Pragmatisme versus idealisme

Ideeënpartijen op zoek naar macht. Is dat een paradox? Zijn idealisme en pragmatisme onverenigbaar? Is dat altijd schipperen tussen twee uitersten? Dit is een permanent debat in GroenLinks. In de provincie Utrecht bijvoorbeeld, GroenLinks zit in het college met ChristenUnie, D66, VVD en CDA. Kan zij vanuit dit college haar linkse programma realiseren? Of moet ze teveel compromissen maken juist op groene onderwerpen als mega-stallen, natuur en verkeer?

Idealen, ambten en stemmen

We kunnen de doelen van politieke partijen bekijken vanuit het perspectief van de Noorse politicoloog Strøm. Hij maakt een onderscheid tussen idealen (policy), ambten (office) en stemmen (votes). Grofweg kan een partij ernaar streven haar programma in de praktijk te brengen. Zulk idealisme maakt het lastig om compromissen te sluiten. Ze kan een baantjesmachine worden. Om minister te worden zul je wat in moeten leveren aan de andere partijen. Partijen kunnen zich ook richten op het vergaren van zoveel mogelijk stemmen. Dit kan vervallen tot het napraten van de kiezer en electoraal opportunisme.

Deze drie doelen hangen samen: een partij heeft bepaalde idealen. Die vertaalt ze naar beloften aan de kiezer. Vanwege die beloften zal een kiezer op de partij stemmen. Alleen als je genoeg stemmen hebt verzameld kan je mee doen met de formatie van een kabinet. En in de regering kan je je idealen in de praktijk brengen.

Getuigenispolitiek

Idealistische politiek zit GroenLinks in de genen. De PSP, een van de vier oprichters van GroenLinks bedreef links-socialistische getuigenispolitiek. Zij wilde geen compromissen sluiten. Zelfs het kabinet Den Uyl, het linkste kabinet uit de Nederlandse geschiedenis was voor de PSP een soort burgemeester in oorlogstijd, die compromissen moest sluiten met de kapitalisten in het parlement, op het beursplein en in Washington. Met deze houding plaatste de PSP zich in de woorden van PPR-politicus De Gaay-Fortman, radicaal buiten spel.

We kennen deze politieke stijl nog steeds: bijvoorbeeld in de PvdD. Die partij hoopt door haar verhaal van duurzaamheid en compassie uit te dragen in de Tweede Kamer de bestaande partijen herinneren aan de goede voornemens in haar verkiezingsprogramma’s. Zelf wil de PvdD geen verantwoordelijkheid dragen. Maar misschien is het meest klassieke voorbeeld van een getuigenispartij nog wel de SGP, dat is voor 2010. In de ruim negentig jaar dat de SGP in de Tweede Kamer zit heeft ze weinig anders gedaan het getuigen van haar orthodox-Gereformeerde verhaal in een langszaam seculariserend land. Maar zelfs deze partij wil nu wel compromissen sluiten met Rutte: steunen wij jullie bezuinigingen, doen jullie niets aan homo-rechten, vrouwenrechten en het zelfgekozen levenseinde.

Populisme

Populisme wordt vaak gelijkgesteld aan het nastreven van zoveel mogelijk steun van de kiezers. En hier zit ook wel een kern van waarheid in. Voor de populisten heeft het volk altijd gelijk. En dat betekent dat Wilders zijn radicaal-rechtse economische programma liet varen toen bleek dat het volk wilde dat de verzorgingsstaat behouden werd. Wilders werd in een nacht van een marktliberale hervormer de kampioen van de verzorgingsstaat. Ook de SP heeft een zekere flexibiliteit getoond, als knieval voor de kiezer: ze schrapte het voorstel om de monarchie af te schaffen uit haar programma, omdat de kiezer van het koningshuis houdt.

Verantwoordelijkheid nemen

De belangrijkste politieke ambten zijn in Nederland te vinden in het kabinet. Partijen nemen daar deel aan de macht. Ze nemen verantwoordelijkheid. Hiervoor moet je in Nederland, consensusland, coalities sluiten met andere partijen: uitruilen, compromissen vinden. Om aan de macht te komen moet een partij dus soms haar stokpaardjes laten varen. De ChristenUnie komt voort uit de orthodox-Christelijke traditie in Nederland. Dit was een partij die zich altijd verzette tegen abortus, euthanasie en het homohuwelijk. Het Paarse kabinet had dit allemaal in wetten had vastgelegd. In 2003 merkte de ChristenUnie dat het met zo’n programma lastig was om aan de macht te komen. Onder haar eigen kiezers waren deze thema’s uitermate belangrijk. In 2006 verlegde de partij de nadruk van abortus en euthanasie naar jeugd en gezin. Dit sloot veel beter aan bij de programma’s van de centrumpartijen.  In 2007 werd Rouvoet vice-premier.

