Onderwijs in een driehoek

Wat is het doel van onderwijs? Wat willen we dat eruit komt? Waartoe wil je de kinderen vormen? Dat is denk ik, sterk afhankelijk van je politieke oriëntatie: conservatieven, liberalen, sociaal-democraten hebben daar allemaal andere ideeën over. Ik denk dat je drie verschillende doelen kan onderscheiden: onderwijs kan van kinderen goede werknemers maken, of van kinderen goede burgers of kan kinderen zichzelf te worden.

 Werknemers

Het eerste wat onderwijs kinderen leert zijn vaardigheden die nodig zijn om een goede werknemer te zijn. Je leert kinderen lezen, schrijven, rekenen omdat in bijna iedere baan nodig is. Kunnen ze dat een beetje dan kan je je onderwijs gaan inrichten op het beroep dat bij kinderen past: je leidt maakt van jongeren goede vaklieden, je maakt van pas geslaagde middelbare schoolleerlingen artsen, wetenschappers of juristen. Onderwijs heeft een heldere functie: specialisten in het vak dragen hun kennis over. Gedeeltelijk leer je natuurlijk door te doen: dus veel stages en praktijkopdrachten. Dit is duidelijk waarom een klassiek-liberaal om onderwijs geeft. Onderwijs is goed voor de economie. Een investering in onderwijs zorgt ervoor dat we een beter opgeleide beroepsbevolking hebben. Dat betekent meer productiviteit, meer innovatie, ergo meer winst en welvaart. Maar ook een vakbondssocialist geeft hierom om onderwijs: goed onderwijs zorgt ervoor dat iedereen werk kan vinden. Een goede opleiding geeft perspectief op een goede baan en dus op een zeker inkomen.

 

Burgers

Maar je kan ook je meer richten op algemene kennis en vaardigheden: vakken als geschiedenis en aardrijkskunde oriënteren mensen op de maatschappij om hen heen. Vakken als natuurkunde en biologie oriënteren mensen op de wereld om hen heen. Door Frans, Engels en Duits kom je in contact met andere landen. Maar waarom? De reden is dat je van kinderen goede burgers wil maken. Dat ze niet allen kunnen mee draaien in een bedrijf maar ook in de maatschappij. Om mee te doen aan maatschappelijke discussies of om mee te kunnen beslissen zal je verstand moeten hebben van de natuurlijke omgeving, van culturele verschillen en politieke instituties. Dit ligt veel meer in een progressief-liberale of cultuursocialistische traditie: het gaat om de vorming van mensen tot verantwoordelijke burgers. Maar ook Christen-democraten en andere conservatieven koesteren een ideaal van onderwijs als opvoeding tot een verantwoordelijk leven. Dat betekent dat het niet alleen gaat om kennis, maar bovenal om vaardigheden die nodig zijn voor burgerschap: mediawijsheid, een maatschappijkritische houding, historische inzicht, onderling begrip, milieuvriendelijkheid, spaarzin, sociale vaardigheden, tolerantie, verantwoordelijkheidsgevoel, respect. Burger zijn is meer dan weten, het gaat bovenal om doen. Maar wat een burger wel en niet moet weten en doen hangt af van je politiek perspectief: volgens een Christen-democraat kan je niet in Nederland functioneren zonder kennis van Bijbelse verhalen, volgens een progressieve liberaal moet iedereen toch eigenlijk wel Nederlands, Engels en Arabisch spreken om goed te functioneren in Nederland.

 Zichzelf

Uiteindelijk is het idee dat onderwijs moet vormen naar burgerschap of naar werk erg moralistisch. De overheid weet wat belangrijk is: dat politieke participatie of participatie op de arbeidsmaatschappij. En omdat de mens niet als politiek of als economische dier wordt geboren moet hij daartoe gevormd worden. Het is een one-size-fits-all model: iedereen moet de krant leren lezen en een beroep leren. Maar gaat onderwijs niet juist om eruit halen wat er in zit? Om het herkennen en ontwikkelen van talenten? Niet zozeer om wat mensen moeten worden, maar om wat mensen eigenlijk al zijn. De een bloeit op als hij met zijn handen een kast bouwt, de ander als ze muziek maakt, een derde als wetenschapper en een vierde als betrokken burger. Zou onderwijs niet juist moeten gaan om het stimuleren van mensen om zich zelf te ontdekken? Is het idee van een vast vakkenpakket niet juist dat iedereen voor zij kiest voor een studie of een profiel overal van heeft kunnen proeven? Om te stimuleren dat mensen uit alle mogelijkheden kiezen? Het is een superliberaal idee, zij het niet dat onze eigen liberalen teveel hechten aan betrokken burgerschap en productief werknemerschap om te geven om mensen zelf.

Historici en de Textual Revolution

Vandaag woondre ik een workshop bij over e-history op het NIOD, het voormalige Nederland Instituut voor Oorlogsdocumentatie. In het prachtige, historische pand in Amsterdamse grachtengordel praatten historici over de digitale revolutie die steeds meer hun vakgebied beinvloedt. Ik was mee gekomen op de slippen van de net gepromoveerde doctor in de Politieke Wetenschap, Tom Louwerse, om een paper te presenteren over parlementair gedrag.

