Ontgroei de groei

Wat is het grote verhaal van GroenLinks over de groene economie? Is er een coherent verhaal dat verder gaat dan zonnepanelen en windmolens? Het Jong Wetenschappelijk Bureau Hellingproef organiseerde hierover een discussie tussen econoom Martijn van der Linden en Europarlementariër Bas Eickhout.

Martijn van der Linden is een intrigerende figuur. De bedrijfseconoom werkte een aantal jaar in de financiële sector als day trader. Maar hij voelde zich daar niet thuis: ‘In de financiële wereld is geld het enige wat telt. Mensen denken dat het onmogelijk is om dat systeem te veranderen. Maar natuurlijk zijn er alternatieven’. Hij besloot zich te verdiepen in economische filosofie. De day trader turned philosopher werkt nu aan een visie op een solidaire en ecologische economie: ‘planned degrowth‘.

‘Voor dat degrowth hebben we eigenlijk geen goede vertaling’, zegt Bas Eickhout, als Europarlementariër een invloedrijke groene politicus van GroenLinks. ‘De Fransen hebben het woord decroissance‘. ‘Krimp.’ merkt iemand uit de zaal op, en stelt voor dit woord gelijk te begraven.

Volgens Eickhout kan zijn dagelijkse politieke werk niet zonder een groter verhaal. ‘Ik worstel met mijn positie: aan de ene kant is er de politieke realiteit, waar ik dagelijks in zit, aan de andere kant is er een krachtige tegenstroom die oproept tot een groene economie. De vraag is hoe je die tegenstroom kunt verwoorden zonder je buiten de politieke realiteit te plaatsen.’ GroenLinks moet het grotere verhaal vertellen: ‘Laten we het idee dat we als samenleving de groei moeten ontgroeien naar het centrum van de politiek brengen’.

Minder groei: nu kiezen of straks laten gebeuren

‘De economie groeit op dit moment exponentieel’, stelt Van der Linden. ‘We lopen tegen ecologische grenzen op. Onze economie zal op een bepaald moment ingrijpend moeten krimpen. We kunnen ervoor kiezen om de degrowth gepland aan te pakken of we kunnen het ondergaan als het eindelijk gebeurt.’

Griekenland is een voorland voor de rest van het Westen, voegt Eickhout toe: ‘Daar zie je nu wat er gebeurt als mensen heel snel teruggaan in loon, consumptie en leengedrag.’ Het is een angstbeeld voor politici, volgens Van der Linden: ‘Mensen verliezen hun werk, hun huis en de kloof tussen de armsten en de rijksten groeit.’

Om een plotselinge klap te voorkomen moeten we volgens Eickhout ‘de economie langzaam afremmen’. In de politieke markt is dit een moeilijk te verkopen verhaal: ‘Als we proberen financiële producten te reguleren, dan staan niet alleen de Londonse bankiers op de achterste benen maar ook onze pensioenfondsen. Als je deze financiële producten aanpakt, zeggen ze, dan laten wij de pensioenpremies stijgen. Politici willen niet verantwoordelijk zijn voor hogere pensioenpremies.’

Ook volgens Eickhout komen er grenzen in zicht: ‘Normaal volgen energieprijzen de conjunctuurgolven, bij een economische crisis daalt de energieprijs. Maar nu is de energieprijs nog steeds hoog, terwijl het economisch steeds slechter gaat. Als dat echt zo blijft, dan is het gebeurd met de economische groei. Hoe erg moet het worden willen we toegeven dat dit systeem niet werkt?’

Groei en geluk

Van der Linden: ‘Economische groei is uiteindelijk onduurzaam en onstabiel. Groei leidt altijd tot meer gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Er is een relatie tussen inkomen en voetafdruk: naar mate mensen meer verdienen gaan ze meer energie gebruiken. Meer geld uitgeven betekent dus ook meer broeikasgassen. Er zijn mensen die tegen armoede strijden, mensen die overconsumeren en mensen die duurzaam consumeren. Die derde groep consumeert niet meer dan haar ecologische voetafdruk, maar heeft wel een menswaardig bestaan.’

