is consistent minder dan de verwantschap dan met de SP. In de laatste periode waarin D66, GroenLinks en de SP samen in de oppositie zaten stemde GroenLinks in 82% van de stemmen met de SP mee en 'maar' 78% met D66.

Er zijn nog twee andere partijen op links: de PvdA en de PvdD. Als de PvdA in de regering zit is de gelijkenis in het stemgedrag minder sterk. In alle gevallen (net) meer dan 60%. Dat is consistent (net iets) meer dan D66-in-de-oppositie. Zitten de PvdA en GroenLinks samen in de oppositie stemmen ze in meer dan 80% hetzelfde. Dat is consistent iets minder dan als de SP en D66 in de oppositie zitten. De Partij voor de Dieren daarmee stemt GroenLinks in 87% van de gevallen hetzelfde.

Als we kijken naar het stemgedrag van partijen, gecontroleerd voor het effect dat de gelijkenis lager is als een partij in de oppositie zit, dan denk ik dat de mate van gelijkenis in parlementair stemgedrag sinds 2002 met GroenLinks als volgt loopt: PvdD (87%), SP (87%), PvdA (84%) en D66 (79%)

Ik denk dat veel lezers denken: je kijkt nu achteruit. Als we kijken naar de grote hervormingen die eraan (moeten) komen. Dan is de verwantschap tussen de "progressieven" van GroenLinks en D66 veel groter dan tussen de "conservatieve" SP en GroenLinks. Op de grote thema's zouden de verschillen tussen GroenLinks en D66 veel kleiner zijn dan tussen GroenLinks en de SP. Dan worden vaak de arbeidsmarkt en de woningmarkt genoemd. Maar ook de SP wil de hypotheekrente beperken. En denk eens aan de zorg ook een belangrijk onderwerp de komende jaren, waar D66 anders dan SP en GroenLinks voor verkleining van het basispakket is en tegen inkomensafhankelijke premies. Of neem de belastingen: GroenLinks en de SP wil hogere inkomens en bonussen verder belasten, D66 niet. Of het openbaar bestuur, waar D66 voor direct verkozen burgemeesters is en GroenLinks en de SP tegen.

Kieskompasruimtegroot
U denkt misschien kijk maar naar het kieskompas! Dat heeft een links/rechts as waarop GroenLinks en de SP misschien meer verwant zijn en een conservatief/progressief as waarop D66 en GroenLinks meer verwantschap vertonen. In het kieskompas (hierboven) is de afstand tussen GroenLinks en de SP, en tussen GroenLinks en D66 even groot, en speelt deze met name af op de links/rechts as.

Als je kijkt naar het stemgedrag in het verleden is (zelfs onder de meest gunstige voorwaarden) de verwantschap tussen GroenLinks en D66 kleiner dan de verwantschap tussen de SP en GroenLinks. Als we kijken naar de toekomst, de partijposities van de partijen bij de laatste verkiezingen, dan is de verwantschap tussen GroenLinks en D66 en tussen GroenLinks en de SP even groot. Op het gebied van werk en woningmarkt is de verwantschap misschien groter tussen GroenLinks en D66, maar op het gebied van inkomen en zorg is er meer verwantschap tussen GroenLinks en SP.

Dus wat zijn die verschillen tussen GroenLinks en de SP, en de verwantschap tussen D66 en GroenLinks? Ik denk dat met name in cultuur is en politieke stijl. D66 en GroenLinks proberen alternatieven te bieden, de SP zou zich met name populistisch verzetten tegen wat zij niet goed vinden. De SP spreekt ontevredenen aan en GroenLinks en D66 winnaars van globalisering. Maar in de dagelijkse politiek komen die verschillen niet sterk tot uiting.

De analyse van de stemmingen is gebaseerd op moties die zijn verkregen van PoliDocs.nl

DWARS door Grenzen: Denenmarken

Nederland en Denemarken verschillen niet veel van elkaar. Ieder die wel eens in Kopenhagen is geweest kan dat beamen: het is net Amsterdam. Qua partijen verschilt Denenmarken ook niet zo veel van Nederland. Er zijn rechtse populisten, sociaal-democraten, conservatieve liberalen, progressieve liberalen en conservatieven. In het parlement zitten twee partijen links van de grote sociaal-democratische partij: de Socialistisk Folkeparti (Socialistische Volkspartij, SF) en de Enhedslisten (Eenheidslijst, Ø). Beiden staat op een bijzondere manier tot GroenLinks. Daarnaast zijn er twee buitenparlementaire partijen die raakvlakken hebben met progressieve, sociale of groene idealen.

De Socialistisk Folkeparti lijkt erg op een van de partijen die in GroenLinks is opgegaan: de PSP. Beide partijen zijn opgericht op het hoogtepunt van de Koude Oorlog eind jaren ’50. Ze waren op zoek naar een derde weg tussen het stalinisme van de USSR en het kapitalisme van de USA. In de jaren ’60 pikten de partijen nieuwe thema’s op zoals feminisme en milieu-bescherming. De SF werd een middelgrote partij, die tussen de 4% en 10% van de stemmen en een belangrijke politieke factor, die met regelmaat sociaal-democratische minderheidsregeringen steunde.

