Breng de camera de rechtbank in!

Veel Nederlanders vinden dat er zwaarder gestraft moet worden. Ze krijgen van de koppen van De Telegraaf mee wat er zoal in Nederlandse rechtbanken gebeurt. Ze blijven over met het gevoel dat “D66-rechters” met hun softe opstelling de veiligheid van hen en hun kinderen in gevaar brengen door de ene na de andere kinderlokker, moordenaar of loverboy met een taakstraf naar huis toe te sturen.

Als mensen meelopen met een rechtzaak en dezelfde informatie krijgen als een rechter dan geven ze gemiddeld een lagere straf dan de rechters zelf. De roep om zwaardere straffen is in de magistratuur goed aangekomen. Rechters en aanklagers nemen steeds vaker de maatschappelijke impact van een misdrijf mee in de straf of de eis. En toch heeft de Nederlandse burger nog steeds het gevoel dat er te licht gestraft wordt.

Er is binnen de Nederlandse rechtsstaat een epistemische kloof, een kenniskloof. Een belangrijke voorspeller van of mensen zwaardere straffen of een hardere aanpak van criminaliteit voorstaan, is hun opleidingsniveau: lager-opgeleiden zijn vaker voorstander van de doodstraf en hebben minder vertrouwen in rechters dan hoger-opgeleiden. Het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is in plain sight:* lager-opgeleiden begrijpen, vanwege hun kortere opleiding en een gebrek aan sociaal kapitaal minder van complexe maatschappelijke fenomenen als politiek of rechtsspraak. Ze weten gewoon niet wat er in de rechtzaal gebeurt. Ze hebben geen idee hoe een straf tot standkomt: immers als Henk en Ingrid een rechtzaak volgen, in een soort burgerjury, dan straffen ze gemiddeld lager dan rechters dat doen. Maar in de ge-emancipeerde samenleving mag de mondige burger wel een mening hebben over wat er in de rechtzaal gebeurd, zelfs als die zwak onderbouwd is, en heeft hij het volle recht om op partijen te stemmen die oproepen rechters te dwingen nog zwaarder te straffen.

De vraag is hoe we deze kenniskloof kunnen overbruggen. Jury-rechtsspraak zou kunnen helpen: burgers worden dat gedwongen opgenomen in de rechtsgang en moeten zelf oordelen over een zaak. Dit lijkt me te rigoreus: je offert de expertise en de neutraliteit van de rechter en daarmee het principe van een fair trial op voor  volksopvoeding. Ik geloof niet dat burgers betere rechters zijn dan rechters zelf, sterker nog: we willen juist het gebrek aan oordeelkundigheid van de burger aanpakken.

Onderwijs is ook een oplossing. Naast media-training, Frans, Duits, wiskunde en verzorging moeten middelbare scholieren ook een inleiding in het recht krijgen. Het fascinerende probleem is natuurlijk dat het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is dat de tweede groep veel minder gevoelig is voor klassikaal onderwijs. Daarom zijn deze mensen lager-opgeleid. Je zou daarom misschien als onderdeel van de middelbare school iedere leerling naar een rechtbank kunnen sturen zodat ze een beeld kunnen krijgen van de rechtsgang dan uit stoffige boekjes. Dat lijkt me een goede investering (alhoewel niet helemaal Dijsselbloem-proof), maar de vraag is of een eenmalig bezoek van een snel-afgeleide puber deze kloof kan overbruggen.

Een interessante oplossing las ik vanochtend in De Volkskrant. Naar aanleiding van de integraal op televisie uitgezonden zaak-Wilders (“rechtzaak van de eeuw”) stelde een commissie voor om de televisiecamera een grotere rol te laten spelen in iedere rechtszaal. Echter, zo waarschuwde de commissie: Court TV was voor hen een stap te ver. Het was niet de bedoeling om nog meer sensatiebeluste journalisten in de rechtszaal toe te laten en 24/7 uit te zenden vanuit de rechtszaal. Maar wat is daar mis mee? Je zou je kunnen voorstellen dat rechters juist door de publieke aspecten van rechtsgang  met een zo groot mogelijk publiek te delen begrip voor hun beslissingen kunnen kweken. Je zou dat kunnen koppelen de mogelijkheid (om virtueel) mee te lopen met een zaak of een afgesloten zaak stap voor stap te volgen. Ik denk dat Court TV, een soort Rechtbank 24, naar analogie van Politiek 24, een interessante manier is om de kenniskloof over de rechtbank (deels) te overbruggen.

