Deense uitslag ruimtelijk in beeld gebracht

Het mooie aan landen met een districtenstelsel is dat je de geografische verschillen in stemgedrag ruimtelijk kan weergeven. De recente Deense verkiezingen lenen zich hier mooi voor. Is het zo dat bepaalde partijen het in bepaalde districten het beter doen?

Denenmarken, als geheel, is verdeeld in 12 districten: de hoofdstad Kopenhagen heeft er twee, de grote eilanden Sjaelland en Fyns zijn districten, en het vaste land Jutland is in gedeeld in vier districten. De eiland(engroepen) Bornholm, Groenland en de Faeroe-eilanden hebben allemaal twee zetels maar zijn zo klein dat ze uit de analyse zijn gelaten.

In Denenmarken zijn er acht partijen: de Sociaal-Democraten (A – denk PvdA), de Liberalen (V – denk VVD), de rechts-populisten (O – denk PVV), de sociaal-liberalen (B – denk D66), de progressieve socialisten (F – denk GL), de verstokte Marxisten (Oe, denk SP), de conservatieven (C – denk CDA) en de klassiek-liberalen (denk I rechterkant D66/progressieve kant VVD).

Hoe verhouden deze partijen zich tot de districten? In Kopenhagen stad doen de linkse F en Oe, en de sociaal-liberale B het goed. In totaal gaan hier twee-derde van de stemmen naar links. Zonder Kopenhagen had links geen minderheid gehaald. In Nordsjaelland, de agglomeratie rond Kopenhagen doet B, het conservatieve C en de klassiek-liberale I het goed. De hogere opgeleide meer urbane bevolking rond Kopenhagen stemt anders dan het vasteland: daar doen de volkspartijen het goed en hier staan een veelvoud aan andere partijen sterk. Opvallend is dat in de stad Kopenhagen links er beter voor staat en de omliggende suburbanisatie rechts. Het sociaal-democratische A doet het hier ook aardig maar staan er aanzienlijk beter voor op het relatief dicht-bevolkte eiland Fyns en in het meer rurale Noorden van het vasteland. In ieder van de kleine eilanddistricten halen de sociaal-democraten en hun zusterpartijen een van de twee zetels op.

De twee grootste partijen van rechts doen het juist aanzienlijk beter op het vasteland. De liberalen halen de grootste steun uit het rurale Westen van het vasteland en de populisten in het rurale zuidelijke Duitse grensdistrict, Zuid-Jutland, het Noorden van Sleswig. Een interessante parallel tussen O en de PVV is dat ze het allebei goed doen in (zuidelijke) grensdistricten, die niet altijd tot het Koninkrijk behoort hebben. Maar ik weet niet of we hier te veel in moeten lezen.

Dit zorgt ervoor dat er een vrij sterke verdeling is tussen de partijen die sterker staan in de hoofdstad en de agglomeratie (Oe, I, F, C en B) en die partijen die sterker staan op het platte- en vasteland van Jutland (A, O en V). Dit is de lijn in het figuur die met name de horizontale as volgt. In de verticale verdeling vinden we een onderscheid tussen de burgerlijke partijen (C, O, V, I en B) en de arbeiderspartijen (Oe, A en F), een centraal onderscheid in de Scandinavische politiek.

Is piratenangst terecht of niet?

Bij de laatste deelstaatverkiezingen in Berlijn haalden de Duitse Piratenpartij 9% van de stemmen. Een ongelofelijke uitslag voor deze libertaire pro-transparantie-nichepartij die voor het eerst mee doet aan de deelstaatverkiezingen.

De Duitse Groenen verwachtten een goede uitslag te halen bij de verkiezingen. Renate Kuenast, de voormalig fractievoorzitter van de Groenen in de Bundestag, had zich al kandidaat gesteld voor Regierender Bürgermeister von Berlin. De Groenen bleven steken op 18%. Een goede uitslag maar geen droomuitslag. De uitslag van de Groenen en Piraten lijkt innig aan elkaar verbonden: de Piraten hebben het meeste kiezers gewonnen van de Groenen.

Wat ging er mis voor de Groenen? De deelstaatverkiezingen zijn tweede-orde-verkiezingen. Een kleine nichepartij, als de Piratenpartij, kan dan scoren. Mensen stemmen met hun hart, voor de lol of laten een echt protestgeluid horen. De Zweedse Piratenpartij haalde bij de Europese verkiezingen van 2009 7% van de stemmen en bij de Zweedse verkiezingen van 2010 minder dan 1% van de stemmen. Geen zorgen dus: bij de nationale verkiezingen zullen de Groenen het goed doen.