Een belangrijk thema voor de SF is Europese samenwerking. In de jaren ’70 was de partij mede door haar Euroskeptische opstelling sterk gegroeid. In 1992 voerde de partij een succesvolle referendumcampagne tegen het Verdrag van Maastricht. Nadat het Deense volk dit verdrag heeft afgewezen, werd de SF intensief betrokken bij de heronderhandelingen. Dan leert de SF dat ze op Europees gebied best succes kan boeken. De mening van de SF over Europa begint langzaam te schuiven. Tot twee keer toe besluit de SF-Europees Parlementarier zich niet aan te sluiten bij de zeer Euroskeptische Verenigd Europees Links-fractie, maar bij de fractie van de Europese Groenen, waar er minder dogmatisch wordt gedacht over Europa. In een intern referendum in 2005 sprak een ruime meerderheid van de partij zich uit voor de Europese Grondwet.

De Enhedslisten, ook wel Rood-Groene Alliantie geheten, lijkt in zekere zin ook op GroenLinks. Net als GroenLinks is zij in 1989 gevormd als een samenwerkingsverband van drie kleine linkse partijen: de marxistische Links-Socialisten, de stalinistische Communistische Partij van Denenmarken en de trotskistische Socialistische Arbeiderspartij. Later trad de maoistische Communistische Arbeiderspartij toe. Deze in naam groene en linkse fusielijst vaart echter nog steeds een oud-socialistische koers en verzet zich nog steeds hevig tegen de Europese Unie.

Dan zijn er nog twee partijen buiten het parlement die (deels) progressieve, sociale en groene idealen hebben: De Grønne zijn lid van de Europese Groene Partij maar vormen geen relevante politieke factor: ze doen al jaren niet mee aan verkiezingen. De partij is veel donkergroener dan andere partijen als GroenLinks. De reden dat deze partij het zo slecht doet, is dat de SF en de Enhedslisten al sterk op groene thema’s zitten.

Het links-libertaire Retsforbundet (Rechtvaardigheidsverbond) is een opvallende partij: ze zijn voor een vrije markt en een basisinkomen. Enerzijds vinden ze dat het bezit van goederen, kapitaal en arbeid absoluut: dat mag niet belast worden. Anderzijds menen ze dat het bezit van het land collectief is: gebruik hiervan wordt wel belast om andere te compenseren dat zij dat stuk land niet kunnen gebruiken. Hiermee worden overheidsdiensten gefinancieerd en een basisinkomen betaald. Deze partij is tot de jaren ’80 in het parlement vertegenwoordigd geweest en heeft zelfs een tijdje in een centrum-linkse coaltie mee geregeerd.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS van herfst 2007.

Naar een ander kiesstelsel

Het was een bewogen vergadering van GroenLinks Zuid Holland vandaag. Meer dan 100 leden hebben een programma en een lijst vastgesteld. De regels rond het samenstellen van lijsten toonde weer eens duidelijk zijn gebreken. Heel veel kandidaten, heel veel herstemmingen en langszaam aflopend aantal stemmers.

Het eerste klassieke probleem is of er absoluut of relatief getoetst moet worden door de kandidatencommissie. Dat is of bij het bepalen of een kandidaat geschikt is voor een blok er gekeken moet worden naar de kandidaat en de eisen die voor het blok gelden of dat er gekeken wordt naar hoe een kandidaat het op die eisen doet in vergelijking met de andere kandidaten. Als je absoluut toetst kunnen er zoals bij GroenLinks Zuid Holland heel veel kandidaten zijn voor een bepaald blok. Als je relatief toetst hou je het aantal kandidaten in de hand. Het eerste geeft veel keuze aan de leden en het tweede garandeert een helderdere procedure. De kandidatencommissie had gekozen voor het laatste wat leidde tot heel veel kandidaten voor de eerste 10 plekken (14). Er waren vier later drie lijsttrekkerskandidaten.

Het tweede klassieke probleem is of er schotten tussen blokken moeten zijn. Als er geen schotten tussen blokken zijn kunnen kandidaten zich kandidaat stellen voor iedere plek van de lijst onafhankelijk van de plek waarvoor de kandidatencommissie hen geschikt acht. In dat geval speelt de ambitie van de kandidaten het systeem parten. Nog meer mensen die zich kandidaat stellen. Uiteindelijk waren er vier kandidaten die boven hun schot stonden waardoor er voor de eerste 10 plekken dus 18 kandidaten waren.

Het derde klassieke probleem is de techniek van het herstemmingen als geen van de twee kandidaten een absolute meerderheid heeft gehaald in een tweede ronde. In dit geval wordt de kandidatuur geopend voor alle kandidaten. In zulke gevallen kunnen er rare dingen gebeuren: mensen die geen kandidaat zijn voor een bepaalde plek die plotseling wel op de lijst komen. Bij de ALV van Zuid Holland maakte de herstemmingen niets uit en kostte het alleen maar tijd. Ik heb de voorzitter van de vergadering nadrukkelijk gewezen dat dit de statutaire gang van zaken is. Dat betekent niet dat ik het een wenselijke vind, maar regels zijn er niet om in de wind te gooien.

Het vierde klassieke probleem is hoe de leden kiezen. Onvoorbereid, vaak met een of twee favoriete kandidaten en dan stemmen op basis van uiterlijke kenmerken. Met name geslacht speelt bij GroenLinksers altijd een belangrijke rol: na de mannelijke lijsttrekker (Oscar Dijkhoff) volgde zijn vrouwelijke tegenkandidaat (Marijke Kleijweg), dan een mannelijk zittend statenlid (Alfred Blokhuizen), gevolgd door een vrouwelijke afdelingsbestuurder (Annelies van Egmond). Een heel sterke mannelijke kandidaat, John Steegh, legde het voortdurend af tegen de vrouwen of de zittende statenleden. Ik ben van de stellige overtuiging dat hij gemakkelijk op de vijfde plek had kunnen komen: daar werd een groene man verkozen. Steegh ondervond ook iets wat ik al eerder geobserveerd heb voor de jonge kandidaten Klaver en Smeulders en de kritische kandidaat Platvoet: het voortdurend wel door stoten naar de tweede ronde maar daar worden afgewezen door een meerderheid. Alleen maar omdat ze jong, man of kritisch zijn.

