GroenLinks: voor een groene wereld

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Marijke Vos en Bas Eickhout keken naar het verleden en de toekomst van het denken over een duurzame economie.

Vos is nu de ‘groene topkandidaat’ voor de senaat en was daarvoor vier jaar wethouder Zorg en Milieu in Amsterdam (2006-2010), twaalf jaar het groene gezicht van GroenLinks in de Tweede Kamer (1994-2006) en de eerste partijvoorzitter van het net opgerichte GroenLinks (1990-1994). Zij keek naar de ontwikkeling van het denken over milieu en natuur in de eerste tien jaar. Eickhout is op dit moment lid van het Europees Parlement voor GroenLinks, werkte daarvoor als klimaatspecialist bij het Planbureau voor de Leefomgeving en schreef mee aan verschillende GroenLinks programma's. Hij keek naar de toekomst van het groene gedachtegoed.

 Groen, groei en links

Vanaf het begin was GroenLinks voor een duurzame economie, in plaats van voor ongerichte groei en consumptiedwang. Groei moest bijdragen aan welvaart en herstel van het milieu. Dat betekende selectieve groei en krimp.

Vos: ‘De naam van GroenLinks laat de twee poten van GroenLinks zien: groen én links.’ De discussie over wat groen en links inhielden en de spanning tussen groen en links beheerste de eerste jaren de partij: ‘De partijen die GroenLinks bij elkaar brachten, hadden behoorlijk verschillende opvattingen over de economie en het milieu. De PPR was meer met het milieu bezig, ook de PSP was op dit terrein actief.’ In het eerste programma van GroenLinks werd voorgesteld een belasting in te voeren op milieuvervuilende producten. Dat leidde tot een fel debat: ‘Mensen met een laag inkomen zullen zo'n belasting op milieuvervuiling voelen in hun portemonnee. We zijn voor een milieusparende economie, maar dat beperkt de consumptiemogelijkheden. Kamerleden Peter Lankhorst (afkomstig uit de PPR – SO) en Ina Brouwer (afkomstig uit de CPN -SO) stonden hier recht tegenover elkaar.’ In het eerste programma werd een compromis gesloten: ‘Een groentax op milieuvervuilende productie en producten [moet worden ingevoerd] in samenhang met maatregelen die de koopkracht tot aan modaal voor wat betreft dit effect op peil houden.’ Vos: ‘Groene en linkse doelen stonden dus haaks op elkaar; de angel zat hem in het idee dat de consumptie moest afnemen. Geleidelijk werd het idee ontwikkeld dat er naast milieubeleid sprake moest zijn van een rechtvaardige inkomenspolitiek.’

 In 1998 verschoof het denken onder andere door het boek Factor 4 (zie onder): ‘Als de overheid kiest voor duurzame technologie zoals zonne-energie, dan kan een groei van de welvaart gepaard gaan met een vermindering van de druk op het milieu. Het verkiezingsprogramma van 1998 ademt die sfeer uit, we lezen niets meer over krimp: we gaan van ‘Nederland distributieland’ naar ‘Nederland innovatieland’, een land dat goed is in allerlei nieuwe technologie, voorop loopt bij duurzame landbouw, windenergie et cetera, en waar groei samen kan gaan met het milieu. Dit type denken is voor veel partijen interessant, ook voor ondernemers. De win-wingedachte is geboren. Omdat groen juist goed is voor de economie, is de spanning tussen groen en links verdwenen.’

Eickhout plaatste daar in zijn betoog overigens wel vraagtekens bij: ‘Op de korte termijn levert de transitie naar een groene economie wel groei op in specifieke sectoren, maar op de lange termijn is dat echter niet zo. Eickhout verwees naar het boek van de Britse econoom Tim Jackson Welvaart zonder Groei (zie onder): ‘Een economie die gebaseerd is op efficiënt gebruik van hulpbronnen, heeft minder inputs nodig en zal dus minder groeien. Een stationaire economie is niet het doel. In ons maatschappelijk denken moeten we rekening houden met een lagere economische groei. Daar hebben we geen goed antwoord op: onze economie is gebaseerd op groei.’

Overheid, markt en milieu

Ook het denken over de verhouding tussen markt en staat is ingrijpend veranderd, volgens Vos. ‘Terwijl de CPN en de PSP traditioneel de nadruk hebben gelegd op een sociale planeconomie, heeft GroenLinks nooit gezegd “de staat moet het allemaal doen”. Al in het eerste programma van uitgangspunten (1991) werd gesteld: We willen naar een groene economie. Het markmechanisme speelt daarbij een belangrijke rol. De overheid moet door het stellen van randvoorwaarden en verboden groene productie stimuleren. GroenLinks wil een groene belastingverschuiving: een verschuiving van de belasting op arbeid naar milieuvervuiling’. Vos: ‘Groene belastingen moeten wat positief is bevorderen en wat negatief is afbouwen.’ Dat is uitgewerkt in allerlei heffingen zoals vliegtax en heffingen op bestrijdingsmiddelen. Het idee van beprijzen staat in alle verkiezingsprogramma’s van GroenLinks. ‘Die vergroening van de economie gaat deels via fatsoenlijke marktwerking, deels ook via een verboden. Naast de staat en maatschappelijk bewegingen biedt individueel koopgedrag een belangrijk handelingsperspectief: ook de consument kan veel doen. GroenLinks gaat steeds vloeiender gebruik maken van de markt: verleid consumenten, maak alternatieven aantrekkelijk. Persoonlijke verantwoordelijkheid past ook in het milieubeleid. Milieuvervuiling is niet alleen de schuld van grote bedrijven. Vervuilende bedrijven moeten worden aangepakt, maar tegelijk moeten burgers worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid.’

 Volgens Eickhout is het milieubeleid de afgelopen tien jaar basisbeleid van allerlei regeringsbeleid geworden – er was milieubeleid ook zonder GroenLinks. Hij wees op een omslag die gaande is in het bedrijfsleven: ‘Steeds meer bedrijven gaan de kant op van een groene economie, los van wat de politiek doet. Voorbeelden daarvan zijn Philips en Unilever. Daarnaast zijn er ook behoudende krachten, zoals Shell en Corus, die zorgen voor een krachtige lobby richting de politiek. Die twee takken beconcurreren elkaar.’ Eickhout kiest duidelijk partij in deze concurrentie: ‘De nieuwe economie heeft dit soort progressieve multinationals nodig. Als GroenLinks moeten wij de groene ontwikkelingen in deze bedrijven toejuichen. Die koplopers hebben de overheid nodig. Een koploper steekt zijn kop uit. Unilever denkt: dat groene beleid dat komt wel, en dan kunnen we beter de eerste zijn.’ Als dat overheidsbeleid er niet komt, dan is dat slecht voor de koplopers.

 De vraag of we wel of niet moeten kiezen voor een groene economie, is volgens Eickhout zinloos: ‘De vraag is: hoe kunnen we zorgen dat Nederland leidend is in die agenda, want de groene economie, een economie gebaseerd op duurzame hulpbronnen, wordt vanzelf de agenda – er is namelijk geen alternatief. China investeert van alle landen het meest in zonne- en windenergie. Dat doen ze niet omdat ze zo begaan zijn met het milieu, maar omdat ze daar voordeel van hebben.’ Stroom speelt een belangrijke rol in de groene economie, voor elektrische auto’s bijvoorbeeld, want ‘het is een economie die afhankelijk is van batterijen. Batterijen betekenen metaal. En welk land is heeft veel schaarse metalen? China. Terwijl China volop bezig is met haar green deal, zit Europa af te wachten. China heeft momenteel baat bij traagheid op het gebied van internationaal klimaatbeleid, maar er komt een moment dat China zegt “wij hebben ons genoeg voorbereid”’. Het is daarom onverstandig dat Europa en de VS niet bewegen op gebied van klimaatbeleid, omdat China niet zou willen. Als Europa op China blijft wachten wordt ze daar het slachtoffer van.’

 Voor onze eigen economie is de overstap naar een groene economie gunstig, volgens Eickhout: ‘De rechtse partijen hebben het goed geframed, dat windmolens allemaal op subsidie draaien, maar er zijn genoeg voorbeelden van prima draaiende groene energie – zie Denemarken, Spanje en Duitsland. Groene energie wordt ook economisch steeds interessanter: de stijgende olieprijs maakt landen veel opener voor een ambitieus klimaatbeleid. Dat is precies de reden dat Groot-Brittannië vol inzet op een klimaatagenda. Dat doet Cameron (de conservatieve premier van Groot-Britannië – SO) niet omdat hij denkt dat morgen de wereld vergaat, maar om minder afhankelijk van natuurlijke hulpbronnen te worden. Als de Europese Unie haar klimaatambities verhoogt van 20% minder CO2-uitstoot naar 30% minder, dan scheelt dat 40 miljard euro minder aan olie-importen en levert dat 6 miljoen extra banen op. Een aantal sectoren zullen onder die selectieve krimp leiden; dat is de kern van de strijd tussen de progressieve en conservatieve bedrijven.’

 Landbouw en de groene economie

‘GroenLinks kan de beleidsvoorstellen voor vergroening van de belastingen wel blijven herhalen’ volgens Eickhout, ‘maar wat bedoelen we nu met die groene economie voor verschillende sectoren?’