Conflicten tussen doelen

Deze drie doelen staan soms met elkaar op gespannen voet: in de regering is het niet altijd mogelijk om je programma te realiseren. Neem GroenLinks Leiden. Sinds 1986 had GroenLinks zonder onderbreking in het Leidse college gezeten. Ze had heel wat bereikt, maar ook heel wat moeten slikken met name van de VVD, zoals de bebouwing van de laatste groene polder van Leiden. De aanleg van de zoveelste parkeergarage was de druppel die de emmer deed overlopen. Uiteindelijk besloot GroenLinks dat zij beter in de oppositie kon zitten.

Progressief-linkse politici geloven volgens mij in hun hart allemaal in de multiculturele samenleving, Europese samenwerking en ontwikkelingshulp. Alleen sinds Fortuyn is het lastig omdat uit te dragen. In 2000 stond GroenLinks nog op 15 zetels in de peilingen. Toen kwam Fortuyn op. Vanuit het hart ging GroenLinks vol tegen dit anti-immigratiegeluid in. GroenLinks hield tien zetels over in 2002 en ging -electoraal gezien- een lastig decennium in. De PvdA maakte ook een harde smak in 2002. Onder Bos koos de PvdA voor een populistischere lijn. Harder op integratie, Euroskeptischer. Het signaal van de kiezer was begrepen.

Regeren kan ook gevaarlijk zijn voor steun onder de kiezers. Iedere keer dat D66 regeerde heeft ze een electorale crisis doorgemaakt van existentiële grootte. In 1974 hield D66 twee eigen zetels over in alle provinciale staten van Nederland. Ze had drie bewindspersonen in het kabinet Den Uyl. In 1982 hield D66 6 zetels over nadat ze minder dan twee jaar had geregeerd in het twee kabinet Van Agt. In 1994 had 24 zetels. Na vier jaar Paars was dat 14. Na nog vier jaar Paars was dat 7. D66 zette door: ze regeerde ook in het tweede kabinet-Balkenende: drie zetels bleven over in 2006. Sindsdien zeggen ze bij D66: ‘Regeren is halveren.’

Hand in hand

Maar idealen en ambten kunnen ook samengaan. De SDAP was de principiële vooroorlogse voorganger van de PvdA. Op lokaal niveau leerde ze dat ze heel wat kon bereiken. Drees in Den Haag en Wibaut in Amsterdam. Ze maakte de leefomstandigheden van veel mensen beter door sloppewijken opruimen en grote werkgelegenheidsprojecten te beginnen. In die lijn van wethouderssocialisme staat ook Andrée van Es. Als jonge vrouw zat zij in de Tweede Kamer voor de PSP. Ze kreeg welgeteld één motie aangenomen.  Als wethouder van Amsterdam kan ze dagelijks het verschil maken voor Islamitische meisjes en voor illegalen. Het blijft niet alleen bij mooie woorden. In Amsterdam maakt GroenLinks het waar.

En verantwoordelijkheid dragen hoeft niet electoraal desastreus te zijn. De Duitse Groenen wonnen onder Joschka Fischer verkiezingen. Deze minister van Buitenlandse Zaken maakte van de kleine nichepartij een brede partij door te laten zien dat ze verantwoordelijkheid aan konden. In Nederland kennen we het fenomeen premiersbonus: het beste voorbeeld komt uit 1977. Na de val van het vechtkabinet Den Uyl won de PvdA tien zetels met de leus: ‘kies de minister-president.’ De VVD doet het nu zo goed in de peilingen omdat ze met Mark Rutte een herkenbaar boegbeeld hebben. Een politicus die ook in lastige tijden verantwoordelijkheid wil nemen voor de boekhouding.