Eickhout: ‘Tot een bepaald niveau worden mensen gelukkig van meer inkomen, maar daarboven vlakt het uit. Toch blijven we doorgaan. Mensen zeggen vaak, ik hoef geen hoger loon, maar ze willen ook niet achterblijven bij hun collega of buurman.’

Van der Linden: ‘Iedereen moet natuurlijk een bepaald minimum hebben, maar wel onder de grens van overconsumptie blijven. Dat betekent dat de armsten door moeten kunnen groeien, maar dat tegelijkertijd de overconsumerende klasse naar beneden moet’. Van der Linden maakt zich bijzonder veel zorgen over de superoverconsumerende klasse. ‘We weten precies wie het zijn: de mensen die nu echt onduurzaam leven. Het kan niet zo zijn dat wij ons peertje moeten vervangen door een spaarlamp, maar dat tegelijkertijd de allerrijksten blijven overconsumeren.’

Beprijzen en verschuiven

Volgens Eickhout hebben de groene maatregelen die GroenLinks verdedigt op termijn grote implicaties: ‘Onze politieke opdracht bestaat nu uit twee onderdelen: het beprijzen van vervuiling en het verschuiven van de belasting van arbeid naar het gebruik van grondstoffen. We hebben nu een lineaire economie: er is input, zoals arbeid en grondstoffen, waarmee we producten (output) produceren die geconsumeerd worden. Het systeem zit nu verkeerd in elkaar: er is altijd een hoge belasting geweest op arbeid, maar niet op grondstoffen. Zolang de arbeidsproductiviteit blijft stijgen kan hetzelfde werk door minder mensen gedaan worden. Economische groei is zo de enige manier om iedereen aan het werk te houden. Dus blijft groei een doel, ook voor ons.’

Van der Linden ziet wel een oplossing voor dat probleem. ‘We moeten afstappen van de veertigurige werkweek en uitgaan van een twintigurige werkweek. In plaats van een eigen baan, zullen mensen met elkaar een baan moeten gaan delen. Dat betekent minder stress en burn-outs.’ Er is een alternatief nodig voor de neoliberale economie die gericht is op ‘hard werken, competitie en geld verdienen’.

Eickhout ziet de oplossing in een circulaire economie. ‘Wanneer grondstoffen worden hergebruikt krijgen we vanzelf een lagere economische groei. We kunnen dit bereiken door grondstoffen meer te belasten en arbeid minder. De nadruk komt dan te liggen op de dienstensector. Deze creëert veel werkgelegenheid, maar legt minder druk op het milieu. Bovendien groeit deze sector veel minder dan industriële sectoren: het gevolg van het groene beleid is een economie die minder groeit, stabiliseert en misschien wel krimpt.’

Waar geld vandaan komt

Volgens Van der Linden is het niet mogelijk om alle milieukosten te internaliseren: ‘Het blijft altijd een benadering. Er altijd een business case om de kosten te externaliseren. We kunnen de intrinsieke waarde van de natuur nooit helemaal vermarkten.’ Grotere oplossingen zijn nodig. ‘Sinds de Industriële Revolutie zijn de groei van onze monetaire economie en onze materiële energie gelijk opgegaan. Dat komt in de knoop als we peak oil bereiken (het punt waarop het aanbod van olie gelijkblijft en begint te dalen – SO) en het monetaire systeem tegelijkertijd wil doorgroeien. De grote vraag is of we het huidige monetaire systeem kunnen hervormen tot een controlesysteem op het gebruik van grondstoffen.’

Volgens Van der Linden is hervorming van het financiële stelsel een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame economie.