In de politieke wetenschappen vond 40 jaar geleden een revolutie plaats: de samenwerkende staatsjuristen, politiek-historici en politiek-theoretici werden opgeschikt door iets wat de behavioural revolution werd genoemd. Politicologen moesten niet alleen maar de politieke instituties beschrijven, maar ze moesten ook verklaren waarom die zo waren in gesteld en voorspellen hoe die zich zouden ontwikkelen. Plotseling moesten er modellen gemaakt worden, data statistisch geanalyseerd en surveys uitgezet. Kwantitative methodologie sloeg aan in de sociale wetenschappen. Statistiek werd een basisvak in het programma. En in politicologische journals werden termen als r-squared, t-test en h-waarde voor common knowledge aangenomen. Ook bij de geschiedenis werd op de deur geklopt. De historici lachten daarom: tellen? Dat doen wij niet! Wij lezen teksten en interpreteren deze om zo een begrip te krijgen van een tijdsperiode. Behalve een paar sociaal-economische historici bleeft het effect van de behavioural revolution grotendeels uit in de geschiedenis.

De politicologie kom daarom goed inspelen op ontwikkelingen in omliggende velden: door haar verbinding met statistici en data-specialisten voelden zij goed aan wat de Internet-revolutie kon betekenen voor de politicologie. Nog nooit was er zoveel tekst beschikbaar om te analyseren. Dit stond politicologen toe om een aantal van hun vaste variabelen geadvanceerder te meten. Het meten van partijposities bijvoorbeeld, kon door de Internet revolutie plotseling met grotere precisie, betrouwbaarheid, accuraatheid gemeten door methoden als NOMINATE (op basis van parlementaire stemmingen), WordFish of WordScores (op basis van politieke teksten). Politicologen deden al aan kwantatieve tekstanalyse. Deze methoden werden nu alleen een stuk minder arbeidsintensief.

Voor historici kwam het als een grote schok: tekst? Op het internet? Met computers? Dat hoort toch in boeken te staan? Maar bibliotheken sloegen vrolijk aan het digitaliseren. Parlementaire debatten uit 1848, volksliedjes uit 1814, keukenromans uit 1933, krantenverslagen van 1872 allemaal werd het digitaal beschikbaar. Dat betekent een fundamentele omslag voor historici. Met zo veel beschikbare tekst kunnen zij veel meer zeggen over hoe in het algemeen naar bepaalde ontwikkelingen werd gekeken en niet slechts door de handvol bronnen waar historici normaal tijd voor hadden. Maar dat betekent dat kwantitatieve tekstrevolutie plotseling hard aanslaat. Want dan moeten historici zich plotseling zorgen gaan maken over bestandstypen, comptabiliteit, over validiteit, over meetfouten, over intercodeerbetrouwbaarheid, over machine-leersystemen etc. Een hele schok voor de alfa-wetenschappers. Maar op de conferentie waren interessante ontwikkelingen te zien. De nieuwe methodologie betekent dat de geschiedenis op een andere manier kan kijken naar de klassieke vragen: onderzoek over oorlog in het parlement, de media-reactie op de revolutie van Troelstra en de publieke perceptie van drugs kreeg een heel ander karakter. Veel grotere corpora tekst konden op een snellere manier geanalyseerd worden. Historici konden zo ook kijken naar de casussen waar ze normaal geen tijd voor hadden: dus zijn het niet alleen de debatten over de oorlogsmisdadigers die konden worden gescand naar referenties van de Tweede Wereldoorlog maar ook debatten over kippenhouderij.

Na de behavioural revolution die ervoor zorgde dat politicologen en andere sociale wetenschappers op een fundameneel andere manier kijken naar gedrag, slaat nu de textual revolution aan in sociale wetenschap en de geesteswetenschappen. Tekst, wat ooit alleen genalyseerd kon worden door rhetorici, is nu het speelveld van informatici.

Is Nederland een Particratie?

"Een onderdeel van de Nederlandse consensusdemocratie is dat de verdeling van posten als de vice-voorzitter van de Raad van State, de voorzitter van de Eerste Kamer en de voorzitter van de Tweede Kamer gebeurt op basis van een proportionele verdeling tussen partijen. Het is niet zo dat de coalitie alle posten bezet, maar dat dit soort functies tussen alle partijen worden verdeeld, waarbij rekening wordt gehouden met hun onderlinge grootte."

Dat leren standaard-politicologieboekjes ons: eerlijke verdeling van belangrijke functies. De Nederlandse verzuilde democratie zou daarmee aansluiten bij wat in Oosterrijk Proporz-demokratie heet en in Belgie particratie wordt genoemd. Belangrijke functies worden verdeeld onder alle partijen. Dat is verkieslijker dan het Amerikaanse winner takes it all systeem, waarbij de grootste partij alle benoemingen controleert: van voorzitter van het Huis van Afgevaardigden tot postrondbrenger op het ministerie van Health en Human Services. To the victor the Spoils.

Maar is dit echt zo? Laten we eens kijken naar de vier centrale voorzittersfuncties in ons politieke systeem: de voorzitter van de ministerraad (de premier), de voorzitter van de Eerste Kamer, de voorzitter van de Tweede Kamer en de vice-voorzitter van de Raad van State (de belangrijkste adviseur op het gebied van kabinetsformaties en wetgeving).