Het vijfde klassieke probleem is de zwakte van het advies van de kandidatencommissie. In Zuid Holland werd Alfred Blokhuizen tegen het advies van de kandidatencommissie toch op de derde plek gezet. Een groot aantal kandidaten die tegen de schotten ingingen werden hoger geplaatst dan de kandidatencommissie had geadviseerd. De functie van een kandidatencommissie lijkt beperkt: het congres lijkt zich het soevereine recht te hebben toe geeigend om na een praatje van een minuut de geschiktheid van een kandidaat te bepalen. Iets waar Dijkhoff c.s. in het verleden erg kritisch over waren overigens.

Het zesde probleem is dat de interesse van de leden langszaam afneemt. Dit is het gevolg van de vele kandidaten, de vele herstemmingen en het feit dat er evenveel zorgvuldigheid getracht wordt voor verkiesbare plekken als plek #2 en onverkiesbare plekken als plek #10. Het kost te veel tijd om irrelevante beslissingen te maken, waarbij de voorzitter vanuit efficiency maatregelen veel geschreven regels schond.

Het is mijn stellige overtuiging dat het huidige stelsel waarmee GroenLinks lijsten samen stelt anders moet: voor belangrijke beslissingen moet de procedure zorgvuldiger. Democratie betekent niet dat iedereen die dat wilt zich kandidaat kan stellen voor een kleine groep leden maar dat zo veel mogelijk leden op basis van voldoende informatie een beredeneerde keuze kan maken tussen voldoende geschikte alternatieven. Hierbij moeten arbitraire kenmerken als geslacht, etniciteit en leeftijd geen rol spelen. Het moet gaan om geschiktheid, ervaring en visie. Ik denk dat een lijststelsel op het D66 model waarbij een lijst van de kandidatencommissie kan worden geamendeerd door een referendum op basis van een online campagne een waardevol alternatief is. En tevens ben ik van mening dat op korte termijn het stelsel van herstemmingen hierzien moet worden.

DWARS door Grenzen: Tsjechie

Waar in West-Europa de keuze voor een groene en linkse partij nog simpel is, wordt dat in Midden-Europa een stuk lastiger. Links is in Midden-Europa besmet met het communistische verleden, daardoor komen groene, progressieve en linkse politiek niet samen in een partij.

Tsjechie was onderdeel van de Tsjechoslowaakse socialistische republiek, een communistische Oost-blok staat. Behalve een korte periode van een vrijzinniger, menselijker communisme eind jaren ’70, was Tsjechoslowakije een klassieke gesloten communistische dictatuur, waar ieder verzet werd onderdrukt. In 1989 viel het doek voor het communisme en 1992 viel het doek voor Tsjechoslowakije. Er zijn in Tsjechie drie partijen die of wel groen, links of progressief zijn: de groenen, de sociaal-democraten en de communisten.

 De Groene Partij is wel groen, maar heeft een centrum-rechtse economische koers. In voormalige communistische staten is een links economisch beleid vaak gekoppeld aan steun voor voormalige communistische regime, terwijl steun voor de vrije markt wordt gekoppeld is aan democratie en toenadering tot het Westen. De Groene Partij is een kind van de anti-communistische democratiseringsbeweging en heeft dus een centrum-rechts profiel.

De Groenen maakten recent echter een spectaculaire sprong: bij de laatste parlementsverkiezingen sprongen ze van niets naar 6% van de stemmen. Ze werden ook meteen kingmaker omdat noch het rechtse blok noch het linkse blok een meerderheid had. De Groenen kozen voor rechts en sloten zich aan bij een centrum-rechts kabinet van conservatieven en Christen-democraten met een neo-liberale economische agenda.

 Wie een sociale, linkse koers wil varen, is aan het goede adres bij de Communistische Partij. Dit is een van de weinige communistische partijen in Midden-Europa die zich niet na de val van de muur heeft hervormd tot een sociaal-democratische partij. De partij wordt door velen gezien als een anti-regime partij die terug zou willen naar het Stalinistische regime. De communisten hebben zich echter hervormd en gedemocratiseerd. Haar program legt sterk de nadruk op een sterke rol voor de overheid in de economie en democratisering van bedrijven. De partij verzet zich sterk tegen “verwestelijking” van de Tsjechische samenlevinen sprak zij zich uit tegen toetreden toe de Europese Unie. Daarnaast appelleert de partij aan anti-Duitse sentimenten. Geen optie dus voor progressieve, pro-Europese politiek.

 Dan resten slechts de sociaal-democraten. Zoals veel sociaal-democratische partijen in Midden-Europa nam deze het Derde Weg programma van de West-Europese sociaal-democraten over, met haar nadruk op technocratisch management van de markteconomie. De sociaal-democraten zijn anders dan de communisten een systeem partij: ze steunden het toetreden tot de Europese Unie en traden toe tot coalitie regeringen met centrum rechts. Al met al zijn de sociaal-democraten een gematigd centrum-linkse partij.

 In Tsjechie heb je dus de keuze tussen of Groenen, die wel groen en progressief zijn, maar rechts, Communisten die wel links zijn maar niet vooruitstrevend en sociaal-democraten die gematigd zijn in hun progressieve en linkse politiek.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS winter 2008.

