Eigen verantwoordelijkheid

Het kabinet-Rutte is het kabinet van de eigen verantwoordelijkheid. In de zorg komt dit het helderst naar voren: het kabinet wil besparen op de zorgkosten, mensen meer zelf laten betalen voor hun zorg en mensen hun zorg en mensen meer voor elkaar laten doen. Eigen verantwoordelijkheid zegt Rutte dan, Sabine Uitslag lacht erbij "iets doen voor een ander."

Als liberaal ben ik een groot voorstander van eigen verantwoordelijkheid, maar je moet een correcte balans slaan tussen gemeenschappelijke verantwoordelijkheden en individiduele verantwoordelijkheden. Individuele verantwoordelijkheden moet je zelf dragen en gemeenschappelijke verantwoordelijkheden moeten we gemeenschappelijk dragen.

Dit kabinet maakt dat onderscheid niet: het persoonsgebonden budget wordt voor allerlei mensen afgeschaft. Waarom je zo'n budget nodig hebt, maakt eigenlijk niet uit. Als niet permanent zorg nodig hebt, maak je geen aanspraak op een budget waarmee je op de markt zorg kan kopen en ben je gebonden aan de lokale zorgmonopolis. Als iemand door zijn eigen gedrag gehandicapt is geworden, dan wordt hij uit hetzelfde potje betaald als iemand die buiten zijn schuld om gehandicapt is geworden. Het uitgangspunt in de verdeling van zorgmiddelen is dus nood en niet verantwoordelijkheid. Dat lijkt me niet liberaal.

Je kan, in na volging van de Amerikaanse links-liberale filosoof Dworkin,  een onderscheid maken tussen drie soorten risicio's: risico's die je zelf neemt, risico's die verzekerbaar zijn en onverzekerbare risico's. Je kan je benen kwijt raken door je eigen gedrag, bijvoorbeeld door te hard motor te rijden en te vallen. Dat kan ook door een verzekerbaar risico: bijvoorbeeld als bent aangereden worden door een motorrijder. Het kan ook door een onverzekerbaar risicio, als je bent geboren zonder benen. Ik denk dat je bij zorgkosten van dit principe uit moet gaan: als je zelf een risico loopt, moet je daar zelf voor betalen. Het kan toch niet zo zijn dat als je door je eigen gedrag allerlei letsel oploopt, dat je kosten daarvan afwentelt op de rest van de samenleving. Het plezier is voor jou, maar de kosten zijn voor de samenleving. Bij verzekerbare risico's geldt dat iedereen een gelijk risico loopt en daar dus gelijk voor zou moeten betalen. Bij onverzekerbare risico's geldt dat sommige mensen met grote talenten zijn geboren en andere mensen met grote handicaps. De mensen die zijn geboren met talenten hebben daar niets voor gedaan, even zeer als mensen die zijn geboren met handicaps. We zullen dus de kosten van de zorg moeten herverdelen tussen mensen die door hun handicaps grote zorgkosten hebben, en mensen die door hun toevallig gekregen gezondheid geen zorgkosten hebben.

Dat betekent dat ik drie verschillende mechanismen van zorgfinanciering voor mij zie: een zware accijns op allerlei risico's die mensen bewust lopen: alcohol, tabak, soft drugs (legaliseren en belasten!), vet, zout en zout eten. Motorrijden, prostitutiebezoek, mobiele telefoons. You name it, zolang er een bewijsbaar medisch risico is van de consumptie, dan zul je ervoor moeten betalen, vooraf. Zo kan je eigen verantwoordelijkheid verbinden aan de garantie voor zorg voor mensen die het nodig hebben. Voor verzekerbare risico's voldoet een verzekering met een gelijke premie voor allen: iedereen loopt een gelijk risico. En onverzekerbare risico's moeten betaald worden door een premie die afhankelijk is van inkomen: de mensen die meer door toeval talenten hebben en dus meer verdiencapaciteit moeten betalen voor mensen die door toeval veel zorgkosten oplopen.