Van der Linden: ‘Al het geld in onze economie is schuld. Geld wordt gecreëerd door commerciële banken op basis van een onderpand: je belooft het geleende bedrag terug te betalen binnen een bepaalde tijd mét rente. Als je het niet kan betalen dan moet je het onderpand afstaan.’ Het financiële systeem is zo ingericht dat niet alle leningen kunnen worden afgelost. ‘De banken creëren het geleende bedrag en niet de rente. Er is dus nooit genoeg geld om alle rente af te betalen.’ Dat betekent dat het systeem alleen maar werkt als mensen hun leningen niet kunnen aflossen.

Van der Linden: ‘Gemiddeld bestaat 40% van de prijs in de winkel uit rentekosten: als ik een brood koop, dan gaat een deel van de opbrengst direct naar de bank om de leningen voor de apparatuur af te lossen. Maar ook de prijs van apparatuur die de bakker kocht bestaat grotendeels uit rentekosten. Zo stroomt al het geld rechtstreeks naar de banken. 80% van de mensen betaalt meer rente dan ze krijgen. De armsten betalen via rente aan de rijksten.’

Maar dat is niet het enige probleem, Van der Linden: ‘Het zijn uiteindelijk commerciële bedrijven die bepalen waar het geld naartoe gaat. Er is geen democratische controle op. Het zijn banken die bepalen of wij als samenleving het geld lenen om consumptieve uitgaven te dekken of dat we investeren in nieuwe activiteiten.’

In de ogen van Van der Linden, ‘moeten we experimenteren met nieuwe vormen van geld, zoals rentevrij geld of geldcreatie zonder schuld. De overheid moet een monopolie op geldcreatie krijgen: dat maakt het veel democratischer.’ Als we de crisis zien aankomen, dan is dit volgens Van der Linden een kans: ‘Nu komen er nieuwe systemen. Als je daar zelf aan bijdraagt, kan je bepalen hoe de toekomst eruit zal zien.’

Van radikale aktivisten naar gematigde studenten en terug?

DWARS, de jongerenorganisatie van GroenLinks was jarenlang de radikale luis in de pels van GroenLinks. Gedurende de jaren ’00 matigde DWARS haar toon en trok ze steeds meer richting GroenLinks. Is nu de weg terug zichtbaar?

Net als GroenLinks is DWARS gevormd uit een fusie. GroenLinks is opgericht door de communistische emancipatiepartij CPN, de linkse dissidentenpartij PSP, de groene partij met regeringservaing PPR en de progressief-Christelijke getuigenispartij EVP. Slechts twee van deze partijen hadden een jongerenorganisaties: PSjongerengroepen en de Politieke Partij Radicalen jongeren.

De twee organisaties verschilden sterk van elkaar: de PSjg was een onderdeel van de kraakbeweging: radikaal, aktivisties en anarchisties. De PSjg was een ontmoetingsplek voor activisten tussen demonstraties door. De leden hadden weinig met parlementaire politiek: sommige leden stemden niet of blanco. De PSjg had een dwarse houding: ze noemen zich “puberaal socialistisch”. Voor hen was de vorming van GroenLinks een brug te ver. De PSP was voor de meeste nog wel acceptabel: de zeer linkse socialistische partij had een clean hands, no compromise-houding. Maar GroenLinks was erop gericht regeringsverantwoordelijkheid te te krijgen met een gematigder programma.

De PPRj was veel parlementairder gericht. De leden waren studentikoos, jasje-dasje en tikje braaf. Ze wilden zo snel mogelijk een politieke carriere. De PPRj was parlementje spelen: politieke ervaring opdoen, moties schrijven, wijzigingsvoorstellen afwijzen omdat ze buiten de orde van de vergadering lagen. Dat werk. De hele PPRj kan je samenvatten met een beeld: Ad Melkert was lid van de PPRj. De PPR-jongeren volgden hun moederpartij. Zij zagen wel wat in de vorming van GroenLinks.