Van der Lans Ruimte II

In "Ontregelen. De Herovering van de werkvloer" en in zijn nieuwe boek "Eropaf! Het nieuwe begin van het sociale werk" beschrijft Van der Lans een nieuwe weg van het maatschappelijk werk. Eigenlijk is het een nieuwe agenda voor de hele publieke sector. Hij gebruikt een aantal ruimtelijke metaforen om deze nieuwe agenda te beschrijven. Deze laten echter wel de zwakke plekken in zijn betoog zien.

Vanderlansruimte2

Van der Lans maakt gebruikt van een ruimtelijke metafoor om uit te leggen hoe het maatschappelijk werk is ontwikkeld. Ik heb al eerder over deze Van der Lans ruimte geschreven. Van het paternalistische erbovenop, via het empathisch ernaast naar het afstandelijke ervanaf. Het maatschappelijk werk moet nu terugkomen in de vorm van Eropaf! Het afstandelijke welzijnswerk van de jaren '80 en '90 moet worden vervangen door een veel actievere, betrokkenere vorm van het welzijnswerk zonder te vervallen in het softe ernaast of het paternalistische erbovenop. Als we de ruimtelijke metafoor eens uit tekenen zien we het probleem van Van der Lans' betoog: Ernaast en erboven zijn eigenlijk twee verschillende varianten van Eropaf! Die allebei sterk verschillen van ervandaan. De vraag hoe we precies de balans gaan vinden tussen het paternalisme van erboven en de empathie van ernaast. Deze balans zoekt Van der Lans in Eropaf! maar een zekere ambiguiteit tussen vertrouwen in de kracht van mensen en juist achter de achter ingrijpen zit er wel in.

VDLR1
Een zelfde problematische ruimtelijke metafoor speelt in Van der Lans' nieuwste boek (Eropaf!): hij stelt in zijn boek voor dat verschillende wijken op verschillende manieren benaderd moeten worden. Er zijn in zijn ogen vier varianten: in de wijken kan sprake zijn van afhankelijkheid of van autonomie. Van mensen die hulp nodig hebben en mensen die het zelf wel redden. En het sociaal werk kan op twee manieren handelen: ingrijpen en loslaten. Dat levert vier combinaties op. Die hierboven zijn weergegeven. Twee hiervan zijn uitermate curieus zijn. Er zijn dus wijken nodig waar mensen het zelf aan kunnen. Daar kunnen sociaal werkers loslaten ("zelfsturing"). Maar het sociaal werk kan ook juist hier in grijpen ("stimuleren"). Van der Lans legt niet uit waarom als in wijk mensen autonoom zijn het sociaal werk zou moeten ingrijpen. Dat lijkt mij niet nodig. Dan kunnen er in wijken grote problemen zijn, zodat mensen afhankelijk zijn van zorg. In zulke gevallen kan het sociaal werk ingrijpen ("Activeren"). Dat klinkt logisch: er zijn problemen eropaf! Maar het sociaal werk kan ook loslaten als mensen van zorg afhankelijk zijn ("coachen"): waarom de overheid zou loslaten op dat moment is mij volslagen onduidelijk. Twee van de vier kwadranten zijn eigenlijk heel raar: waarom zou je loslaten als mensen hulp nodig hebben, of ingrijpen als mensen dat zelf wel redden?

VDLR2

Het lijkt erop te duiden dat er niet sprake is van vier kwadranten maar van een lijn en een middengebied. Als mensen autonoom zijn kan het sociaal werk loslaten en als mensen afhankelijk zijn moet het sociaal werk ingrijpen. Als mensen tussen afhankelijkheid en autonomie staan: het soms wel redden en anders niet, een probleem hebben en niet meerdere, dan kan het sociaal werk coachend optreden en mensen stimuleren. De twee lijnen die Van der Lans haaks op elkaar zet liggen dus parallel aan elkaar: de oplossing moet bij het probleem passen.

Wilders over Wilders

Wanneer zou de politicus op staan die zou durven te zeggen dat die PVV-jongens echt gewelddadig zijn: Ze rammen zwangere vrouwen en hulpeloze ouderen in elkaar. Wie durft de waarheid te zeggen dat Eric Lucassen is een barbaar, een straatterrrorist en ontuchtpleger is? Hoeveel erger moet het worden voor we erkennen dat er een verband is tussen het gedachtegoed van Wilders en criminaliteit?  De cijfers tonen dat aan. Een op de vijf PVV kamerleden staat als verdachte bij de politie geregistreerd. Hun gedrag vloeit voort uit hun politieke opvatting. Je kunt dat niet los van elkaar zien.

Het is misschien tegenwoordig niet politiek correct om te zeggen maar het gedachtegoed van Geert Wilders is vooral een politieke ideologie: gericht op de invoering van een stelsel van wetten. "de agenda van hoop en optimisme." Op veel plekken zien we dat het gedachtegoed van Wilders zeggenschap aan het verwerven is over territorium. Wat zeker niet bestaat is een gematigd gedachtegoed van Wilders. Dit gedachtegoed is gebouwd op de volmaaktheid van Wilders.  Het gaat uit van de fundamentele ongelijkheid van mensen. Het ziet twee categorieen: Nederlanders en Moslims. De een is superieur de ander is minderwaardig. Veel politieke problemen, of de intensiteit ervan vinden hun oorsprong in het open kiesstelsel, zoals Nederland dat al jaren heeft. Er zou zonder de opkomst van nieuwe partijen uiteraard ook politieke instabiliteit zijn, maar aanhangers van nieuwe politiek eisen wel een erg groot aandeel in de schandelen en hypes voor zich op. Mishandeling van zwangere vrouwen, geweld tegen barmannen, geweld tegen ambtenaren, straatterrorisme, maar ook ontucht met minderjarigen zouden altijd in de politiek voorkomen maar zouden een stuk minder zijn als de elite niet het gedachtegoed van Wilders zou gedogen.