Verdeling-echt

Als we kijken naar de daadwerkelijke data lijkt dit niet het geval te zijn dat dit proportioneel wordt verdeeld tussen partijen: hier zie je dat tussen 1921 en 1925 drie van deze voorzitterschappen in handen waren van de katholieken. De vierde positie (vice-voorzitter Raad van State) gaat naar de liberalen, die toen minder zetels hadden dan de anti-revolutionairen, christen-historici en sociaal-democraten. In de periode 1939-1940 bezat de CHU drie van de vier posities, terwijl ze minder zetels had dan anti-revolutionairen,  sociaal-democraten en de katholieken. Tussen 1959 en 1971 levert de katholieke KVP de premier, de vice-voorzitter van de Raad van State en de voorzitter van de Tweede Kamer. Haar anti-revolutionaire en christelijk-historische bondgenoten krijgen niets toegeworpen van de oppermachtige katholieken. Ook de oppostionele sociaal-democraten staan met lege handen. In 1980 levert het CDA alle posities behalve de voorzitter van de Tweede Kamer. Tussen 1989 en 1990 levert het CDA zelfs ieder van deze vier posities. "We run this country" zei een vertegenwoordiger van die partij toen. In 1998 is het duidelijk dat een kabinet zonder Christen-democraten aan de macht is. De sociaal-democraten leveren dan drie van de vier posities. Kortom: er zijn te veel concentraties van voorzitterschappen in de handen van een partij, dat er geen sprake kan zijn van een proportionele verdeling.

Verdeling-model

Daarom heb ik een model gemaakt van hoe een echt proportionele verdeling zou zijn geweest. Het uitgangspunt is dat als een positie vrij komt (dezelfde momenten als de posities vrijkwamen in de werkelijkheid) de partij die het meest "recht" heeft op de positie deze krijgt. Dat is dat de verdeling zo proportioneel mogelijk wordt als deze partij de positie krijgt (alsof het restzetels zijn). Alleen de premier is anders, deze wordt wel in de verdeling mee genomen, maar wordt toegewezen aan de grootste regeringspartij.

Wat valt er op? De sociaal-democraten leverden in werkelijkheid geen enkel voorzitterschap voor de oorlog, maar hebben wel recht op een positie voor 1945. De partij was te revolutionair om mee te mogen doen in de Christelijk-liberale baantjesmachine. Terwijl verschillende partijen het premierschap hadden voor de oorlog was er maar een partij die daar echt aanspraak op kon maken: de katholieken. Ten slotte: de CHU leverde voor de oorlog veel posities, maar hadden daar geen recht op. De partij was te klein om aanspraak te maken op zelfs maar de voorzitter van de Eerste Kamer. Na de oorlog zien we dat lange tijd (1952-1971) de KVP en de PvdA zoveel groter dan de andere partijen dat zij exclusief aanspraak maken op de voorzitterschappen. Beide partijen hebben ruim een-derde van de kiezers achter zich: de andere partijen komen nauwelijks boven de 10% uit. Tussen 1972 en 1989 ruilen de PvdA, het CDA en de VVD voorzitterschappen uit. Pas in 1997 komt de eerste nieuwe partij binnen in het systeem: D66 levert de Eerste Kamervoorzitter. In 2002 volgt de LPF (die aanspraak zouden hebben op de voorzitter van de Tweede Kamer). In 2009 volgt de SP (voorzitter Eerste Kamer).

Slechts in 41% van de gevallen geeft mijn proportionele model een "correcte" verspelling. Dat geeft aan dat inderdaad in Nederland deze voorzitterschappen niet proportioneel werden verdeeld. Een model waarbij de grootste partij in de coalitie (die dus de premier levert) alle posities krijgt toegewezen, verklaard 55% van de gevallen goed. Dat betekent dus dat niet het proportionele consensussysteem goed voorspelt, maar een American style winner takes all systeem.

Modellen van Stemgedrag

Het is net meer dan een jaar geleden, maar de verkiezingen van 2010 blijven een bron van wetenschappelijke inspiratie. De Kiesraad zette recentelijk de uitslag van de verkiezingen online. Mooie data om te kijken wat voor'n patronen er in het stemgedrag zitten. Ik wil hier kijken naar de vraag wat de geografische patronen zijn in stemgedrag: wonen mensen die op verschillende partijen stemmen in verschillende plaatsen?

Figure 1-4

Als we alle stemmingsdata (alle partijen, alle gemeente) in een correspondentie analyse zetten, zien we het volgende patroon (figuur 1): de centrale tegenstelling in het stemgedrag is tussen de SGP (en in mindere mate de CU) en de andere partijen. Kortom: in Urk stemmen mensen anders dan in Tubbergen en Amsterdam. Interessant is te zien dat er een kleine Evangelische Partij Nederland is tussen Amsterdam en Urk. Deze kleine Christelijke partij trekken stemmen in de Bijlmer en de Biblebelt! Er deden ook drie kleine spirituele partijen mee: Mens en Spirit deed het met name goed in VVD-gemeenten. Nieuw Nederland met name in PvdA-gemeenten. En Heel Nederland met name in PVV-gemeenten.