Of niet? Bij de Zweedse verkiezingen haalden de Zweedse Groenen 7% van de stemmen en bij de Europese verkiezingen 11%. De Groenen zijn net als de Piraten een nichepartij, een protestpartij, een zondagspartij waar mensen met hun hart op stemmen. Als het om de macht gaan dan stem je toch op een gevestigde partij die verantwoordelijkheid kan nemen, en niet op de Groenen.

Of niet? De Duitse Groenen ontwikkelen zich steeds meer in de richting van een regierungsfaehige partij. De eerste Duitse Groene deelstaatpresident, Kretschmann, zit in het zadel in Baden-Wuerttemberg. Ook in Bremen, Saarland, Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz regeren nu Groenen. Meer dan de helft van de Duitsers wordt op het deelstaatniveau geregeerd door Groene coalitie. De Duitse Groenen zijn een gevestigde partij geworden. En daar zit juist het gevaar: “Die Gruenen sind inzwischen doch eine Partei wie alle anderen auch.” zegt een voormalig Groene Piraat. De Piraten winnen omdat de Groenen in de laatste jaren met hun komeetachtige opkomst te ver zijn geraakt van wat ze waren: van een protestpartij, te veel een potentiele regeringspartner; van een radicaal alternatief te veel het redelijk alternatief. Als je oma overweegt Groenen te stemmen, dan is het voor een jonge beatnik niet cool meer. In de wijken waar de Groenen het sterkst staan doen ook de Piraten het het best: kiezers die vroeger tot de kern van het Groene electoraat behoorden, stappen over zeggen analysten.

Of niet? Hebben de Piraten met transparantie misschien het thema te pakken dat als geen ander aansluit bij de huidige tijdsgeest? Het internet is niet alleen een vrijplaats voor meningen, maar bovendien een een plek waar alles in de openbaarheid komt. Wikileaks liet dat al zien. De Piraten hebben zich in Duitsland op dat thema gericht en niet op het recht om anoniem te mogen stellen van musici. En daarom slaan ze aan: een partij die eerlijk en transparant politiek wil bedrijven.

Of niet? In Duitsland heerst een soort onbestemd onrust. Er is geen populistisch alternatief. Geen uitlaatklep voor de onvrede van burgers met gestuntel van de gevestigde partijen. In de laatste jaar vestigde deze ontevredenheid zich op de Groenen. De enige partij die consistent was in een politiek veld van draaiers, de enige eerlijke partij tussen de machiavellisten. Maar nu heeft een gedeelte van die onbestemdheid Piraat gekozen. En misschien kan Duitsland gerust adem halen omdat de onrust heeft gekozen voor een libertaire partij van Internet-geeks en niet voor de vele autoritair rechts-populistische alternatieven die er ook zijn.

Midden? Welk midden?

Bart Snels, een van de belangrijkste politieke denkers binnen GroenLinks, heeft afscheid genomen van de Tweede Kamerfractie, in zijn eerste grote verhaal als zelfstandig strateeg in de Volkskrant zaterdagochtend, roept hij GroenLinks en D66 op samen een nieuw politiek centrum te vormen. Het is een bijzondere vorm van zelfoverschatting om je eigen politieke vrienden in het midden van de politiek te plaatsen.

Snels ziet hoe de grote partijen in Nederland elkaar in twee blokken, links en rechts, stevig vast houden. VVD, PVV en CDA aan de ene kant, houden elkaar binnen de gedoogconstructie stevig vast. Ook SP en PvdA zijn innig met elkaar verstrengeld, als linkse oppositie. Alhoewel beide blokken het radicaal met elkaar oneens zijn over belangrijke vragen, als hoeveel er bezuinigd moet worden, kunnen zij elkaar ook vinden in een aantal standpunten: ze willen beide de verzorgingsstaat niet hervormen om outsiders de kans te geven en ze willen beide minder Europa, terwijl de crisis leert dat juist een sterker Europa nodig is. Snels wil een alternatief voor links en rechts en zoekt dat in een nieuwe middenbeweging waar GroenLinks en D66 samen kunnen werken. Deze partij kan kiezers in het centrum bedienen en misschien nog wel belangrijker, potentieel met links en rechts in een coalitie. Een ideale middenpartij die spilrol die het CDA jarenlang in Nederland heeft gespeeld, zou kunnen overnemen.