Het gaat te ver om te zeggen dat het gedachtegoed van Wilders een gewelddadige ideologie is zoals het communisme en fascisme, maar we zullen moeten erkennen dat andere politieke ideologieen of die nu gebaseerd zijn op het liberalisme, de Christen-democratie of het socialisme beter zijn dan de achterlijke politiek van Wilders.

Dit zijn grotendeels uitspraken van Wilders waarbij het woord "islam" is vervangen door het "gedachtegoed van Wilders" en vergelijkbare verwisselingen zijn gedaan van namen en misdrijven.

Lijsttrekkerstest voor GroenLinks Zuid Holland

Gister presenteerden de kandidaat provinciale lijsttrekkers van GroenLinks Zuid Holland zich in Leiden. Anders dan in provincies als Noord-Brabant waar er sprake is van een enkelvoudige voordracht, heeft de Provinciale Vergadering in Zuid Holland echt wat te kiezen.Het zijn er vier: John Steegh, Oscar Dijkhof, Ankie Verlaan en Marijke Kleijweg. En de keuze is lastig: het zijn allemaal geschikte kandidaten met een gelijkend constructief-bestuurlijk profiel. Er zijn grote gelijkenissen qua ervaring, profiel en persoonlijke kenmerken. Dus daarom, in het bijzonder voor diegenen die aanwezig waren bied ik hier een lijsttrekkerstest, zoals ik ook al eerder had gemaakt voor de lijst van her Europees Parlement, de Europese lijsttrekker. De informatie is gebaseerd op het oordeel van de kandidatencommissie en de presentatie gisteren. Graag hoor ik jullie uitkomsten, verwachtingen en reacties!

Kleine "hoe werkt dit?" vul in de .xls een 1 in bij het groene vakje dat overeenkomt met het antwoord op de vraag. Je kan maar een keuze per keer maken. In de rode vakjes komt het aantal punten te staan dat iedere kandidaat heeft verdiend. Meeste punten tellen.

Kandidaten

Bloedgroepen ChristenUnie 2001-2010

Wat je voor GroenLinks kan doen kan je ook voor de ChristenUnie doen: hoe sterk zijn de bloedgroepen nu? En het interessante aan een Christelijke partij in Nederland is dat de vertegenwoordigers een veelvoud aan protestantse religieuze achtergronden hebben.

De ChristenUnie is een fusie van twee partijen: de RPF en de GPV.

  • GPV (Gereformeerd Politiek Verbod, 1948) was een protestants-Christelijke partij. Haar maatschappelijke basis bestond geheel uit vrijgemaakt-Gereformeerden. De partij was gevormd na een kerk scheuring in de aan de ARP gelieerde Gereformeerde Kerk. De partij combineerde conservatieve standpunten op morele vraagstukken, met pragmatische posities op economische kwesties en rechtse standpunten over het openbaar bestuur, het buitenlandse beleid (Euroskeptisch en anti-communistisch) en koloniale relaties. In de jaren '80 gold de GPV als de linksere van de drie protestants-Christelijke partijen.
  • RPF (Reformatorisch Politieke Federatie, 1975) was een protestants-Christelijke partij. De partij was gevormd als een fusie van Gereformeerden die uit de ARP waren gebroken gedurende de jaren '60 en '70 toen de ARP naar links schoof. Ook deze partij had conservatieve standpunten op morele vraagstukken, pragmatische posities op economische zaken en rechtse standpunten over het openbaar bestuur, het buitenlands beleid (Euroskeptisch en anti-communistisch). In de jaren '90 gold de sociaal-Christelijke RPF als de linksere van de drie protestants-Christelijke partijen. De partij bood ruimte aan veel verschillende protestants-Christelijke stromingen: leden van de strengere bonden binnen de Protestantse Kerk Nederland (de grote tent-protestantse kerk) de Christelijk Gereformeerde Kerk, Nederlands Gereformeerde Kerk (afgesplitst van de vrijgemaakten) en allerlei evangelische stromingen.

ReligieCU

In het bovenstaande figuur is de ontwikkeling van de partijtop van de ChristenUnie zichtbaar. Dit zijn de Eerste en Tweede Kamerleden, Europarlementariers, de bewindslieden en partijvoorzitter. Tussen 2001 en 2005 was de meerderheid van de ChristenUnie politici oud-RPF lid. Tussen 2006 en 2010 viel dit naar ongeveer 40-50%. Onder tussen was gedurende hele periode zo'n 40% van de politici GPV-lid. Sinds 2006 heeft 12-16% van de politici geen achtergrond in een van de twee oprichters. Dit patroon lijkt er op te duiden dat in de selectie van vertegenwoordigers de partijpolitieke achtergrond nog steeds een belangrijk criterium. De reden dat dit zo is hangt misschien samen met het feit dat partijpolitieke onderscheiden binnen de ChristenUnie samenhangen met religieuze onderschieden.