Maar misschien zijn deze kleine partijen voor niemand interessant. Kunnen we daarom de kleine partijen die geen kans maken niet gewoon uit de analyse gooien? In Figuur 2 heb ik dit gedaan: opvallend genoeg maakt dit weinig uit. De tegenstelling tussen de SGP (2 zetels) en de andere partijen (148) zetels blijft dominant. Binnen de andere partijen is er een grote tegenstelling tussen GL/D66/PvdA/PvdD in de linkerbovenhoek en VVD/PVV/SP/CDA in de linkeronderhoek. Deze links-progressieve partijen staan tegenover de rest: de rechts-conservatieve en de links-conservatieve partijen.

Laten we daarom de CU en de SGP eens uit de analyse gooien, om de dynamiek tussen de grote partijen verder uit te zoeken. Figuur 3 laat zien dat er twee belangrijke dynamieken zijn: opnieuw staan GL/PvdD/PvdA/D66 in een hoek. Maar D66 staat dichterbij de VVD, en de PvdA staat dichterbij SP en PVV (die een eng identieke positie innemen). De PvdA lijkt qua stemgedrag meer op de populistische SP en PVV. D66 lijkt meer op de rechts-liberale VVD. Tegenover de links-progressieve partijen staat het CDA. Deze overlapt dus electoraal met VVD en PVV/SP. Het is dus een rechtse volkspartij.

De positie van het CDA is lastig te begrijpen: want eigenlijk doet deze partij het met name goed op het (katholieke) platteland, waar de andere partijen sterker staan in de stad. Wat als we het CDA eruit gooien? Dan krijgen we figuur 4: dit is een van de mooiste patronen in stemgedrag die ik jaren heb gezien. Er is hier een sterke dynamiek te zien tussen de VVD en de rest. Dit lijkt een  links/rechts dynamiek te zijn, met D66, de PvdD en de PVV in een middenpositie, en GL, PvdA en SP aan de linkerkant. Een tweede dynamiek is tussen GL en D66 aan de ene kant en SP en PVV aan de andere kant, de PvdA en de PvdD nemen hier een middenpositie in. Dit lijkt de hedendaagse klassieke dynamiek tussen progressieve-hervormingsgezinde partijen en conservatieve-populistische partijen. Het PvdA electoraat neigt aan de ene kant naar GL en D66, aan de andere kant naar SP of PVV.

Er hier echter wel in hoge mate sprake van constructie. In het naieve, ongecorrigeerde model is een heel andere dynamiek waarneembaar dan in figuur 4. Dat is een dynamiek die wel waarneembaar is in het stemgedrag maar niet per se als eerste naar bovenkomt. Het is de vraag in hoeverre je bij dit soort inductieve modellen, je kan, mag en moet corrigeren, om interessante patronen waar te nemen.

ChristenUnie & GroenLinks: Policy, Votes of Office

Waarom praten ChristenUnie parlementariers zo weinig over abortus, euthanasie en het homo-huwelijk? Dat laat toch zien dat Nederland in moreel verval is? Het is toch wetgeving die ze liever vandaag dan morgen omdraaien? Waarom heeft GroenLinks van die "rechtse" opvattingen over de arbeidsmarkt, het ontslagrecht, de WW, en de pensioenen? Waarom staat zij niet samen met haar linkse collega's van SP en PvdA op de bres voor de verworven rechten van werknemers?

Je kan zulke bewegingen op drie manieren verklaren. In de klassieke typologie van Strom kunnen politieke partijen drie doelen na streven: policy (beleid), votes (stemmen) of office (kabinetsposten). Dus je kan zeggen dat GroenLinks en de ChristenUnie hun standpunten hebben aangepast omdat ze over tijd hadden geleerd dat andere middelen beter waren om hun idealen te realiseren: voor GroenLinks gold dat ze het op wilde nemen voor de flex-werkers, de jongeren, de ZZP'ers, die nu buiten de muren van de verzorgingsstaat staan. Het doel van eerlijk delen bleef, maar in plaats van het verdelen van inkomen tussen rijk en arm, gaat het nu om het verdelen van rechten tussen insiders en outsiders. En de ChristenUnie streeft nog steeds naar een morele samenleving. Echter ze accepteert nu dat getrouwde homo's daarbij horen. Door een beter jeugd- en gezinsbeleids te voeren probeert ze abortussen te voorkomen en kinderen uit homo-huwelijken op het rechte pad te houden.

Maar misschien vind je de draaien net iets te opzichtig, net iets te strategisch ruiken en met name een net iets te grote breuk met het verleden. Misschien dat de partijen proberen hun standpunten te matigen om meer kiezers te trekken. Voor de ChristenUnie valt daar heel wat voor te zeggen: als moderne gezinspartij trekt ze waarschijnlijk meer twijfelende CDA'ers over de lijn dan als orthodoxe anti-abortuspartij. Maar het is wel een gok: aan de andere kant staat de SGP klaar om alle Christenen die de CU te gematigd en progressief vinden, op te vangen. Voor GroenLinks is dit minder overtuigend: GroenLinks is misschien meer naar het midden geschoven, en daar zou je zeggen, zijn meer kiezers. Echter de meeste kiezers in Nederland zijn centrum-links en willen niets weten het afschaffen van verworven rechten op het gebied van WW of AOW. En terwijl de SP net meer dan 15 zetels twijfelende PvdA'ers had binnen gesleept, (we spreken 2006) met het SP-verhaal over het behouden van de verzorgingsstaat, zou GroenLinks om electorale redenen afstand hebben genomen van de SP-lijn? Dat zou wel absurd dom zijn.

