“Roti wordt niet met tomaat gegeten.”

De formaties van de provincies verlopen iets anderss dan ik had voorspeld. Wat mij het meest verbaasd heeft is de deelname van de SP in de onderhandelingen in Zuid-Holland (VVD/CDA/D66/SP) en Noord-Brabant (VVD/CDA/SP). Ik had brede colleges voorspeld met CDA, VVD, D66 en PvdA in plaats van dat de SP mee zou gaan regeren. Maar eigenlijk mag het mij niet verbazen: als sinds 2010 regeert de SP in Leiden met het CDA, VVD en D66. Ook in Alkmaar is er nu een college van SP met CDA, VVD en zelfs Trots en de Onafhankelijke Partij Alkmaar.

In het nieuwe politieke landschap waar de PVV met haar extreme standpunten een groot deel van het electoraat buitenspel zet, zijn er veel mogelijkheden. Een daarvan wordt Roti genoemd, een college van CDA/VVD/D66/GL, zoals nu in Utrecht wordt geprobeerd. Een college van hervormers. Een andere variant is dus Rode Roti, roti met tomaat. De centrale vraag is waarom? Waarom zou de SP over rechts gaan formeren? De SP presenteer zich misschien wel als het laatste linkse alternatief van Nederland: linkser als GL met haar hervormingsagenda en linkser als de PvdA, wiens liberale flirts misschien wel het raison d'etre van de SP zijn.

(Bijna) iedere partij wil regeren. En misschien als je zolang in de oppositie hebt gezeten als de SP wordt je wel wat compromis bereider. Maar je zit in de politiek om iets te bereiken. Wat heeft de SP dan te zoeken bij rechts? Op gemeentelijke en provinciaal niveau spelen ruimtelijke ordening en verkeer een prominentere rol dan in de landelijke politiek. En hierin wil de SP nog wel eens uit populisme of pragmatisme niet per se kiezen voor een koers die door door GroenLinks of zelfs de PvdA als groen zou worden bestempeld. Kijk maar naar het rekeningrijden: de SP verzet zich samen met de VVD en de PVV hiertegen, terwijl dit de manier is om files te voorkomen en luchtvervuiling tegen te gaan. Of neem de Leidse RijnGouwe Lijn. De SP kies daarvoor gemakkelijk tegen zijn.

Maar ik denk dat er meer aan de hand is: meer dan colleges van hervormers of van autorijders zijn dit colleges zounder de PvdA. Waar de PvdA als partij van bestuurders steeds minder populair is geworden onder het electoraat, een slecht merk is geworden -veel mensen stemmen PvdA niet omdat ze dat willen met hun hart, maar omdat ze met hun hoofd denken een rechts bestuur moeten voorkomen-, is de partij ook minder populair geworden onder haar bestuursgenoten. Een college zonder de PvdA lijkt een aantrekkelijke mogelijkheid. Het lijkt erop dat het principe van Nolens (alleen bij uiterste noodzaak met sociaal-democraten) zo ver gaat dat het CDA liever met de SP in een bestuur gaat dan de SP. De SP gaat hier graag op in: zij is namelijk misschien wel het vleesgeworden verzet tegen de huidige partijcultuur van de PvdA.

In mijn ogen is dit een teken aan de wand van het centrale probleem van de sociaal-democratie. Zij wordt zo gehaat door haar eigen traditionele achterban en door de bestaande partijen, dat ze aan haar core business, centrum-links besturen niet toekomt. Partij gaan nu om de PvdA heen formeren. Ik heb er een hard hoofd in, maar als de colleges in Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Brabant lukken dan is dit een nagel aan de doodskist van de PvdA. Links kiezers hebben dan steeds minder bij de PvdA te zoeken, maar ook links bestuurlijk talent heeft er niets meer te zoeken. Nog maals ik heb er een hard hoofd in: Roti wordt niet met tomaat gegeten.

Vrijheid, Gelijkheid en GroenLinks

Vorige week woensdag was ik bij de tweede lezing van de cyclus die werd georganiseerd door het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie. Kees Vendrik, jarenlang het financiele brein van GroenLinks was uitgenodigd om zijn visie te geven over de ontwikkeling van het sociaal-economisch programma van GroenLinks.

Vendrik schetste de ontwikkeling van het denken van GroenLinks in drie tradities: een radicale traditie, hierin werd radicale kritiek geleverd op het arbeidsbestel dat mensen dwingt te werken. Zij presenteren het basisinkomen als een alternatief. De tweede traditie, de sociaal-democratische of Rijnlandse traditie, is de traditie van het sociale overlegmodel. Binnen de kaders van het sociale overlegmodel proberen partijen en vakbonden het samen op te nemen voor mensen die aan de onderkant staan. De derde traditie, de feministische of Scandinavische traditie wil zich inzetten voor outsiders, mensen waarvoor de huidige verzorgingsstaat het onvoldoende opneemt: flexwerkers, oproepkrachten, ZZP'ers, deeltijders. Dat zijn vaak vrouwen, jongeren of allochtonen. Ook deze mensen moeten aan het werk kunnen. Sociale voorzieningen moeten hervormd worden zodat ze juist het grootste voordeel geven aan mensen die nu buitengesloten zijn. 

Hoe verhouden deze tradities zich tot elkaar? Ik vat Vendriks betoog als volgt samen:

De drie tradities delen dezelfde hoofddoelen. die Vendrik ontleent aan de drieslag van de Franse Revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, of solidariteit: "vrijheid is het hoofdmotief bij de radicale en de Scandinavische traditie. Vrijheid is een klassiek links begrip: mensen moeten vrij zijn om zelf vorm te geven aan hun eigen leven. Voor vrijheid heb je gelijkheid nodig. Dat is de norm van het Rijnlandse model." Maar GroenLinks is ook altijd verbonden geweest met emancipatiebewegingen: "vrouwen en allochtonen willen ook gelijk behandeld worden." Juist voor deze groepen neemt de Scandinavische traditie het op. "De enige manier om te verzekeren dat vrijheid en gelijkheid aan iedereen toekomt is solidariteit centraal te stellen. Solidariteit is het grondvest van de sociale politiek. Solidariteit is de notie dat jouw inkomen niet aan jou toekomt: de talenten die je hebt zijn van God gegeven of door de natuur geschonken. Alleen als je je dat beseft kan je solidair zijn."