Een van de voorbeelden die hij aanhaalt is de landbouw. In het verleden dat Marijke Vos beschreef ‘was biologische landbouw dé oplossing. De bestaande landbouw een beetje veranderen, daar waren we niet voor.’

Eickhout stelt echter: ‘Een bio-based economy gaat veel verder dan alleen biologische landbouw. Als er één sector is die op een slimmere manier om moet gaan met inputs dan is het de landbouw. Landbouw betekent namelijk een grote aanslag op de biodiversiteit: de belangrijkste input voor landbouw is land en grond is eindig. Malthus voorspelde daarom al dat de wereld te weinig voedsel zou produceren. Hij had alleen de ontdekking van kunstmest over het hoofd gezien. Het maken van kunstmest is een energie-intensief proces. In China wordt kunstmest gesubsidieerd, de rivieren worden vol gestort met dierlijke mest – als je die ziet, wil je spontaan in een Amsterdamse gracht zwemmen! Onze economie zal moeten gaan draaien op onze eigen mest. We halen nu fosfor uit de bergen van Marokko, maar onze eigen mest is heel fosforrijk. We zullen onze fosfor daaruit moeten gaan winnen. Allerlei van dit soort gesloten grondstofkringen zullen moeten worden ontwikkeld; het recyclen van afval wordt cruciaal!’

Meer lezen?

 Jackson, T. (2010), Welvaart zonder groei: economie voor een eindige planeet, Utrecht: Van Arkel

Weizsäcker, E. von, A.B. Lovins, and L.H. Lovins (1998), Factor Four: Doubling Wealth, Halving Resource Use – A Report to the Club of Rome

Dit artikel verscheen ook op de website van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Kiezers, Consumenten en het Milieu

Zondag schreef ik over de relatie tussen markt, overheid en het milieu. Ik kwam tot de conclusie dat groene politiek nog steeds noodzakelijk is, zelfs als (of misschien wel juist omdat) bedrijven steeds groener worden. De vraag is nu hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen die wel groen gaan consumeren, ook groen gaan stemmen.

Het is belangrijk om een aantal verschillen tussen de markt en de overheid in het oog te houden. Eens in de vier jaar mogen we stemmen voor de Provinciale Staten, Tweede Kamer en Gemeenteraad, en eens in de vijf jaar voor het Europees Parlement. Maar we doen dagelijks aankopen. Tegenover honderden aankopen per jaar, staan dus niet veel meer dan gemiddeld een stemkeuze.

Een tweede verschil is dat de markt gaat om individuele keuzes. De overheid gaat om een collectieve keuze. Dat zorgt ervoor dat (zolang hij of zij er geld voor over hebben) ieder individu een product naar zijn keuze kan krijgen. Minderheden met groene voorkeuren kunnen dus ook producten krijgen. Welk product we krijgen van de overheid worden per meerderheid bepaalt. De markt is dus veel vriendelijker voor minderheden dan de overheid. De overheid geeft wel ruimte voor minderheden, maar dat is vaak om (met referenda of grondwetswijzigingen) om te voorkomen dat dingen gebeuren.

Hieruit komt ook het verschil tussen groene consumenten en grijze stemmers voort: groene consumenten leiden meteen tot groene producten, ook als ze in de minderheid zijn. Groene stemmen leiden tot groene beloften die geen meerderheid achter zich kunnen krijgen. En er zijn mensen die wel eens groene producten kopen, in de honderden aankopen die ze per jaar doen. Maar omdat er minder stemkeuzes gemaakt worden, zijn er minder mensen die wel eens een groene stemkeuze maken. Op de markt is er dus meer ruimte voor af en toe een groene keuze dan in verkiezingen. Hoe lossen we dit op?

Er zijn twee oplossingen. Er is een klassieke grap over de stemoproep die (corrupte) Democraten in het negentiende eeuwse Amerika deden aan hun electoraat: vote early and vote often. Hoe vaker mensen de kans krijgen om te stemmen, des te groter de kans dat ze af en toe een groene keuze maken. Zeker als een van de kernthema's van de bestuurslag het milieu is, zoals bij waterschappen, het Europees Parlement of provincies. Kom maar op met een direct gekozen Eerste Kamer of een direct gekozen regio-raad. Het afschaffen van bestuurslagen is niet goed voor groene politiek.

Maar misschien is het een te grote stap om de overheid zo te organiseren dat het goed is voor groene politiek. De tweede oplossing zit er in hoe GroenLinks campagne voert. Kiezers vertrouwen partijen op verschillende onderwerpen. GroenLinks wordt vertrouwd op het milieu. En toch praat GroenLinks nauwelijks over het milieu tijdens campagnes. We denken: die groene kiezers hebben we toch al. Maar het doel van verkiezingscampagnes is ze de verkiezingen framen dat het een referendum wordt over een onderwerp waar jij een meerderheid/groot deel van de kiezers achter je hebt. Kiezers wisselen regelmatig van partij binnen het linkse of het rechtse blok, afhankelijk van welk onderwerp ze belangrijk vinden. Gaat de keuze om de macht stemmen linkse kiezers PvdA, gaat het om sociaal-economisch beleid gaan ze voor de SP, gaat het om milieu dan kiezen ze voor GroenLinks. Dus moet GroenLinks niet mee gaan praten met andere partijen op integratie of de verzorgingsstaat. Onderwerpen waar relatief weinig kiezers achter onze oplossingen staan en waar we zelfs kiezers mee afschrikken? GroenLinks zou veel meer over het milieu moeten praten en de verkiezingen zo framen dat het gaat om een keuze tussen gezond, biologisch eten of ongezond eten; Tussen lagere energiekosten of torenhoge olierekeningen; of tussen zuurstof of een gasmasker voor je (klein)kinderen.

Het gaat er niet omdat we het beter uit leggen aan kiezers die het niet begrijpen, maar dat groene partijen zelfbewust zijn over hun eigen kracht. Hoe vaker we tijdens campagnes over het milieu praten, hoe meer kiezers zullen denken dat de verkiezingen daarover gaan. Hoe vaker we het over integratie hebben, hoe meer kiezers denken dat de verkiezingen daarover gaan. Als partijen over integratie praten in de campagne, spelen ze Wilders in de kaart, als partijen over het milieu praten GroenLinks.

Links, Rechts en het Milieu

De laatste tien jaar heeft het milieupolitiek in een verdomhoekje gezeten: andere onderwerpen, zoals integratie (volgens 75 sociale wetenschappers het meest overschatte probleem van de huidige tijd) domineert de politiek, in het Nederlandse parlement zitten 24 klimaatprobleemontkenners, milieu is nu verbannen naar een staatssecretariaat, internationaal komen de Verenigde Staten, Europa en de ontwikkelingslanden niet tot een oplossing.

Ondertussen heeft het bedrijfsleven het milieu wel opgepakt: duurzame auto's van Toyota, groene stroom van GreenChoice, biologische katoen bij de HEMA, duurzaam sparen bij de ASN, vleesvervangers van van de Vegetarische Slager, led lampen van Phillips. Grote bedrijven en kleine ondernemers, iedereen gaat duurzaam. Kleine innovatieve bedrijfjes springen in niches. Maar grote bedrijven vergroenen ook. Consumenten vragen erom: een groene lifestyle is hip en duurzaamheid is vaak goed voor je portemonee.

Dit stelt mensen met groene politieke idealen voor twee fundamentele problemen: als de markt het zonder de overheid redt waarom zet ik me dan nog in voor groene politiek? En als zoveel consumenten voor groen gaan, waarom zien we dat dan niet terug in stemgedrag?

Hoe zit de relatie tussen overheid, markt en milieu precies in elkaar? Jarenlang dachten we dat de overheid de maat moest zetten voor het milieubeleid. Waar de overheid het gemeenschappelijke belang vertegenwoordigde, zetten grote bedrijven zich alleen maar in voor hun eigen korte termijnwinsten.

Tegenwoordig is er steeds meer een verdeling tussen groene en grijze bedrijven. Volgens Bas Eickhout, die een college gaf over het groene gedachtegoed voor het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie,  gaan "steeds meer bedrijven de kant op van een groene economie, los van wat de politiek doet. Er zijn bedrijven die de progressieve kant op willen, zoals Philips en Unilever en oude krachten zoals Shell en Corus. Die twee takken beconcurreren elkaar. De nieuwe economie heeft multinationals zoals Unilever en Philips nodig nodig. Als GroenLinks moeten wij de groene ontwikkelingen in deze bedrijven toejuichen."

Er zit een soort onvermijdelijkheid in het verhaal van Eickhout. Die groene ontwikkelingen komen er toch wel: "de vraag is hoe kunnen we ervoor zorgen dat Nederland leidend is in de groene agenda. China investeert van alle landen het meest in zonne- en windenergie. Dat doen ze niet omdat ze zo begaan zijn met het milieu, maar omdat ze daar voordeel van hebben." Vergroening is onvermijdelijk: de overheid kan die ontwikkeling aanmoedigen, zodat we vooruit lopen in groene innovatie, ze kan die ontwikkeling negeren, dan moet het allemaal van het bedrijfsleven komen, of ze kan de ontwikkeling frustreren, zodat we achter liggen op groene koplopers in Europa en daarbuiten.