Onder druk van GroenLinks en het ministerie van WVC richtten de PSjg en de PPRj samen DWARS op. Er was een felle discussie over de naam: de PPRjongeren stelden “GroenLinkse Jongeren” voor. De PSjg’ers stelden de naam “de spin die vanuit de linkerhoek de kamer in kijkt voor”. Dit was niet zo zeer een serieuze optie, maar bedoeld om het proces te traineren. Geen van beide namen vond een meerderheid. Uiteindelijk scheen de voorzitter van de vergadering op tafel te zijn gesprongen en te hebben geroepen: “Nu stoppen, dwarskoppen.” En daarmee was de naam gevonden: DWARS, GroenLinks jongeren. Dit was een compromis tussen de dwarse PSjg’ers en de GroenLinksgezinde PPRjongeren.

Paradoxaal genoeg waren het de radikale PSjg’ers die de macht binnen DWARS in handen kregen. Kenmerkend was de reactie van DWARS op de verkiezing van Paul Rosenmöller gekozen tot meest populaire politicus onder de jeugd: “Paul Rosenmöller jongerenidool? Nou bij ons valt dat wel mee. We zijn dan wel de jongerenorganisatie van GroenLinks maar dat betekent niet dat we iedere GroenLinkser zo maar geweldig vinden.”

DWARS is net als de PSjg activistisch ingesteld: in 1995 organiseert DWARS een blokkade van de Shell Laboratoriums in Amsterdam uit verzet tegen de dumping van het boorplatform de Brent Spar. 11 dagen later biedt DWARS 2000 handtekeningen aan aan de Franse Consul uit protest tegen de voorgenomen Franse kernproeven op Mururoa.

In 1995 wordt de Pargo opgericht, het ‘parlementaire groepje’ van DWARS dat zich op een ludieke manier bezighoudt met de koers van GroenLinks. Ze houdt een van haar eerste vergaderingen op het strand van Zandvoort. DWARS is kritisch over GroenLinks: het nieuwe verkiezingsprogramma zou links genoeg zou zijn. Jasper Kenter, DWARS-coordinator noemt DWARS “de luis in de pels.” In 1999 richt DWARS een schaduwfractie op om de Tweede Kamerleden van GroenLinks kritisch te volgen.

DWARS begint zich steeds meer met GroenLinks te bemoeien. Ze is daar nog best succesvol in. Als de GroenLinks Tweede Kamerfractie in 2001, na de aanslagen van 11 September, de Amerikaanse bombardementen in Afghanistan steunt, organiseert DWARS het verzet binnen GroenLinks. Een petitie die getekend is door een groot aantal GroenLinks leden, dwingt de fractie haar standpunt in te trekken. Rosalie Smit, woordvoerder van DWARS: “De Tweede Kamerfractie is een beetje naief geweest.”

Het beeld van DWARS draait. Diana de Wolff, GroenLinks senator zegt over DWARS in begin 2003: “’Dwars bestaat zonder uitzondering uit ideale schoonzonen (m/v), wier eisen niet verder strekken dan een glaasje biokarnemelk op partijcongressen en die vooral heel snel zelf Kamerlid willen worden.” Of dit beeld helemaal klopt is te betwijfelen. In eid 2003 treedt Rutger den Dool, algemeen coordinator van DWARS af, nadat hij in het NRC Handelsblad heeft gezegd: “Nertsen bevrijden of een vrachtwagen met nertsenhuid in brand steken vind ik in principe goede acties.”