Vendrik sprak een uurlang uit het hoofd, hij zette op een imposante manier het GroenLinkse sociaal-economische programma en haar ontwikkeling uit elkaar. Op dit punt is hij in mijn ogen niet helder genoeg. Hoe verhouden de drie tradities zich tot elkaar? Welke noties van vrijheid, gelijkheid en solidariteit onderliggen deze tradities?

Laten we beginnen met solidariteit. De sociaal-democratische traditie draait om georganiseerde solidariteit. De sociale zekerheid en sociaal-economisch overleg dat is de manier waarop Nederland solidariteit organiseert. De verzekeringsnotie speelt daar een grote rol in: wij dragen allemaal bij aan werknemersverzekeringen en kunnen daar ook gebruik van maken. Mensen die meer bijdragen maken aanspraak op een hogere en langere uitkering. Daarnaast zijn er volksverzekeringen en de bijstand waarvan iedereen in gelijke mate krijgt terwijl alleen werknemers daaraan bijdragen. In het sociaal-economisch overleg zitten bonden en werkgevers aan tafel. Zij vertegenwoordigen, zeker in de ogen van Vendrik c.s., in hoge mate de insiders op de arbeidsmarkt. Hier toont zich het centrale probleem van sociaal-democratische solidariteit: het is er op gericht om mensen in gelijke mate vrij te maken, maar het creeert insiders en outsiders.

De feministische traditie neemt het op voor mensen die nu buiten staan: vrouwen, allochtonen, jongeren, flexwerkers, zzp'ers, oproepkrachten, deeltijders. Men is nu niet solidair met hen en zij hebben ook recht op een deel van de cake, op inspraak en op gebruik van sociale rechten. Zij dragen ook bij dus hebben zij ook rechten. Daaraan koppelt Vendrik een radicale notie van werknemersverzekeringen: alleen als je werkt heb je recht op AOW.  Alleen zij die bijdragen hebben recht op een uitkering.

De radicale traditie vertegenwoordigt een andere notie van solidariteit en wel juist diegene die Vendrik verdedigt: kansengelijkheid. Je zal moeten erkennen dat een deel van wat wij verdienen ons niet toekomt, omdat we geboren zijn met de talenten die veel van ons potentiele inkomen bepalen. Als wij daar geen recht op hebben wie hebben dat dan? Voorstanders van het basisinkomen stellen voor dat we dat gelijk verdelen. De verzorgingstaat is hier anders dan de georganiseerde feministische en sociaal-democratische solidariteit, geen verband van solidaire werknemers die het samen op nemen voor hun gemeenschappelijke belang, maar een verdelingsinstelling tussen individuen.

Vervolgens gelijkheid. De sociaal-democratie staat op twee noties van gelijkheid. Aan de ene kant is er de notie die onder de volksverzekeringen ligt: dit gaat het uiteindelijk om proportionaliteit tussen wat je inlegt en wat je krijgt. Mensen die in gelijke mate bijdragen, hebben in gelijke mate aanspraak. Maar er is een tweede poot: en dat is die van volksverzekeringen en de bijstand. Deze zijn gebaseerd op de notie van het sociale minimum dat een beschaafde samenleving zou moeten kenmerken. In rijk land is er geen ruimte voor armoede. Iedereen heeft recht op een minimuminkomen.

De feministische traditie hanteert een andere notie van gelijkheid. Ze geloven een notie van compensatie: mensen die er minder goed voorstaan hebben een grotere aanspraak op collectieve middelen dan mensen die er goed voorstaan: dus de werkeloosheidsverzekeringen moeten niet zo zeer gericht zijn op mensen die lang werken en een hoger inkomen hebben, maar zouden ingezet moeten worden om mensen die een grote mate van onzekerheid hebben, een lager inkomen en moeilijker aan werk kunnen komen, te compenseren voor hun slechte positie. Deze notie van gelijkheid als compensatie lijkt zich moeilijk te verhouden tot de werknemersverzekeringskarakter dat de feminsten bijvoorbeeld aan de AOW willen toe kennen. Maar dat is maar ten dele waar: omdat de feminsten willen dat iedereen werkt, kunnen sociale verzekeringen gebruikt worden als een middel om her te verdelen tussen werkenden.

De radicale traditie gaat grotendeels mee in de sociaal-democratische notie van het beschaafde minimum. Zij wil verzekeren dat iedereen een basisinkomen heeft. Dat er geen armoede kan bestaan. Dat is maar ten dele waar, het solidariteitsbegrip dat radicalen hanteren, leidt tot een notie van kansengelijkheid: dat wat door kans in plaats van inspanning is verkregen, daar hebben we allemaal evenveel recht op.

Ten slotte de notie van vrijheid. De sociaal-democraten gaan uit van een notie van vrijheid als bevrijding uit armoede. Dat vereist wel paternalistisch overheidsoptreden: we hebben in Nederland werknemersverzekeringen in plaats van particuliere werkeloosheidsuitkeringen, omdat we weten dat mensen zich onvoldoende tegen zulke risico's zullen verzekeren. We hebben een overheidsbasispensioen, omdat we weten dat terwijl mensen weten dat ze oud worden en zullen willen stoppen met werken daar onvoldoende voor sparen. Dus doet de overheid dat voor ze. Daarom is de sociaal-democratische notie van vrijheid een van positieve vrijheid. De overheid beschermt ons tegen armoede omdat zij beter dan wij weten dat we dat gevaar lopen.

De feministen gaan uit van een notie van vrijheid als ontplooing door arbeid. Feminsten menen dat we in werk onszelf kunnen ontplooien op manieren die in andere activiteiten, zeg het opvoeden van kinderen, niet kwijt kunnen. Iedereen moet volgens de feministen aan het werk omdat het vormend is. Dat regelingen alleen toegankelijk worden voor werkenden is volgens feministen de manier om te verzekeren dat mensen aan het werk gaan. Dat doen ze in tegenstelling tot de sociaal-democraten die juist geloven dat de overheid mensen verantwoordelijkheid moet afnemen om te voorkomen dat ze fouten maken.