Er is alleen een cruciale misvatting in Snels’ betoog. Snels plaatst zichzelf in het midden van het politieke spectrum. Sociaal-economisch zou daar iets voor te zeggen zijn: GroenLinks en D66 zoeken een middenweg tussen de sociaal-economische behoudzucht van SP en PvdA, en de sociaal-economische sloopzin van CDA en VVD. Zijn pleidooi is om juist sociaal te hervormen: denk aan voorstellen rond de AOW, de WW en het ontslagrecht die GroenLinks en D66 delen. Daarmee zou deze beweging een ideale centrumpositie in nemen tussen links en rechts.

Maar Snels is niet op zoek naar een compromis tussen rechts en links. Hij zoekt een nieuwe tegenstelling op, naast de links/rechts tegenstelling: een tegenstelling tussen hervormingsgezinde-progressieve en conservatief-populistische partijen. En juist op de onderwerpen die hij noemt (de verzorgingsstaat inclusiever en toekomstbestendiger maken en Europese samenwerking) daar speelt die nieuwe tegenstelling (zie bijvoorbeeld dit stuk van Louwerse en mij hierover). Het is niet zo dat GroenLinks en D66 op die nieuwe tegenstelling een centrumpositie innemen, maar ze hebben juist een excentrische positie. Er is een heldere verdeling tussen progressieve partijen (GL en D66), middenpartijen (VVD, CDA, PvdA, CU) en populistische partijen (SP en PVV). Je kon dit helder zien bij de stemmingen donderdagnacht over het pensioenakkoord: SP en PVV waren tegen omdat ze tegen iedere verandering zijn en GL en D66 omdat ze de veranderingen niet ver genoeg vinden gaan om het pensioenstelsel echt toekomst bestendig te maken. VVD, CDA en PvdA sloten in het midden een grijs compromis. Kortom: de middenpartijen op de nieuwe sociaal-economische tegenstelling zijn niet GroenLinks en D66. Niet alleen maar op het niveau van het partijsysteem zijn D66 en GL hier excentrische partijen; ten opzichte van de kiezer is hun positie ook extreem: kiezers staan wat betreft Europa en de hervorming van de verzorgingsstaat dichterbij de SP en de PVV dan bij GL en D66.

En wat dan van de centrale links/rechts tegenstelling? Is die irrelevant geworden? Dat lijkt me niet het geval, maar dat is wel allemaal wat complexer: er is een klassieke links/rechts-tegenstelling tussen staat en markt. Hierop zijn de SP en de VVD elkaar tegenspelers. GroenLinks en de PvdA staan aan een centrum-linkse kant en D66 en CDA aan een centrum-rechtse kant. De PVV neemt hier een onduidelijke positie in. Samenwerking tussen D66 en GroenLinks zou hierin een middenpositie innemen. Kiezers zijn op deze tegenstelling eerder links dan rechts. Maar recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek (De Vries et al. 2011) laat zien dat juist deze tegenstelling steeds minder belangrijk is, en deze wordt vervangen door een tegenstelling die betrekking heeft op migratie, integratie en veiligheid. Het lijkt erop dat links in Nederland steeds vaker verbonden wordt aan “multicultureel”, “open grenzen” en “soft” en rechts aan “monocultureel”, “gesloten grenzen” en “hard”. En hierop nemen GroenLinks en D66 juist een excentrische linkse positie in. De SP en PvdA zijn centrum-links, CDA en VVD zijn centrum-rechts en de PVV is extreem-rechts. Kiezers zijn op dit onderwerp meer rechts dan links. Een samenwerkingsverband tussen GL en D66 zou hier geen nieuwe middenpartij worden, maar een zeer linkse positie innemen.

Dus: zou een samenwerkingsverband tussen GroenLinks en D66 een nieuwe middenpartij worden? Retorisch gezegd zou zo’n samenwerking alleen maar een oude middenpartij kunnen zijn, namelijk een op de verouderde links/rechts-tegenstelling: een middenweg tussen staat (SP) en markt (VVD). Op deze tegenstelling zijn D66 en GroenLinks het overigens niet eens: hier zouden juist de grootste compromissen gesloten moeten worden. Op die onderwerpen waar GroenLinks en D66 het wel overeens zijn, de hervormingsagenda, Europa, migratie, veiligheid en integratie, valt juist op dat deze twee partijen een excentrische positie innemen: ten opzichte van de rest van de partijen en ten opzichte van de kiezer: de multiculturele, hervormingsgezinde en pro-Europese combinatie zou geen middenpartij zijn.

