Femke Halsema douze point

Gister nam Femke Halsema afscheid als Leonardo hoogleraar in Tilburg. Ik had daar kaartjes voor gereserveerd omdat ik er een half jaar geleden vanuit ging dat Halsema daar zou aankondigen afstand te doen van haar fractievoorzitterschap. Ik ben toch maar gegaan en dat was mooi, want het verhaal van Halsema, nu alweer bijna een half jaar fractievoorzitter af, stond nu verder af van de dagelijkse politiek, waardoor haar verhaal meer diepgang en innovativiteit kreeg. Het betoog van Halsema is hier na te lezen. Halsema deed in haar betoog een interessant voorstel:

De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’.

Laat kiezers niet alleen hun eerste voorkeur duidelijk maken maar ook hun overige voorkeuren. Dat zou volgens Halsema samenwerking tussen partijen bevorderen. De vraag is hoe zo'n kiesstelsel eruit zou zien, wat dat voor'n gevolg heeft voor de interactie tussen politieke partijen en voor de uitslag.

Je kan denk ik op drie manieren kiezers de mogelijkheid geven hun tweede voorkeur uit te spreken: het Duitse kiesstelsel, het Bremens kiesstelsel en het Iers-Australische kiesstelsel.

Pers.Ver.Wahl.v4

In de Duitse stelsel hebben kiezers twee stemmen: een voor een kandidaat die hun district gaat vertegenwoordigen en een voor een lijst (op landelijk niveau). Alle partijen die in hun district de meeste stemmen hebben gekregen hebben een zetel in het parlement. Dan wordt dat per land bijgevuld uit de lijsten tot dat partijen ook een proportionele vertegenwoordiging hebben binnen het aantal zetels dat per land te verdelen is. Als een partij meer districten heeft gewonnen dan ze zetels heeft op basis van de lijst, dan krijgt ze deze zetels mee. Deze Ueberhangmandate kunnen belangrijk zijn voor de meerderheid in de Tweede Kamer. Dit bevordert samenwerking tussen partijen: links zal zoveel mogelijk districten willen winnen. Omdat de relatieve meerderheid telt in de districten zullen linkse partijen een kandidaat benoemen en rechtse partijen een. Partijen die zich willen onttrekken van de links/rechts tegenstelling (CU, SGP, PvdD) kunnen natuurlijk gewoon hun eigen kandidaten naar voren schuiven. Voor de lijsten die proportioneel verdeeld worden zullen partijen oproepen op zich zelf te stemmen. Dit kiesstelsel combineert proportionele vertegenwoordiging van partijen met vertegenwoordiging van personen uit districten. En daarom wordt het vaak gezien als het beste van twee werelden. Het grote nadeel is echter dan door de Ueberhangmandate het stelsel onduidelijk kan worden. Daarnaast partijen worden zo wel gedwongen om samen te werken, maar kiezers worden niet zo zeer gedwongen om hun tweede voorkeur uit te spreken maar om te zeggen welke partij hun eerste voorkeur heeft en welke grote partij daarnaast hun voorkeur heeft. Voor de lijst stem je bijvoorbeeld ChristenUnie en voor het district CDA.

Het tweede stelsel is het Iers-Australische Single Transferable Vote. In een district doen meerdere kandidaten mee voor meerdere plekken. Kiezers kunnen alle kandidaten in volgorde zetten. Ze kunnen hun tweede of hun derde voorkeur kenbaar maken. Kandidaten zijn gekozen als ze een bepaald aandeel van stemmen gewonnen hebben (een vijfde bij vier vertegenwoordigers). Als mensen gekozen zijn dan worden de stemmen die ze teveel hebben gewonnen herverdeeld onder de tweede voorkeuren van diens kiezers. Als niemand gekozen is, valt de kandidaat met de minste stemmen af en worden zijn stemmen herverdeeld onder de tweede voorkeuren van diens kiezers. Dit stelsel zorgt dus voor een redelijk proportionele uitslag (afhankelijk van de grootte van de districten) en van mensen met een lokale basis. Dit stelsel werkt echter samenwerking helemaal niet in de hand – sterker nog als je toestaat dat er per partij meerdere kandidaten mee doen (wel zo handig als je verwacht meerdere zetels te winnen) dan bevordert dit stelsel concurrentie binnen partijen. Ook leuk, maar niet wat Halsema voor ogen had.

HB-Wahlzettel_2011

Het derde stelsel kreeg ik recent onder ogen. Het Bremens kiesstelsel. Hierbij krijgen kiezers de mogelijkheid om vijf stemmen uit te brengen. Ze kunnen deze stemmen, zoals het in mooi Duits heet panaschieren en akkumulieren. Dat is ze kunnen vijf keer stemmen op een kandidaat van een partij, maar ook op meerdere kandidaten van verschillende partijen. Net als nu worden de zetels tussen partijen gewoon verdeeld proportioneel aan het aantal stemmen en binnen partijen spelen dan voorkeursstemmen een rol. Een interessant systeem omdat het kiezers die zeggen: "ik twijfel tussen CDA en VVD", of "ik vind het milieustandpunt van de PvdD goed, maar ben het op integratie met de PVV eens, daar uiting aan te geven." Twijfelaars en weifelaars kunnen hunnen stemmen panaschieren over verschillende partijen. En dat is een kiesstelsel dat goed past bij de hedendaagse Nederlandse kiezer. Deze zit namelijk niet vast aan een partij, maar voelt zich betrokken bij een blok  (links/rechts, christelijk/seculier, progressief/populistisch) en binnen dat blok kunnen personen, de macht of specifieke thema's de doorslag geven. Als je aan kiezers de mogelijkheid geeft doet dat recht aan hun diversere voorkeuren. Ik denk alleen niet dat het samenwerking in de hand werkt. Nog steeds proberen partijen hier zo veel mogelijk stemmen voor hun eigen partij te werven.

Ik schreef eerder dat groene politiek er voor deel van had als kiezers vaker zouden kunnen stemmen. Dan zouden kiezers de mogelijkehid kunnen hebben om uiting te geven aan het feit dat milieu voor hen niet misschien de doorslaggevende reden is om een partij te stemmen maar wel een reden is om een van hun vijf stemmen weg te geven. Kleinere partijen zullen duidelijk voordeel hebben van dit kiesstelsel, want mensen die nu op grote partij stemmen zullen misschien met een van hun vijf stemmen wel stemmen met hun hart. Het werkt politieke fragmentatie dus in de hand.

Welk kiesstelsel Halsema precies voor ogen had in haar lezing is onduidelijk: ze wou kiezers geloof ik niet twee stemmen geven, nog wou ze competitie tussen partijen bevorderen door met tweede voorkeuren te werken, ze wou kiezers de mogelijkheid geven, om net als in Duitsland te panaschieren, ook stemmen te geven aan hun tweede voorkeur. Ik geloof niet dat dit samenwerking bevordert, maar het helpt wel om de ambigue voorkeuren van kiezers te uiten. Vijf stemmen? Ik teken ervoor.