De huidige ontwikkeling in de rechtsstaat zit vol van tegenstellingen: rechters en aanklagers worden steeds gevoeliger voor argumenten uit de maatschappij, maar door de camera uit de rechtzaal te weren maken zij de maatschappij niet gevoelig voor hun argumenten.

* Vaak wordt de groeiende kloof tussen hoger – en lageropgeleid ten onrechte gekoppeld aan een verschil in belangen tussen de lager-opgeleide onderklasse, die de internationale concurrentie voelen en de hoger-opgeleide bovenklasse, die een zeker perspectief heeft op werk. Als iemand een tijdje mee loopt op de universiteit (de werkplek van hoger-opgeleiden bij uitstek) zal hij zien dat er geen andere werkplek is met zo’n hoge internationalisering en baanonzekerheid als deze.

Nobelprijswinnaar? Reken maar!

Zaterdagochtend stond er een interessant stuk in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: wat voor’n mensen winnnen er wel of geen Nobelprijs. In het stuk zat een veelgemaakte wiskundige redeneringsfout, die te maken heeft met voorwaardelijke kansen en rekenen met ordes van grootte.

De centrale vraag van het stuk was wanneer je wel of geen Nobelprijs wint: het stuk stelde dat als je vrouw, niet-Amerikaans, Afrikaans, jong, zwart, getrouwd met een Nobelprijswinnaar, al eerder winnaar of ondergeschikt was je geen Nobelprijs (meer) zou winnen. Sommige van deze kenmerken zijn inderdaad gekoppeld aan een veel kleinere kans om een Nobelprijs te winnen. Maar voor anderen geldt het tegenovergestelde.

Er zijn 826 Nobelprijswinnaars geweest sinds 1901. Het is voor het rekenen gemakkelijk om dit uit te drukken in een orde van grootte. Laten we dus zeggen dat er 1000 Nobelprijswinnaars zijn geweest daarmee bedoel ik dat dit aantal veel groter dan 100 is en veel kleiner dan 10,000. Sinds 1901 zijn er orde van grootte 10 miljard mensen op de wereld. Er waren ongeveer 2 miljard mensen in 1900 en nu zijn dat er 7 miljard. Misschien er zijn we 14-15 miljard mensen geweest, maar we kunnen gewoon rekenen met de orde van grootte van 10 miljard.

De redenering bij het eerste kenmerk geslacht is correct: 50% van de wereldbevolking is vrouw en 5% van de Nobelprijslaureaten. Vrouwen zijn dus sterk ondervertegenwoordigd tussen de laureaten.

De redenering bij nationaliteit is al wat ingewikkelder. Er zijn 244 Nobelprijswinnaars in Amerika geboren. Dat is ongeveer 30% van de laureaten. Ongeveer 3% van de wereldbevolking woont in de VS. Dat is dus een grote oververtegenwoordiging; 10 keer zoveel Amerikanen wonnen de Nobelprijs dan je zou verwachten als ze proportioneel naar bevolking werden uitgedeeld. Maar andere landen zijn even sterk oververtegenwoordigd: 2% van de laureaten is Nederlander, tegenover zo’n 0.2% van de wereldbevolking. Dat betekent dat overtegenwoordiging van Nederlanders van dezelfde orde van grootte is als de oververtegenwoordiging van Amerikanen.

Een bovenmatig veel voorkomend achtergrondskenmerk van Nobelprijswinnaars is over hoofd gezien: 20% van de Nobelprijswinnaars is Joods en maar 0.2% van de wereldbevolking. De oververtegenwoordiging van Joden is een orde van grootte groter, dan de oververtegenwoordiging van Amerikanen of Nederlanders.

De grote redeneerfout zit bij de mensen die getrouwd zijn met Nobelprijswinnaars. De claim is dat als je trouwt met een Nobelprijswinnaar je minder kans hebt om te winnen. Acht Nobelprijswinnaars zijn getrouwd met een andere Nobelprijswinnaar. Dat is in beide gevallen orde van grootte een op de honderd. Van de rest van de wereldbevolking (orde van grootte 10 miljard) is, zelfs als we het heel grof rekenen, orde van grootte 1000 mensen getrouwd met een Nobelprijswinnaar. Een op de 10 miljoen. Mensen die met een Nobelprijswinnaar getrouwd zijn, zijn dus sterk oververtegenwoordigd op de lijst. Precies dezelfde redenering geldt voor de vier dubbele winnaars. Tussen de twee verhoudingen zitten enkele orde van grootten: 1:100 versus 1:10,000,000.