Ten slotte, hoorde ik Lodewijk Asscher laatst op een bijeenkomst van de Wiardi Beckmanstichting zeggen dat het zijn middenpartij meer is dan het innemen van gematigde standpunten. Het betekent bovendien dat je midden in de samenleving staat. Een mooi retorisch gebruik van de term “midden” maar wel een die een kern van waarheid heeft: het is een bijzondere vorm van zelfoverschatting dat je je eigen politieke partij de middenpositie toedicht, terwijl je kiezers geen doorsnee zijn van de Nederlandse samenleving maar bestaan uit een hoger opgeleide, in de Randstadwonende culturele elite met van de norm afwijkende meningen over migratie, veiligheid, Europa en de toekomst van de verzorgingsstaat.

Het Deense Voorbeeld

Ons kabinet, een minderheidskabinet van liberalen en conservatieven, gesteund door xenofobe populisten is niet Made in Holland. Zoals Nederlands links graag naar Scandinavie kijkt als voorbeeld voor onze verzorgingsstaat, laat Nederlands rechts zich graag inspireren door Denenmarken waar het gaat om de politiek.

Maar eergisteren is er een eind gekomen aan de gedoogconstructie in Denemarken: de gedoogpartners waren elkaar zat en de kiezer was rechts ook zat. De conservatief liberale partij Venstre (V), de Conservatieve Volkspartij (C) en rechts-populistische Deense Volkspartij (O) hadden een krappe meerderheid van 89 zetels van de 175.* Hiermee konden ze allerlei rechts beleid, zeker wat betreft immigratie, door de kamer heen duwen. En nu heeft links, de Sociaal-Democraten (A), de sociaal-liberale Radikale Venstre (B), de Socialistische Volkspartij (F) en de extreem-linkse alliantie Eenheidslijst (Oe) een meerderheid. Ironisch genoeg is V nu drie zetels kleiner dan A, maar in Denenmarken telt niet wie het grootste is, maar welk getal er op de eindstreep staat: haalt het linkse blok (BAFOe) of het rechtse blok (VOC) een meerderheid?

De gemiddelde linkse Nederlander ziet deze ontwikkeling met plezier aan: we hoeven maar 10 jaar onze internationale reputatie te grabbel te laten gooien en onze verzorgingsstaat te laten ontmantelen, en dan gunt de kiezer rechts geen meerderheid meer.

De vraag is dus hoe we de verkiezingen precies moeten begrijpen; wat wij als Nederlanders ervan kun leren. In Denenmarken zijn er zeven partijen in het parlement, die sterk op de Nederlandse partijen lijken: de extreem-rechtse PVV-O, de conservatief-liberale VVD-V, de conservatieve CDA-C, de sociaal-democratische PvdA-A. Aan de linkerkant is het allemaal wat complexer: de SP en GroenLinks lijken in meer of mindere mate op de partijen Oe en F. GroenLinks is net als F een meer pro-Europese bestuurlijk-georienteerde partij, en de SP is als Oe Euroskeptischer en radicaler. F is echter, net als de SP harder over migratie, waar Oe softer over migratie, net als GL. Net als GL is de Oe ontstaan als een samenwerkingsverband van linkse partijen. De Deense D66 B is in 2007 gesplitst in twee partijen, de meer sociaal-liberale B en de meer klassiek-liberale Liberale Alliantie (I), die niet wil samenwerken met links, maar rechts een alternatief wil bieden voor samenwerking met O.

De linkse meerderheid is het niet overal over eens: Oe is zeer links op economische onderwerpen terwijl B meer centristische, hervormingsgezinde posities in neemt op economische onderwerpen. B en Oe zijn progressief wat betreft migratie, terwijl A en F zich gevoeliger hebben getoond voor de nationalistische kritiek op migratie. Deze partijen hebben zich uit politiek opportunisme in de laatste jaren steeds conservatiever opgesteld. Luisteren naar de burger, problemen serieus nemen, en afstand nemen van de eerder gevoerde multiculturele lijn. A is nu de minst multiculturele sociaal-democratische partij van Europa. Het zal dus lastig worden om een kabinet te vormen.