Beperk Koehandel in de Eerste Kamer

Mooi was het niet. Dat stemmen voor de Eerste Kamer. Om restzetels te verdelen stemden allerlei Provinciale Statenleden op andere partijen. Maar waarom is dit stelsel eigenlijk zo? En kan het anders?

Het huidige stelsel is pas vier jaar geleden ingesteld. Daarvoor was er sprake van een stelsel met lijstverbindingen. Omdat de lijsten en de lijstverbindingen na de Provinciale Statenverkiezingen ingeleverd moesten worden, leidde dit ook tot "koehandel" met als doel om de coalitie of de oppositie van een meerderheid af te houden. De rekenmeesters van de partijen maakte zulke lijstverbindingen dat partijen hier optimaal van zouden profiteren. Ideologische verwantschap telde daarbij minder. Bijvoorbeeld: de PvdA en GroenLinks kunnen sterk ideologisch verwant zijn, maar als het qua zetels beter is voor de PvdA om zelfstandig te gaan, dan zal ze het doen. Het stelsel leidt dus ook tot bonte combinaties: het OSF (een verbond van regionale partijen), de VVD en D66 hadden toen een lijstverbinding. Nu werkte het OSF samen met de 50+, de VVD met de PVV en CDA en D66 met de PvdA. Het huidige stelsel zonder lijstverbindingen had als doel om deze koehandel te ondermijnen. Maar de mogelijkheid van strategisch stemmen was door de wetgever onderschat.

Waarom is er sprake van koehandel? In essentie omdat er restzetels zijn. Sommige partijen halen 1.4 zetel andere 2.6. Die 0.4 en de o.6 zetel moeten zo eerlijk mogelijk gedeeld worden tussen de partijen. Omdat er een lange tijd zit tussen de verkiezing van de Provinciale Staten en de Eerste Kamer, worden de lijsten met lijstverbindingen pas ingediend na de verkiezingen. Daardoor konden er in het verleden allerlei deals gesloten worden met lijstverbindingen en nu kunnen er dus lijsten worden ingediend (Koornstra) die op het eerste gezicht geen zetel zouden kunnen winnen.

Met een hele simpele wijziging kan al deze koehandel worden geminimaliseerd en kan er helderheid voor de kiezer worden. Als de lijsten voor de Eerste Kamer pas ingediend moeten worden voor de Provinciale Statenverkiezingen (inclusief lijstverbindingen) dan wordt een deel van de koehandel tegen gegaan: partijen moeten hun voorkeuren voor wie er meer zetels krijgt uiten voor de verkiezingen. De coalitie moet dan uitspreken dat zij liever een meerderheid heeft, of de oppositie, of links, klein Christelijk of rechts. Net als bij de Tweede Kamerverkiezingen moeten kiezers weten welke partijen ze in de Eerste Kamer in helpen met hun stem. Ook zijn de lijsten (met lijsttrekkers) al bekend voor de verkiezingen – dan weten kiezers ook wie ze de Eerste Kamer in helpen.

Natuurlijk zal er dan nog de mogelijkheid bestaan dat Statenleden strategisch stemmen, maar als er minder 'partijen' zijn (in dit geval verbonden lijsten) dan zijn er ook minder restzetels te verdelen. Als er maar twee blokken zijn, zijn er geen restzetels. Dat vermindert het strategisch gedrag en de koehandel.

Beperk koehandel, vergroot transparantie en laat partijen hun voorkeuren uitspreken voor de verkiezingen.

Het Theater, De IJdeltuit en De Waarheid

Vrijdagavond was ik bij de voorstelling "Wat is het nu" een directe aanklacht van de actrice Lineke Rijxman tegen de kunstbezuinigingen van dit kabinet. Het stuk heeft lyrische recensies gekregen. In de solo-voorstelling laveerde Rijxman tussen haar eigen persoonlijke ontwikkeling, de discussie tussen volk en elite over het belang van kunst, en de vraag wat waarheid is. De persoonlijke manier waarop de vraag over het nut van kunst gesteld werd irriteert en ergert.

Waarom zouden we kunst eigenlijk subsidieren? Waarom moet iedereen mee betalen aan de dure hobby's van sommigen? De zaak wordt er niet beter op als theater gepresenteerd wordt als een obsessie van een podiumdier dat niets anders kan dan het toneel op gaan. Die vervolgens haar ergenis over het onbegrip van het volk en de politiek moet uithuilen bij een handvol designerbrildragende VPRO-kijkers met een NRC-abonnement in de kleine zaal van het theater. Hiermee wordt het probleem van kunstsubsidie alleen maar groter: waarom moet de gemeenschap betalen voor een therapeutische uithuilsessie van een actrice die zich zorgen maakt over haar eigen baan? Een ijdeltuit die niet kan zonder een publiek dat alleen maar komt als het niet te duur is.

Ik zie u denken kunst moet toch juist irriteren en ergeren. En bijdragen aan een discussie. Want kunst dat gaat altijd ergens over. En daar moet de gemeenschap aan bijdragen. Maar waarom hoeft de maatschappelijke bijdrage die opiniepagina's van kranten leveren niet die gesubsidieerd te worden? U zegt dat redt het ook wel zonder subsidie. Als je nu subsidie weghaalt bij de kunsten leidt dat een grote kaalslag. Die brand in duinen bij Bergen is er niets bij. Kunstsubsidie is net kunstmest, een mooie Rijxman-roos dat redt het niet op de vrije markt want het is niet makkelijk te begrijpen. Daarom is het een goed idee om meer in kunstonderwijs te investeren, zodat we niet nog een generatie a-culturele barbaren zoals Simon Otjes op de wereld brengen. Want God, God, God als het acteerwerk van Rijxman je denken niet verdiept, dan is je leven toch wel heel zinloos. Ik blijf twijfelen over het nut en de noodzaak van kunstsubsidies, daar heeft dit toneelstuk weinig aan gedaan.

Iemand die niet twijfelt over kunstsubsidies is Halbe Zijlstra. Dwars door dit gesubsidieerde cultuurlandschap rijdt Halbe Zijlstra 130 met een bulldozer. Geen grijntje twijfel bij hem: we moeten de broekriem aanhalen, en daarom moeten we niet meer betalen voor lege zalen. Er zit een flinke dosis smalend, rancuneus anti-intellectualisme in – overgewaaid uit Amerika op de vleugels van Martin Bosma maar het is moeilijk te weerleggen.