De overheid loopt onvermijdelijk achter op maatschappelijke ontwikkelingen: de eerste crematie vond in Nederland plaats in 1914. Dat was toen verboden, maar werd oogluikend toegestaan. Pas in 1968 werd crematie gelegaliseerd. De Christelijke politieke meerderheid had jarenlang tevergeefs geprobeerd crematie te beperken, maar de maatschappelijke realiteit was anders. En dat zie je nu ook met het milieu: voor consumenten en bedrijven is duurzaam produceren en consumeren een maatschappelijke realiteit. Een kleine meerderheid in de Nederlandse politiek wil de noodzaak hiervan niet erkennen, gesteund door een deel van de burgers en bedrijven dat apathisch is voor milieuproblemen.

Let wel: je kan ook onterecht geloven in onvermijdelijkheid. Orthodoxe Marxisten, die geloofden in de onvermijdelijkheid van de geschiedenis, zagen zichzelf niet zo zeer als agents of change, maar als onderdelen van een historische beweging. De partij moest revolutie niet zelf organiseren (zoals Leninisten dat wilden doen) of de maatschappij beetje bij beetje hervormen (zoals de sociaal-democraten deden), maar ze moest wachten tot het proletariaat vanzelf in opstand kwam om zichzelf te bevrijden en daarbij een beroep zou doen op de Socialistische Partijen. Zulk naief geloof in de onvermijdelijkheid van de geschiedenis heeft nooit tot concrete verandering geleid: het zijn de Leninistische revolutionairen en de reformistische social-democraten die ten goede (voor de sociaal-democratie) of ten kwade (voor de Leninisten) invloed hebben gehad op de loop van de geschiedenis. Orthodoxe Marxisten zijn nog steeds en attendant Godot.

Groenen hebben nooit 100% gelooft in de overheid. Groenen waren ooit de politieke arm van maatschappelijke bewegingen. Het waren maatschappelijke bewegingen die milieu op de agenda zetten. Het waren maatschappelijke bewegingen die tegen de wil van overheden en projectontwikkelaars in, natuurgebieden groen hebben gehouden. Naast overheden en de markt zagen Groenen een ruimte voor mensen die zelf hun eigen verantwoordelijkheden nemen: als consument, die duurzaam wil eten en als ouder die ervoor wil zorgen dat zijn kinderen ook buiten kunnen spelen. Maar GroenLinks komt uit een traditie van linkse politieke partijen die er op gewezen hebben dat maatschappelijke problemen alleen maar eerlijk en blijvend kunnen worden opgelost door overheidshandelen. De overheid is de plek waar burgers samen komen om hun gemeenschappelijke problemen op te lossen. Moeten wij als GroenLinks de overheid achter ons laten en ons richten op bedrijven en maatschappelijke bewegingen? Waarom bemoei ik me eigenlijk met politiek als de echte vergroening komt van bewuste consumenten en producenten?

Er zijn drie goede redenen waarom milieuproblemen toch om overheidsingrijpen vragen:

  • Ten eerste, de milieuproblemen zijn te groot om over te laten aan de individuele verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven – zeker als een deel daarvan hun verantwoordelijkheid niet wil nemen. Zoveel ingrepen zijn nodig die alleen de overheid kan nemen willen we echt naar een groene toekomst gaan: het gaat om verbieden wat echt niet meer kan en stimuleren door gunstige belastingen noodzakelijke ingrepen.
  • Ten tweede, groene bedrijven vragen om overheidsingrijpen, zij denken: we innoveren nu, die regels komen toch wel, en dan lopen we er ten minste op vooruit, dan moet de concurrent bij ons de groene producten afnemen. Maar als de overheid niet komt met regels, dan gaat dat dus met name ten koste van die bedrijven die wel willen.
  • Ten derde, een onbetrouwbare overheid, of een overheid die uitgaan van asfalt en kolencentrales, hindert de onvermijdelijke vergroening. Dan heb ik liever groenen aan het stuur, dan de politieke vertegenwoordigers van Shell, de boerenlobby en de klimaatsceptici. Zij staan in de weg van vergroening die linksom of rechtsom plaats zal vinden. Daardoor zetten ze Nederland achter op de vergroening die in andere landen plaats vindt. Waarom is Denenmarken koploper in windenergie terwijl ze evenveel wind hebben als aan onze Noordzeekust? Waarom loopt Duitsland voor in zonne-energie terwijl ze evenveel zon hebben als wij? Een overheid maakt uit. De onze belemmert nu vergroening.

Kortom: groenlinkse politiek is nu meer dan ooit noodzakelijk. Alleen is de vraag hoe krijgen we de kiezers zover?

GroenLinks: voor een democratische en vrijzinnige cultuur

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Bas De Gaay Fortman, oud-PPR-leider, en Dick Pels, de directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, keken terug en vooruit naar het denken van GroenLinks over de open, democratische samenleving.

De Gaay Fortman was tussen 1971 en 1977 leider van de Politieke Partij Radikalen, een van de voorlopers van GroenLinks. Het was volgens hem 'een klein uitstaptje uit de academie'. Hij sprak over de centrale dilemma's en spanningen die in het begrip democratie zitten. Ook Dick Pels heeft een academisch achtergrond: hij werkte aan verschillende universiteiten in Nederland en in het buitenland. In 2003 keerde hij terug naar Nederland als freelance publicist en is sinds 2010 directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Hij richtte zich op de ontwikkeling van het denken van GroenLinks over de multiculturele samenleving.

De centrale vraag in het verhaal van De Gaay Fortman was: 'Hoe bewaak je de democratie tegen het volk?' Hij illustreerde dit aan de hand van het Zwitserse minarettenverbod: 'In Zwitserland sprak eind 2009 een meerderheid van de bevolking zich uit voor een wijziging van de grondwet om de bouw van minaretten te verbieden. Hoe kan een land met zo'n traditie van verdraagzaamheid, zo'n collectief discriminerende wijziging van zijn grondwet aannemen?'
De Gaay Fortman onderzocht de spanning tussen twee aspecten van de democratie: het 'formeel-politieke' en het 'politiek-juridische'. Met het formeel-politieke aspect duidde De Gaay Fortman op het principe van de vervangbaarheid van de macht: 'De kern van de zaak is dat verkiezingen de mogelijkheid geven om de macht te veranderen. De meerderheidsregel is maar een middel. Het is beter dan “de minderheid beslist”. Je kunt moeilijk anders en je moet een systeem hebben.'
Daarnaast is er wat De Gaay Fortman het politiek-juridische noemde: 'Machtsuitoefening is noodzakelijk, maar macht vereist ook tegenmacht. De macht moet gespreid worden.' De belangrijkste beperking op de macht van de overheid is de rechtsstaat. De Gaay Fortman: 'De rechtsstaat betekent dat de overheid is gebonden aan de wet en dat er toegang is tot een onafhankelijke rechterlijke macht. De macht van de staat is beperkt: de overheid is niet totalitair.'
Hoe verhoudt het formeel-politieke zich tot het politiek-juridische? De Gaay Forman: 'Kan de rechtsstaat bij meerderheidsbeslissing worden afgeschaft? De bescherming die we daartegen hebben, is dat het lastig is om de Grondwet te veranderen. Zulke beperkingen zijn er niet voor de handhaving van de Grondwet, dat doet de Staten-Generaal zelf: maar zoals Juvenalis stelde “Wie bewaakt de bewakers?”'
'Hans van Mierlo stelde dat democratie georganiseerd wantrouwen is. Dat werkt zo niet. Democratie is georganiseerd vertrouwen. Democratie is bovenal een mentaliteit: willen en kunnen luisteren, belangen willen en kunnen afwegen, en verantwoording willen en kunnen afleggen. Een Amerikaanse opperrechter zij ooit terecht: “Wij vertrouwen te veel op regelingen. Als democratie in de harten van mensen zit, dan heb je geen wetten nodig. Zit het er niet, dan hebben al die regelingen geen zin''.'