Maar deze verschillen bieden ook een interessant inzicht in de aard van de verkiezingsuitslag. Ik heb geprobeerd om op basis van intuitie de zeven partijen in te delen op deze twee dimensies (migratie en economie). Omdat ik de Deense taal niet genoeg machtig ben, kan ik de partijen niet precies scoren op allerlei dimensies. De hieronder geprestenteerde data is dus ook impressionistisch van aard.

Opvallend is dat de grote verschuivingen niet zitten op de links/rechts as maar op de migratie-as. Oe en F zijn zeer links. In 2007 haalden deze partijen samen 27 zetels, en nu 28 zetels. A is centrum-links en blijft stabiel op de 44-45 zetels. Aan de rechterkant is er meer verschuiving maar niet zeer veel. B heeft net als het Nederlandse D66 een centrum/centrum-rechts programma. C en O ook, Dit blokje heeft vijf zetels verloren, terwijl de economisch zeer rechtse I en V samen 56 haalden (+5). Dit geeft een stabiele balans weer: economisch links en rechts blijven in balans. De positie van B, die centristische economische posities combineert met progressieve posities op culturele onderwerpen zorgt ervoor dat de balans in termen van allianties wel veranderd is. Op de culturele dimensie is er een heel andere proces te zien: gematigde en extreme conservatieven (OCV) en gematigde progressieven (AF) hebben allemaal zetels verloren. De centrumpartijen nog het meest: A en F 8 zetels en C en V 9. Alleen de extreme progressieven die voorstander zijn van een Denenmarken dat open staat voor migranten hebben de verkiezingen gewonnen. Ze wonnen ruim 20 zetels. Voor I en Oe zijn dit de beste uitslagen ooit

Ik zou de uitslag van de Deense verkiezingen niet begrijpen in termen van economische ontwikkelingen: de Denen hebben geen stap naar links gemaakt. Deze analyse impliceert in economisch opzicht links en rechts min-of-meer in balans zijn gebleven. Het enige blok dat veel heeft gewonnen zijn de economisch zeer rechtse I en V. De analyse toont dat het juist de cultureel progressieve partijen hebben gewonnen. Je zou deze uitslag dus kunnen begrijpen als een verzet tegen het gevoerde migratie en integratie beleid. Niet F en A hebben gewonnen, linkse partijen die een gematigd-kritisch geluid laten horen over migratie, maar linkse, centrum en rechtse partijen die voorstander zijn van het echt openen van de grenzen van Denenmarken. Zij werden beloond voor hun consistente progressieve, multiculturele politiek.

Welke lessen kan de Nederlandse oppositie hiervan leren?

  1. Er is ruimte voor een progressief-rechtse partij in Denenmarken dus misschien ook in Nederland. D66 kan een stuk naar rechts;
  2. Sociaal-democratische partijen zitten in een tang: als ze stemmen proberen terug te winnen in volkswijken door conservatiever te worden op migratie, verliezen ze progressieve kiezers aan partijen die multicultureel blijven; als ze hun positie niet zouden veranderen worden ze leeg gegeten door populistisch rechts.
  3. En 10 jaar is de maximum duur van het minderheidskabinet, dus we hoeven nog maar 9 jaar te wachten.

* Er zijn technisch gezien 179 zetels in het Deense parlement naast de 175 Deense zetels, 2 zetels uit Faroe en 2 zetels uit Groenland. Hiervan neigen er 3 naar links en 1 naar rechts. Hiermee kan links op een meerderheid van 92 zetels rekenen, maar die bestaat wel uit zeven partijen die verdeeld zijn over migratie, economie en de relatie tussen Europees en Atlantisch Denenmarken.

Eerlijk delen als aporia

Eigenlijk heb ik het best getroffen: mijn ouders hebben hun leven lang hard gewerkt en gespaard. Daarmee hebben ze mij alle kansen gegeven om de opleidingen te volgen die ik wilde. Ik heb nooit hoeven werken tijdens mijn studie, en zelf nu werk ik met name om iets bij te dragen aan de samenleving. Ik heb dankzij mijn ouders een heel mooie startpositie in het leven.