Eigen verantwoordelijkheid lijkt me een liberaal principe, maar je moet het toepassen waar mensen zelf risico's lopen, niet voor mensen die er niets aan kunnen doen.

Politieke Partij Gematigden?

Eerder heb ik geschreven over de bloedgroepen in GroenLinks. Uit welke partijen kwamen GroenLinks parlementariers voort? Eerst was de PPR dominant, maar sinds 1998 is de PSP de enige bloedgroep die enige kamerleden leveren. Maar hoe is het beeld andersom: zijn PPR, PSP en CPN-Kamerleden overgegaan naar GroenLinks?

We weten niet alles over de politieke voorkeuren van oud-Kamerleden: sommige zijn in relatieve onbekendheid teruggetrokken. Van de CPN-, PPR-, en PSP-Kamerleden die in 1989 nog leefden weten we het volgende. Van 30% van de PPR weten we niet naar van welke partij ze lid waren, van 50% van de CPN leden niet en van ruim 15% van de PSP-leden.

Untitled

Van de 23 PPR-Kamerleden is het maar van 3 Kamerleden zeker dat ze naar GL zijn overgegaan: dat zijn de vier zittende Kamerleden (Beckers, Lankhorst, De Gaay-Fortman en Verbeek). Evenveel mensen die voor de PPR in de Kamer hadden gezeten werden lid van de PvdA (Jurgens, Van Doorn, en Janssen). Twee Kamerleden (echte politieke zwervers Van Hulten – voor het laatst gezien als 50+kandidaat en Van Gorkum) waren rond de oprichting van GroenLinks lid van D66. Ruim 20% van de PPR kamerleden was rond 1989 politiek onafhankelijk: ze hadden gebroken met de PPR.

Van de PSP Kamerleden is het van ruim 40% zeker dat ze over zijn gegaan naar GroenLinks. Sterker nog: twee mensen die een prominente rol hadden binnen de PSP in de jaren '80 zijn nog steeds actief voor GroenLinks: PSP-senator en huidig Noord-Hollands Statenlid Van Leeuwen en PSP-leider en huidig Amsterdams wethouder Van Es. Een was overgegaan naar de PvdA. Drie eindigden bij marginale partijen (waaronder PSP-leider Van der Spek).

De CPN opvallend genoeg ging bijna 40% van de PPR-Kamerleden over naar GroenLinks. Een groot deel van hen (Meis '92 en Bakker '99) brak met GroenLinks en ander deel stootte door naar leidende posities in GroenLinks in 1994 (Van Dijk en Brouwer). De EVP staat er niet tussen: 100% van de EVP leden (namelijk Cathy Ubels) gingen niet over naar GroenLinks.

Hoe moeten we al deze cijfers interpreteren? Binnen de PPR speelde begin '80 een groot conflict over de koers van de partij. De Godebald groep wilde dat de partij zich richtte op progressief Christelijke kiezers uit het centrum en samenwerkte met de PvdA en D'66. Ze verloren het van de twee andere groepen, de een die koos voor groene samenwerking en de ander voor klein linkse samenwerking. De vorming van GroenLinks (dat nog acht jaar op zich zou laten werken) zorgde voor een uitstroom van prominente PPR-leden, waaronder veel oud-Kamerleden en ministers: Erik Jurgens, voorzitter van de NOS, Jacques Aarden, Raad van State, Jacques Tonnaer, burgemeester van Sittard en Henk Waltmans, burgemeester van Landsmeer. De PPR was namelijk ooit opgericht als progressief-Christelijke regeringspartner van de PvdA. Er zaten dus veel gematigde gouvernmenteel ingestelde mensen in. Politieke Partij Radikalen was eigenlijk dus geen goede naam voor de partij Politieke Partij Gematigden misschien destemeer. Toen de PPR het electoraal niet goed deed en de PPR steeds meer in een groene richting ontwikkelde, namen de echte radicalen de partij over. Onder de mensen die toen de partij verlieten was Ad Melkert, die 10 jaar later gedurende een decennium zijn stempel drukte op Nederland en de PvdA.