Waar De Gaay Fortman keek naar de politieke instituties, richtte Pels zich op de verhoudingen tussen burgers, in het bijzonder op de multiculturele samenleving: 'De voorlopers van GroenLinks waren voorstanders van een libertaire cultuur waarin elk individu zich vrij zou kunnen ontplooien zonder discriminatie. Er is een rechte lijn van de voorlopers, het eerste programma van uitgangspunten, dat spreekt over vrijheidslievende tradities van links en de wending van Femke Halsema in haar artikel “Vrijzinnig Links”.'
Het multiculturalisme staat volgens Pels echter in een langere Nederlandse traditie: 'De verzuilingstraditie zit Nederlanders in ons DNA. Dat is multiculturalisme avant la lettre: een maatschappelijke verdeeldheid in religieuze groepen, behoud van eigen cultuur en identiteit onder het mom van “soevereiniteit in eigen kring”. Het multiculturalisme is niet de schuld van de linkse kerk, maar van de katholieke en protestantse kerken.'
'In de jaren '60 verkleurt Nederland in snel tempo: groepen komen naar Nederland die cultureel ver af staan van wat in Nederland net is verworven. Etnische verschillen worden zichtbaar: de dorpscultuur komt in de grote stad. De islam loopt ineens erg achter de godsdiensten van de jaren '60. De grote verschillen zorgen ervoor dat het multiculturele repertoire niet kan worden gehandhaafd.'  
Pels ziet twee 'groen-rode draden' in de ontwikkeling van het multiculturele denken van GroenLinks; 'De eerste lijn is de individualisering van het multiculturalisme. Tussen de tijd van de PSP en de PPR en de tijd van Femke Halsema is de balans verschoven van collectieve naar individuele emancipatie. De nadruk lag integratie met behoud van eigen cultuur en identiteit. We mochten geen kritiek leveren op andere culturen, dat was racistisch. Via zelforganisatie in eigen kring moesten mensen zich gaan emanciperen. Het besef is ontstaan dat dit onvoldoende is. Minderheden hebben ook hun eigen minderheden die ze onderdrukken. ' Pels wijst op Halsema's laatste speech over godsdienstvrijheid: Halsema stelde dat GroenLinks solidair moet zijn met de jonge islamitische meiden, die zich willen emanciperen uit de macht van oudere mannen. 'Als je doorredeneert, dan zul je uiteindelijk de minderheid van één, een enkel individu, moeten beschermen. Het gaat om vrijzinnigheid, de dissident, het recht om anders te zijn.'
'De tweede groen-rode draad die je door de geschiedenis heen kunt trekken, is de relatie tussen sociaal-economische en sociaal-culturele verheffing. Hoe moet je mensen emanciperen?' In het verleden diende de overheid vooral voorwaarden te scheppen: 'De overheid moest de materiële kansen van mensen verzekeren: onderwijs, arbeid, huisvesting. De klassieke trits “leren, werken, wonen”.  Het antipaternalisme overheerst: je ziet een liberalisering van het emancipatie-ideaal: homo- en vrouwenemancipatie dienen als model. De overheid schept voorwaarden en daarna maken mensen een vrije keuze. Het goede leven is wat iedereen voor zichzelf het beste acht.'
Pels problematiseert dit geliberaliseerde emancipatie-ideaal: 'Er is geen debat over de betekenis van morele vrijheid. Er is grote terughoudendheid om kritisch te oordelen over andere culturen. Een drastische herverdeling van welvaart moet vrijheid van mensen zo groot mogelijk maken. Maar wat er gebeurt er daarna? Wat moeten mensen er dan mee doen? Individualisering is een goede ontwikkeling, maar er is weinig besef van de tegenkant. Er is een moreel project nodig: er is te gemakkelijk gedacht dat als je mensen vrijheid geeft, dit leidt tot vrijzinnigheid.' Met vrijzinnigheid bedoelt Pels 'Zelfrelativering, de wil om een democratische discussie aan te gaan, het vermogen je te verplaatsen in anderen. We moeten niet al te naief zijn over de verworvenheden van de jaren '60. Als we dat niet doen, dan leidt vrijheid tot lichtzinnigheid, onverschilligheid, vrijblijvendheid en losbandigheid.'

Dit stuk verscheen ook op de website van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks.

Progressief of Links?

Je hebt soms van die DWARS bestuurders: die zeggen dat ze niet zoveel hebben met het woord "links" had en meer met de term "progressief". Met links kon hij niet zo veel: hij wou over grenzen heen kijken, dynamiek, toch?. Let wel: dit was iemand die bestuurslid was van de GroenLinkse jongerenorganisatie. Ik heb zelf een haat-liefde verhouding met de betekenisloze term "Progressief". Maar een ding weet ik zeker: je kan je niet achter de term "progressief" verschuilen.

Onduidelijk is de term 'progressief' zeker. Progressief kan grofweg drie betekenissen hebben in de Nederlandse situatie: seculier (in tegenstelling tot religieus), multiculturalistisch (in tegenstelling tot monocultureel) of hervormingsgezind op sociaal-economisch terrein (in tegenstelling tot behoudend). Die drie dingen vallen niet samen: er is geen partij die verzorgingsstaat wil houden als hij is, monocultureel is en religieus. Aangezien er praktisch geen verschil tussen partijen die we traditioneel tot links rekenen en voorstander zijn van de multiculturele samenleving (SP, GL, PvdA, D66) is dit geen interessant verschil. Laten we er ook vanuit gaan dat progressiviteit op religieus gebied, niet een vervanger is standpunten op een veel breder scala aan onderwerpen. Dan rest dus maar een interpretatie van progressief: het gaat om hervormingsgezindheid op sociaal-economische onderwerpen, combineer dat met een internationale, pro-Europese orientatie en individualisme op culturele onderwerpen, en dan heb je de progressieve ideologie.

Alleen ben je er dan niet: als je conservatief bent: zeg je 'nee' tegen Europa, zeg je 'hou de verzorgingsstaat zoals hij is' dan hoef je niet te kiezen tussen links of rechts. Dan zeg je: houden wat je hebt. Maar als je kiest voor een nieuwe bestuurslaag, als je kiest voor een hervorming van de verzorgingsstaat, dan ben je er nog niet: dan moet je kiezen welke beleid die bestuurslaag gaat uitvoeren, dan moet je aangeven welke kant die hervormingen op moeten gaan. Als je zegt "Europa moet meer doen", dan moet je zeggen wat Europa moet doen: wordt het meer markt en munt, of meer mens en milieu? Krijgt Europa meer te zeggen over energiemarkt (moet die ook geliberaliseerd worden) of krijgt Europa meer te zeggen over milieu (moet Europa groener?) Wordt Europa een vrije handelszone of sociaal model? Als je zegt "ik wil minder Europa" dan hoef je die keuze niet te maken. Als je zegt "De huidige verzorgingsstaat voldoet niet", dan moet je zeggen wat voor'n alternatief je hebt: kies je voor ieder voor zichzelf of neem je het op voor outsiders die ook een eerlijke kans hebben? Verhoog je de AOW-leeftijd voor iedereen of verlaag je hem voor mensen die vroeg beginnen met werken? Wordt Nederland een nachtswakersstaat of krijgt het een vernieuwd sociaal model? Als je zegt "hou alles maar zoals het is" dan hoef je die keuze niet te maken. Als je conservatief bent, hoef je niet links of rechts te zijn. Maar als je progressief bent moet je kiezen tussen links of rechts.

Senaat 2.0: Echt Bicameraal

Nederland heeft een bicameraal stelsel: ons parlement heeft twee kamers. De facto betekent dat dat wat is voorbesproken door professionele politici in de Tweede Kamer nog een keer wordt besproken door amateurs in de Eerste Kamer. Alleen in uitzonderlijke gevallen doet de Eerste Kamer er echt toe. In de rest van tijd voeren professoren hoogdravende debatten die uiteindelijk maar beperkt invloed hebben op het beleid.

Dat heeft twee redenen: ten eerste heeft de Eerste Kamer vaak eenzelfde samenstelling als de Tweede Kamer. Beiden zijn gekozen met evenredige vertegenwoordiging. De een direct en de ander indirect. Omdat er dezelfde verhoudingen zijn, zal de uitkomst van de besluitvorming niet sterk verschillen. Alleen omdat er nu in de Tweede Kamer een meerderheid over rechts is, terwijl er in de Eerste Kamer geen rechtse meerderheid is: verschil in samenstelling is cruciaal voor een werkend bicameraal stelsel. Daarnaast beperken de rechten en de middelen van de Eerste Kamer het vermogen van de Eerste Kamer om een stempel te drukken op de politiek. Het gebrek van een recht van amendement, amateur-politici die nauwelijks ondersteuning hebben. Daarvan kan je niet verwachten dat ze een stempel kunnen drukken op de politiek. Als de twee kamers allebei bestaan uit professionele politici met vergelijkbare rechten.

Het mooiste bicamerale stelsel in de wereld is het Amerikaanse: een Huis van Vertegenwoordigers waar staten naar grootte in vertegenwoordigd zijn. De verkiezingen worden om de twee jaar voor het hele Huis gehouden. Het Huis heeft het recht van initiatief voor belastingen en begrotingen. Daarnaast is er een Senaat, waar alle staten twee zetels hebben. De verkiezingen worden om de twee jaar voor een-derde van de Senaat gehouden. De Senaat adviseert over benoemingen en internationale verdragen. De Senaat heeft meer politieke statuur, maar constitutioneel zijn de huizen aan elkaar gewaagd.

Een nieuw bicameraal stelsel moet twee lijnen van hervorming volgen: aan de ene kant kan je de rechten en middelen van de twee kamers gelijker maken. Je kan een soort anders-maar-gelijkwaardig takenpakket samenstellen. Ik vond het een heel interessant voorstel om de Eerste Kamer een parlementaire enquete te laten houden over privatisering. Al eerder ging het voorstel om de Eerste Kamer onderzoek te laten doen naar de oorlog in Irak. Haar grotere afstand tot de dagelijkse politiek en haar juridische specialisten maakt de Senaat uitermate geschikt om onderzoek te houden naar besluitvorming. Natuurlijk moet de Eerste Kamer het recht van initiatief en amendement krijgen. En moet ze meer gebruik maken van haar vragenrecht. De Senaat moet bestaan uit allemaal professionele politici met voldoende ondersteuning.

Aan de andere kant, moeten de twee huizen op een andere manier verkozen worden. Ik ben bijzonder gelukkig met het kiesstelsel voor de Tweede Kamer: iedere stem telt gelijk voor iedere zetel. Geen vervorming: een pure uiting van alle verschillende mening in onze bevolking. Voor de andere kamer zou je verschillende kant op kunnen gaan: een kiesstelsel dat personen in plaats van partijen, zoals het Ierse Single Transferable Vote. Een kiesstelsel met verschillende regionale districten. Dat spreekt kiezers op een andere manier aan, en zorgt vanwege de regionale vertegenwoordiging. Er zullen andere meerderheden te vinden zijn. Of een stelsel waarbij er zoals in de Senaat maar een deel van de kamer gekozen wordt: the Senate is the saucer on which the hot tea from the House cools. Om de twee jaar een derde van de Eerste Kamer. Omdat er dan maar 25 zetels verkozen worden is er dan een effectieve kiesdrempel van 4%.