De radicalen gaan uit van een notie van vrijheid als mogelijkheid. Om te verzekeren dat iedereen iets van zijn leven kan maken moet de overheid niet alleen mensen van rechten verzekeren, maar ook juist ervoor zorgen dat iedereen de middelen heeft om gebruik te maken van hun vrijheid. Deze notie is een uitbreiding van een negatief vrijheidsbegrip.

In mijn ogen gaan alle drie de tradities uit van noties van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. De sociaal-democraten hebben door sociaal overleg en sociale zekerheid solidariteit georganiseerd. In dit gemengde stelsel wordt uitgegaan van gelijkheid zowel als een sociaal minimum als proportionaliteit tussen bijdrage en uitkering. De onderliggende notie van vrijheid is er uiteindelijk een van bescherming tegen armoede en andere risico's, die niemand wil. De feministen bekritiseren de sociaal-democraten omdat hun solidariteit sommige groepen (outsiders) uitsluit. Ze pleiten ervoor dat deze groepen ook aanspraak hebben op social regelingen en hier misschien zelfs wel, omdat ze moeten gecompenseerd worden voor hun rottige situatie, meer recht op hebben. Deze feministen stellen dat we ons alleen echt kunnen ontplooien als we ook werken. Daartoe moeten mensen worden gestimuleerd. De notie van solidariteit is bij de radicalen het zwakst: ze geloven wel in kansengelijkheid, maar doen weinig om te verzekeren dat iedereen zich ook lotsverbonden voelt. Zij interpreteren de notie gelijke vrijheid het meest radicaal: iedereen heeft in gelijke mate recht op de middelen om iets van zijn of haar eigen leven te maken.

Links, Rechts en de Verzorgingsstaat

Er zijn politicologen die denken dat het hele politiek speelveld te vatten is een enkele dimensie: sociaal-economisch links/rechts. Er zijn politicologen die denken dat andere onderwerpen dan economie, zoals milieu en migratie, zich moeilijk laten vatten in een simpele economische tegenstellingen. Ze hebben allebei geen gelijk: veel onderwerpen laten zich vatten in links/rechts maar economische onderwerpen steeds minder.

Links-rechts wordt wel een superissue genoemd omdat het in staat zou zijn om allerlei onderwerpen die niet over economie gaan in zich op te nemen. Dat is denk ik helemaal correct. Neem migratie het 'nieuwe' onderwerp dat op een nieuwe manier partijen zou moeten scheiden. Het generaal pardon was een van de hete vraagstukken: links (van D66 tot SP) stemde voor, en rechts (CDA, PVV, SGP en VVD) stemde tegen. Er zijn diegene die de SP als conservatief beschouwen op migratie. Maar op onderwerpen als asiel en integratie stemt zij mee met GroenLinks en D66. Het CDA, jarenlang een multiculturele partij, behoort tegenwoordig helder tot het anti-immigratiekamp. Migratie is geen vraagstuk dat kosmopolitische progressieven scheidt van patriotische populisten. Het valt samen met de links/rechts dynamiek. Ook het milieu wordt vaak gezien als een onderwerp dat noch links noch rechts zou moeten zijn. De PvdD bijvoorbeeld neemt het op voor dierenwelzijn, typisch zo'n groen onderwerp, en dat zich volgens de dierenpartij niet in de links-rechts tegenstelling laat vatten. Ze spreekt daarbij wel vaak over een diervriendelijke meerderheid van SP, PvdA, PvdD, GL, D66 en de CU. De boerenpartijen (CDA, VVD, SGP) staan onwelgevallig tegenover de dierenwelzijn. De PVV zou de dynamiek tussen links en rechts kunnen doorbreken. Als het erop aankomt, zeker waar het gaat om de bio-industrie, kiest de PVV echter voor het boerenbelang. Ook het milieu wordt gevangen in de dynamiek tussen links en rechts.

Koren op de molen van een-dimensiedenkers: milieu, migratie, economie het past allemaal in een links/rechts dimensie. Het opvallende is echter dat economische onderwerpen zich steeds minder goed laten vatten in de klassieke links/rechts tegenstelling. Bij belangrijke hervormingen (de studiefinanciering, de AOW, de WW, arbeidsmarkt, de zorg, bonussen voor bankiers) staan de progressieven van GroenLinks en D66 steeds meer tegenover de populisten van SP en PVV. GroenLinks en D66 vinden elkaar in een radicale hervormingsagenda, de SP en de PVV in het beschermen van de belangen van babyboomers. De opkomst van de partij 50+ kan gemakkelijk in dit perspectief geplaatst worden. Het lijkt erop dat er een tegenstelling aan het ontstaan is over economische onderwerpen waarbij progressieven tegenover populisten staan. Deze tegenstelling valt gedeeltelijk samen met een tegenstelling tussen pro-Europese en anti-Europese partijen.
2D

Ik denk dat een meer-dimensionale interpretatie van het huidige Nederlandse politieke landschap correct is. Er staat echter geen economische tegenstelling haaks op een culturele tegenstellingen (migratie, milieu). De culturele tegenstelling en de economische tegenstelling vallen deels samen in een sterke, dominante links/rechts dynamiek. Daarnaast is er nu in Nederland een tweede economische tegenstelling. Deze staat haaks op de bestaande economische tegenstelling. Waar economische vragen op de horizontale as dominant gaan over de economische orde (markt of staat) gaat de verticale as over de vraag of partijen kiezen voor hervorming van de verzorgingstaat om rechten uit te breiden naar nieuwe groepen (flex-werkers, zzp'ers) en te verzekeren dat de verzorgingsstaat duurzaam kan blijven bestaan of partijen kiezen de verzorgingsstaat te behouden om de rechten van babyboomers te beschermen. Sociaal-economische onderwerpen laten zich steeds minder goed vangen in links en rechts.