Wat in beide gevallen veel aanneemlijker is, is dat de partijen regeringsmacht willen. In hun campagne anticiperen ze al op de formatie. De ChristenUnie realiseerde zich dat er geen Christelijke meerderheid is in Nederland. Door alleen maar te focussen op het afschaffen van abortus, euthanasie en het homo-huwelijk, zou zijn geen aantrekkelijke partner worden voor de PvdA of de VVD. Dus daarom praten ze graag over gezinsbeleid, over duurzaamheid en over "ontspannen om gaan met verschillen". Dat sluit prima aan bij het groene, sociale en progressieve programma van de PvdA. In de campagne van 2006 anticipeerde de CU heel knap op de formatie die er na zou komen. Het programma was herschreven zodat het naadloos tussen het christen-democratische verhaal van het CDA paste en het sociaal-democratische verhaal van de PvdA maar met genoeg karakteristieke ChristenUnie punten om "binnen te halen". Zelfs het eigen gekozen label "Christelijk-sociaal" liet zien hoe op zichtig ze hengelden naar een positie tussen PvdA en het CDA. En ik moet het ze nageven. Dat is prima gelukt! Voor het eerst stonden en er tussen 2007 en 2010 CU-mannen en vrouwen aan het stuurwiel van de staat.

GroenLinks realiseert zich maar al te goed dat een linkse coalitie in Nederland niet gaat lukken. Een stabiele meerderheid voor alle partijen links van het CDA zit er gewoon niet in. Dus zal GroenLinks als zij wil regeren, na moeten denken over een coalitie met rechtse partijen: dat kan een Paars+ coalitie zijn (VVD-PvdA-D66-GL) of een Roti-coalitie (VVD-CDA-D66-GL). In beide gevallen moet je dus regeren met de VVD. Dus heeft de GroenLinks top -bij wijze van spreken- het VVD programma hebben gepakt en hebben gekeken op welke punten ze zonder te veel schade al in het programma concessies konden doen aan de liberalen: de VVD is dol op bezuinigen (dus begint GroenLinks over efficientie in de overheid), de VVD wil een flexibelere arbeidsmarkt (dus begint GroenLinks over de hervorming van de WW en het ontslagrecht) en de VVD gaat op een GroenRechtse koers (dus hebben wij het graag over groene innovatie die werk en welvaart oplevert). En geef GroenLinks eens ongelijk: je kan zoals de SP in 2006 deed wel een grote verkiezingsoverwinning boeken, maar als je buiten de formatie blijft, dan kan je weinig met al die zetels. GroenLinks kwam erg dichtbij in de zomer van 2010. Het was die zes-en-zeventigste zetel van rechts die uiteindelijk een Paars+ coalitie voorkwam.

Het heeft, kortom, in een land met meerdere partijen en een open formatie geen zin om partijen alleen maar te zien als vote-maximizers of policy-persuers. In Nederland nemen partijen al voor de formatie de kleuren aan van hun potentiele coalitiepartners omdat ze mee willen regeren.

Kunst & Kunstenaarschap

Met enige regelmaat heb ik op dit weblog mijn onbegrip over kunst gedebiteerd: over specifieke films of toneelstukken of kunstsubsidie. Een ding fascineert me bijzonder aan kunst: kunstenaarschap. Wie is een kunstenaar? Wie is de kunstenaar die hoort bij welk kunstwerk?

In schilder- of beeldhouwkunst lijkt het heel simpel: er is een schilder die verft een beeltenis op een stuk papier, er is een beeldhouwer die slaat een beeld uit een stuk steen. Die kan vervolgens zijn naam zetten in de hoek van het schilderij of op het beeld. Dat is natuurlijk niet helemaal waar: veel schilders, zeker in de middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd hadden leerlingen in dienst die veel van het schilder- en beeldhouwwerk deden. En lange tijd bleven werken ongesigneerd. Voor sommige werken is het daarom gissen wie de schilder is: het heeft de pennenstreken van een grote meester, maar is het werk niet van een van zijn leerlingen?

Maar voor toneel en muziek is de zaak complexer: een componist en een toneelschrijver zijn zeker kunstenaars. Net als een schilder en een beeldhouwer componeren zijn een kunstwerk. Maar een acteur en een musicus zijn ook een kunstenaar. Zelfs als zij een werk van een ander uitvoeren dan zijn het kunstenaars: in de uitvoering leggen ze een deel van hun kunstenaarschap. Door een zin net zo uit te spreken, door de manier van spelen, door de juist toon te raken, toont een musicus of een acteur zich kunstenaar. En toch: een musicus wordt gedirigeerd, een acteur wordt geregiseerd. Ze zijn slechts schaakstukken in het spel van een ander, die zich dan weer  grotendeels aan het spelplan moet houden van een derde. En toch zijn zij allemaal kunstenaar: de toneelschrijver-componist, de regisseur-dirigent en de acteur-musicus.