Het allerbelangrijkste is dat de twee kamers andere manieren worden verkozen, het liefst ook op andere momenten: zo kan het nooit gebeuren dat een meerderheid van 76 zetels in een kamer beleid in dit land dicteert. Een kabinet dat meerderheden moet zoeken in beide kamers, brede consensus over de richting die het land op moet. Dat wil je bereiken met een twee kamerstelsel. Als je daar niets in ziet, moet je het niet doen.

Eigenlijk past een lijstenstelsel in een nationaal district goed bij de nieuwe Eerste Kamer. Dit staat partijen toe om zelf specialistisch of juridisch talent op te zoeken dat misschien niet (in een district) direct de bevolking aan zou spreken. Ook past een stelsel waarbij de Kamer niet in een keer van samenstelling wisselt, maar een deel van de kamerleden wisselt past goed, bij een tragere kamer, die niet bezeten wordt door de waan van de dag.

In de Tweede Kamer mag de waan van de dag mag heersen. Een districtenstelsel dat personen verkiest, past daar goed bij. Dat past prima bij de mediacratie, waarbij het gaat om personen met ideeen, niet om partijen met ideologieen. Daarnaast zou in mijn ogen de Tweede Kamer een belangrijke rol spelen bij kabinetsformaties. Een districtenstelsel dat partijen dwingt om samen te werken en hun voorkeuren uit te spreken past daar goed bij.

Ik ben er nog niet uit, maar ik denk dat als je een Twee Kamer stelsel wilt houden, je moet na denken aan een manier om verschillende kamers te krijgen, met een verschillende samenstelling en verschillende functies.

GroenLinks en de grote wereld

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Joost Lagendijk keek naar de ontwikkeling van de visie van GroenLinks op een aantal internationale onderwerpen, vooral vrede en veiligheid en Europese integratie.

Lagendijk was internationaal secretaris en vice-partijvoorzitter van GroenLinks tussen 1989 en 1994. Ook als lid van het Europees Parlement (tussen 1998 en 2009) hield hij zich bezig met buitenlands beleid. Lagendijk's centrale stelling was dat internationale gebeurtenissen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de standpunten van GroenLinks.

 ‘Vraagstukken van oorlog en vrede hebben voortdurend tot discussie binnen de partij geleid. Nieuwe conflicten stelden GroenLinks voor nieuwe dilemma's. Bij het voorbereiden van deze lezing werd ik er weer op gewezen hoeveel oorlogen er in de laatste twee decennia zijn geweest’, aldus Lagendijk.

‘De Koude Oorlog was een jaar voorbij toen GroenLinks werd opgericht. Dit conflict had een dominante invloed op het denken binnen GroenLinks: de NAVO en het Warschaupact (de alliantie van communistische staten – SO) hadden allebei een defensiestrategie gebaseerd op kernwapens.’ De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie konden allebei niet direct ingrijpen in conflicten binnen de invloedssfeer van de ander, omdat dit een kernoorlog zou uitlokken: 'Toen in 1968 de Tsjechen en Slowaken in opstand kwamen, wilden we hen steunen maar dat was ondenkbaar.' In feite was er sprake van een bevroren wereld. De voorlopers van GroenLinks verzetten zich tegen het blokdenken en het militaire karakter daarvan: ‘Het was niet onze NAVO, we wilden die kernwapens niet en we konden niet ingrijpen.’ De grote antikernwapendemonstraties in de jaren ’80 waren een duidelijke illustratie van deze afkeer.

 'In 1990 ontdooide de wereld. Dat zou grote invloed hebben op het denken binnen GroenLinks.' Tijdens de Golfoorlog (1990-1991 – SO), waarin een brede internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten en met mandaat van de Verenigde Naties de Iraakse bezetting van Koeweit ongedaan maakte, was daar nog weinig van te merken: 'GroenLinks was fel gekant tegen die oorlog. GroenLinks had weinig sympathie voor de Amerikaanse president George Bush en wees de oorlog af met het argument dat er enkel werd ingegrepen vanwege de oliebelangen. Ik ben was zelf voorzitter van het anti-Golfoorlogcomité.

De omslag kwam snel daarna, toen het optreden van Saddam Hoessein problemen opleverde voor de Koerden in Noord-Irak. In het voorjaar van 1992 stelde het Westen (de Verenige Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – SO) een no-fly zone in. GroenLinks steunde om humanitaire redenen die militair afgedwongen no-fly zone. De Koerdische oppositie vroeg om onze hulp.'

 Een ander conflict dat leidde tot fundamentele veranderingen in de visie van GroenLinks op vrede en veiligheid, was de oorlog in Joegoslavië die in juni 1991 ontstond na de afscheiding van Slovenië en Kroatië. Eind 1991 viel Servië Kroatië binnen: ‘De stad Vukovar werd met de grond gelijk gemaakt. Europa keek er machteloos naar. Ook GroenLinks wist niet wat ze moest doen. Er werd niet ingegrepen.’ Dit alles speelde zich af in de tijd dat het eerste programma van uitgangspunten van GroenLinks werd opgesteld. 'De vredes- en veiligheidsparagaaf was redelijk onschuldig: een humanitaire vredespolitiek en pan-Europese niet-militaire veiligheidsorganisaties.' Na heftige discussies hierover op het congres van december 1991, volgde uitstel, en in oktober 1992 werd een zeer uitgebreide veiligheidsparagraaf aangenomen. Lagendijk: ‘Het is een compromistekst, maar tegelijk een doorbraak in het denken over het gebruik van militaire middelen: GroenLinks kan instemmen met militaire operaties onder VN-vlag die ten doel hebben vrede te handhaven (peacekeeping - SO). Militaire operaties die ten doel hebben vrede op te leggen (peace enforcing – SO) zijn echter alleen aanvaardbaar op zeer zwaarwegende humanitaire gronden, met name het voorkomen van genocide.’

'Nog steeds mocht dit niet worden uitgevoerd door de NAVO, terwijl dit de enige organisatie was die dat kon doen. Dat was een echo uit het Koude Oorlogsverleden. Wat wel erg opvallend is, is de vernieuwde visie op de rol van het Nederlandse leger: een klein professioneel leger moest ter beschikking staan van een multinationale vredesmacht om op te treden ter handhaving en eventueel herstel van de internationale rechtsorde. Het was wel een ongemakkelijk opschuiven. Er was heel wat verzet in de partij tegen het idee om soms militair in te grijpen. Deze standpunten werden aangenomen met zeer geringe meerderheden.'

 De oorlog in Joegoslavië was nog lang niet voorbij. Lagendijk: ‘Tussen 1992 en 1995 woedde er in Bosnië-Herzegovina een burgeroorlog: Serviërs zuiverden gebieden van Bosnische Moslims en Kroaten, en als zij de kans kregen deden de Kroaten en Moslims dat even hard terug. Op televisie verschenen beelden die deden denken aan de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog: vermagerde mensen die tegen prikkeldraad aan stonden. Er moest wat gebeuren maar de Europese Unie was verdeeld. De oorlog ging door. In 1995 hebben de Verenigde Staten uiteindelijk ingegrepen. Het algemene gevoel was: dit nooit meer, op de deurmat van Europa mogen mensen elkaar niet afmaken.' In de zomer van 1995 werd dit gevoel nog versterkt door de val van Srebrenica: 'een klein aantal Nederlandse troepen zouden de Bosnische Moslims in de enclave Srebrenica beschermen tegen de Bosnische Serviërs. Achtduizend mannen en jongens werden koelbloedig vermoord door de Bosnische Serviërs.'

Tegelijkertijd breekt er tot verrassing van het Westen een buitengewoon bloedige burgeroorlog uit in Rwanda: daarbij vallen achthonderdduizend slachtoffers. De VN was aanwezig maar trok zich terug: iedereen stond te kijken terwijl honderdduizenden mensen omkwamen.

 Dit alles is van invloed geweest op het standpunt van GroenLinks: ‘En dan begint in 1999 hetzelfde in Kosovo als in Bosnië had plaatsgevonden: door moordpartijen werden de Kosovaren door de Serven de grens over gejaagd. De VN was verlamd en kwam niet tot een uitspraak. Het geweten van de NAVO begint op te spelen: de NAVO accepteerde niet dat er zoveel doden vielen. Ze gaat zonder VN-mandaat over tot luchtaanvallen op militaire en civiele doelen. Dit leidde tot een buitengewoon heftig debat in GroenLinks, waarbij de ene helft zei 'dit nooit meer' en de andere helft 'er is geen VN-mandaat, ik ben geen fan van de NAVO, en het maakt zoveel meer kapot.' Na veel interne debatten koos GroenLinks ervoor om het ingrijpen te steunen. Het is interessant om te zien dat een vergelijkbare discussie zich bij de Duitse Grünen afspeelde, alleen nog heftiger: Joschka Fischer (leider van de Duitse Grünen – SO) nam als minister de verantwoordelijkeid en hij werd op een partijcongres door een partijgenoot met verf bekogeld.'