Groentjes ingewijd in de Linkse Kerk

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Waar liggen de ideologische wortels van de partij? Wat is er over van de partijen die ooit GroenLinks oprichtten? En welke lessen kunnen we leren over de fusie voor de ontwikkeling van het huidige politieke landschap?

Drie prominente GroenLinks'ers, die ieder een van de voorgangers van GroenLinks vertegenwoordigen, discussieerden over het verleden en de toekomst van GroenLinks. Voor de CPN was voormalig partijvoorzitter en Rotterdams wethouder Herman Meijer uitgenodigd. Voor de PPR was het voormalig PPR-leider en senator Bas de Gaay-Fortman. Voor de PSP, en dat is misschien wel het meest tekenend, was oud-PSP leider en Amsterdamse wethouder Andree van Es uitgenodigd. Zij had te druk maar ook haar vervangster, voormalig PSP-senator en kersvers gekozen Noord-Hollandse Statenlid Titia van Leeuwen was bezet. En dus werd deze bloedgroep vertegenwoordigd door Paulus de Wilt, portefeuillehouder van GroenLinks in het stadsdeel Amsterdam West. Ook de gespreksleider, partijvoorzitter Henk Nijhof, heeft zijn wortels in de PSP. Van de vier bloedgroepen is de PSP het sterkst vertegenwoordigd binnen het actieve partijkader.

Van echte bloedgroepen was binnen GroenLinks nooit sprake, De Gaay Fortman: "GroenLinks heeft geen last van mastodonten die ongevraagd adviezen geven en mensen zo voor de voeten lopen. Vanaf het begin waren de bloedgroepen verdwenen op een kleine groep PSP'ers na."

Er was geen representant aanwezig van de EVP stroming – des te opvallender omdat de bijeenkomst, vanwege het grote aantal aanmelding was uitgeweken naar een kerk. Herman Meijer, actief bij Christenen voor Socialisme: "de EVP was vrij laat aangehaakt bij het onderhandelingen over de vorming van GroenLinks. Maar in de partij zelf is de partij wel prominent aanwezig door de Linker Wang.  GroenLinks is altijd rijk geschakeerd gebleven op het punt van godsdienst."

 

Veranderende Partijculturen

De EVP en de PPR zijn allebei opgericht door progressieve Christenen, die zich niet meer thuis voelden bij de Christelijke partijen. De Gaay Fortman werd "van huis uit lid van de Anti-Revolutionaire Partij", één van de voorgangers van het CDA: "bij mij is het begonnen met de overtuiging dat je politiek en geloof niet met elkaar moet verbinden. De PPR is nooit een confessionele partij geweest. We hadden een programma met honderd punten. Het waren honderd voorhoedepunten: milieu, welzijn boven welvaart, een democratische economie en atoompacifisme. We waren een voorhoedepartij, een mentaliteitspartij."

De CPN maakte in de jaren '70 een opmerkelijke transformatie door, Meijer: "Ik ben in 1974 lid geworden van de CPN. Ik kwam direct uit de studentenbeweging. Heel veel oude communisten waren dolgelukkig dat studenten met radicaal-democratisch opvattingen bij de partij kwamen, zodat ze de Stalinistische traditie van zich af konden werpen. Ik zat toen bij de flikkerbeweging. We noemde ons toen trots "flikkers" en "potten". Niks conformisme! Dat vonden die oude communisten waanzinnig spannend."

Ook binnen de PSP waren veel jonge studenten actief, De Wilt: " De PSP dat was een rare club. Het was geen partij van grijze mensen. Maar het was een partij van uitsluitend twintigers met af en toe een opa, die daar af en toe college gaven. Het was een partij van theoretici."

 

Van Klein Links naar GroenLinks

Bij de verkiezingen van 1977 verloren de kleine linkse partijen zwaar. De PSP was zwaar gedemoraliseerd, De Wilt: "de ideologische discussies vonden in steeds kleiner kring plaats. Mensen uit de vakbeweging gingen naar de PvdA." Hetzelfde patroon is zichtbaar binnen de de PPR, na de verkiezingen van 1977  "hebben heel veel deskundige politici de partij verlaten: mensen die wat konden hadden geen ruimte binnen de partij," aldus De Gaay Forman.

Na 1977 begint het idee van samenwerking tussen deze kleine linkse partijen te leven. Met name lokale afdelingen gaan gezamenlijk optrekken. De ideologische verschillen tussen de partijen speelden bij lokale kwesties veel minder, De Gaay-Fortman: "de PSP ging op veel onderwerpen heel ver. Ze spraken op hun congres bijvoorbeeld over nationalisering van de hele economie. En dan vroeg er iemand of de ijscoman ook genationaliseerd moest worden. En ja, die moest ook genationaliseerd worden. Dat soort onderwerpen speelden helemaal niet in gemeenteraden."

Meijer: "mensen die in gemeenteraden actief waren, die waren allemaal voor samenwerking. Ook veel mensen die actief waren in de vakbeweging waren voor. Ze hadden daar geleerd om ondanks meningsverschillen samen te werken."

Het duurt twaalf jaar totdat de partijen op het nationale niveau samen gaan, De Wilt: "het onstaatsmoment was heel bijzonder. Op de laatste avond van de onderhandelingen hadden we in de Beurs van Berlage een bijeenkomst georganiseerd vanuit lokale samenwerkingsfracties. Het was bedoelt om druk te zetten op de onderhandelaars. Daartegenover in De Rode Leeuw zaten ze daar het definitieve akkoord te schrijven. Toen de uitslag bekend werd, werd het een groot feest."

 

Slim Links?

Welke lessen geven de oud-gediende mee aan het het huidige GroenLinks? Meijer: "als je naar onze Tweede Kamerfractie kijkt dan is de uitstraling te academisch. Het is te weinig aards. Je moet over de scheiding tussen hoog- en laagopgeleiden heen stappen. Je moet ervoor zorgen dat je die mensen niet verliest."

De Gaay Fortman kijkt daar anders naar: "dat noemde wij vroeger de bewusteloze kiezer. Mensen die zich niet bewust waren van wat er in de politiek speelt. Die mensen die trekken wij niet."