PartijCU
In de bovenstaand figuur is de ontwikkeling van religieuze groepen binnen de ChristenUnie weer gegeven. De zachtdalende lijn boven die van net boven de 40% naar net boven de 30% gaat zijn de aan de GPV-gelieerde vrijgemaakt Gereformeerden. De opgaande lijn zijn de aan PKN'ers, een brede kerk. Deze groep verdubbelt bijna van 25 naar bijna 40%. De ontwikkeling van het aantal evangelischen volgt opvallend genoeg de ontwikkeling van het aantal onafhankelijken. Het aantal Christelijk en Nederlands Gereformeerden daalt in deze periode: van meer dan 15 naar minder dan 10%. De ontwikkeling is opvallend: tussen 2001 en 2010 daalt het aantal leden van de streng gereformeerde kerken van bijna 70% naar net meer dan 40%. In plaats daarvan staat de partij nu meer open voor leden van de mainstream protestantse kerk en Evangelische Christenen. Deze verschuiving heeft zich met name na 2006 voltrokken toen de CU een groter electoraat had. De ontwikkeling in religie is in elk geval veel dynamischer dan de ontwikkeling in partijpolitiek opzicht.

GroenLiberalisme

Dit weekend was ik bij het DWARSfilosofieweekend. Een groep enthousiaste jongeren ging met elkaar in discussie, op zoek naar filosofische verdieping van hun standpunten. De Leidse filosoof Marius de Geus hield een inspirerend verhaal over rechtvaardigheid en duurzaamheid. Centraal in zijn verhaal stond het idee van intergenerationele rechtvaardigheid. Wat kunnen toekomstige generaties van ons eisen? De Geus toonde zich kritisch over het liberale perspectief van Locke. Hij stelde dat Locke een Tea-Party'er avant la lettre was. Iedereen heeft recht op zijn rechtmatig verkregen bezit. Wat jij verdient hebt, wat jezelf heb geproduceert daarmee mag jij doen wat je zelf wilt, dat hoef je niet te delen. Dat staat geen herverdeling toe, ook niet tussen generaties.

De Geus sloeg daarmee een belangrijk element over van theorie van Locke. Locke maakt een onderscheid tussen de rechtvaardigheid van het toe-eigenen van nieuwe grondstoffen en de rechtvaardigheid van het handelen in grondstoffen. En waar het inderdaad zo is dat alle vrijwillige handel in grondstoffen rechtvaardig is, stelt Locke een grens aan hoeveel mensen zich mogen toe-eigenen. In Locke's tijd waren er grote continenten nog door "niemand" bewoond, en daar groeide allerlei vruchtbare natuur, lagen allerlei waardevolle grondstoffen in en vloeide allerlei zoet water door heen. Volgens Locke mocht iedereen die daar appels plukt, die daar metaal opgraaf of daar water drinkt dat houden. Als hij zich aan een aantal simpele regels hield.

De belangrijkste regel die Locke voorstelt is de volgende: "[The] appropriation of any parcel of land, by improving it, [is not] any prejudice to any other man, since there was still enough, and as good left; and more than the yet unprovided could use. So that, in effect, there was never the less left for others because of his enclosure for himself: for he that leaves as much as another can make use of, does as good as take nothing at all. No body could think himself injured by the drinking of another man, though he took a good draught, who had a whole river of the same water left him to quench his thirst: and the case of land and water, where there is enough of both, is perfectly the same." (Second Treatise V:33)

Wat Locke stelt is dat als er genoeg en van even grote kwaliteit achterblijft voor anderen dat je dan mag toe-eigenen wat je wilt. Het leek in Locke's tijd dat er een grenzeloze hoeveelheid grondstoffen was, maar fenomenen als Peak Oil laten zien. Want waar het gaat om niet fossiele grondstoffen is het overduidelijk dat we aan onze grenzen komen aan hoeveel we kunnen toe-eigenen zonder de fair share van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Maar dat geldt ook voor hernieuwbare grondstoffen, zoals appels of graan, maar ook de hoeveelheid afval die we kunnen uitstoten is afhankelijk van het zich voortdurend hernieuwende vermogen van de aarde om vervuiling af te breken. Ook hierbij geldt dat als we niet voorzichtiger zijn oo deze grondstoffen eindig blijken.

Is het vanuit dit perspectief niet logisch, bijna impliciet in Locke dat we bij het toe-eigenen van grondstoffen rekening moeten houden, zouden moeten houden of hadden moeten houden met toekomstige generaties? Dat genoeg overlaten voor anderen betekent ook genoeg overlaten voor toekomstige generaties? Het lijkt mij een logische extrapolatie van Locke's tweede provisio. En die rechtvaardigd nu overheidsingrijpen, omdat mensen in het verleden en nog steeds door hun consumptie de fair share van de natuurlijke grondstoffen van anderen in gevaar brengen.

Misschien dat de eis te zwaar klinkt: genoeg overlaten voor alle toekomstige generaties. Het staat ons eigenlijk alleen maar toe om hernieuwbare grondstoffen te consumeren. Van niet hernieuwbare grondstoffen moet er genoeg en van even grote kwaliteit overblijven. Via dat "van even grote kwaliteit" kunnen we echter wel sturen: als we via technologische innovatie ervoor zorgen dat datgene wat wij achterlaten voor hen een even grote kwaliteit heeft als wat er was. Als je fossiele brandstoffen als voorbeeld neemt: wat als we toe staan zoveel te nemen als we willen, zolang we ook maar in de efficientie van motoren investeren die ervoor zorgen dat er evenveel kracht uit de rest gewonnen kan worden, als uit de hele pool voor wij ons deel namen?

En zo gaan volgens mij liberalisme en duurzaamheid juist hand in hand samen. Liberalen stellen een eis bij het toe-eigenen van grondstoffen die juist groene politiek kan rechtvaardigen.

Wat als Duyvendak lijsttrekker van GroenLinks was geweest?