Maar vergelijk het eens met een gebouw. Dat is ook soms een kunstwerk. Daarbij is de architect een kunstenaar. Maar de opzichter die de rol speelt van de dirigent of de regisseur niet. En zeker de werklieden die het gebouw in elkaar zetten niet. Maar zij hebben de rol van acteurs en musici. Leggen zij niet ook niet een deel van hun ziel en zaligheid in hun werk? Kunnen zij niet trots zijn op hun werk? En als deze vergelijking te ver gaat: waarom is de lichtman of -vrouw bij een toneelstuk geen kunstenaar, maar de acteurs wel? Ze volgen toch allemaal de instructies van de regisseur? Waarom zijn sommigen wel kunstenaar en andere niet? Hoe kan je dat bepalen? 

Links en Rechts: ChristenUnie en SGP

Het lijkt een beetje een curiosum voor seculieren: de breuk tussen de ChristenUnie en de SGP. Maar het is uitermate significant als je wil begrijpen wat de dominante tegenstellingen zijn in de Nederlandse politiek.

De eerste breuk vond plaats in het Europees Parlement. Sinds 1984 werkten de CU (en de partijen die daarin samengingen) en de SGP samen in een delegatie en een Euroskeptische Europese fractie. In 2009 namen de partijen deel aan de verkiezingen met een lijst, maar gingen ze hun gescheiden wegen. De "Christelijk-sociale" CU gingen samenwerken met de centrum-rechtse, Euroskeptische Britse Conservatieve Partij in de Europese Conservatieve en Hervormers. En de SGP ging samenwerken met de populistisch rechtse Deense Volkspartij, Italiaanse Lega Nord en Ware Finnen. Onder de breuk lag echter grotere problemen, zoals de samenwerking van de CU in het centrum-linkse kabinet Balkenende-IV en de grotere rol voor vrouwen in de CU. De verkiezing van de Eerste Kamer versterkte de breuk. De derde CU-kandidaat (Simone Kennedy) wachtte tevergeefs op stemmen vanuit de SGP. De jarenlange samenwerking van de CU en de SGP in de Eerste Kamer door lijstverbindingen en gezamenlijke woordvoerdschappen kwam daarmee tot een einde.

De reden voor de breuk is natuurlijk de relatie met het kabinet. De ChristenUnie behoort tot de oppositie, terwijl de SGP een gedogende rol ten opzichte van het kabinet heeft. Hierbij komen nog eens de posities van CU en de SGP over de drie I's die de politieke agenda beheersen: integratie, Islam en immigratie. De SGP ziet de Islam als een gevaar voor de Nederlandse cultuur, de ChristenUnie ziet de vrijheid van godsdienst als een belangrijke Nederlandse waarde. De SGP wil de Islam beperken, de CU wil ontspannen omgaan met verschillen. De SGP wil het lastiger maken voor migranten om naar Nederland toe te komen, de ChristenUnie wil de deur voor asielzoekers open houden. Maar ook op sociaal-economische onderwerpen (bezuinigingen, hervormingen) oriënteert de ChristenUnie zich op links en de SGP op rechts. Ook op een onderwerp als het milieu kiest de ChristenUnie voor ecologische duurzaamheid en de SGP voor economische groei.

Waarom is dit belangrijk? De reden hiervoor is dat sinds de jaren '80 de SGP, GPV en RPF sterk op elkaar lijken in termen van politieke posities zowel in het parlement en als in de electorale arena. Terwijl het CDA steeds seculierder werd, bleven de CU en de SGP een heldere Christelijke koers varen. Niet links, niet rechts, maar Christelijk. Zo bleef er een religieus-seculier tegenstelling in de Nederlandse politiek bestaan. Nu de ChristenUnie en de SGP uit elkaar groeien qua politieke positionering, is dit een teken van en heeft dit tot gevolg dat de Nederlandse politiek eendimensionaler wordt. De antithese die sinds 1879 posities van politieke partijen structureerde heeft sterk aan waarde verloren. Op het numerieke hoogtepunt (1933) waren er zeven Christelijke partijen in de Tweede Kamer: de brede Katholieke RKSP, de links-Katholieke RKVP, de Gereformeerde ARP, de Hervormde CHU, de orthodox-Gereformeerde SGP en de progressief Protestante CDU en de orthodox-Hervormde HGS, De mainstream Christelijke partijen fuseerden tot het CDA. De orthodoxe kant werd verbreed met de Vrijgemaakte GPV en de meer evangelische RPF, die later fuseerden tot ChristenUnie. Terwijl het CDA langzaam deconfessionaliseerde en zich steeds meer op rechts oriënteerde, bleven de CU en de SGP een helder Christelijk signaal uitzenden. Maar nu is er van verwantschap tussen de orthodoxe Christenen is geen sprake meer. De ChristenUnie behoort tot de linkse oppositie, de SGP tot de rechtse gedoogpartijen.