Meijer ziet dat toch anders: "GroenLinks was ooit de grootste partij onder Marrokaanse Rotterdammers. De partij maakte er werk van om zijn wortels te houden met deze groep en hen herkenbaar te representeren. Het zijn reële kiezers voor ons."

De Wilt is het met Meijer eens: "deze ellende begon in 1994. Toen zeiden ze: we moeten de pretentie kwijt dat we de mensen aanspreken waarvoor we het opnemen. We zouden ons moeten positioneren als "Slim Links". Dat was een cruciale fout. Zodra je de pretentie verliest om die mensen aan te spreken dan wordt je gezien als een elitaire partij."

Is religie slechts een mening?

D66-raadslid Thijs Kleinpaste en prominent PvdA'er Marcel Duyvestein knalde er vorige week keihard in: ze stelde dat religie 'maar' een mening is. En daarom moet de overheid zich niet met religie bemoeien. In hun ogen worden religieuze mensen stelselmatig voor getrokken ten opzichte van de niet-religieuze meerderheid: in het onderwijs, met de belasting, in de Grondwet. Kleinpaste en Duyvestein streken daarmee tegen de haren van Christelijk Nederland in. SGP-, CDA- en ChristenUnie-jongeren, maar ook een progressieve Christen uit GroenLinks stelden dat religie meer dan een mening is, daar moeten Duyvestein en Kleinpaste rekening mee houden, zo stelde ze. Waar staan progressieve liberalen tussen de radicale anti-klerikale atheisten en orthodoxe confessionele Christenen?

De kern van het betoog van Kleinpaste en Duyvestein kwam op het volgende neer:  "[h]et probleem zit hem in de neiging het geloof in god net even hoger te waarderen dan willekeurig welke andere mening. (…) [Het is] idioot dat de ene mening meer bescherming geniet dan de andere." En daarom "[moeten] [p]rivileges voor religies en gelovigen dus zoveel mogelijk uit de wet- en regelgeving geschrapt worden"

Daar tegen over stelde zich een groep politiek Christenen van diverse pluimage.  Zo stellen de een drietal jongeren vanuit CU, SGP en CDA: "[e]en religie, komt [in tegenstelling tot een mening] niet uit de mens voort, maar is een geopenbaarde waarheid met transcendente oorsprong". En dat heeft volgens SGP-jongeren Nijsink morele en politieke implicaties: "[h]et geloof in God, als moreel kader, verkies ik boven een relativerende visie waarin alles gelijk is en waar er geen mening boven een andere mening telt." En juist daarom pleit hij voor de Vrijheid van Godsdienst, tegenover de gelijkstelling van meningen: "Wie gelijkheid afdwingt verkleint vrijheid en wie vrijheid predikt moet ervan doordrongen zijn dat vrijheid op den duur leidt tot ongelijkheid, omdat mensen niet gelijk zijn." Theo Brand, een exponent van een progressief-Christelijke traditie stelt: dat "dat kerken vaak plaatsen zijn waar liefdadigheid plaatsvindt, waar mensen zich bezinnen, waar ruimte is voor opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers" niet erkent wordt door Duyvestein en Kleinpaste."

Een progressieve liberale visie op de relatie tussen kerk en staat, in de traditie van John Locke, stelt dat dat zowel de anti-klerikalen als de confessionelen deels gelijk en deels ongelijk hebben.

Ik ben zelf niet gelovig maar ik realiseer me dat religie voor veel mensen een heel belangrijke rol in hun leven speelt. Zo zeer dat je het niet kan afdoen als "zo maar een mening." Het is een diep-gevoelde verbinding met een God en de wereld om je heen. Een keuze voor een religie is, is niet hetzelfde als een keuze voor een bepaalde kleur kleding: voor velen heeft geloof heeft eigenlijk alleen waarde als je het vanuit je diepste 'ik' beleidt. 

En wat betekent dit voor de overheid? Juist omdat geloof zo waardevol is, juist omdat geloof zo zeer van binnen wordt beleefd, moet overheid dat zich daar verre van houden. Dat betekent dat de overheid geen geloof mag opleggen, er moet vrijheid van godsdienst zijn. Juist omdat geloof alleen waardevol is als mensen er zelf echt in geloven mag er geen sprake zijn van dwang. Gelukkig pleit geen van de auteurs voor religieuze dwang. Maar Kleinpaste en Duyvestein pleiten er wel voor om religieuze privileges af te schaffen. Daar zou een progressieve liberaal het mee eens zijn: juist als je religie als iets zeer waardevols ziet, juist als je stelt dat religie een diepe, persoonlijke keuze van mensen zelf is, dan moet de overheid hier verre van blijven. De overheid moet op geen enkele manier religie bevoor- of benadelen, juist omdat mensen daar vrij en zelfstandig voor moeten kiezen.

Religieuze mensen moeten op dezelfde manier behandeld moeten worden niet-religieuze mensen. Is het legaal om in de privacy van je eigen huis wijn te drinken en brood te eten? Dan moet het ook legaal zijn een eucharistieviering te houden. Is het legaal om als bakker een medewerker te ontslaan omdat hij homoseksueel is of te weigeren omdat hij Christen is? Dat lijkt me niet het geval. Dus kunnen religieuze gemeenschappen zich ook niet het recht toe eigenen: een docent mag niet ontslagen worden van een Christelijke school omdat hij homo is, en een Christelijke omroep of krant mag geen sollicitant weigeren omdat hij niet-Christelijk is.

Juist omdat religie zo belangrijk is, juist als je het waardevol vindt als mensen vrij tot God komen dan moet je dat niet bevoor- of benadelen als overheid. Dan gaan mensen Christendom veinzen om aan werk te komen, belastingvoordeel te krijgen of op de beste school terecht te komen. En daarmee verliest geloof aan waarde.