GroenLinks bestaat 20 jaar. Over de feitelijke geschiedenis verschijnt een mooi boek deze maand. Maar zo'n geschiedenis heeft ook allerlei punten waarop er dingen anders hadden kunnen lopen. Er zou een alternatieve geschiedenis mogelijk kunnen zijn. Het is een mooie discipline zeker in Amerika: wat als er een kleine slag in de Amerikaanse revolutie net anders was gelopen? Waar met een paar kleine veranderingen de geschiedenis van GroenLinks ook heel anders had kunnen lopen. Ik ga er in de lopende maand een aantal dooropen. Het eerste verhaal ga ik maar een paar jaar terug: de zomer van 2008 waarin er hard aan twee boeken werd geschreven. Deze geschiedenis is weinig meer dan een speculatie met zeer beperkte informatie.

Femke_949135h
Femke Halsema was vanaf begin 2008 bezig met een een fractienotitie over geluk en stress. Sinds de verkiezingen van 2006 had zij zich steeds minder op haar plaats gaan voelen in het verhardde politieke klimaat van Den Haag. Wat een korte fractienotitie had moeten zijn over de ontspannen samenleving een tweede thema voor GroenLinks, werd voor Halsema een welkome afleiding voor het politieke werk. Ze kwam echter moeilijk uit het argument: ze probeerde haar vrijzinnigheid te verenigen met een groene kritiek op de hyperconsumptie. In die periode bood een professor politieke filosofie waar Halsema contact mee had over het boek haar aan om het boek uit te werken als een proefschrift, buiten de politiek. Zij nam het aanbod aan, omdat dat haar de ruimte gaf om haar ideeen uiteindelijk uit te werken. En werkte de komende vier jaar aan haar proefschrift "Vreugde. Voorbij Superconsumptie, Stress en Scabreusheid". Kees Vendrik, die had aangegeven dat hij niet voor een vierde termijn zou gaan, volgde haar op als fractievoorzitter. En er werd een referendum uitgeschreven over het lijsttrekkerschap door Henk Nijhof die in de Volkskrant zegt: "Ik betreur het vertrek van Halsema, maar het is wel een goede mogelijkheid om de partij te vernieuwen."

Duyvendak
Ondertussen was een tweede GroenLinkser bezig aan een boek, Duyvendak werkte aan een politieke autobiografie. De opkomende campagne was een reden voor hem om te stoppen met zijn boek. In gesprekken met zijn partner, partijgenoten en fractieleden was Duyvendak tot de conclusie gekomen dat hij misschien lijsttrekker moest worden van GroenLinks. Twee andere mensen overwogen dat ook, Kathalijne Buitenweg, delegatieleider van GroenLinks in het Europees Parlement, en Tof Thissen, fractievoorzitter van GroenLinks in de Eerste Kamer. Buitenweg wordt onder sterke druk gezet door de partijtop om aan te kondigen dat zij Halsema zal op volgen. Er wordt gesproken over een speciale constructie waarbij Buitenweg, lijstduwer geparachuteerd kan worden in de Tweede Kamer. Buitenweg weigert, in overleg met haar partner Amsterdams wethouder Van Poelgeest, kondigt in Het Parool haar vertrek uit de politiek aan: "14 jaar politiek is genoeg."

Daarmee is Duyvendak de enige levensvatbare kandidaat geworden in de ogen van de partijtop. Van de zittende kamerleden lopen Vendrik en Van Gent tegen de drie-termijnen regel aan. Peters en Dibi zijn net begonnen als Kamerlid. En Naima Azough twijfelt of ze wel aan een nieuwe termijn wil beginnen in 2011. Het referendum wordt uitgeschreven voor Mei 2009 twee jaar voor de Tweede Kamerverkiezingen. Duyvendak kondigt in Januari 2009 zijn kandidatuur aan op station Amsterdam Centraal Station. Hij wordt aan gekondigd door Maarten van Poelgeest die Duyvendak vergelijkt met Joschka Fischer, ook Wijnand heeft de lange mars door de instituties gemaakt, en met Al Gore, vanwege zijn passie voor milieu, natuur en klimaat. Duyvendak belooft GroenLinks een helder groen profiel te geven: "De tijd van korte termijnbelangen ligt achter ons. We kunnen niet wachten met de omschakeling naar een duurzame economie met een grote rol voor het openbaar vervoer. Wat heb je aan een nieuwe snelweg als dit station onder de zee ligt?"

450px-TofThissen
Tof Thissen heeft een mooie baan bij Divosa en mag zich daarnaast een dag in de week als senator beschouwing geven over de politiek. Maar zijn eigen ergenis over het gebrek aan een serieuze tegenkandidaat, die hij ook herkent in andere actieve partijleden met name in de provincie, heeft overtuigd hem om zich kandidaat te stellen. Hij stelt zich in begin Februari kandidaat voor het lijsttrekkerschap. De locatie: een Centrum voor Werk en Inkomen in Roermond, dat hij als wethouder ooit geopend heeft. Hij presenteert zich als de kandidaat met een sociaal profiel. Hoe Thissen precies als partijleider kan functioneren vanuit de Eerste Kamer is onduidelijk. Het partijbestuur lijkt hier geen oplossing voor te bieden.
  Untitled Image 1
Er zijn nog wel een aantal andere kandidaten. Het jonge Rotterdamse duo-raadslid Nadya van Putten en het duo van lokale raadsleden David Rietveld en Arno Bonte, die samen aan het lijsttrekkerschap vorm willen geven onder het motto "Lokale Kracht". In de media focust de strijd zich tussen de groene "insider" Duyvendak en de rode "outsider" Thissen. De uitslag is opvallend: in de eerste ronde wint Duyvendak nipt een absolute meerderheid (51%) van de stemmen, Thissen wint 46% van de stemmen. Het verschil ligt met name tussen de randstad en de provincie. Daarnaast kiezen jonge GroenLinksers voor het groene profiel van Duyvendak en oudere GroenLinksers voor het sociale profiel van Thissen. Het NRC Handelsblad schrijft naar aanleiding van Duyvendak's overwinning: "GroenLinks gaat voor Groen."