Ook binnen de CPN en de PSP waren er discussies over samenwerking het waren daar echter de radicalen die tegen samenwerking waren en de meer gematigde elementen die voor samenwekring waren. De meeste van de gematigde oud-Kamerleden gingen dus mee in de progressief-linkse samenwerking.

GroenLinks mag nu ideologisch op de PPR lijken, in personeel opzicht lijken de twee partijen niet op elkaar. Het grootste deel van de PPR-top had al met de partij gebroken toen deze opging in GroenLinks.

De Luxemburgisering van het Europees Parlement

In hoeverre lijken Europese partijsystemen op elkaar? Door de uitslagen van de Europese verkiezingen in de verschillende Europese landen met elkaar te vergelijken kunnen we inzicht krijgen hoe Europese partijsystemen van elkaar verschillen en hoe het Europese partijsysteem is ontwikkeld.

De methode is een simpele correspondentie-analyse op de matrixen van de samenstelling van Europees Parlementsdelegaties naar staat. Dus hoe dichter twee landen naast elkaar staan destemeer ze op elkaar lijken qua partijsysteem en hoe dichter twee partijen bij elkaar staan hoe vaker ze in dezelfde landen sterk zijn.

EP1979

In 1979 zijn er twee sterke tegenstellingen: op de horizontale dimensie aan de ene kant staan alle landen en aan de andere kant Engeland en de Conservatieve Europese Democraten. Op de verticale dimensie staan alle landen en aan de andere kant Frankrijk en de Gaullistische Europese Progressieve Democraten. De verdeling is dus met name tussen rechtse partijen. De rechtse krachten zijn verdeelt: de Conservatieve, de Gaullisten en de Christen-Democratische EPP zijn de drie uiterste. Omdat de meeste Europese landen Christen-democratische partijen hebben staan deze allemaal aan de kant EPP: Luxemburg, Nederland, Belgie, Duitsland en Italie. Deze Europese landen hebben "typische" Europese partisystemen met Christen-democraten, liberalen en sociaal-democraten. Hierop was het originele partijsysteem van het Europees Parlement (stammend uit 1958) gebaseerd. Dit partijsysteem is in de meest pure vorm in Luxemburg te vinden. Frankrijk, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denenmarken met andere centrumrechtse partijen staan op de buitenrand: conservatieven in het Vereningd Koninkrijk en Denenmarken, en Gaullisten in Ierland en Frankrijk.
EP1984

In 1984 is dezelfde basisstructuur behouden: de Christen-Democratische EPP, de Conservatieve ED en de Gaullistische EDA op de uitersten. Centrum-rechts was verdeeld over drie partijen: een daarvan pro-Europees (EPP) en twee daarvan Euroskeptisch (ED en EDA). Die twee zijn dan weer verdeeld tussen de pro-Atlantische ED in landen met een protestantse achtergrond en de Republikeinse EDA in landen met een katholieke achtergrond. De andere partijen zijn de sociaal-democratische PES, die eigenlijk in alle Europese landen sterk is, de Communisten die in met name Italie en Frankrijk sterk zijn. De liberale ELD waar een deel van de Franse unie van liberalen en Christen-democraten UDF lid van is. Daarnaast is er de regenboog alliantie (een alliantie van groene en regionalisten met de Duitse Groenen als kernpartij), en het kort bestaande Europees Rechts van extreem-rechtse partijen.

EP1989

In 1989 gebeurt er iets opmerkelijks: de communisten breken op in twee blokken, de pro-Moskou Coalitie van Links (UL) en de Eurocommunistische Verenigd Europees Links (UEL). De ene is met name sterk in Frankrijk (pro-Moskou) en de ander met name in Italie (Eurocommunisten). Daarnaast blijft de traditionele structuur bestaan: de UL doet het goed in Frankrijk, het land dat door zijn sterke Republikeinse Gaullisten en extreem-rechtse partijen aan de ene kant van het Europese spectrum staat. Aan de andere kant is er Italie waar met de UEL het goed doet en de Christen-democraten. En op de horizontale dimensie nog steeds de tegenstelling tussen het Verenigd Koninkrijk en de rest van het continent.