Ten slotte, de tegenstelling tussen vrijheid van godsdienst en gelijke behandeling die Nijsink schetst en waar veel SGP'ers en CU'ers zich op beroepen bestaat in mijn ogen helemaal niet. Gelijke behandeling is namelijk de kern van vrijheid van godsdienst. Religie mag geen reden zijn om mensen ongelijk te behandelen: dat beschermt gelovigen tegen de overheid: zij mogen niet aangepakt worden op het enkele feit dat ze gelovig zijn. Een ongelijke behandeling van gelovigen en ongelovigen doet af aan de waarden van religie.

Is kunstsubsidie rechtvaardig?

Ik ga met een groep vrienden op vakantie. En voor mij liggen er een aantal simpele vereisten aan de locatie. Ik wil naar een plek waar cultuur is. En dat is meer dan een dorpje waar je van terrasje naar terrasje loopt. Voor mij bestaan vakanties uit het beleven van moderne kunst. Ik kan me totaal verliezen in architectuur van rond de eeuwwisseling (deze of de vorige). Ik ben dol op toegepaste kunst, in het bijzonder Jugendstil. Ik krijg steeds meer waardering voor moderne beeldhouwkunst en vroeg-expressionistische schilderkunst. Maar mijn vrienden, die wilden fietsen, en dus gaan we naar een of ander godvergeten dorpje in de bergen. De vraag rijst waarom de overheid wel mijn fascinatie voor moderne architectuur zou moeten financieren, maar de fietsen van mijn vrienden niet zou moeten betalen? Is kunstsubsidie eigenlijk wel rechtvaardig? Of is het een linkse hobby?

 Laat ik in de eerste plaats stellen dat ik, als ik geen liberaal zou zijn, dit allemaal aanzienlijk makkelijker zou worden. De kern van het liberalisme is neutraliteit ten opzichte van ideeen van het goede leven. Maar ik zou me ook minder liberaal kunnen positioneren: dan zou ik, als een soort Martha Nussbaum, kunnen zeggen wat wel en niet waardevol is een mensenleven. Dan zou de overheid meer geld moeten steken in het bewaren van architectuur uit het interbellum, want dat is pas echt mooi, maar ook alternatieve rock muziek zou kunnen rekenen op een flinke donatie van de staat en  dan zou iedere schilder na 1945 verplicht extra belasting moeten betalen voor de lelijk troep die ze produceren.

Zo werkt het dus gelukkig niet: dat mijn leven verrijkt wordt door de schilderijen van Schiele betekent niet dat dat voor iedereen waardevol is. Voor een liberaal moet overheidsingrijpen, zoals kunstsubsidies gerechtvaardigd worden door iets anders dan persoonlijke voorkeur, hoe diep dat dan ook zit. De centrale vraag is dus: waarom zijn kunstsubsidies wel gerechtvaardigd voor liberalen maar subsidies op race-fietsen niet?

Gelukkig heeft GroenLinks Leiden, onder bezielende leiding van cultuurjournalist Robbert van Heuven,  een cultuurvisie uitgebracht met daarin een aantal argumenten voor -een specifiek Leids- cultuurbeleid. De waarde van cultuur werd daarin als volgt verdedigd:

"Kunst en cultuur spelen volgens GroenLinks dan ook een belangrijke rol in een open samenleving. Ze stellen het individu in staat zijn positie te bepalen in de wereld, om zich te ontwikkelen, om te worden wie hij wil zijn. Daarbij heeft kunst ook een democratische waarde. Kunst geeft afwijkende meningen, ideeën of beelden de ruimte. Het stelt vragen bij dat wat we dachten zeker te weten, het verbeeldt werelden die er (nog) niet zijn, gedachten die nog niet eerder gedacht waren."

Klinkt mooi en inspirerend maar is dit een rechtvaardiging om gemeenschapsgeld uit te trekken? De centrale rol die Van Heuven hier geeft aan de kunsten is om kritische vragen te stellen, afwijkende meningen te uiten, te krabben aan de korst van het geaccepteerde en normale. De waarde daarvan ligt denk ik echter nog een laag dieper: de vrije samenleving die Van Heuven hier voorstaat is niet alleen maar een samenleving waarin individuen (op een negatieve manier) vrij, ongebonden, zijn om te doen wat ze willen, maar ze zijn ook (op een positieve manier) vrij, autonoom: vrije individuen zijn kritisch, reflectief. Ze leggen zich niet neer bij tradities of conventies, maar proberen altijd na te blijven denken. Ze beslissen echt over hun eigen lot en luisteren niet naar autoriteiten. Kortom: Van Heuven streeft niet zo zeer naar een vrije samenleving, maar naar een samenleving van vrije individuen. Van Heuven wil met hun culturele agenda proberen een bepaald ideaal van burgerschap propageren.

Laat ik daar meteen twee opmerkingen over maken: ten eerste, dit beperkt welke kunst gesubsidieerd wordt. Onkritische, onreflectieve kunst wordt niet gewaardeerd. Kunst die niet bedoeld is om mensen aan het denken te zetten, maar die slechts bedoeld is om mooi te zijn die wordt niet gesubsidieerd. Kunstsubsidiecommissies zullen dus niet alleen de artistieke waarde van werken moeten beoordelen, maar ook het doel.

Het is, ten tweede zeer de vraag of het opleggen van een ideaal van de goede burger, te verenigen is met het liberalisme. A priori zou ik zeggen: nee. Liberalisme probeert neutraal te zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven. Als iemand een onkritisch, conventioneel leven wil leiden, waarom is dat slechter dan als iemand een kritisch, onconventioneel leven wil leiden? Maar laten we, for the sake of the argument, proberen om Van Heuven ruimte te gunnen. Je zou kunnen zeggen dat het voor liberalen verkieslijk is als mensen zelf kiezen voor hun eigen leven, in plaats van anderen te volgen, dat dit ervoor kan zorgen dat mensen kunnen worden ze zelf echt willen, dat er een waarde is als mensen echt zelf kiezen en dat een kritische en reflectieve opstelling ook voor de rest de samenleving vooruit kan helpen.