En wat doen de acteurs hier tegen? Overtuigen zou voor hen tweede natuur moeten zijn. Maar ze kunnen alleen maar klagen dat het zo lastig is om in een soundbite uit te leggen waarom kunst dan wel zo waardevol is. Als je wel een zaal kan overtuigen dat je vader dirigent was en dat je zelf geboren bent bij zijn eerste optreden, in de artiestenfoyer op de bontjas van je moeder, waarom kan je dan niet een zaal overtuigen dat kunst zo waardevol is dat je er niet op mag bezuinigen?

Het lijkt alsof kunst niet begrijpbaar mag zijn. De kunst bevindt zich in een complex spanningsveld: aan de ene kant bestaat kunst dankzij het pretentieuze, het onbegrijpelijke, het gecompliceerde, het meerlagige. Aan de andere kant is het die onbegrijpelijkheid die kunst politiek nu onhoudbaar maakt. Als de kunst zich begrijpelijk maakt, dan verliest ze haar distinctive character, als de kunst onbegrijpelijk blijft dan verliest ze haar subsidie.

Als dit u mateloos irriteert of ergert, als u dit een samenraapsel vindt van halve waarheden en grove leugens, als u onmiddelijk aan tegenaanval begint te typen, heb ik maar een antwoord: blijkbaar is dit dan ook kunst. Waar blijft mijn subsidie?

Superhelden en politieke filosofie

Net als in science fiction spelen in superheldenfictie interessante politieke thema's. Want in een wereld met Superhelden komen  herkenbare problemen op een absurde, overdreven manier terug. De centrale vraag die er in goede superheldenfictie gesteld wordt is hoe we als samenleving moeten omgaan met een minderheid die krachten heeft waardoor ze sterker/slimmer/sneller zijn dan normale mensen.

In de X-Men komen een aantal van deze klassieke problemen het helderst naar voren. Veel meer dan je zou verwachten van goedkope actiefilms, cartoons of comics spelen hier fascinerende sociale kwesties. In de X-Men staat een groep mutanten centraal, mensen die door mutatie superkrachten hebben gekregen. De X-Men worden gewantrouwd en vervolgd vanwege de krachten die ze hebben. Een analogie voor anti-semitisme en racisme. Anders dan jodendom of ras, wordt het pas duidelijk dat je een mutant bent tijdens je puberteit. In die zin is er een mooie parallel te trekken met homoseksualiteit: het is een element van jezelf dat je leert kennen als je volwassen wordt. In de reactie op de vervolging zijn er twee stromingen: Professor Xavier die als een Martin Luther King pleit voor vreedzaam samenleven tussen mensen en mutanten en Magneto die als een Malcolm X pleit voor een afscheiding van mutanten uit de menselijke samenleving. De vervolging van mensen niet om wat ze doen, maar om hoe ze geboren zijn, moet een snaar raken bij progressieven.

In de Marvel serie Civil War, wordt deze thematiek verder uitgewerkt. Hierin staat de vraag centraal hoe moet de overheid  om gaan met een minderheid die haar superkrachten wil gebruiken? Moet zij accepteren dat er mensen zijn die anoniem met superkrachten allerlei misdadigers aanpakken? Moeten deze zich bij de overheid registeren? Zich laten trainen? Bij een overheidsveiligheidsdienst gaan werken? Er breekt een strijd uit tussen Superhelden die vinden dat Supermensen als ze hun superkrachten willen gebruiken zich moeten registreren en zij die dat niet willen. Captain America, de meest Amerikaanse superheld, vindt dit een onacceptabele inbreuk op de privacy van Superhelden. Registratie van identiteit en gedwongen deelname aan overheidsprogramma: het gaat in tegen typisch burgerrechten. Met Europese ogen kijk ik wel verbaasd naar deze problematiek. Het is de Amerikaanse notie van right to bear arms, recht om je zelf te beschermen zonder hulp van de overheid, die hier een centrale rol speelt. Uit het idee van superhelden speelt een groot wantrouwen tegen de overheid. De overheid beschermt ons niet, dat moet Superman doen. Als je het principe dat mensen zichzelf mogen beschermen niet zo extreem trekt als in Amerika, dan wordt het toch wel duidelijk: we moeten niet onze eigen politie-agent willen spelen, dat doet de politie voor ons.

In de serie Watchmen komt het gevaar van eigenrichting het sterkst aan bod. In deze comic spelen drie superhelden een centrale rol: Doctor Manhattan, the Comedian en Ozymandias. De centrale vraag in deze serie is "Wie bewaakt de bewakers?" Ieder van de drie superhelden heeft een donkere kant. Doctor Manhattan is de enige met echt superkrachten. Hij kijkt naar mensen zoals wij naar mieren kijken. Hij heeft er geen enkele band mee. Hij kan zoveel menselijk leed voorkomen of veroorzaken maar het interesseert hem niks. The Comedian is een immorele man die door de overheid wordt gelegitimeerd om voor de goede zaak te verkrachten moorden en doden in Vietnam. Terug in Amerika kan hij weinig anders dan deze levensstijl door zetten. Zijn positie staat hem toe om immoreel te zijn. En dan is er nog Ozymandias, een typische "witte slechterik". Hij heeft een plan voor de toekomst van de wereld en dwingt dat op aan de wereld of zij dat nou willen of niet. Als mensen een superheldenstatus op eisen, krijgen ze macht, die zonder moraliteit of zonder tegenmacht uitermate gevaarlijk kan worden.

Hoe sla je de balans tussen de burgerrechten van een machtige minderheid en de burgerrechten van normale mensen? Je mag mensen nooit oppakken om de eigenschappen waarme ze geboren zijn. De anti-racistische boodschap van de X-Men is overtuigend. Een tweede vraag is of je zelf politieman mag gaan spelen, een right to bear arms hebt. Dat tweede onderschrijf ik niet. Ongecontroleerde macht is uitermate gevaarlijk.

CU slimste oppositiepartij

En toen werd ik woensdagmiddag gebeld door Sywert van Lienden of hij misschien gebruik zou kunnen maken van onze dataset met stemmingen. Hij was door Steven de Vries en Layla de Jong op onze data set gewezen. Hij vroeg zich af: wie is er kampioen-indiener van moties? En wie is er kampioen in het aangenomen krijgen van moties? Allemaal voor zijn bijdrage aan BNN-today.

Laat ik zelf dan ook eens blik wagen in de data – overigens specifiek samengesteld door Tom Louwerse: het indienen, aannemen en afwijzen van moties door kamerleden sinds het aanstellen van het minderheidskabinet.

Per Kamerleden

Het is leuk cijfer-materiaal: Arie Slob (CU) is de eerste indiener van de meeste moties (56) gevolgd door Esther Ouwehand (PvdD – 48) en Henk van Gerven (SP – 37). Kijken we naar aangenomen moties dan zien we weer Slob (27), gevolgd door CDA'er De Rouwe (16) en dan Ouwehand (PvdD, 15). Ouwehand is echter ook kampioen-indiener van kansloze moties (33 keer 150  A4-tjes zinloos rondgedeeld), gevolgd door Van Gerven (30) en Bashir en Slob (SP en CU, 29). Maar zulke cijfers zeggen maar zoveel. Onze Tweede Kamer is een partijenparlement. Om patronen te herkennen moeten we kijken naar politieke partijen.