Met medewerking van Erik Woldhuis.

Loyaal met een scherpe rand

In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en VVD aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de “rechts buiten” van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.

Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.

De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).

In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is een samenvatting van de rapportage “Loyaal met een scherpe rand. Stemgedrag PVV 2010-2011 in kaart gebracht” die ik samen met Tom Louwerse heb gemaakt in opdracht van het VPRO Radio 1 programma Argos. Eerder schreven we voor hen “Kiezen voor Confrontatie”.

Het schamele succes van linkse moties

De algemene beschouwingen zijn hét moment waarop partijen het kabinetsbeleid kunnen bijstellen. Bij de laatste algemene beschouwingen werden 24 moties in stemming gebracht. Slechts drie daarvan werden aangenomen. Jolande Sap was de eerste indiener van één daarvan. De andere moties kwamen van coalitiepartij CDA en gedoogpartij SGP. Een succesje voor GroenLinks dus. Maar GroenLinks is niet altijd zo succesvol in het binnenhalen van moties.

GroenLinks-Tweede Kamerleden dienden sinds de beëdiging van het kabinet-Rutte 199 moties en amendementen in. Dit is weinig in vergelijking met andere oppositiepartijen als de PvdA, D66, ChristenUnie en SP, die allemaal ruim boven de 200 moties zitten – alleen de kleine fracties SGP en de Partij voor de Dieren dienden minder moties in. Veel moties van GroenLinks halen bovendien geen meerderheid. D66, ChristenUnie en SP halen ongeveer 100 voorstellen binnen. De SP scoort overigens procentueel niet beter dan GroenLinks: zij haalt meer voorstellen binnen, maar dient er ook veel meer in. De PvdA weet als grootste oppositiefractie 136 voorstellen aangenomen te krijgen. GroenLinks blijft steken op 48.


‘Linkse’ motie minder kans op succes
Wat verklaart het succes van moties? Er is een heldere links-rechtsstructuur waarneembaar in de mate waarin partijen moties krijgen aangenomen. Partij voor de Dieren, SP en GroenLinks krijgen het minst moties aangenomen. Als linkse partijen, staan zij het verst van dit kabinet. De PvdA, D66, ChristenUnie en SGP – en hun voorstellen – staan dichter bij het centrum. Over het algemeen worden alleen niet-ingrijpende moties aangenomen. De moties van GroenLinks-Kamerleden die het halen, vragen om informatie of verzoeken de regering zich – vaak in internationaal verband – ergens voor in te zetten.

De motie die Sap indiende tijdens de algemene beschouwingen stelde dat de norm van 0,7 procent van het bruto binnenlands product voor ontwikkelingssamenwerking behouden moet blijven, zelfs als er straks nog meer bezuinigd gaat worden. Die 0,7-norm is staand kabinetsbeleid; GroenLinks heeft met de motie voorkomen dat dit kabinet – dat al op ontwikkelingssamenwerking bezuinigt – nog verder op ontwikkelingssamenwerking gaat korten. Meer verregaande voorstellen zouden waarschijnlijk niet op de steun van CDA of VVD kunnen rekenen, en zonder hen is er geen meerderheid. Moties die vragen om een serieuze aanpassing van het kabinetsbeleid, ofwel de meerderheid van de GroenLinks-moties, halen het dus niet.

De data voor dit onderzoek zijn verzameld door Tom Louwerse en Simon Otjes (Universiteit Leiden). Dit artikel is ook verschenen op de website van het GroenLinks Magazine.

Alleenvrouwschappij

Nederland lijkt uitgeëmancipeerd. Mannen en vrouwen hebben dezelfde rechten en dezelfde plichten. Voor de wet zijn man en vrouw gelijk. Maar in de politiek ook? Zijn er verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen? En in politieke opvattingen?