 Als we deze basale intuitie delen, dan heeft dat volgens mij implicaties voor je opvatting van liberalisme. Je zou kunnen stellen dat in het traditionele links-liberale beeld de overheid voor twee dingen moet zorgen: ten eerste (en dat is het belangrijkst) moet de overheid ervoor zorgen dat de rechten van alle burgers worden beschermd. De overheid moet ervoor zorgen dat inbreuken op vrijheden worden voorkomen en waar het toch gebeurt dat er een passende straf tegenover staat. Het gaat hier om de klassieke rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Echter een links-liberaal zal moeten erkennen dat dat niet genoeg is: om mensen vrij te maken zijn formele rechten niet genoeg, mensen moeten ook de middelen krijgen om zich echt vrij te zijn. Daarom pleit ik voor herverdeling van inkomen: mensen hebben niet alleen het recht om vorm te geven aan het eigen leven, ze moeten daar ook de middelen voor krijgen.

Wat Van Heuven in principe voorstelt is dat naast het recht om en de middelen om vorm te geven aan het eigen leven: mensen hebben ook het vermogen nodig om zelfstandig te zijn: je moet kritisch zijn over wat er om je heen gebeurt en reflectief over je eigen opstelling en gedrag. Dat zijn de vermogens die Van Heuven sterk waardeert. Ik denk dat er nog wel een aantal andere dingen aan het lijstje kunnen worden toegevoegd: bescheidenheid en zelfrelativering, want anders stel je jezelf doelen die je niet kan waar maken, en discipline en zelfbeheersing bijvoorbeeld, want je kan wel allerlei idealen hebben, maar zonder discipline zal daar weinig van komen.

 Het klassieke liberale ideaal gaat ervanit dat iedereen vrijheid aan kan, en heeft te weinig oog voor die mensen die het 'culturele' kapitaal missen om gebruik te maken van hun vrijheid. Waar sociaal-democraten zich de laatste vijftig jaar hebben ingezet om mensen naast de rechten ook de middelen te geven om gebruik te maken van die vrijheid, is er altijd een traditie van cultuursocialisme geweest, die gericht was op het verheffen van mensen.

Liberalen sidderen traditioneel bij verheffing, moralisme of paternalisme: het opleggen van een ideaal van het goede leven verhoudt zich slecht tot liberale noties over pluralisme, autonomie en neutraliteit. Maar het gaat hier -vrij naar Jacques de Kadt- om paternalisme omwille van het liberalisme. Centraal hierbij staat dat mensen de vermogens moeten krijgen vrij te zijn: dat is om kritisch te zijn over de tradities waarin men opgroeit en om reflectief te zijn over de eigen opstelling, om de zelfkennis te hebben om een levenspad te kiezen dat echt bij je past en om de discipline te hebben om dat waar te maken.  En dus rechtvaardigt dat overheidsingrijpen op culturele thema's juist waar liberalen daar traditioneel huiverig over zijn.

Dat vereist een brede cultuurpolitieke agenda: mensen worden niet als reflectieve, kritische, bescheiden, gedisciplineerde burgers geboren. Dat moet mensen worden aangeleerd. Dat vereist een onderwijsstelsel dat mensen niet alleen maar leert lezen en schrijven en gelijke kansen biedt op de arbeidsmark maar dat hen opvoedt tot een ideaal van burgerschap. Dan moeten we kleinere klassen hebben omdat we jongeren individueel moeten begeleiden, vaak zelfs één-op-één. Dat vereist docenten die naast hun vak beheersen en het onderwijzen zelf, ook een filosofische en psychologische achtergrond hebben.

En kunstsubsidies? Laten we eerlijk zijn: zoals we boven al observeerde, zet lang niet alle kunst aan tot denken. Sommige kunst is gewoon mooi – of spuuglelijk. Het gaat dus niet om kunstsubsidies maar om het subsidieren van dingen die mensen kritisch maken. En dan is een laag schouwburgbezoek inderdaad een probleem: omdat de lage bezoekersaantallen van de schouwburg meer mensen kritisch maken dan er bij die hele voorstelling in de zaal zitten. Maar sterker nog: als je serieus gecommiteerd bent aan een ideaal van paternalisme omwille van het liberalisme, dan gaat het in de eerste plaats om een radicale onderwijsagenda die jongeren niet alleen moet leren te lezen en te schrijven, klaar moet maken voor een beroep, maar ook kritische, zelfreflectieve, bescheiden en beheerste burgers moet smeden. En dat vereist zo'n investering in het onderwijs, dat we het geld niet over hebben voor kunstsubsidies. Helaas.

Extatisch II: Paul Smeulders & Southern Strategy

Het was een spannende nacht. De uitslag is bekend. De politiek feiten liggen er. Maar hoe moeten we die begrijpen? Wat betekent de uitslag voor groene provincies en linkse senaat? Er komen een aantal kortere en lange blogjes aan over de uitslag en haar gevolgen voor groene en linkse politiek.

Waar heeft GroenLinks gewonnen? In het Zuiden: in Brabant en Limburg gaat GroenLinks van 2 naar 3 zetels. Het effect van twee zuidelijke kopstukken Sap en Thissen? Of van provinciale lijsttrekkers, provinciale campagnes of provinciale issues? En ik moet zeggen dat ik de campagne van "vraag het" Paul "hopla" Smeulders in Noord-Brabant echt ongelofelijk goed vond.

En je ziet dat lokale issues er toe kunnen doen: GroenLinks heeft zwaar verloren in Zeeland. GL'er Marten Wiersma was vormde samen met het CDA, de CU en de SGP de gedeputeerde staten. En laten we eerlijk zijn het was ook geen succes. Het Thermphos schandaal is het meest tekenend: een GroenLinks gedeputeerde die een zwaar vervuilende fabriek gedoogd heeft. Terecht afgestraft voor weinig groene politiek daar.