 Eenzelfde opstelling van GroenLinks zien we na de Amerikaanse inval in Afghanistan, als reactie op de aanslagen op de Twin Towers van 11 september 2001. Lagendijk: ‘De Taliban vormde een terreurbewind en Afghanistan was een vrijplaats voor Al-Qaida.' De Verenigde Staten steunden met luchtaanvallen de Noordelijke Alliantie, de gewapende tegenstanders van de Taliban. 'GroenLinks steunde de Amerikaanse aanval aanvankelijk, maar al gauw ontstond er een debat in de partij. De eerste burgerslachtoffers vielen en een deel van de coalitie was niet echt zachtzinnig. GroenLinks weet het dan even niet meer, wordt verscheurd tussen de aanvankelijke steun voor de interventie om de Taliban weg te krijgen en de collateral damage, de burgerslachtoffers. En op dezelfde dag dat Kaboel werd bevrijd, trok GroenLinks haar steun in. Dat was niet het meest handige moment.’

 In 2008 heeft het congres een nieuw beginselprogramma aangenomen. Lagendijk: ‘Voor militaire interventies staan hierin dezelfde voorwaarden als in het eerste programma van uitgangspunten: als er genocide plaatsvindt en alle niet-militaire middelen zijn uitgeput. Het geeft aan dat GroenLinks heeft leren accepteren dat militaire interventie soms nodig is. In feite vind je in het denken van GroenLinks de filosofie van de Verenigde Naties: de zogenoemde responsibility to protect. Er zijn situaties denkbaar waarin de overheid de veiligheid van haar eigen burgers niet meer beschermd. De Verenigde Naties hebben dan de verantwoordelijkheid om burgers te beschermen. Je mag niet aan de kant blijven staan als er verschrikkelijke dingen gebeuren. Ik zie dit als een positieve ontwikkeling.’

 In de laatste twintig jaar is GroenLinks ook veel positiever geworden over de Europese Unie, die steeds meer werd gezien als middel om de eigen doelen te realiseren. Lagendijk: ‘De CPN, PSP en PPR waren nog buitengewoon kritisch over de Europese Gemeenschap. Het was in hun ogen een economisch samenwerkingsverband dat niet groen en niet democratisch was' Ze zagen het als een instrument van het kapitalisme en de multinationals. 'Bij de eerste directe verkiezingen van het Europees Parlement in 1979 overwoog de PSP zelfs een boycot: ze vonden het een fake-parlement.'

In 1984 bundelden de drie partijen hun krachten om de kiesdrempel voor het Europees Parlement te halen. Het Groen Progressief Akkoord (de gezamenlijke lijst waarmee PPR, PSP en CPN aan de verkiezingen deelnamen – SO) behaalde twee zetels. De groep nam deel aan de Regenboogfractie, met daarin allerlei radicale vogels zoals de Duitse en Franse Groenen en een aantal regionale partijen.'

 'Tegen heug en meug accepteerden we Europa. Het moest groener en socialer. In 1992 is er het Verdrag van Maastricht: het breidt de bevoegdheden van het Europees Parlement uit en geeft de Unie meer bevoegdheden op milieu. GroenLinks stemt tegen: we vergeleken het verdrag met ons ideaalbeeld. In 1997 stemt GroenLinks om dezelfde redenen tegen het verdrag van Amsterdam: het maakt Europa democratischer en groener, maar het staat ver af van ons ideaal. En dan komt in 2001 het Verdrag van Nice. Van de drie verdragen het slechtste verdrag, maar het is nodig om de tien Centraal-Europese landen toe te laten treden tot de Europese Unie. GroenLink stemt vóór'. Geleidelijk is GroenLinks positiever over de Unie gaan denken, omdat deze steeds meer ging doen op milieugebied en ook de macht van het Europees Parlement werd uitgebreid. Lagendijk: ‘In Europa kun je een veel groener beleid krijgen dan op het nationale niveau.’

Die ontwikkeling leidde er toe dat GroenLinks in 2005 één van de voorstanders van de Europese Grondwet was. 'De referendumcampagne over de Europese Grondwet was voor mij de meest frustrerende ervaring met Europa. In één van debatten stond aan de ene kant Plasterk, als uitgesproken tegenstander samen met Harry van Bommel, dé gangmaker van nee-kamp, en ik aan de andere kant met Henk Kamp. Ik vond het buitengewoon ongemakkelijk. De Grondwet werd weg gestemd, terwijl de argumenten tegen buitengewoon zwak waren.’

Het pro-Europese standpunt van GroenLinks wordt verwoord in het nieuwe programma van uitgangspunten. Lagendijk: ‘Het programma uit 2008 is een stuk positiever over Europese Unie. Europa is een noodzakelijke bestuurslaag: klimaat, milieu en handel moet je op Europees niveau regelen. GroenLinks ziet ook op het gebied van vrede en veiligheid een rol voor de Europese Unie. Dat heeft er mee te maken dat de Unie zelf veranderd is, van een economisch verband zonder controle, naar een verband waarin mensenrechten en milieu een belangrijke rol spelen. Daarnaast zien we steun voor Europa als een tegengif tegen het nationalistische geluid van ‘terug achter de dijken' dat na Fortuyn en Wilders dominant is geworden.'

Dit artikel verscheen eerder op de site van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Vrijheid van Godsdienst of Recht op Vlees?

En plotseling is het er dan: een meerderheid voor een verbod op onverdoofd slachten. De draai van de VVD, en alhoewel de partij daar nog niet helemaal over eens is, de PvdA, heeft de Joodse en mindere mate de Islamitische gemeenschap erg verbaasd. Op het laatste moment roepen ze nu op om het verbod tegen te houden.

Laat ik eerlijk zijn: ik geloof niet dat onverdoofd slachten een halszaak voor dierenliefhebbers zou moeten zijn. Of je een koe nou ombrengt door een kogel door zijn brein (dat is namelijk de verdoving) of het doorsnijden van een slagader, wordt het dier so wie so geslacht om onze vleesverslaving te voeden. En is het niet een veel belangrijker hoe het dier daarvoor geleefd heeft? Onverdoofd slachten, dreigt, net als mega-stallen uit te groeien tot een kroonjuweel van de dierenwelzijnsbeweging.  Ze houden daarmee af van de belangrijke vragen rond vleesconsumptie en de bio-industrie.

Maar dat is niet het argument dat de Rabbijnen aandragen: zij beroepen zich op godsdienstvrijheid. Maar kan je je op godsdienstvrijheid beroepen om uitzonderingen te bedingen op wetgeving?

In de eerste plaats betekent godsdienstvrijheid dat mensen vrij zijn om te geloven wat ze willen en hun geloof te belijden. De overheid mag mensen niet belemmeren om het enkele feit dat ze bepaalde religieuze opvattingen hebben, en handelingen mogen niet verboden worden omdat ze een bepaalde religieuze betekenis hebben. Zoals Locke stelt in zijn Letter Concerning Toleration: als het toegestaan is om in thuis met mensen brood te eten en wijn te drinken, dan moet je ook een eucharistie-viering toe staan, waarbij Christenen brood eten en wijn drinken en geloven dat dat het lichaam en bloed van Christus is, niet verbieden Maar Locke gaat een stap verder: als het legaal is om thuis een kalf te slachten, dan kan je een offer ook niet verbieden. Maar het is niet legaal om thuis een kalf te slachten, onder andere vanwege dierenwelzijn. De Nederlandse Grondwet heeft hier een mooie formulering voor: "Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet." Godsdienstvrijheid is in de eerste plaats bedoelt om te voorkomen dat de overheid mensen op basis van hun religie vervolgt. Dat is de kern van het liberale begrip van de vrijheid van godsdienst.

Nu wordt godsdienstvrijheid aangehaald om de vrijheid van religieuze groepen uit te breiden en hen uitzonderingen te geven op wetgeving. Het perverteren van Grondwettelijke bepalingen is niets nieuws: neem de bepaling "De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk." In het verleden betekende deze precieze zin dat de Koning mocht doen wat hij wilde en daar geen verantwoording over hoefde af te leggen. Sinds het einde van de negentiende eeuw betekent dit juist dat de overheid niets macht omdat hij geen verantwoording hoeft af te leggen.

Naar welke notie van Godsdienstvrijheid moeten we kijken om het beroep van de Rabbijnen te rechtvaardigen? In de multiculturele traditie is veel kritiek geleverd op het liberale idee van godsdienstvrijheid. De kritiek is op twee gronden geformuleerd: ten eerste dat in een liberale samenleving waar de overheid niet ingrijpt op culturele onderwerpen, kleine culturele gemeenschappen onder druk staan: culturele gemeenschappen zijn heel waardevol voor individuen om zich vrij te ontplooien. Maar als de overheid niet optreedt dan verdwijnen ze onder druk van economische krachten. Mensen stoppen met het spreken van hun spreektaal, omdat het handiger is op de arbeidsmarkt om de dominante taal te spreken. Om die culturele gemeenschappen te beschermen moet de overheid bijzondere zorg dragen, bijvoorbeeld door zo'n streektaal verplicht te onderwijzen. Het tweede is dat bepaalde regels onbewust bepaalde normen in zich dragen: dat winkels op zondag dicht zijn bijvoorbeeld, dat heeft voor weinig mensen meer religieuze betekenis, maar het beperkt een islamitische bakker wel, omdat hij juist op zaterdag dicht zou willen. Kortom: niet ingrijpen kan onbedoeld religieuze gemeenschappen bedreigingen en regels kunnen onbedoeld religieuze gemeenschappen beperken.