Pas, met het vertrek van Den Dool, staat een nieuwe generatie DWARS’ers op. Zij lijken sterk op het profiel dat de Wolff beschrijft. Ook binnen GroenLinks is een nieuwe wind gaan waaien. In een controversieel manifest Vrijheid Eerlijk Delen stellen Femke Halsema en Ineke van Gent voor om de verzorgingsstaat ingrijpend te hervormen. DWARS-woordvoerder Mieke van der Vegt steunt de lijn: “Het doel van linkse sociale politiek moet zijn om de mogelijkheden van mensen te optimaliseren.” DWARS stelt zich steeds minder op als luis in de pels van de Tweede Kamerfractie. Sterker nog als Krities GroenLinks opstaat om de koers van Halsema te bekritiseren, dan verdedigt DWARS de koers van Halsema. De jongerenorganisatie wordt een schild van de partijleider tegen
kritiek. De talenten binnen DWARS groeien door in GroenLinks: raadsleden, statenleden, op het landelijk bureau, medewerkers van fracties, overal zijn DWARS’ers te vinden. In 2010 zet het GroenLinks-congres zet oud-DWARS voorzitter Jesse Klaver op nummer #7 van de GroenLinks lijst en oud-DWARS JongerenFractielid Niels van den Berge op plek #12. Jesse Klaver wordt meteen verkozen tot Kamerlid en Niels van den Berge vervangt Mariko Peters als zij op zwangerschapsverlof is.

Symbolisch voor de verandering die in de laatste jaar binnen DWARS over de naam: DWARS-voorzitter Diederik ten Cate stelt: “Ik denk dat het niet teveel gezegd is om te stellen dat Dwars van een ongeorganiseerde anarchistische rommel is uitgegroeid tot een moderne organisatie van progressieve jongeren met idealen en ambities.” Ten Cate ziet wel wat in de naam “GroenLinkse Jongeren”, waarmee hij zich in de traditie van de PPRj zet en dat is deels terecht: DWARS is parlementair gericht, de jongeren maken hun politieke ambities waar en als DWARS actie voert, wordt het steeds braver. Er hangt een studentikoze sfeer op DWARScongressen: veel ludieke moties, maar ook koortsachtige onderhandelingen over de formuleringen van ‘serieuze’ moties over de koers van GroenLinks.

Door de discussie over Kunduz ontstaat een nieuwe verdeling binnen DWARS een nieuwe conflictslijn. De steun van het DWARSbestuursleden om zich uit te spreken voor de keuze van GroenLinks om de civiele missie naar Kunduz te steunen, wordt door veel leden (tegen de missie) niet geaccepteerd. Hiermee komt een nieuw activistisch elan DWARS binnen. Ze nemen een grotere afstand van de GroenLinks Tweede Kamerfractie, willen dat GroenLinks een linksere koers gaat volgen en voeren vaker actie. De oude PSP-posters verschijnen steeds vaker op facebook pagina’s van jonge DWARSleden.

In 1990 werd DWARS opgericht door radikale, aktivistiese PSjg’ers en brave, parlementaire PPRj’ers. De PSjg-vleugel was jarenlang de meer dominante: er is een grote afstand tussen DWARS en GroenLinks. Zeker vanaf 1999 gaat DWARS zich meer bemoeien met GroenLinks, maar wel als luis in de pels. Na 2003 slaat DWARS om: DWARS begint steeds meer te lijken op de PPRj: “een club ideale schoonzonen (m/v) die vooral heel snel zelf Kamerlid willen worden”. In 2011 slaat voor het eerst de pendule de andere kant op: de nieuwe generatie DWARS’ers is voor het eerst aktivistieser en linkser dan de vorige. DWARS beweegt zich meer richting PSjg.

De geletterde klasse

“Waarde taalminnaars”, zo opende een collega een email die ook aan mij geaddresseerd was. Schijnbaar was de auteur onder de indruk dat ik me rekende tot het gilde der taalminnaars. Die neiging had ik nog nooit gevoeld, als ik me van een ding zou willen bevrijden is het van de dictatuur van het geschreven woord.