De brede links/rechts-tegenstelling die de Nederlandse politiek structureert heeft nu ook de laatste twee orthodox Christelijke dorpjes veroverd.

EHEC, De Risico-Maatschappij en Groene Politiek

Groene politiek gaat over de lange termijn: klimaatverandering beinvloedt pas de volgende generatie, de zee is pas over 50 jaar leeggevist en radio-actief materiaal levert nu wat energie op maar is eeuwenlang gevaarlijk. Daarmee staat groene politiek veraf van de belevingswereld van de kiezer. Groene partijen stellen abstracte lange termijnvragen over onze energie- en voedselvoorziening. Er zijn een paar groene kiezers die uit post-materialisme kiezen voor het milieu. Maar groene rampen kunnen kiezers wijzen op de acute en pijnlijke gevaren die onze onduurzame levensstijl heeft voor onze leefomgeving.

Nog geen twee weken geleden sprak Femke Halsema over het effect van de "globale risico-maatschappij" op de politiek. En nu is het duidelijk te zien. De uitbraak van EHEC in Duitsland is een uiting van onze hedendaagse risico-maatschappij: een levensgevaarlijk risico dat het gevolg lijkt te zijn van de moderne techniek (bacterien worden resistent van een overgebruik van antibiotica), mensen van alle achtergronden raakt, en dat mondiale gevolgen heeft. En dat net na gebeurtenissen in Fukushima die weer eens hard wezen op de risico's van kernenergie.

Voedselveiligheid is een goed thema voor Groenen om hun problematiek dringend en dwingend te maken. Niets voor niets dat in Duitsland door Groenen het ministerie van Consumentenzaken, Voedselveiligheid en Landbouw opgericht. In Belgie zagen we in 1999 helder wat de electorale gevolgen kunnen zijn van direct waarneembare groene crises. De dioxinecrisis (een crisis over vervuild vlees) kwam daar net voor de verkiezingen uit. Samen wonnen de twee Groene partijen (Ecolo en Agalev) meer dan 14% van de stemmen -een ongekend goede score voor groenen in een nationale verkiezing- ten koste van de gevestigde sociaal- en Christen-democratische partijen. Zeker als het gepaard met een groot bestaand wantrouwen ten opzichte van de bestaande regeringspartijen, kan een ramp kiezers mobiliseren om op groene partijen te stemmen. 

In Duitsland hebben de Groenen een grote overwinning geboekt omdat door Fukushima voor veel kiezers een groen thema de doorslag geeft: niet alleen doet de partij het goed in de peilingen maar bij deelstaatsverkiezingen in Baden-Wuerttemberg haalde de partij meer stemmen dan de socialisten en leveren ze nu de premier. Echter het succes van deze partij is nu zo groot dat het zich zelf opeet: het conservatief-liberale kabinet in Duitsland heeft besloten om te stoppen met kernenergie. Nu er geen massaal protest meer nodig is tegen kernenergie zouden de Groenen terug kunnen vallen: het laat mooi zien dat beleidssucces en electoraal succes niet altijd hand in hand gaan.

Corroderend cultuurpessisme versus het verlichte vooruitgangsideaal

Je hoort het steeds vaker, en toch het meeste van bejaarden. Vroeger was alles beter. Toen hingen jongeren niet in de wijk, toen werd er geen afval op straat gegooid of rommel gemaakt. Toen ruimde we dat gewoon op en werkte iedereen hard. Het gaat alleen maar achteruit in dit land.

Dit doorbreekt een kernwaarde van de moderne samenleving: het ideaal van vooruitgang. De constatering dat de huidige tijd beter is dan wat er was. Dat we door technologische innovatie en culturele vernieuwing rijker, vrijer en gelukkiger worden. En het zekere vertrouwen dat de toekomst beter zal zijn dan vandaag. Dat is de kern van het verlichtingsideaal. Onze moderne cultuur is gestoeld op innovatie en emancipatie opdat de volgende generatie vrijer zal zijn dan de vorige. Dat zijn de drijvende krachten van onze cultuur: een vertrouwen in vooruitgang en verlangen naar vernieuwing. Het adagium "Sterft gij oude vormen en gedachten." dat is de kern van onze verlichte samenleving.

Door het ideaal te propageren dat vroeger alles beter was, snijdt men juist de culturele verbinding tussen ons en vorige generaties door. Vervangt men ons verlichte vooruitgangsideaal door een middeleeuws geloof in tradities en behoud van gewoonten. Vroeger was alles beter dan vandaag. En we kunnen ons alleen maar zorgen maken over de dagen die komen gaan. Als dat zo doorgaat, acht ik het niet onwaarschijnlijk dat onze samenleving langszaam terugvalt naar een middeleeuwse staat: dat de vikingen onze kustdorpen binnen vallen, dat slechts een op de tien kinderen de volwassen leeftijd zal bereiken, dat Nederland uitelkaar valt in tegenelkaar strijdende bisdommen, graafschappen en steden, en dat de straat vol ligt met afval, etenresten en pestlijken doe uit het raam zijn gegooid.

Kort samengevat: vroeger was alles beter want toen was er nog geen corroderend cultuurpessisme alleen maar een verlicht vooruitgangsideaal.