Aangenomen

Welke partijen dienen veel moties in en wat gebeurt daarmee? De SP dient de meeste moties in: 206. Maar slecht 50 daarvan werden aangenomen. De PvdA diende 186 moties in. D66 en de CU ongeveer 130. GroenLinks net meer dan 100, het CDA net minder dan 100. De PVV 86, de PvdD 67, de SGP 38 en de VVD 31. De grootste regeringspartij dient dus het minste moties in. Dat is ook niet raar: de VVD domineert het kabinetsbeleid. Het is een uitgesproken rechts kabinet. Er is geen noodzaak voor de VVD om moties in te dienen, want wat de VVD wil gebeurt toch al. De SP en PvdA moeten uiting geven aan hun verzet, en het CDA en de PVV proberen via moties de coalitie bij te sturen.

Maar wat gebeurt er met die moties? Het CDA krijgt de meeste moties aangenomen (93), gevolgd door de CU en de PvdA (61), SP (50), D66 (48), de PVV (42), CDA (35), GL (24), PvdD (22) en SGP (19). Waarom is het CDA zoveel meer succesvol dan de VVD? De reden is dat het CDA de partij is die de mediane partij is in het parlement: het zijn de stemmen van het CDA die het vaakst het verschil maken tussen een linkse of rechtse meerderheid. Dat zorgt ervoor dat zij er het grootste voordeel van heeft om alternatieven te bieden voor kabinetsbeleid. Er zijn interessante patronen in welke partijen meer of minder moties aangenomen krijgen. Dit is het helderst te zien in het figuur hier onder.

Success

De coalitie krijgt aanzienlijk meer voor elkaar dan welke andere partij. Zij zitten boven de 90% aangenomen moties. De partijen die een gedoogrelatie hebben met het kabinet (PVV en SGP) scoren aardig: rond de 50%. Ook de CU krijgt ongeveer zoveel moties aangenomen. Er is een interessante links/rechts dynamiek waarneembaar: hoe verder van het CDA hoe minder moties aangenomen. Aan de linkerflank doen D66, PvdA en GL het steeds een stapje slechter. Tot we uitkomen bij de PvdD en de SP. Zij doen het met 33% en 24% een beetje beter dan je op basis van hun afstand met het CDA zou verwachten. De verwantschap tussen de PVV en de SP kan een rol spelen in het verklaren van deze beperkte anomalie.

Untitled Image 5
 

Nu kijken we naar fracties, maar sommige partijen hebben meer capaciteit omdat ze groter zijn. Wat gebeurt er als we de patronen controleren voor de grote van de fractie? Dan zien we dat er drie opvallende fracties zijn. De meeste partijen dienen minder dan 15 moties in per kamerlid. De PVV, het CDA en de VVD (grote partijen in de coalitie) dienen zelfs minder dan 5 moties in. Maar de SGP, de CU en de PvdD dienen meer dan 15 moties per kamerlid in. De PvdD is motie kampioen met meer dan 30 moties per kamerlid, daarvan krijgen Thieme en Ouwehand er gemiddeld 10 aangenomen. De PvdD dient gewoon heel veel moties in en daarvan wordt een deel aangenomen. De twee Kamerleden zijn te roemen voorhun grote activiteit. De SGP en de CU gaan spaarzamer om met papier, maar krijgen ongeveer evenveel moties aangenomen. Waarom zijn deze partijen zoveel meer succesvol. Dat komt met name omdat de CU en de SGP dichtbij staan bij het CDA. De partijen weten goed gebruik te maken van hun positie.

Al met al krijgen CU-kamerleden het meest voor elkaar. Alhoewel het een kleine partij is, weet ze toch 61 moties aagenomen te krijgen. Meer dan 12 per kamerlid. Regeringspartijen hoeven minder moties te werken, omdat ze al in de coalitieonderhandelingen meer bereikt hebben. Voor een oppositiepartij is een motie een briefkaart aan de samenleving met de boodschap: de regering geeft misschien niet om u, maar wij geven wel om u. De CU en de SGP krijgen relatief veel gedaan in het parlement. Ongeveer 50% van hun moties worden aangenomen. De CU weet beste gebruik te maken van haar positie om iets gedaan te krijgen in het parlement.

Schrap ‘Groen’, behoud ‘Links’

Willem de Gelder, "opinionist" binnen GroenLinks stelt dat GroenLinks "links" uit de naam moet schrappen en "groen" moet behouden. Al eerder deed Tofik Dibi zo'n onzinnig voorstel. Hij kijkt naar de ontwikkelingen in Duitsland en zegt: GroenLinks moet zich ontdoen van zijn linkse sympathieen en zich richten op groen. Ik denk dat hij daarmee de ontwikkelingen in Duitsland en de ontwikkeling van GroenLinks in de laatste jaren verkeerd beoordeeld.

Links is volgens De Gelder uit in Europa. Het gaat niet goed met sociaal-democratische partijen. Ze verliezen kiezers en zitten vaak in de oppositie. Rechts weet goed "Links" de schuld te geven van allerlei problemen. De kracht van groene partijen is volgens De Gelder dat ze niet links of rechts zijn, uitgaan van hun groene idealen en kunnen samenwerken met links en rechts. En de Duitse Grünen doen het in Duitsland zo goed omdat ze links noch rechts zijn. Dat moet volgens De Gelder het Nederlandse GroenLinks ook doen.

Ik heb een aantal bezwaren tegen het verhaal van De Gelder. Zo'n naamswisseling gaat voorbij aan de flexibiliteit van het woord "Links". In Denenmarken heet de grootste partij nu "Links": het is een conservatief-liberale partij met een sterke boerenachtergrond. Vroeger stond deze liberale partij tegenover de gevestigde, conservatieve rechtse krachten. Daarnaast iedere GroenLinkser -uitgezonderd De Gelder en Dibi- kan zich vinden in de term links: of het nu gaat om Kritiese GroenLinksers die det term "links" koppelen aan die socialistiese traditie of Femke Halsema die GroenLinks als "laatste links-liberale partij" ziet.