Is daar hier sprake van? Bestaan deze uitzonderingen om Joodse en Islamistische gemeenschappen te beschermen tegen mainstreaming of blijkt uit ons verbod op onverdoofd slachten een bepaalde religieuze opvatting? Dwing je mensen om niet-Joods of niet-Islamitisch te handelen om zichzelf te handhaven in onze Nederland? De voorbeelden die betrekking hebben op de arbeidsmarkt werken het beste: als je het religieuze mensen onmogelijk maakt om deel te nemen aan de arbeidsmarkt, dan dwing je ze eigenlijk om tegen hun religie in te handelen willen ze overleven. Dat lijkt me hier niet het geval. Mensen hoeven geen vlees te eten, dat is niet noodzakelijk om te overleven. Je kan je dus nog steeds kosjer eten als je als vegetarisch eet. De fundamentele vraag is dus niet of godsdienstvrijheid of dierenwelzijn belangrijker is, maar of er een fundamenteel recht is om vlees te eten. En dat lijkt me niet het geval.

Progressieve Politiek en Vrijzinnige Religie

Er wordt wel eens gesteld dat je de geschiedenis van het Nederlandse partijenstelsel niet kan begrijpen zonder te kijken naar de ontwikkeling van de Nederlandse kerken. En dat is heel terecht: Christelijke partijen hebben hun wortels in kerken en hebben hun bestaan deels te danken aan kerksplitsingen. Maar er is een onbelichte kant: de geschiedenis van het vrijzinnige Christendom, en haar invloed op progressieve politiek.

Zoals we allemaal weten is het CDA is ontstaan uit de ARP, de CHU en de KVP. De KVP was de partij van Katholieken die zochten naar politieke macht nadat ze jaren in de politieke marge waren gezet. De ARP was opgericht na een splitsing in de Nederlands Hervormde Kerk, de grote protestantse kerk. De CHU werd opgericht met name door de overgebleven leden van de Nederlands Hervormde Kerk die daarnaast weinig zagen in de samenwerking tussen de ARP en de Katholieken. De ChristenUnie is een fusie van de GPV en de RPF. De GPV was een gevolg van een kerkscheuring in de ARP-gelieerde Gereformeerde Kerk en de RPF was opgericht door ARP'ers die liever bij de GPV zaten maar dat om kerkelijke redenen niet mochten. Het CDA had nooit kunnen vormen als de progressieven in de Katholieken en Protestantse kerken niet de hokjes- en schotjesgeest daar hadden doorbroken en de CU had nooit kunnen vormen als de aan de GPV-gelieerde Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk niet moderner was geworden.

Maar daarnaast is er in Nederland altijd een traditie geweest van vrijzinnig Christendom, van progressieve kerken. De twee belangrijkste zijn de Doopsgezinde en de Remonstrantse Kerk. De Doopsgezinde Kerk is de oudste van de twee. Deze kerk gaat terug naar het begin van de reformatie, en is ouder dan de Nederlandse Hervormde Kerk. De Doopsgezinden geloven in de kern dat mensen zelf vrijwillig en volwassen tot God moeten komen en zijn daarom voorstander van volwassenen doop. Dit koppelde ze -na het terreurbewind van de wederdoper Jan van Leiden in Munster- aan pacifisme. De doopsgezinden werden lange tijd, net als Katholieken en Joden gedoogd. Het is altijd een kleine geloofsstroming geweest: er zijn op dit moment ongeveer 8000 Doopsgezinden.

De Remonstranten waren een stroming binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Na een groot religieus conflict splitsten de Remonstranten zich af. De Remonstranten waren de toleranten stroming binnen de Hervormde Kerk, de Gomaristen, de dominante stroming in de Kerk waren orthodoxer. Remonstranten geloofden dat mensen zelf de Bijbel moesten lezen en dat mensen door goed te handelen in de hemel zouden komen. Dit in tegenstelling tot Gomaristen die geloofden dat alles van te voren al vast lag. Dit conflict vond plaats tijdens de het Twaalfjarig Bestand (onderdeel van de 80-jarige oorlog) en versterkte het conflicten in de republiek op dat moment. De Remonstranten worden vervolgd en werden een kleine geloofsgemeenschap. Er zijn op dit moment ongeveer 6000 Remonstranten.

Over het algemeen zou je kunnen zeggen dat Doopsgezinden en Remonstranten er progressieve ideeen op na hielden: Doopsgezinden leggen de nadruk op vrije keuze en op pacifisme; Remonstranten op tolerantie en naastenliefde. Daar hoeft in de politieke praktijk overigens weinig van te zien: zo was Nixon Quacker, ook een progressieve, vrijzinnige en pacifistische geloofsstroming. Nixon was fel anti-communistisch, paranoide en verhevigde de oorlog in Vietnam. Overigens be-eindigde hij dit conflict wel, dat was gestart onder door progressieven zo bejubelde Kennedy,  verbeterde hij de relatie tussen de VS en China, onderhandelde hij detente met de Russen en voerde hij progressieve politiek op het gebied van milieu. Misschien juist wel omdat hij Quacker is heb ik een positiever beeld van Nixon, "the last liberal president", dan andere mensen op links.

Terug naar Nederland: de vrijzinnige kerken waren samen met vrijzinnige gelederen binnen de Nederlands Hervormde kerk verbonden geweest aan liberale politiek. Dit zorgde ervoor dat alhoewel wel er weinig Remonstranten en Doopsgezinden waren onder de totale bevolking zij goed waren vertegenwoordigd onder de liberale elite die Nederland in de 19e eeuw bestuurde. Daarbij moet ik nog twee opmerkingen maken: naast de Katholieken, Hervormden, Doopsgezinden en Remonstranten, waren er in Nederland nog een aantal andere gezindten: de Evangelisch-Lutherse stromingen (Luthers zoals de staatskerk in Duitsland en Scandinavie), Waals-Hervormd (een strenge uit Frankrijk afkomstige Calvinistische stroming die haar wortels heeft in de Hugenoten) en de Gereformeerde Kerk (een strenge home-grown stroming met sterke band met de ARP).

PremiersPre
Eind 19e eeuw bestond de Nederlandse bevolking voor de helft uit Nederlands Hervormden, een-derde was Katholiek. Daarnaast was 8% van de bevolking als Gereformeerden uit de Hervormde kerk gestapt. Luthersen, Waals-Hervormden, Doopsgezinden, en Remonstranten waren allemaal kleiner dan 2% van de bevolking.

En toch als je kijkt naar de premiers, de leiders van kabinetten ligt de balans daar heel anders. We kijken hier naar premier-jaren, in de periode 1848-1918: maar 40% van de premiers waren Hervormd. Geen van de premiers was nog Katholiek (maar die werden toen in politiek opzicht niet vertrouwd iets met dubbele loyaliteiten). 13% van de tijd had Nederland een Lutherse premier gehad (Thorbecke), bijna 20% van de tijd een Remonstrantse, 10% van de tijd een Waals-Hervormde (vaak conservatieven), heel kort een doopsgezinde (De Vries Az.) en daarnaast had Nederland toen al 13% van de tijd een Gereformeerde premier gehad, wat toen een relatief jonge geloofsbeweging was geweest. Met name Remonstranten hadden dus in die tijd veel meer politieke macht dan je op basis van hun beperkte aandeel in de bevolking (minder 1%) zou verwachten. Dat had met name te maken met het succes van de liberalen, waarmee ze politiek verbonden waren.

PremiersPost
 
Na 1918, als er algemeen kiesrecht is en Katholieken politiek zijn geintegreerd in de regerende coalitie is het over voor de Remonstranten, nog heel kort is er een Remonstrantse premier (Schermerhorn). In 1960 zijn Katholieken de dominante religieuze groep en dit wordt ook politiek vertaald omdat ze het langst de premier leveren. Daarop volgen Gereformeerden: slechts 9% van de bevolking en toch 29% van de tijd de premier. Niet-religieuzen en Hervormden zijn sterk ondervertegenwoordigd: slechts 28% van de bevolking en 16% van de premiers en 18% van de bevolking en 9% van de premiers. Dit heeft er alles mee te maken dat de Gereformeerden en Katholieken een succesvolle politieke alliantie zijn aangegaan die eerste "de coalitie" genoemd wordt en sinds 1977 het CDA.

MinistersPre

Dat betekent overigens niet dat deze progressieve geloofstromen helemaal uit de politiek zijn gedreven. Nog steeds zijn er bijvoorbeeld bewindslieden met een Doopsgezinde or Remonstrantse achtergrond: 12 Remonstranten en 9 Doopsgezinden. Een aangezien er nu veel minder Remonstranten of Doopsgezinden zijn (beide minder dan 1% van de bevolking) zijn deze groepen dus oververtegenwoordigd. Er vallen drie dingen op: nog steeds is progressief-Christelijke politiek verbonden aan liberale politiek: er zijn Remonstrantse en Doopsgezinde bewindslieden van VVD, Liberale Unie en D66-huize, dat zijn met name mensen die na de 1918 geboren zijn en dus minister waren sinds de jaren '60 en '70. Maar er zijn ook veel Remonstrantse PvdA-bewindslieden: dat is met name zo vlak na de Tweede Wereldoorlog, als de PvdA alle linkse krachten probeert te verenigen. Daarnaast zijn er twee CHU bewindslieden (een Doopsgezind, en een Remonstrant). De CHU was niet een religieus Nederlands-Hervormd blok maar was een partij van onafhankelijk denkende, behoudende notabelen met een Christelijke achtergrond. Er is nu een Remonstrantse minister, de houwdegen Ivo Opstelten.