Wes Anderson: Extraordinarily Quirky

"When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself"

Ik ben een groot fan van de films van Wes Anderson. De Amerikaanse filmmaker maakt films die met een woord te beschrijven zijn "quirky": de karakters zijn allemaal excentriek, ze hebben al jong grote talenten of grote dromen, al hun onderlinge familie- en liefdesrelaties zijn dysfunctioneel. Dat maakt de films tragisch, komisch en absurdistisch tegelijkertijd.

Dat wordt gecombineerd met een aantal terugkerende stijlkenmerken een herhaling van acteurs in verschillende films  (Owen Wilson speelt in alle films), close ups, duikscenes, muziek uit de jaren '70. Mijn grootste favoriete stijlfiguren zijn de korte staccato dialogen: mensen communiceren nauwelijks met elkaar, nauwelijks reageren op de gebeurtenissen om hen heen.

Anderson heeft zes bijzondere films gemaakt. In deze films komen een aantal thema's terug: excentrieke, ongewone mensen met excentrieke ongewonen dromen. Veel karakters willen een bijzonder level leiden of doen dat al en houden dat niet voor zich zelf. In Bottle Rocket hebben twee broers de droom om meestercriminelen te worden. In The Life Aquatic heeft een filmmaker nog maar een droom over zijn Moby Dick verslaan, een jaguar shark. In Darjeeling Limited neemt een broer zijn broers mee op een spirituele reis naar India. In The Fantastic Mr. Fox volgt een zoon zijn vader in diens grote droom: een meesterdief worden.

Meer nog dan een droom iets te doen of ergens naar toe te gaan hebben de figuren allemaal de droom om een betere relatie te hebben met hun familie. Alle families in de films van Wes Anderson zijn dysfunctioneel: ouders die niet met elkaar communiceren, scheidingen, broers die uit elkaar groeien, maar toch op zoek zijn naar contact met elkaar. In de eerste scene in Bottle Rocket haalt een broer zijn andere broer uit een gekkenhuis. Het plan om meestercrimineel te worden is met name een manier voor de broers om een gezamelijk doel te hebben. In Rusmore ontkent de hoofdpersoon voortdurend zijn vader (een kapper), hij is op zoek naar een interessanter leven waarin zijn vader neurochirurg is. The Royal Tenenbaums gaat over een gescheiden vader die op zoek is naar contact met zijn kinderen. Zijn ex-vrouw weigert dat en alleen door te liegen dat hij stervende is, kan hij zijn kinderen en kleinkinderen opnieuw spreken. Ondertussen is een van zijn zoons bezig om een relatie te beginnen met zijn (geadopteerde) zus. In The Life Aquatic gaat een verloren gewaande zoon samen met zijn hervonden vader op haaienjacht. Op zoek naar contact met zijn vader. Als hij is omgekomen, komt zijn vader erachter dat het zijn zoon niet kon zijn. In Darjeeling Limited gaan drie broers, na de dood van hun vader, op zoek naar hun moeder die als non leeft in India. In The Fantastic Mr. Fox verstoort de komst een neefje de relatie tussen een zoon en zijn vader. En probeert de zoon alles te doen om door zijn vader gewaardeerd te worden. Een droom van betere relatie tussen vader en zoon, tussen broers onderling drijft veel karakters.

Veel kinderen of hun ouders zijn ook allemaal heel getalenteerd. Het is dus zeker te verwachten dat deze mensen een ongewoon leven zullen gaan leiden: het hoofdpersoon in Rushmore is als schoolgaande jongen al een veelkunner: een gewaardeerd toneelschrijver, kalligrafist, activist, schermer etc. De kinderen in The Royal Tenenbaums zijn ook wonderkinderen, de dochter is al jong een gewaardeerd toneelschrijver (ziet u een patroon?), een zoon is al jong een top-tennisser en een zoon is al jong een veel verdienende financieel analyst. De vader uit The Life Aquatic is een gewaardeerde maker van films over het zeeleven. De vader uit the Fantastic Mr. Fox is een meesterdief.  

En toch missen veel van deze mensen ook belangrijke talenten: zijn bijvoorbeeld bijna allemaal niet getalenteerd in de liefde. Een broer uit Bottle Rocket wordt verliefd op een spaanstalige schoonmaakster. Het feit dat ze elkaar taal niet spreken zorgt er volgens hem voor dat hun relatie er beter op wordt. In Rushmore staat een driehoeksrelatie centraal tussen een excentrieke leerling, zijn 50 jaar oudere beste vriend en een middelbare schooldocente. In The Royal Tenenbaums zijn de ouders gescheiden, maar beginnen twee van hun kinderen in het geheim, wijfelend een affaire met elkaar In The Life Aquatic strijden een vader en een zoon om de liefde van een journaliste die al zwanger is van een ander. Darjeeling Limited opent met een korte film die gaat over de dysfunctionele relatie van een van de twee broers.

Altijd tot in de puntjes ambachtelijk gemaakte films met een herhaling van stijlkenmerken, maar ook van verhaallijnen: uiterst getalenteerde, excentrieke mensen met ongewone dromen die langszaam en wijfelend op zoek gaan naar de warmte van liefde en familie.