Maar ik denk dat er met de winst in Brabant en Limburg meer aan hand is dan provinciale factoren. GroenLinks heeft het meest gewonnen in die plekken waar er nu een ruime rechtse meerderheid is: in Noord-Brabant heeft PVC 30 van de 55 zetels en in Limburg zijn het er 28 van 47. Zijn het Limburgers die niet in Wildersland willen wonen en een tegengeluid willen laten horen? Misschien, maar Brabant en Limburg zijn dus ook de gebieden waar de andere linkse partijen slecht scoorden: waar de Randstadpartij D66 het minder goed deed -Limburg is de enige provincie waar GL groter is dan D66-, de Noordelijke PvdA niet vertrouwd wordt -de PvdA haalt twee keer zo veel stemmen in het Noorden als in het Zuiden-, en veel mensen die in 2007 SP stemden nu weer politiek thuisloos zijn. GroenLinks heeft kunnen profiteren van de zwakte van haar linkse concurrenten.

Untitled Image 1

GroenLinks lijkt ook daar gewonnen te hebben waar het CDA traditioneel sterk is: in het Zuiden en op het platteland. In de figuur hierboven is het mooi te zien: in de sterk stedelijke gebieden is GroenLinks traditioneel heel sterk, verliest ze nu stemmen. In de landelijke gebieden staat GroenLinks er zwakker voor, maar daar wint GroenLinks nu. Zo compenseert ze het verlies in de steden. Waarom? In deze verkiezing is het CDA min-of-meer ge-explodeerd. GroenLinks pikt daar een graantje van mee. Progressieve CDA'ers die zich niet meer thuis voelen bij hun partij? Juist in de Randstad is de concurrentie van de PvdA veel sterker. Misschien heeft de PvdA meer van GroenLinks gewonnen in de Randstad en heeft GroenLinks op het Brabantse platteland meer van het CDA gewonnen.

In die zin zou je kunnen zeggen dat er in Nederland ruimte is voor een Southern strategy: met het in-een-storten van het CDA in Brabant en Limburg is daar ruimte voor andere politieke partijen. Je zag dat de PVV in 2010 en de SP in 2006 daar al flink van profiteerden. Misschien dat GroenLinks daar ook groot kan worden?

Extatisch I: Jolande Sap & Kunduz

Het was een spannende nacht. De uitslag is bekend. De politiek feiten liggen er. Maar hoe moeten we die begrijpen? Wat betekent de uitslag voor groene provincies en linkse senaat? Er komen een aantal kortere en lange blogjes aan over de uitslag en haar gevolgen voor groene en linkse politiek.

6cu4rpc

Ik maakte me er hevig zorgen over. De keuze voor Kunduz zou GroenLinks kiezers kosten. Stond GroenLinks voor de beslissing over Kunduz nog op 12-13 zetels. GroenLinks leek een vrije val te maken in de peilingen: naar  7-8 zetels. Dat was minder dan de 10 die GroenLinks nu had in de Tweede Kamer. Een overwinning in de Provinciale Staten en de Eerste Kamer leek uitgesloten. GroenLinks heeft ten opzichte van 2007 gewonnen. En ook in de Senaat lijkt er een zetel bij te komen. Het gaat veel beter met GroenLinks dan ik had verwacht. Overigens is het een consistente lijn: discussies over militaire missies breken GroenLinks intern op, maar leiden niet tot electorale neergang.

Dit is een grote belofte, want als Sap met zo'n tegenwind, als beginnende politiek leider na een controversiele beslissing, verkiezingswinst kan boeken, wat dan als de kaarten gunstiger geschud zijn?

Extatisch III: Electoral Math & Margreet de Boer

Het was een spannende nacht. De uitslag is bekend. De politiek feiten liggen er. Maar hoe moeten we die begrijpen? Wat betekent de uitslag groene provincies en linkse senaat? Er komen een aantal kortere en lange blogjes aan over de uitslag en haar gevolgen voor groene en linkse politiek.

Die provincie is natuurlijk allemaal leuk en aardig. En GroenLinks kan daar een verschil maken door vervuilende fabrieken te sluiten, mega-stallen tegen te houden en fietspaden aan te leggen. Maar deze verkiezingen gingen over meer: het ging over links en rechts in de Senaat. Het was 35 zetels voor CDA en VVD. Dat lijken er nu 37 te worden voor CDA, VVD, en PVV. Een te weinig voor een meerderheid. Daar kan dan de ene SGP-senator een rol in spelen.

Volgens de meest geavanceerde politieke rekenaars kan er nog heel wat gebeuren. Een verbondje tussen CU en SGP kan GL een restzetel kosten. Die zou naar de gedoger SGP kunnen gaan. Dat zie ik de CU overigens nog niet doen. Een D66'er kan met een stem op GL dan weer een restzetel afsnoepen van de PVV voor GL. Dat lijkt vrij zinnig.

En dan hebben we het nog niet eens over de Onafhankelijke Senaatsfractie gehad. Die zit sinds 1995 in de kamer als verbond van provinciale partijen geleid door Friezen en Groenen. Maar nu lijken ze het niet te gaan redden. De groenen waren eigenlujk al in 2003 uitgespeeld en nu met de PVV het populisme ook provinciaal is gegaan is de ruimte voor protestpartijen veel beperkter. Wat gaan de OSF partijen doen? De Friese Nationale Partij is de grootste. Dit is een centrum-linkse pro-Friese partij. VVD en PvdA trekken al aan deze partij. In 2007 was ze onderdeel van een lijstverbinding met VVD en D66 seculieren tegen het kabinet. Een stem van hen op de VVD of de PvdA kan een grote invloed hebben op de samenstelling van de Senaat.

Voor GroenLinks betekent dat dat zetel 5 die door het congres aan Margreet de Boer gegund is, nog best spannend kan wordenDe feministische juriste met een lange staat van dienst binnen GroenLinks zou echt op haar plek zal zijn in de Eerste Kamer. Het heeft ook wel iets Amerikaans dat ze haar vader achter na zou gaan die tussen 1990 en 2003 lid was de Eerste Kamer.

Maar wordt het wel vijf zetels met al deze politieke spelletjes? Kan GroenLinks de FNP charmeren door aan te bieden dat er met voorkeursstemmen een noordeling in Senaat komt? Zal Margreet de Boer haar Noordelijke roots in de weegschaal gooien? Het worden nog spannende maanden van afwachten, onderhandelen en uitruilen op het provinciale niveau.