Daarnaast, het verhaal van De Gelder gaat geheel uit van de Duitse casus: daar heet de partij Die Grünen. Hij gaat voorbij aan de verschillen tussen Duitsland en Nederland. In Duitsland is er geen D66, waar een deel van de progressieve kiezers zich thuis voelt. In Duitsland doet links het ook veel beter. In Nederland hebben progressief-linkse partijen nooit meer dan 50% van de stemmen gehaald. In 1998 en 2007 waren er ruime progressief-linkse meerderheden. In Duitsland zal een progressieve linkse partij als de Grünen het dus ook beter doen. En Duitse Grünen doen het met name goed omdat ze worden gezien als een betrouwbare partij. Een partij die al jaren een consistent verhaal heeft en dat niet aanpast als dat electoraal goed uitkomt. Met de kernenergiediscussie zit het met die Grünen nu mee, maar in 1989 was de slogan van Die Grünen "Alle reden von Deutschland. Wir reden vom Wetter". Die Grünen vielen toen heel principieel uit de Bundestag, omdat ze buiten de maatschappelijke realiteit stonden. Wat De Gelder voorstelt is dus het tegenovergestelde van het Duitse voorbeeld: je linkse idealen uit je naam laten vallen uit electoraal opportunisme.

En daarmee kom je bij de vraag wat de kern van het gedachtegoed van GroenLinks is. GroenLinks is voortgekomen uit vier linkse partijen. Bij de oprichting werd de term "groen" aan de naam van de partij toegevoegd. En laten we eerlijk zijn, GroenLinks is geen diepgroene, ecologistische partij. GroenLinks heeft het het name over het voorkomen van klimaatverandering, over groene innovatie, over groene belastingverschuiving. Niet over het herstel van een ecologische balans, over consuminderen, en over de schoonheid van een natuurlijk leven. En kijk eens naar onze Tweede Kamerfractie: er is een prominente groen kamerlid (Van Tongeren), maar veel van onze andere Kamerleden (Sap, Klaver, Voortman, Van Gent, Braakhuis) zijn van de progressief-sociale kant. Of neem de Eerste Kamerlijst: bij de eerste vijf zit er een groene kandidaat (Vos) en vier progressief-sociale. GroenLinks is niet een donkergroene partij, maar zoals het mooi in het Engels genoemd wordt "Bright Green". Door de term "links" uit de naam te schrappen, wek je ten onrechte de suggestie dat GroenLinks een soort diepgroene partij is die zich alleen maar zorgen maakt over planten, dieren en ecosystemen.

GroenLinks is onder Halsema bij uitstek een progressief-sociale hervormingspartij geworden. GroenLinks heeft serieuze alternatieven ontwikkeled voor de arbeidsmarkt, de vergrijzing of de woningmarkt. Op milieu vertellen we al jaren hetzelfde verhaal. Daar zijn we sinds de jaren '90 niet vernieuwd of vernieuwend. Het gaat GroenLinks om echt gelijke kansen voor iedereen: jong en oud, allochtoon en autochtoon, man en vrouw, ziek en gezond, homo en hetero. Onze verhalen over de verzorgingsstaat, integratie, emancipatie en onderwijs sluiten naadloos op elkaar aan. Dat is de kern van het GroenLinks verhaal. Milieu hangt er vaak een beetje bij.

Ten, slotte de term "progressief", die De Gelder wel wil behouden, betekent volgens mij juist dat je geen afstand kan nemen van het begrip links. Progressieve politiek betekent verandering en vernieuwing. Conservatieve partijen willen Nederland zo houden als het is. Dan hoef je geen keuzes te maken, geen visie te hebben. Als je zegt: Nederland moet anders, dan moet je keuzes maken. Ben je progressief dan moet je alternatieven bieden. Dan moet je vragen beantwoorden: wil je een sociaal land waar iedereen kansen heeft, dat rekening houdt met toekomstige generaties (noem dat links), of een land waarin je alles afschuift op individuele verantwoordelijkheid en de kansen van toekomstige generaties verkleint (noem dat rechts). Als je conservatief bent, hoef je niet links of rechts te zijn. Maar als je progressief bent moet je kiezen tussen links of rechts.

Van naamsdiscussies is niemand ooit beter geworden. Maar als je de naam van GroenLinks wil veranderen is het volgens mij zou veel eerlijker zijn om de term "groen" uit de naam GroenLinks te schrappen en te vervangen door het woord "progressief": ProgressiefLinks dat lijkt me eerlijke politiek.

Alpha Centauri

Het meest geniale science fiction werk dat ik ken, is geen boek, televisieserie of een film, maar een computer spel. Het spel Alpha Centauri de opvolger van het zeer populaire spel Civilization. Het spel gaat over the last best hope for mankind, een colonisatieschip van mensen dat naar het stelsel Alpha Centauri zijn gevlucht nadat de Aarde door oorlog, vervuiling en armoede is vergaan. De groep valt uiteen in zeven groepen, die ieder proberen te voorkomen dat ze de fouten van de Aarde op nieuw maken. Alle zeven vormen een nieuwe samenleving met een sterke identiteit die gebaseerd is op een politieke ideologie die in extremis is doorgevoerd. Het is de uitwerking van deze politieke filosofieen, wat het in mijn ogen geniale science fiction maakt.

"In the great commons at Gaia's Landing we have a tall and particularly beautiful stand of white pine, planted at the time of the first colonies. It represents our promise to the people, and to Planet itself, never to repeat the tragedy of Earth." Lady Deirdre Skye – Planet Dreams

De Gaians zijn een diepgroene ecologische samenleving. Ze geloven dat het centrale probleem op Aarde was geweest dat de ecologische balans tussen mens en natuur is verstoort. Ze proberen een nieuwe ecologische balans te vinden tussen het leven op Alpha Centauri en de mensen die ernaar toe vluchten en om te voorkomen dat ze "tragedies of Earth" herhalen. De Gaians zijn daarnaast vrede- en vrijheidslievend.

"As the Americans learned so painfully in Earth's final century, free flow of information is the only safeguard against tyranny. The once-chained people whose leaders at last lose their grip on information flow will soon burst with freedom and vitality, but the free nation gradually constricting its grip on public discourse has begun its rapid slide into despotism. Beware of he who would deny you access to information, for in his heart he dreams himself your master." Commissioner Pravin Lal – U.N. Declaration of Rights

De Peacekeepers zijn de voortzetting van de Verenigde Naties. Het is een progressief-liberale samenleving, die een grote nadruk leggen op mensenrechten en democratie. Ze geloven dat de  dictaturen, zoals de Amerikaanse dictatuur uit de quote, Aarde hebben vernietigd. Over tijd worden ze wantrouwender ten opzichte van technologie omdat deze grove inbreuken gaat maken op menselijke vrijheid: denk aan techniek die overheden in staat stelt om het brein van mensen te controleren.

Superior training and superior weaponry have, when taken together, a geometric effect on overall military strength. Well-trained, well-equipped troops can stand up to many more times their lesser brethren than linear arithmetic would seem to indicate. – Spartan Battle Manual

De Spartans zijn een factie van soldaten. Ze zetten de levenswijze die ze op Aarde hadden door: overleven met alle middelen die daarvoor nodig zijn. Ze leggen de nadruk op kracht en discipline. Zo overleefden ze op Aarde in tijden van oorlog en armoede. De Spartans zijn een militaristische factie maar zijn wel voorzichtig en defensief: voortbestaan boven alles.