Is het geschreven woord superieur?
We leven in een dictatuur van het geschreven woord. Terwijl we uit wetenschappelijk onderzoek maar al te goed weten dat lezen maar één manier is om ons te informeren en lang niet altijd de meest efficiënte. Veel relaties laten zich lastig in woorden vatten, maar kunnen visueel gemakkelijk worden weergegeven. In woorden een complexe statistische relatie uitleggen is vaak weinig verhelderend: bijvoorbeeld als mensen een genetische aanleg hebben, leidt het eten van veel suikers tot een grotere kans op diabetes, dan het weinig eten van suikers. Als mensen die genetische aanleg niet hebben dan is de relatie tussen het eten van suikers en diabetes veel zwakker. Die twee tamelijk complexe zinnen kunnen worden teruggebracht tot twee lijnen in grafiek, waarmee je de relatie veel intuitiever kan begrijpen.  Ik kan je uit leggen hoe je moet lopen van station naar het gemeentehuis, maar als ik het teken heb je daar veel meer aan. Na een college statistiek begrijp je de wiskunde vaak veel beter, dan na het lezen van het handboek, omdat het geschreven woord niet altijd het beste medium is om informatie over te dragen.

We leven in een maatschappij die het woord boven alles waardeert. Als iemand ergens een boek over geschreven heeft dan wordt hij gezien als de expert. In wetenschap gaat het om publicaties in top-wetenschappelijke bladen, niet om optredens op Radio 1. De hoogste kunstvorm is een roman, een goedgespeelde televisieserie of film wordt gezien als oppervlakkig. Het zou een grote schande zijn dat mensen minder voor hun plezier boeken lezen. Televisie-kijken, sporten of computeren zijn uitingen van de consumptiemaatschappij, terwijl lezen toch een superieure activiteit is. Het feit dat je voor het eindexamen in 1960 nog 40 boeken moest lezen en nu minder dan 10 zou aangeven dat er een maatschappelijke probleem is. Over dit fenomeen, ontlezing, wordt veel geklaagd (met name door oud-docenten Nederlands). We kennen het verhaal maar al te goed. Keer op keer zouden technologische ontwikkelingen ervoor zorgen dat we minder gaan lezen: de radio, de televisie, het internet zouden onze samenleving ondermijnen. Keer op keer stonden we aan de rand van de afgrond. De overheid heeft ons met royale subsidies voor openbare bibliotheken, nog net gered van de ondergang.

Lezen en schrijven hebben hun eigen criteria. Als je vraagt of je een boek moet lezen, dan is vaak de eerste reactie: “ja, dat boek las lekker weg.” of “nee, dat boek was niet om door te komen.” Het is niet de vraag of (voor fictie) het boek ons emotioneel raakt, of (voor non-fictie) of het waar is, maar of het mooi geschreven is. Dit is een esthethisch criterium. Waarheid wordt ondergeschikt gemaakt aan schoonheid.

Waarom is lezen dan zo belangrijk?
Om deze maatschappelijke normen te begrijpen, moeten we de machtsstructuren in de huidige samenleving doorgronden. Deze maatschappij wordt beheerst door de geletterde klasse. In ons onderwijs speelt taal een ongelofelijk grote rol: het kerndoel van het basisonderwijs is leren lezen en schrijven. Je gevoelens of ideeën uiten door te schilderen of te kleien neemt na de peuterklassen een steeds minder grote rol in het onderwijs. De regels van de grammatica en het vervormen van onze handen zodat we kunnen schrijven, worden juist steeds prominenter. Dit heeft een disciplinerende werking: kinderen worden gedwongen zich aan bepaalde regels te houden. Diegenen, de geletterde klasse-in-spe die deze regels kennen komen vooruit; diegenen zich verzetten tegen deze disciplinering, worden achtergehouden. Als we kijken naar het curriculum van de middelbare school wordt deze disciplinering alleen maar doorgezet, Je kan een VWO-diploma komen als je nauwelijks kan optellen, maar niet zonder Engels en Nederlands, literatuur en nog een extra moderne vreemde taal. De meest ‘intelligente’ leerlingen (dat zijn de mensen die zich het makkelijkst schikken in de regels van de geletterde klasse) die komen terecht op het gymnasium, waar met name wordt geïnvesteerd in het leren lezen van een dode taal. Dat dient geen ander doel dan het bevestigen van de macht van de geletterde klasse. Diegenen die de dubieuze eer hebben gehad om na de middelbare school geselecteerd te worden voor een topuniversiteit (uiteraard op basis van een motivatiebrief, weer zo’n machtsmiddel van de geletterde klasse) worden daar gedwongen om in een afwisselend ritme te lezen en essays te schrijven. Dat zou dan onafhankelijke kritische meningsvorming stimuleren, terwijl het weinig meer doet dan het verder opleggen van de grammatica-, stijl- en spelregels van de geletterde klasse. De allerslimsten, of eigenlijk diegenen die het best door de hoepel van geletterde klasse kunnen springen die krijgen vervolgens de mogelijkheid om een proefschrift te schrijven; want dat is voor een wetenschapper het hoogste: een boek.