EP1994

In 1994 treedt er een nieuwe partij toe tot het Europees Parlement: Forza Eruopa, de groep rond van de Italiaanse populistische partij Forza Italia. Ondertussen zijn de conservatieven toegetreden tot de EPP. De Fransen staan nog steeds ver af van de rest van Europa: met een eigen centrum-rechtse groep (EDA, rond de Gaullisten), een eigen extreem-rechtse groep (EN, rond het Front National) en een eigen progressief-linkse groep (ERA, rond de Radicale Partij van Links). Alle andere Europese partijen staan geconcentreerd op allle andere Europese landen: de centrum-rechtse EPP, de centrum-linkse PES, de liberale ELDR, de communistische EUL en de groene G.

EP1999

In 1999 is er sprake van een totale Luxemburgisering van het Europees Parlement. De EPP heeft nu vertegenwoordigers uit alle Europese landen: de Britse Conservatieven, Forza Italia en de Franse Gaullisten zijn allemaal toegetreden tot de EPP. Alleen Ierland heeft een "eigen" Euroskeptische groep rond Fianna Fail vroeger een trouwe bondgenoot van de Gaullisten. Nu kunnen we beter zien wat de verschillen tussen de andere landen en partijen zijn.  Aan de ene kant staan de klassieke volkspartijen EPP en PES, die sterk zijn in Spanje, Portugal, Luxemburg, Duitsland, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk, Italie, Oostenrijk en Frankrijk. In een aantal van deze landen staan ook de communisten er nog goed voor. Een aantal landen staan verder hiervan: Nederland, Denenmarken, Belgie en Finland. In deze landen staan liberalen en Groenen er veel sterker voor. Er is dus een tegenstelling tussen staten waarin volkspartijen van links en rechts sterk staan en staten waarin progressieve partijen van links en rechts voet op de grond hebben gekregen. EP2004

In 2004 is dezelfde basis structuur te zien: Ierland (en nu Letland) apart omdat daar grote Euroskeptische partijen zijn met een eigen groep. Ook Polen en Italie hebben grote delegaties in deze groep. En dan is er een tegenstelling tussen landen met sterke progressieve partijen (liberalen en Groenen): Denenmarken, Estland, Belgie, Finland, Nederland, Slovenie en Frankrijk. En aan de andere kant landen waar communistische partijen sterk zijn (Griekenland, Cyprus en Tsjechie), dit zijn ook landen waar de centrum-rechtse EPP sterk staat. Die staan ook sterk in Duitsland, Portugal, Hongarije, Malta en Slowakije. De centrum-linkse PES staat in het midden tussen de liberale ALDE en de Communistische UEL/NGL in.
EP2009

In 2009 is deze basisstructuur te zien: een nu veel grotere Euroskeptische groep, de ECR, rond de Britse Conservatieven samen met Poolse, Tsjechische en Litouwse populisten. De centrale tegenstelling tussen de andere landen is zoals eerder de tegenstelling tussen landen met sterke Groenen en liberale partijen (Estland, Nederland, Finland, Denenmarken en Oosterrijk). Opvallend genoeg doen echter Euroskeptische partij EFD het hier goed en zijn er veel Non-Inscrit, Euroskeptici die te extreem zijn voor gevestigde partijen. De sterke progressieve partijen gaan dus gepaard met sterk rechts-populistische partijen. Aan de bovenkant staan nog steeds Portugal, Cyprus, Malta, Griekenland, Spanke, Hongarije, Slowakije, Italie, Duitsland en Letland. Hierdoen de traditionele Europese volkspartijen (sociaal-democraten S&D en de centrum-rechtse EPP) het nog steeds goed en vaak de communisten ook.

Dus welke conclusies kunnen wie hierdoor trekken over de Europese partijsystemen? Ik denk drie: er was een standaard Europees partijenstelsel dat in Duitsland en de BeNeLux landen sterk stond. Luxemburg: hier is een sterke Christen-democratische partij, een sterke sociaal-democratische partij en een liberale partij. Dit stelsel met een tegenstelling tussen markt (Christen-democraten/liberalen) en staat (sociaal-democraten) en kerk (Christen-democraten) en staat (liberalen/sociaal-democraten) is lange tijd dominant geweest. Voor 1959 leek Frankrijk hier ook op, voor de jaren '80 Oosterrijk ook en voor '90 Italie ook.