"If our society seems more nihilistic than that of previous eras, perhaps this is simply a sign of our maturity as a sentient species. As our collective consciousness expands beyond a crucial point, we are at last ready to accept life's fundamental truth: that life's only purpose is life itself." – Chairman Sheng-ji Yang Looking God in the Eye

De Hive delen de levenshouding van de Spartans: mensen hoeven niet meer dan overleven. Echter zij onderbouwen dat met een collectivistische, nihilistische filosofie. In de Hive vormen de totalitaire staat en het volk collectieve eenheid. Er wordt een grote nadruk gelegd op loyaliteit van burgers, controle door de overheid en verering van de grote Leider. Een typische Orwelliaanse distopie gecombineerd met een filosofisch sausje.

"Resources exist to be consumed. And consumed they will be, if not by this generation then by some future. By what right does this forgotten future seek to deny us our birthright? None I say! Let us take what is ours, chew and eat our fill." – CEO Nwabudike Morgan The Ethics of Greed

De Morgans zijn het tegenovergestelde van de Hive. Zij zijn radicale libertarische individualisten met een flinke dosis kapitalisme. In hun ogen zijn er geen grenzen aan wat mensen mogen, hebzucht is goed en we hoeven ons geen zorgen te maken om toekomstige generaties. Op Aarde was er te weinig economische vrijheid.

"Beware, you who seek first and final principles, for you are trampling the garden of an angry God and he awaits you just beyond the last theorem." – Sister Miriam Godwinson But for the Grace of God

Dan zijn er nog de Believers die een monotheistisch, Abrahamistisch geloof onderschrijven en iedere vorm van wetenschappelijke vooruitgang proberen tegen te houden: de mens moet niet proberen God te evenaren door te denken dat ze schepping kunnen begrijpen. Op basis van hun geloof verzetten ze zich tegen de groeiende rol van de techniek in de samenleving. Het was de techniek die Aarde had verpest. Hun religieuze fundamentalisme maakt ze aggressief en oorlogzuchtig.

"Man's unfailing capacity to believe what he prefers to be true rather than what the evidence shows to be likely and possible has always astounded me. We long for a caring Universe which will save us from our childish mistakes, and in the face of mountains of evidence to the contrary we will pin all our hopes on the slimmest of doubts. God has not been proven not to exist, therefore he must exist." – Academician Prokhor Zakharov For I Have Tasted The Fruit

Recht tegenover de Believers staat de University, een factie die wetenschappelijke vooruitgang boven alles stelt: het is belangrijker dan ethiek, religie, zorg voor het milieu. Hun gebrek aan maatschappelijke ethiek, zorgt voor een grote onvrede in de onderklasse die de amorele, goed-opgeleide elite wantrouwt. Een platonistische utopie waar wetenschappers aan de macht zijn.

"We are all aware that the senses can be deceived, the eyes fooled. But how can we be sure our senses are not being deceived at any particular time, or even all the time? Might I just be a brain in a tank somewhere, tricked all my life into believing in the events of this world by some insane computer? And does my life gain or lose meaning based on my reaction to such solipsism?" Project PYRRHO, Specimen 46, Vat 7  Activity Recorded M.Y. 2302.22467  TERMINATION OF SPECIMEN ADVISED

Maar niet alleen de facties zijn geniaal. Er zijn ook veel filosofische overdenkingen en grappen. Neem deze Descartiaanse overdenking van een brein in een vat: bestaat de werkelijkheid wel? Is mijn leven slechts een droom is van een brein in een vat? Het advies van de onderzoeker: haal de plug uit dit brein.

Alhoewel het spel zo'n twaalf jaar uit is, is het soms nog steeds verschrikkelijk relevant: de Arabische Lente laat prachtig zien dat de free flow of information the only safeguard against tyranny [is].

Strategische Overwegingen bij de Gekozen Burgemeester

De discussie binnen GroenLinks over democratische vernieuwing komt langszaam op.  Een van de interessante onderwerpen is de gekozen burgemeester. De benoemde burgemeesters sluiten niet goed aan bij de GroenLinkse traditie van lokaal gewortelde democratie. maar moet GroenLinks kizen voor een direct gekozen burgemeester of voor een door de raad benoemde burgemeester? Moet GroenLinks kiezen voor een krachtige lokale regeringsleider of voor een symbolische vertegenwoordiger van het staatshoofd?

Er zijn natuurlijk allerlei inhoudelijke argumenten: een direct gekozen burgemeester met een eigen mandaat past goed in het idee van GroenLinks van scheiding der machten, maar het verhoudt zich slecht tot het idee dat politiek moet gaan om spreiding van macht in plaats van concentratie van macht bij een persoon. De kans op een verschil van politieke kleur tussen de gemeenteraad en burgemeester is slecht voor de bestuurbaarheid van de stad, maar goed voor het dualisme. Een symbolische burgemeester sluit misschien goed aan bij het idee van GroenLinks dat er geen sterke mannen in de politiek moeten zijn, maar het is een kostbare post (om nog maar te zwijgen over burgemeesterswoningen) die we als hervormingspartij misschien maar weg moeten bezuiningen.

Ik wil een ander soort argument in het debat in brengen: een strategisch argument. GroenLinks heeft nu zeven burgemeesters in lommerijke plaatsen als Stein, Diemen, Doesburg en Wormerland. In totaal wonen er 115,721 Nederlandse burgemeesters in een gemeente met een GroenLinks burgmeester. De grootste gemeente met een GroenLinks burgemeester is Diemen, onder de rook van Amsterdam. Er zijn daar in totaal acht GroenLinks raadsleden, de gemeente waar GroenLinks burgemeesters levert zijn niet uitgesproken groen, links of progressief.

Stel nou dat GroenLinks de burgemeester zou leveren in die plaatsten waar zij bij gemeenteraadsverkiezingen de grootste zou is – dat is het meest waarschijnlijk als we afstappen van de burgemeester als symbolische vertegenwoordiger van het staatshoofd en toegaan naar een direct verkozen lokale regeringsleider- dan zou GroenLinks maar in twee plaatsten de burgemeester leveren: Nijmegen en Utrecht.