Duyvendak slaat aan onder de bevolking: zijn groene verhaal is hoopvol. Hij koppelt de ecologische en de economische crisis door het idee van Groen Werkt. De bevolking ziet Duyvendak als de meest oprechte, integere politicus. Met zijn non-chalante presentatie pakt hij veel mensen in. Hij staat er goed voor in de peilingen: hij weet van de Partij voor de Dieren, de SP en D66 stemmen te winnen door de combinatie van focus op milieu, het eigen issue van GroenLinks, het activistische verleden van Duyvendak en zijn pragmatische profiel. Partijvoorzitter Nijhof twittert regelmatig over het "Wijbama-effect".

Untitled Image 4
In verband met de campagne besluit Duyvendak de autobiografie die hij al in 2008 heeft geschreven bij te werken en opnieuw uit te geven. Centraal in de autobiografie staat de verschuiving van Duyvendak van een extraparlementaire activist naar een parlementair politicus. Als het kabinet Balkenende III valt, komt er druk op het proces te staan. Er wordt besloten op het congres het boek te presenteren, als Duyvendak zich ook definitief als lijsttrekker presenteert. Na een gepassioneerde speech op het GroenLinks congres over een duurzame oplossing op de economische, ecologische en financiele crisis neemt Femke Halsema het eerste exemplaar van "Natuurbeschermer in het Parlement" aan. De scepter is definitief overgedragen en Duyvendak is de onbetwiste leider van GroenLinks. Op de lijst staan naast Duyvendak, Jolande Sap (die Halsema was opgevolgd als kamerlid), kamerleden Mariko Peters, Tofik Dibi en milieubeschermers Jaap Dirkmaat en Liesbeth van Tongeren.

In het boek beschrijft Duyvendak hoe hij betrokken is geweest bij inbraken in het ministerie van Economische Zaken. Een legitiem actie middel in de context van de sociale bewegingen in de jaren '80. In het rechtse culturele klimaat kan dit niet meer. GeenStijl, de Telegraaf, de PVV en de VVD vallen keihard in campagnetijd over Duyvendak heen. GeenStijl schrijft: "Wijnand, wees verstandig & ga wat leuks doen met negertjes voor een NGO in Afrika. Je bent er geweest, het is over & voorbij. Dit stopt pas als je weg bent. Dat is geen bedreiging, maar een feit." Als in de loop van de week blijkt dat als een indirect gevolg van Duyvendak's actie een hoge ambtenaar persoonlijk is bedreigd, trekt Duyvendak zich terug uit de politiek. Een crisisoverleg bestaand uit Duyvendak, Nijhof, Snels en Sap besluit dat er geen andere oplossing is dat tussentijds zonder het congres een leiderschapswisseling in te zetten. Besloten wordt dat het koppel Sap (#2 van de lijst)-Thissen (lijstduwer en kandidaat-partijleider) samen de kar gaan trekken. Thissen moet als kandidaat minister gezag en vertrouwen uitstralen en Sap, als tijdelijk politiek leider zal de politieke vertaling maken.

Sap en Thissen doen hun best, maar krijgen het verhaal niet verkocht: een tussentijdse wisseling van partijleider, een onrustige partij, het profiel van een activistenpartij. Gedurende de volgende maanden van campagne voeren wordt het lastiger en lastiger om een eigen verhaal te houden, voortdurend worden ze in interviews of publieke optredens gewezen op de affaire-Duyvendak. GroenLinks keldert in de peilingen. Van het perspectief van 15 zetels blijft een kleine twee of drie over. Met name de Partij van de Arbeid en D66 profiteren in de peilingen. De aantrekkingskracht van staatsman Cohen groeit aanzienlijk tegenover het activisme en de paniekvoetbal van GroenLinks. Ook D66 lijkt een redelijk alternatief voor veel progressieve GroenLinks sympathisanten.

Fictie
Bij de uiteindelijke uitslag komt GroenLinks nipt uit op drie zetels, een meer dan de Partij voor de Dieren. De PvdA haalt er 34 en wordt de grootste. Cohen neemt persoonlijk de leiding in de formatie en hij formeert behendig een kabinet van PvdA, VVD en D66. Dit Paarse kabinet hervormt het ontslagrecht en WW op een sociale manier, beperkt de hypotheekrenteaftrek, vergroent de belastingen, voert de kilometerheffing, investeert in onderwijs, behoudt ontwikkelingshulp en cultuursubsidies, hervormt de publieke omroep en krijgt de overheidsfinancien duurzaam op peil. Rutte wordt vice-premier op een superministerie van Landbouw, Economische Zaken en Innovatie (LEZI). Cohen wordt premier. Pechtold wordt vice-premier op het superministerie Binnenlandse Zaken en Integratie (BiZI).

Nu het merk GroenLinks definitief is aan getast besluit de overgebleven fractie (Sap, Dibi en Peters) om verregaand samen te werken met de Partij voor de Dieren. De nieuwe groene formatie "Mens, Aarde en Dier" (MAD) presenteert zich tijdens het debat over regeringsverklaring en staat onder leiding van Marianne Thieme.