Het Franse partijen stelsel (sinds 1959), het Britse, het Ierse en in mindere mate het Italiaanse partijenstelsel verhouden zich lastig tot dat Luxemburgse model: hun grote centrum-rechtse partijen hebben een sterke nationalistische orientatie. Dat zorgt ervoor dat ze ook lastig in Europa kunnen samenwerken: ze benadrukken de nationale eigenheid en zijn vaak Euroskeptisch.  Daarom wisselen de Britse Conservatieven tussen samenwerking in de EPP en in een eigen groep, en zijn de Franse en Ierse Republikeinse partijen zolang onafhankelijk van de EPP geweest. Maar in tussen 1999 en 2009 was er sprake van een Luxemburgisering van deze landen. Ze gingen meer in pas lopen met de rest van Europa en dus samenwerken in de Christen-democratische EPP.

Tussen 1979 en de 2009 was er tweede ontwikkeling zichtbaar: de opkomst van sterke liberale en Groene partijen in een aantal Europese landen. Hierdoor stond een sterk verschil tussen landen met traditionele massapartijen (Christen-democraten, sociaal-democraten en communisten) en landen met sterke liberale en Groene partijen: zoals Nederland en Denenmarken. Deze moderne partijsystemen hebben echter ook grote Euroskeptische randpartijen: denk aan de PVV of de Deense Volkspartij.

Het meten van Italiaanse partijposities door regeringsdeelname

Je kan de posities van politieke partijen meten door te kijken naar expert-inschattingen, politieke teksten, parlementair gedrag. Maar je kan ook kijken naar politieke samenwerking. In dit geval kijk ik naar de samenwerking van Italiaanse partijen in kabinetten.

We kijken naar Italie om twee redenen. Tussen 1946 en 1993 namen zes partijen deel aan de regering, die gedurende de hele periode bestonden. Ze namen deel aan verschillende soorten kabinetten: minderheidskabinetten van DC, kabinetten over rechts, kabinetten over links en in de jaren '80 de pentapartito: een coalitie van alle vijf partijen behalve de communisten. Omdat het gemiddelde kabinet minder dan een jaar zat, is er veel variatie in de kabinetten.

Er zijn zes partijen die sterk doen denken aan de Nederlandse partijen:

  • de conservatief-liberale Italiaanse Liberale Partij (PLI) – pedant van de VVD
  • de progressief-liberale Italiaanse Republikeinse Partij (PRI) – die doet denken aan D66 en de Vrijzinnig Democratische Bond
  • de Italiaanse Communistische Partij (PCI) – CPN
  • de Italiaanse Socialistische Partij (PSI) – de Italiaanse versie van de PvdA
  • de Italiaanse Sociaal-Democratische Partij (PSDI) – die sterk doet denken aan rechtse afsplitsing van de PvdA DS'70
  • de Christen-Democratische Christelijke Democratie (DC) – de Italiaanse KVP/CDA.

Rplot

Ik heb gekeken hoelang bepaalde partijen in de regering hebben gezeten met andere partijen en op basis hiervan afstanden tussen partijen berekend en deze afstanden in een multi-dimensionale schalingsanalse gebruikt. Een twee dimensionaal model geeft op zo'n efficient mogelijk manier. Er zijn twee dominante tegenstellingen: de eerste is de tegenstelling tussen de rechtse partijen (sociaal-democraten, de liberalen en de Christen-democraten) en de linkse partijen (republikeinen, communisten en socialisten). Het interessante is dat de sociaal-democraten ruim in de rechter kollom worden geplaatst. De PSDI was gevormd door de tak van de PSI die iedere vorm van samenwerking met de communisten weigerden. En daarom gingen ze samenwerken met de andere grote partij in Italie: Christen-democraten.