Waarom moeten jullie dit weten? Omdat ik me vaak verwonder over de onrechtvaardigheid van mijn eigen positie: mijn ouders waren welvarend, en ik heb die rijkdom van huis uit mee gekregen. Armoede en rijkdom zijn deels erfelijk. Ik ben enorm gelukkig met wat mijn ouders voor mij hebben gedaan, maar mijn eigen prestaties zijn maar in een klein deel verantwoordelijk voor mijn eigen welvarende positie. Maar dat is niet het enige, neem bijvoorbeeld het feit dat ik man ben: mannen krijgen gemiddeld een hoger loon voor het zelfde werk als vrouwen. Maar ik heb het meest getroffen dat ik in Nederland geboren ben, een land met een van de hoogste gemiddelde inkomens op de wereld. In bijna alle andere landen zou ik voor mijn vijfde zijn overleden, zou ik minder kansen hebben gehad en zou ik aanzienlijk armer zijn geweest.

Als je libertariër zou zijn, zoals Imre Wessels, dan is dit een groot probleem. Een libertariër gelooft dat inkomensverschillen gerechtvaardigd zijn omdat mensen daar zelf voor gekozen hebben. Als iedereen mij vrijwillig 10 euro geeft, dan is er daar geen enkel bezwaar tegen. Wat volwassen mensen vrijwillig doen kan niet onrechtvaardig zijn? Toch?

Maar, heb ik recht op 10 euro die ik aan de rand van de weg vind? Of 10 euro die ik verdien door olie te verkopen uit een bron die ik toevallig heb gevonden? Of 10 euro die ik verdien omdat ik toevallig met een talent voor voetballen ben geboren? Er zijn allerlei ongelijkheden tussen mensen die ervoor zorgen dat mensen verschillen in hun inkomen. Je opvoeding, je klasse, je seksuele voorkeur, je geslacht, aangeboren handicaps en talenten, dat alles bepaalt mede hoeveel je in de toekomst zal verdienen. Inkomen is een combinatie van talent en inzet. Maar zelfs je inzet is deels bepaald door factoren waar je geen grip op hebt: Harvard studenten zijn bovenmatig vaak het eerst geboren kind. Eerst geboren kinderen zijn competitiever en ijveriger dan kinderen die later geboren worden. Een consequente libertariër kan deze ongelijkheden niet laten bestaan: je hebt alleen recht op het geld dat je krijgt voor werk dat jij echt zelf gedaan hebt.

Imre Wessels stelt in zijn blog dat “[e]en persoon met rijke ouders kan van het beste onderwijs profiteren om zijn gebrek aan talent deels te compenseren. Iemand met veel geld kan ook aantrekkelijker worden ondanks dat hij zijn uiterlijk niet mee heeft. Daarnaast las ik vandaag in de Quest dat onderzoekers van Princeton University (V.S.) hebben ontdekt dat langere Britse en Amerikaanse mannen meer verdienen dan hun kortere geslachtsgenoten. Bij elke 10 centimeter extra lichaamslengte, neemt het salaris 4 tot 10 procent toe. Juist door een erfenis zouden kleine mannen hun inkomensverlies, wat wellicht het resultaat is van hun lengte, kunnen compenseren.”

Dit is een uitermate zwakke argumentatie: Wessel onderschrijft het principe dat onverdiende ongelijkheden gecompenseerd zouden moeten worden (korte mannen kunnen gecompenseerd worden door hun gebrek aan lengte), maar vindt niet dat dit georganiseerd zou moeten worden. Volgens mij zou je juist moeten proberen om het inkomen uit onverdiende verschillen in inkomen (door erfenissen en lichaamslengte) gelijkmatig her te verdelen. Niemand heeft recht op het inkomen dat hij krijgt uit een erfenis, zijn lengte, zijn seksuele voorkeur, of geslacht. En dat betekent dat iedereen daar even veel aanspraak op maakt.

Gelijkheid in deze zin is geen uiting van een hoogdravend moreel ideaal. Net zo min als dat vrijheid voor mij geen uiting is van een morele voorkeur. Ik geloof in vrijheid omdat ik niet geloof dat er een set morele regels voor iedereen geldt. Ik onderschrijf het principe van een eerlijke inkomens verdeling juist omdat niemand aanspraak maakt op inkomen waar niemand voor gewerkt heeft. Eerlijk delen is net als vrijheid gebaseerd op Aporia.