En uit deze groepen selecteren we onze leiders: alle Kamerleden en hoge ambtenaren hebben een universiair of HBO-diploma. Dat zou een testament zijn van hun geschiktheid voor zulk soort ambten, terwijl zo’n diploma weinig zegt over de emotionele, artistieke of gymnastische intelligentie van zo’n persoon. De beste president van de Verenigde Staten, Lincoln, had de slechtste opleidingen van alle presidenten, terwijl de Vietnam-oorlog is begonnen door mensen die als we hun diploma’s moeten geloven the best and brightest van hun generatie waren.  Alle hoge ambten in de politiek, de economie en de media worden bekleed door geletterde klasse. Ze vormen zo een politieke klasse die al millenia -zij het onder het mom van democratie, monarchie of dictatuur- de wereld naar haar hand zet. De selectiecriteria van deze ambten hebben ze zo kunnen formuleren dat ze voor mensen die niet uit de geletterde klasse komen, onmogelijk zijn om aan te voldoen.

Vanuit deze positie kunnen ze de maatschappij reguleren. Het mag dan ook niet verbazen dat onze maatschappij geordend wordt door wetboeken. Het zijn deze geschreven woorden die bepalen wat wel of niet mag, wat beloond wordt en wat bestraft. Zo worden de taalregels die onze kinderen al disciplineerden, wederom gebruikt om de ongeletterden in de macht van de geletterde te houden .

De centrale plaats die het woord inneemt in onze samenleving is niet van vandaag of gisteren. We kunnen de overheersing van de geletterde klasse teruglezen in de Bijbel, het Woord van God. God communiceert met ons door woorden: die hij brandt in stenen. Een van deze geschreven geboden is het verbod op beelden. In de Abrahamistische religies wordt dit gebod in meer of in mindere mate opgevolgd: de beeldenstorm was een aanval van de geletterden tegen de ongeletterden. Onze zogenaamde Joods-Christelijke cultuur is weinig meer dan een legitimering van de macht van de geletterde klasse.

U begrijpt: onze samenleving is een wrede dictatuur, die zich geheel focust op de vaardigheden van lezen en schrijven. Deze bepalen de sociale status van mensen: bovenaan staat de geletterde klasse die met spellingsregels, motivatiebrieven en proefschriften de bestaande maatschappelijke ordening in stand houden. Voor de ongeletterde klasse wordt de taal gebruikt als een wreed disciplineringsmiddel.

Ongeletterden allerlanden?
Een taalminnaar kunt u mij dus niet noemen: een taalminnaar is een collaborateur die zich heeft overgegeven voor dictatuur van de geletterde klasse. Een taalminnaar leeft onder de foute vooronderstelling dat je beter onzin kan op schrijven dan dat je een spelfout mag maken.
Ongeletterden aller landen verenigt u: visueel ingestelden, wiskundig begaafden en muziekliefhebbers, verscheur de papieren ketenen die u binden aan de onderdrukkende regels van de geletterde klasse.