De tweede dimensie scheidt partijen naar lengte dat ze in de regering zaten: de DC, die de hele periode in de regering zat en aan de andere kant staat de PCI die 45 jaar in de oppositie zat. De liberale PLI zat maar 19 jaar in de regering, de PSI 21 en de progressief-liberale partner van DC, PRI 26, en de PSDI 32. 

Al met al kan je door het kijken naar deelname in de regering op een redelijke manier de posities van partijen meten.

Fractieleider in de media en jonge Kamerleden in de Kamer?

De NRC heeft in samenwerking met Maarten Marx een mooie data set online gezet. Van alle kamerleden, van het laatste jaar de deelname aan plenaire parlementaire debatten, inclusief woordgebruik, en deelname aan radio en televisie programma's en mentions in de NRC. Leuke data om naar te kijken. Op advies van Liesbeth van Tongeren ga ik eens kijken naar de positie van GroenLinks.

Rplot

De activiteit van kamerleden hangt sterk af van hun lidmaatschap van een fractie: leden van kleine fracties zijn aanzienlijker actiever. Een SGP'er doet 60 debatten, een PvdD'er doet er 40. PvdA'er of een VVD'er doet er gemiddeld maar een stuk of 10. De andere partijen liggen tussen die twee extreme. Wat opvalt is dat er een aantal partijen minder doen zijn dan andere ongeveer even grote partijen. Een PvdD'er zit ver onder een SGP'er. Een CDA'er doet meer dan een PVV'er, een PvdA meer dan een VVD'er en een D66 doet meer dan een GL'er. De SGP loopt alle debatten af, de PvdD is selectiever. De PvdA zal als oppositiepartij aan meer debatten mee doen dan de VVD. GroenLinks is (net iets) minder actief dan D66. Dat lijkt zo omdat Niels van den Berge niet in de data set is die voor een aantal maanden lid was van de Kamer in plaats van Mariko Peters.

Rplot2

Deze figuur is gebaseerd op een multidimensionale schalingsanalyse van de data over debat en mediadeelname. De zwarte lijnen geven weer hoe bepaalde onderwerpen samenhangen met het model.

Wat weten over de GroenLinks Kamerleden? Er is data verzameld over de deelname van kamerleden aan plenaire parlementaire debatten, aan radio-programma's, TV-programma's en mentions in de NRC. Ik heb de patronen hierin geanalyseerd en dat leidt tot het figuur hierboven. De lijnen geven weer wat bepaalde kamerleden in meer of mindere mate doen: Sap verschijnt veel in het NRC en op de radio. Klaver, Van Gent en Dibi spreken veel in de Tweede Kamer. Sap en Dibi komen relatief vaak op de televisie. 

Er zijn vier clusters waarneembaar: Sap komt met name veel in de media in is relatief inactief in de kamer. Er staan maar 13 debatten op haar naam. Daarmee is het een-na-minst-actieve kamerlid. Alleen als het Chefsache is komt Sap naar de kamer. Sap verschijnt wel veel in de media: in het NRC, op de radio en de televisie is Sap het meest geziene kamerlid. Het tweede cluster wordt gevormd door Klaver en Voortman, deze zijn het actiefst in de kamer beide hebben 38 debatten op hun naam en daarmee zitten ze in de top 10 meest actieve kamerleden. Van Gent en Dibi zitten er tussen in: relatief veel kamerverschijningen en relatief veel verschijningen in de media. Daarnaast  zijn er kamerleden die weinig actief zijn in de Kamer en in de media: El Fassed, Braakhuis en Van Tongeren zitten daartussen, ook Grashoff (pas sinds kort Kamerlid) en Peters (lange tijd uit de Kamer door zwangerschap en ziekte). Er is geen relatie tussen de activiteit in de kamer en de activiteit in de media: er zijn kamerleden met veel media aandacht en weinig activiteit in de Kamer (Sap), met veel activiteit in de Kamer en de media (Dibi, Van Gent), met veel activiteit in de Kamer maar weinig in de media (Klaver, Voortman), met weinig activiteit in de Kamer en de media (de rest). Alleen als we Sap als fractievoorzitter buiten beschouwing laten is er een matige relatie waarneembaar tussen activiteit in de media en in de Kamer, waarbij met name televisie-optredens samenhangen met optredens in de Kamer.