Een simpele vraag is dan: weet u wie de burgemeester van Koggeland of Menterwolde is? Vast niet – dat zijn overigens Leonie Sipkes en Eduard van Zuijlen-  maar de burgemeesters van Nijmegen en Utrecht dat zij mensen met een nationaal profiel: Thom de Graaf liet zich in Nijmegen benoemen nadat hem niet was gelukt om de gekozen burgemeester op nationaal niveau te regelen en Aleid Wolfsen versloeg in een weinig inspirerend referendum een andere PvdA'er. Als de politieke voorkeuren een grotere invloed zouden hebben op wie de burgemeester zou worden dan zou GroenLinks in plaatsen als Utrecht en Nijmegen, maar ook in Wageningen of Haren de burgemeester kunnen leveren. In Utrecht en Nijmegen wonen samen zo'n 475,419 mensen dat is meer dan bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen op GroenLinks stemden – ja, ja dat is een oneerlijke vergelijking omdat er in inwoner aantallen ook kinderen, wilsonbekwamen en migranten zitten die niet mogen stemmen-.

Waarom is de geflopte minister De Graaf burgemeester van Nijmegen en niet topbestuurder Andree van Es? Als je politiekere burgemeesters krijgt, dan krijgt GroenLinks prominentere burgemeesters. Dat is goed omdat in grotere steden dan groener, linksers en progressiever beleid gevoerd wordt, maar ook omdat dit het profiel van GroenLinks als ideeenpartij op zoek naar macht versterkt.

Er is denk ik maar een strategisch tegenargument te geven: dat is GroenLinks heeft in Nijmegen en Utrecht een relatieve meerderheid en geen absolute (helaas). Misschien dat wel 20% van de kiezers in Nijmegen of Utrecht hun stem wil geven aan GroenLinks, maar zou ook in een run-off tussen een PvdA'er en een GroenLinkser meer dan 50% van de kiezers hun stem willen geven aan een GroenLinkser? De PvdA staat dichterbij het centrum en kan ook de rechtse kiezers van D66, CDA en de VVD binden. GroenLinks spreekt kan misschien wat PvdD-stemmers aan en wat SP'ers maar daar houdt het wel mee op. Alleen als je een mallotig first-past-the-post stelsel invoert dat alleen gebruikt wordt in de politiek meest reactionaire landen van de wereld, dan maakt GroenLinks kans.

Maar dat argument lijkt me vals: ten eerste omdat de PvdA zeker bij veel VVD en CDA-kiezers erg gehaat wordt. Ze hebben liever een GroenLinkser dan een arrogante PvdA-regent. Maar bovendien omdat een politiekere burgemeester waarschijnlijk zal betekenen dat er sterkere blokvorming zal komen. Links en rechts zullen zich scharen achter een kandidaat. In Amsterdam schaart GroenLinks zich achter de PvdA-kandidaat, in Utrecht schaart de PvdA zich achter de GroenLinkser.

Een politieke burgemeester betekent echt GroenLinks burgemeesters in grotere steden. Ik teken ervoor.

We are all different and there is something kind of fantastic about that

Met een persoonlijk verhaal kwam Monique Samuel deze week uit de kast. De Leidse politicologiestudente met een Egyptisch-Koptische achtergrond worstelde zich door haar scheiding terwijl haar publieke profiel groeide. CDA-minister Jan Kees de Jager, misschien wel de op twee-na-machtigste man van Nederland, maakte via de Telegraaf bekend dat hij een vriend heeft.

De reactie van veel seculiere progressieven was: zonde dat hier nou zo'n punt van gemaakt zou moeten worden. De seksuele oriëntatie van een publieke figuur interesseert me niets. Overigens zijn het vooral heteroseksuele mannen die zo reageren. Uit de reacties blijkt een vorm van welwillende desinteresse. De seksualiteit van mensen, en zeker van politici of opiniemakers moet er niet toe doen. Ik denk dat deze vorm van welwillende desinteresse het anders-zijn van homoseksualiteit ontkent. Uit de kast komen is voor (bijna) iedere homo een lastig proces. En de aanwezigheid van publieke aandacht kan daarbij helpen.

Ik kom uit een progressief, seculier gezin. Ik heb een lesbische tante, mijn ouders hadden homoseksuele vrienden die regelmatig over de vloer kwamen. En toch kan ik mij herkennen in het verhaal van Samuel – zonder te niet te willen doen aan de buitengewoon tragische kanten van haar verhaal. Ik ben pas op mijn 18e “uit de kast” gekomen, terwijl ik me al vanaf mijn vroegste jeugd realiseerde dat ik anders was, dat ik me – om de woorden van Samuel te gebruiken- niet prettig voelde bij de traditionele mannelijke heterorol. Iedere homo realiseert zich op één moment dat hij of zij anders is dan anderen, anders dan de norm, en zeker anders dan zijn eigen ouders. Mijn ouders hebben nooit een probleem gemaakt van homoseksualiteit, sterker nog ik heb nog nooit in mijn familie, op mijn werk, of op straat het gevoel gehad dat iemand een probleem had met mijn seksuele voorkeur. Maar de erkenning dat je anders bent dan de rest, afwijkt van de 'norm', dat is niet makkelijk.

Homo's zullen altijd een minderheid vormen en een bijzondere minderheid. Vergelijk het eens met mensen met rood haar, mensen met een voorliefde voor asperges of mensen die in God geloven. Met rood haar wordt je geboren, maar je vader of je moeder zal ook rood haar hebben. Voor de rest heeft het hebben van rood haar geen invloed op je maatschappelijke positie. Een voorliefde voor asperges ontwikkel je gedurende je leven. Je vindt misschien asperges niet meteen lekker maar eet het toch omdat het hoort en dan ga je het lekker vinden. In God geloven, ten slotte, is niet iets waarmee je geboren wordt. Je wordt langzaam gevormd tot Christen of Moslim via heilige communies of Koranscholen. Voor veel mensen is geloven in God dan een bijzonder onderdeel van hun leven dat hen verbindt met een traditie in de familie. Vergelijk dit nu met homoseksualiteit: je wordt homoseksueel geboren, maar anders dan rood haar weet je dat niet meteen van jezelf. Je leert je eigen seksuele oriëntatie langzaam kennen; maar dat betekent, anders dan met asperges, niet dat je het langzaam leert waarderen: het is iets dat in je zit, dat wist je alleen niet. Ten slotte is het net als Christendom een belangrijk onderdeel van je leven, maar wel iets waardoor je juist sterk afwijkt van je eigen ouders.

 En zelfs als je dan hebt geaccepteerd dat je anders bent, afwijkt, dan moet je ook nog met het predicaat "homoseksueel" om gaan. En dat is een predicaat met bagage: in de indrukwekkende HUMAN-documentaire "Help! Een homo in de klas" praten middelbare schoolleerlingen over homoseksualiteit. Een meisje vertelt dat ze homoseksuelen juist leuk vindt: ze kijkt met haar moeder met veel plezier naar Gerard Joling en Gordon op televisie. Homoseksualiteit betekent: Songfestival, Gaypride, Abba. Daar heb ik heel weinig mee. Moet ik als homoseksueel voldoen aan het stereotype van de Abba-liefhebber met een te strak roze truitje aan, of moet een lesbische vrouw voldoen aan het lesbische stereotype (stekeltjeshaar en kekke brilletjes, zoals Samuel beschrijft). Er zijn ook homoseksuele geeks, homoseksuele goths en homoseksuele jocks. Christelijke homoseksuelen maar ook Islamitische, homo’s die hun hele dag besteden aan kleding maar ook homo’s die liever met treintjes spelen.