Niet in de figuur opgenomen zijn de kamerleden met een Remonstrantse en Doopsgezinde achtergrond, gewoon omdat er erg veel kamerleden zijn geweest en het lastig is om een overzicht te krijgen. Maar toch: GroenLinks heeft twee Remonstrantse kamerleden gehad (Hermann, Minderman), de PSP twee doopsgezinde (Boetes en Van der Lek), een SP-kamerlid was Doopsgezind (Van Velzen) en een D66-kamerlid (Van der Ham, nu een vrijzinnige atheist) komt uit een Remonstrants gezin, dat misschien nog wel te zien is in zijn sympathie voor Spinoza.

MinistersPost

Ook voor 1918 waren er Doopsgezinde en Remonstrante ministers: 22. 15 daarvan zitten bij de liberale familie. Maar zeven niet: daaronder zitten CHU'ers, conservatieven, ARP'ers en partijlozen. Deze progressieve geloofsstromingen waren dus niet exclusief verbonden aan liberale politieke partijen. Sterker nog: een van de onafhankelijke ministers was Dijxhoorn, een doopsgezinde beroepsmilitair die tijdens de Tweede Wereldoorlog minister van Defensie was, niet helemaal wat je verwacht van een pacifistische geloofsstroming.

De onafhankelijkheid, de tolerantie en de vrijzinnigheid van deze kleine kerken betekent dat ze in de eerste plaats dat ze verbonden waren aan progressieve politiek. Zeker in de 19e eeuw zijn Remonstranten oververtegenwoordigd in de politieke zin, vanwege hun verbinding met liberale politiek. In die 19e eeuw waren de liberalen verbonden met vrijzinnige traditie in de Nederlands Hervormde Kerk en kleinere vrijzinnige groeperingen, conservatieven waren verbonden met de behoudende traditie in de Nederlands Hervormde Kerk en kleinere streng-Gereformeerde stromingen. Maar dat betekende ook dat mensen zelf bleven na denken, niet klakkeloos hun eigen religieuze traditie volgen en daarom konden ze als weldenkende conservatief eindigen.

Minimumloon en Basisinkomen

Ik was vorige week in de Verenigde Staten op een van de grote politicologenconferenties in Chicago. Ik was samen met een sociaal-democratische collega. In een restaurant wees hij ons er fijntjes op dat we een redelijke fooi moesten geven, omdat de lonen in de Verenigde Staten er niet op waren ingesteld dat mensen er van konden leven. Ik moest daarbij terug denken aan een uitspraak van Kees Vendrik bij de GroenLinks academie. Dat wij als GroenLinks ons moesten orienteren op Amerikaans arbeidsmarktbeleid. Terwijl ik een paar dollar neer legde voor de serveerster, rees de vraag waarom. Wil je dat mensen van fooi moeten leven?

De centrale tegenstelling tussen de Amerikaanse en de Europese arbeidsmarkt is dat er in Europa veel zwaardere regulering is. Het voornaamste middel daarvan is het minimumloon. Het minimumloon verzekert dat iedereen die werkt daarvan kan leven. Working poor mogen niet bestaan: werkgevers moeten werknemers in hun onderhoud voorzien. In Amerika ligt het minimumloon veel lager: mensen moeten soms verschillende banen naast elkaar hebben om te kunnen overleven. Dat klinkt niet als een goed systeem: maar in Amerika is er veel meer werk met name voor mensen met een lage opleiding. Waar in Nederland veel diensten zijn overgenomen door ICT, zijn er in de VS nog hordes klaar-overs, bediend personeel en wegwijzende service-personeel. Omdat arbeid niet artificieel duur wordt gehouden, is er meer werkgelegenheid. Het Nederlandse stelsel houdt zo mensen van de arbeidsmarkt. Voor sommige diensten willen we gewoon niet het minimumloon betalen, en andere mensen zijn 'onrendabel' ze brengen het minimumloon niet op.

Ik denk hierbij aan mensen die we nu veroordelen tot de WIA of de WAJONG, omdat ze maar beperkt aan het werk kunnen. En aan de granieten bestanden van onbemiddelbare onrendabelen met bijstand. Maar denk ook aan jongeren die zonder een diploma zijn uitgevallen en geen werkervaring hebben: omdat het zo lastig is om toe te treden tot de arbeidsmarkt sluizen we deze mensen nu door gedwongen leer/werk trajecten. De notie is dat deze mensen moeten worden aangepast aan de arbeidsmarkt, in plaats van dat we de arbeidsmarkt zo maken dat deze mensen er hun plek kunnen vinden. Als arbeidskosten lager liggen, dan hoeft niet iedere werknemer perfect te zijn.

Wat begon als een sociale maatregel, een leefbaar inkomen voor alle werkers, is een middel van uitsluiting en achterstelling geworden. Rechts kijkt steeds meer naar de verzorgingsstaat als een verzameling luie mensen. Met lagere uitkeringen moeten ze gestimuleerd worden om aan het werk te gaan. Maar ik denk dat het tegenover gestelde waar is: de hoogte van het minimumloon stimuleert bedrijven niet om mensen aan te nemen.

Overigens valt er heel wat aan te merken aan de Amerikaanse arbeidsmarkt, omdat deze veel conjunctuur gevoeliger is (want een kleinere overheid), is er nu een hogere werkgelegenheid dan in Nederland. De crisis slaat hier zwaarder in omdat er geen mechanisme van stabilisering zijn. Dat kunnen wij in Europa dan weer beter.

Is er een middenweg tussen het Amerikaanse stelsel van working poor en het Nederlandse stelsel van non-working poor? De radicale oplossing is volgens mij een heroverweging van de relatie tussen arbeid en inkomen. Zowel de Amerikanen als de Nederlanders willen dat mensen hun eigen inkomen verdienen. Als ze echter niet de productiviteit hebben om een leefbaar inkomen te produceren, dan worden ze in Nederland veroordeeld tot armoedige werkeloosheid en in Amerika tot werkende armoede. Vendrik stelde voor om mensen die werken hun belasting te laten aftrekken zo zeer dat ze negatieve inkomensbelasting terug krijgen.

Ik denk dat je in zo'n stelsel nog een stap verder kan: het minimumloon zou kunnen worden verlaagd als en alleen als de overheid verzekert dat iedereen die aan het werk gaat van een leefbaar inkomen is verzekerd. Mensen kunnen aan het werk voor een loon lager dan wat er nu wordt betaald en de overheid verzekert hen een leefbaar inkomen. Je moet, zoals de radicalen in de jaren '80 al voorstelde arbeid en inkomen ontkoppelen. Als mensen onrendabel dan zijn ze dat omdat de overheid van bedrijven verwacht dat ze mensen aannemen terwijl ze hun loon niet bij elkaar kunnen werken.

Je zou kunnen stellen dat het een grove belediging is om het minimumloon te verlagen, dat dat mensen dwingt om voor vernederende lonen aan het werk te gaan en voor de rest hun hand op te houden. Daar staat echter wel tegenover dat werk voor veel mensen een bron van zelfrespect is en dat grote groepen daar nu van worden uitgesloten. En veel van die mensen worden nu al "gedwongen" om hun hand op te houden en een uitkering aan te nemen. Waar een lager minimumloon met gedeeltelijk basisinkomen voor zorgt is dat mensen een leefbaar inkomen hebben (dat hoger kan liggen dan de bijstand) en werk, met alle kansen, sociale participatie en prachtige zelfverwezenlijking die dat biedt.

Je kan ook zeggen dat zo'n regeling de werkgevers ontslaat van hun verantwoordelijkheid om hun werknemers te voorzien in hun inkomen, en deze kosten overhevelt naar de samenleving. Daar moet ik twee opmerkingen bij maken: ten eerste dat een deel van de belastingen nu al wordt opgebracht door bedrijven. Dit zorgt ervoor dat de financiele verantwoordelijkheid voor inkomen eerlijker wordt gedeeld tussen bedrijven, omdat bedrijven die meer winst maken meer belasting betalen. Ten tweede dat de verantwoordelijkheid voor veel van deze mensen nu niet wordt genomen door bedrijven (omdat ze onrendabel zijn) en dat bedrijven zo deels weer hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Rechts stelt nu steeds vaker dat mensen met een uitkering luie schobbejakken zijn, maar overheid en bedrijfsleven zijn er samen voor verantwoordelijk dat veel mensen geen werk kunnen vinden, omdat ze niet passen in de economische rationaliteit van het bedrijfsleven. Dan moet de overheid niet grotere barriers opwerpen voor mensen die willen werken, maar creatief na denken.

Ik denk dat als je serieus gecommiteerd bent aan het eerlijk delen van arbeid en inkomen, je niet langer het een aan het ander moet koppelen. We moeten er samen voor zorgen dat iedereen die dat wil aan het werk kan, dat niemand wordt uitgesloten van de pleasures of work, zelf-respect, ontwikkelingsmogelijkheden, sociale contacten, en dat niemand in armoede hoeft te leven. Dan lijkt een minimumloon een mooi middel, maar het is een mechanisme van uitsluiting en achterstelling.