Wat opvalt dat is aantal mediaverschijningen afhankelijk lijkt te zijn van eerder lidmaatschap van de kamer: Sap, Van Gent en Dibi waren alle drie al lid van de kamer en krijgen relatief veel media aandacht. Voor activiteit in de kamer is ervaring minder van belang: Klaver en Voortman doen veel debatten terwijl ze nieuwe kamerleden zijn. De meest actieve kamerleden zijn Klaver, Voortman, Dibi, Van Gent en Braakhuis. Twee ervaren rotten (Dibi en Van Gent) en drie kamerleden met relatief zware hervormingsagenda's: financien, sociale zaken, onderwijs en volksgezondheid. Naast ervaring lijkt dus ook de portefeuille heel belangrijk: dat is een Kamerlid zijn allerlei belangrijkste bezit.

Duurzaamheid: Overleven

De Panda. Dat is het symbool van de milieubeweging. Met onze vervuilende industrie en onze voortdurende behoefte aan nieuwe landbouwgrond bedreigen we de leefgebieden van de panda. De kern van het milieuprobleem is dat wij als mensen een nieuwe ecologische balans moeten slaan met onze natuurlijke omgeving.

10686829

Dat is een manier om naar het milieuprobleem te kijken: de mens is gevaar voor de natuur om ons heen. Wij bedreigen het natuurlijke evenwicht om ons heen. En daarmee het voorbestaan van allerlei soorten: pandas, berggorilla’s, Kakapo en neushoorns. Voor al deze soorten moeten wij, Groenen, het opnemen.

Maar dat lijkt me een verkeerde manier om te kijken naar de aard van ons probleem. We moeten de natuur niet beschermen uit natuurlievendheid of altruisme. Het uitsterven van diersoorten is een onderdeel van een natuurlijk proces van natuurlijke selectie. De panda plant zich erg langzaam voort en moet een groot deel van de dag het zeer onvoedzame bamboe eten. Nu komt er een andere diersoort in de habitat van de panda. Deze is beter in staat om gebruik te maken van de natuurlijke grondstoffen. Dan is het een onderdeel van het natuurlijke proces dat de dieren die minder geschikt zijn niet overleven. Het is hard, maar dat is de natuur.

De natuur is een harde wereld: het gaat om het overleven. Die soorten blijven voortbestaan die zich het beste hebben aangepast aan hun natuurlijke omgeving. De Kakapo, een loopvogel, die in reactie op een roofdier niet weg vlucht maar denkt “als ik stil ga staan, dan loopt’ie vast weg”, kon zich niet verdedigen tegen de binnenkomst van katten en dreigt nu uit te sterven. Of neem de neushoornsoort die zijn kinderen achter zich laat lopen, zodat hij niet kan zien dat ze gevangen worden door roofdieren. Nature is not kind to fools.

Strigops_habroptilus,_camouflage

"Ik ben er niet, let niet op" dacht de Kakapo

Moeten we dan niets doen om het milieu te beschermen? Ja: de mens is zelf ook een diersoort. Het ziet er nu naar uit dat de mens best is aangepast. Maar op termijn loopt de mens als diersoort gevaar. Door grondstoffen uit te putten, door natuurgebieden aan te tasten, bedreigt de mens zijn eigen bestaan. Als soort brengen we ons eigen voortbestaan in gevaar. Duurzaamheid gaat uiteindelijk om het voortbestaan van de menselijk soort. Alleen als wij minder grondstoffen gaan gebruiken, als we in onze productieprocessen rekening gaan houden met vervuiling, als we overstappen naar groene energie en op duurzaam voedsel (vlees noch vis, minder boter, kaas en eieren), dan heeft onze soort overlevingskansen.

Duurzaamheid gaat uiteindelijk niet om altruisme, maar om eigenbelang.