Verschillen in politieke opvattingen

Vrouwen zijn op sociaal-economisch terrein socialer dan mannen: zij zijn voor een gelijkere inkomensverdeling dan mannen. Ze willen dat de overheid meer doet om een sociale rechtvaardigheid te verzekeren.  Vrouwen zijn op een aantal culturele thema’s progressiever: zij zijn vaker voorstander van het toelaten van asielzoekers. Dat geldt niet alleen voor asielzoekers maar ook voor homo’s:  vrouwen zijn voorstander van een meer omvattende gemeenschap. Ook zijn ze een groter tegenstander van kernenergie dan mannen. Vrouwen zijn een sceptischer over ingrijpende veranderingen, niet alleen over technologische verandering, maar ook over bijvoorbeeld Europese integratie. Vrouwen zijn niet per se softer dan mannen: vrouwen zijn over het algemeen vaker voorstander van strengere straffen. Wat het grote verschil lijkt te zijn is dat vrouwen voorstander zijn van gemeenschapszin (sociaal, inclusief maar ook conservatief) en dat mannen een meer individualistische politieke instelling hebben (economisch liberaal, uitsluitend maar ook voorstander van innovatie en vernieuwing).

Verschillen in stemgedrag

If women were the only voters, the Democrats would win in a landslide every time. If men were the only voters, the GOP would be the left-wing party” stelt Amy Gardner in The West Wing. Maar is altijd waar? Het is inderdaad zo dat bij de verkiezingen vrouwen vaak anders stemden dan mannen. Echter, de manier waarop de verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen zich uiten is contextafhankelijk: vrouwenstemrecht werd in Nederland ingevoerd in 1922. In 1918 waren er verkiezingen gehouden met algemeen stemrecht voor mannen. Er werd verwacht dat met name de seculiere linkse partijen (SDAP, CPH) die voorstander waren geweest van vrouwenkiesrecht van de invoering daarvan zouden profiteren. Echter, zij verloren drie zetels (was 25 werd 22). Ook de seculiere rechtse partijen (LP, LSP, VDB) verloren vier zetels (was 20 werd 16). Dat gold ook voor de categorie overig (was 5 werd 2 – ook gevolg van kleine verandering in het kiesstelsel). Het waren de Christen-Democratische partijen (CHU, ARP en RKSP) die er op vooruitgingen (van 50 naar 60). Ceteris paribus lijkt dit er op te duiden dat vrouwen niet in grote mate op linkse partijen hebben gestemd bij deze verkiezingen.

En nu? Als alleen vrouwen zouden stemmen, zou de PvdA de grootste partij zijn. De sociaal-democraten zouden 28 zetels halen als alleen vrouwen zouden stemmen. Daarop volgt de VVD (25) en het CDA (24). En dan pas de PVV (21) met op de voet de SP (18). GroenLinks (13) ligt voor op D66 (10). Onder de kleine partijen staat de CU sterk (6) en de PvdD (3). De heren van het SGP zouden ook twee zetels krijgen in het vrouwelijke parlement. Er is dus een linkse meerderheid onder de vrouwen van 78 zetels. Maar ook de Christen-democraten doen het nog relatief goed onder vrouwen ze halen hier nog 32 zetels.  Het zijn de verschillende liberale partijen van Nederland (D66-VVD-PVV) die slecht scoren onder vrouwen. Er is groen licht voor een links vrouwenkabinet van PvdA-CDA-SP-GL.

Als alleen mannen het stemrecht hadden dan zag de Tweede Kamer er anders uit.  De VVD ligt met 36 zetels ruim voor op de PvdA (31). De PVV haalt 26 zetels, ruim meer dan het CDA (17). De SP (12) ligt vlak bij D66 (11). GroenLinks ligt daar ver onder (8). De ChristenUnie haalt even veel zetels als de SGP (4). Een zetel is over voor een mannelijke PvdD’er. Seculier links haalt 52 zetels, de liberalen (VVD-D66-PVV) 73 en de Christen-Democraten maar 25. Een kabinet CDA-VVD-PVV haalt een meerderheid onder de mannen (81).

In de politieke opvattingen zijn er nu verschillen tussen en mannen en vrouwen: vrouwen zijn voorzichtiger en meer gericht op de gemeenschap, mannen willen verandering en zijn meer gericht op het individu. Het mag dan ook niemand verbazen dat mannen in het verleden en op dit moment liberale partijen verkiezen. Vrouwen kiezen voor sociaal-democratische en Christen-democratische partijen, die een communotaire orientatie hebben.

Deze analyse is gebaseerd op het NKO 2010.