En daarom is het zo goed als we over de seksuele oriëntatie van publieke figuren praten. Niet omdat het interessant is met wie minister De Jager of Monique Samuel een relatie hebben. Maar omdat het laat zien dat er homoseksuele Christenen zijn en homoseksuele ministers van Financiën (en niet alleen D66-woordvoerders cultuur). Homoseksualiteit is maar een seksuele oriëntatie en zou je maatschappelijke positie niet moeten bepalen. Maar iedere homoseksueel ondergaat een proces van zelfontdekking: wie ben ik? Met wie wil ik mijn leven delen? Ben ik een homo? Wat betekent dat als ik dat zeg? En dat schept voor progressieve politiek, die iedereen wil helpen om zijn eigen weg in het leven te vinden, een verplichting: om te laten zien dat er homo's zijn. Maar ook dat er diversiteit onder homo’s is, omdat het maar een seksuele oriëntatie is: er is gay chique er zijn gay geeks. Dat doe je vooral voor die jongeren die in hun puberteit worstelen met hun ontluikende seksualiteit, voor getrouwde huisvrouwen die twijfelen over hun seksuele oriëntatie, om mensen die zijn opgevoed in een strenge religieuze traditie vol met "Gij zult" en "Gij zult niet" te laten zien dat homoseksualiteit anders is maar toch normaal, dat homo's verschillen van hetero's maar ook van elkaar.

 We are all different … and there is something kind of fantastic about that.

Politiek voor de Leek

"Ik wil wel de eerste vrouwelijke premier van Nederland worden" zei Mei Li Vos tegen Volkskrant voor ze in de Kamer kwam. Bijna drie jaar zat Vos in de Kamer. Daar werd ze zoals te lezen is in haar openhartige boek Politiek voor de Leek gemakkelijk gemarginaliseerd door de PvdA-top. Vos miste zoals ze zelf analyseerde de drive om zichzelf tot een politiek succes te maken. Het boek geeft een bijzonder eerlijk en open beeld van hoe iemand faalt in de parlementaire politiek. Een must read voor iedereen die ook maar een beetje politieke ambitie heeft.

De kandidatuur van Vos was controversieel: als voorzitter van het Alternatief voor Vakbond en als columniste had Vos stelling genomen voor een nieuwe generatie van jonge werknemers en het conflict met de bestaande vakbeweging niet geschuwd. Het wekte dan ook geen verbazing dat de  oud-linkse FNV-vleugel van de PvdA, in de kandidatencommissie vertegenwoordigd door Lodewijk de Waal, zich verzette tegen de kandidatuur van Vos. Plaats 38 kreeg Vos toegewezen door het congres. Zelf had Vos ook niet de ambitie om veel hoger te komen, ze had de commissie plaats 36 voorgesteld. Toen ze drie jaar later terugkeerde bij de kandidatencommissie plaatste deze haar op dezelfde plek, met als voornaamste argument dat ze was tegengevallen als kandidaat.

Nog voor ze Kamerlid werd, maakte Wouter Bos haar duidelijk dat ze geen mooie portefeuille zou krijgen. Vos accepteerde dat terwijl ze zich realiseerde dat de portefeuille het kostbaarste bezit van een Kamerlid is. Ze kreeg een patchwork portefeuille met met name sociaal-economische onderwerpen: consumentenzaken, flexwerkers, mededinging en financieel toezicht. Ze was naar eigen zeggen veel te onbelangrijk en te liberaal om de portefeuille arbeidsmarkt te krijgen, waar haar hart lag.  Omdat men verwachtte dat Vos de conservatieve lijn van de PvdA op bijvoorbeeld ontslagrecht niet deelde, mocht ze zelfs niet naar De Wereld Draait Door of Pauw & Witteman van de afdeling voorlichting. Ze kon dan nog wel eens live the question kon krijgen ("wat vindt u, mevrouw Vos, van het ontslagrecht?"). Zelfs op haar eigen onderwerp (flexwerkers) werd Vos met een kluitje het riet in gestuurd. De voorstellen die op dit onderwerp met de SP uitwerkte (niet de meest liberale partij in de Tweede Kamer zullen we maar zeggen), zouden volgens de fractietop niet in goede aarde vallen bij het centrum-rechtse CDA en eindige daarom onder in een la. Financieel toezicht werd door de financiele crisis te belangrijk voor een backbencher en dus werd Paul Tang daar woordvoerder op.

Vos heeft na een half jaar sterke twijfels over haar Kamerlidmaatschap: met name het gebrek aan invloed dat ze als backbencher heeft, breekt haar op, ze was toch de Kamer ingegaan omdat ze daar dacht meer te kunnen veranderen dan als vakbondsvoorzitter. Vos zoekt het gedeeltelijk bij zichzelf: ze zou de drive, de machtsdrang, de noodzaak om te winnen missen om echt voor haar eigen positie te strijden.

Het is met name mooi om te zien, hoe Vos, gepromoveerd politicologe, kijkt naar processen in de Kamer. Als laatkomer in de fractie (doorgeschoven na de formatie) moest Vos alles zelf leren: van kleine regels ("Kamerleden mogen bij hun installatie niet uit het glas van de voorzitter drinken") tot het echte politieke handwerk. Een groot deel hiervan speelt zich achter de schermen af: niet in de arena van de Tweede Kamer maar tijdens de informele overleggen tussen de coalitiepartijen. Dan kan je anders dan voor de camera's, echt in rust argumenten uitruilen, zaken na rekenen en belangen evalueren. En als je dan nog niet kan bereiken wat je wil laat Vos mooi zien wat je alternatieven dan nog zijn: bevalt een wet je niet maar kan je niet vanwege coalitiebelang tegen stemmen, dan amendeer je hem toch kapot?  Vos deed dit met de wet-Markt en Overheid. Ze wachtte tevergeefs tot de Eerste Kamer de door amendementen-Vos onuitvoerbare wet zou weg stemmen.

Een leerzaam boek dus voor iedereen die ook maar de minste politieke ambities heeft: je bent er namelijk zo van genezen. Het boek laat zien dat als je de drive mist je drie jaar lang in de Kamer kan rond lopen zonder ook maar een deuk in pakje boter te slaan. Maar heb je grote politieke ambities en mis je enige vorm van bescheidenheid, dan kan je nog wel eens denken: de fouten die Vos maakte, dat zal mij niet overkomen.