Idealistische politiek hoeft ook niet in de marges van politiek te blijven. De Renaissance van de Duitse Groenen die we nu zien, komt omdat kiezers de Duitse groenen herkennen als de milieupartij van Duitsland. Haar anti-kernenergieactivisme was na Fukushima een aantrekkelijke eigenschap. De Duitse groenen zijn consistent in hun groene oriëntatie, of het nu electoraal goed ligt of niet: in 1990 vielen de Groenen uit het parlement met de leus iedereen praat over hereniging, wij praten over dat weer.

Maar ook dichterbij zijn er voorbeelden van electoraal succesvolle idealistische politici. Ik denk dan bijvoorbeeld van Paul Smeulders in Brabant. Het verhaal over een diervriendelijke landbouw zit hem diep. Hij voerde in Brabant fel campagne tegen de mega-stallen voor de gezonde landbouw. Hij won -tegen de electorale wind van GroenLinks in- een extra zetel in de staten.

Compromissen sluiten een coalitieland

Natuurlijk moet een regeringspartij compromissen sluiten in een coalitieland. Alleen dan kan je je eigen idealen ook echt realiseren. Je moet goed kiezen op welke onderwerpen je je rug recht houdt en op welke onderwerpen je buigt. Je moet de onderwerpen die voor je eigen kiezers en leden belangrijk zijn niet zo maar opgeven. Als je als groene partij ervoor kiest om de laatste groene polder te bouwen, een de bouw van kolencentrale tolereert, megastallen laat aanleggen, bij milieuschandalen blijft zitten, dan moet je niet verbaasd op kijken als er bij de verkiezingen minder kiezers komen opdagen en ook je vrijwilligers thuis blijven.

Kabinet valt over de spanning tussen conservatief en rechts.

‘Kabinetten vallen niet op inhoud’, is een politicologische regel. Geldt dit ook voor dit kabinet?

Les 1 in de politiek is: ‘kabinetten vallen niet over inhoud’. Het kabinet Balkenende IV viel omdat de PvdA bang was de gemeenteraadsverkiezingen te verliezen, vanwege haar gebrek aan ruggengraat. Het kabinet Balkenende II viel omdat D66 zich wilde afzetten tegen minister Verdonk. Het kabinet Balkenende I viel omdat CDA en VVD niet meer tegen de chaos in de LPF konden. Moet ik doorgaan?
Persoonlijke verhoudingen tussen de coalitiepartners en in het kabinet en de electorale strategie van de deelnemende partijen zijn veel belangrijker dan de inhoud. Je kan op inhoud vrijwel alles regelen als de verhoudingen maar goed zijn. Inleveren op inhoud wordt echt lastig als partijen zich zorgen maken over de komende verkiezingen.

Maar waarom is dit kabinet dan gevallen? Aan de verhouding kan het niet gelegen hebben. De heren stonden nogal glunderend elkaars vingers af te likken op allerlei foto’s. Ja, de weigerachtige houding van Wilders zullen de gesprekken niet gemakkelijk gemaakt hebben. Maar zoveel wantrouwen als tussen Balkenende en Bos kan er niet geweest zijn.
Wat is dan wel de verklaring voor de val van dit kabinet? Ik denk dat de kern van het probleem niet zit in de coalitie maar in één van de deelnemende partijen. Voor de VVD was dit de best mogelijke coalitie. Zij zijn de middelste partij in het kabinet. Ze kunnen min-of-meer integraal hun programma uitvoeren. Ze leveren de premier die door veel mensen wordt gezien als competent en sympathiek.
Het CDA gaat al een tijdje een electorale neergang door. De partij weet niet precies meer wat ze wil: een rechtse hervormingspartij? een sociaal-conservatieve partij? Links? Rechts? Progressief? Conservatief? Een paar jaar meeregeren had de partij de kans gegeven om daar beter uit te komen. Nu gaan de nog leiderloze Christen-democraten stuurloos de verkiezingen in. Ja, de eerste stappen (‘het radicale midden’) hadden het lastig gemaakt voor het CDA om door te gaan in deze coalitie. Daarom is er in Limburg ook gebroken. Maar op landelijk niveau zitten de Christen-democraten echt niet te wachten op verkiezingen.

Blijft er één partij over: de PVV. Een groot gedeelte van de spanning in deze tussenformatie zit in de PVV zelf. De PVV is in de kern een populistische partij, die leeft van anti-elitegevoelens,. Maar nu is ze dichtbij het minderheidskabinet betrokken. Een anti-establishment partij die verantwoordelijkheid draagt. Sommige partijen lukt het: Berlusconi wist zich tot in zijn laatste dagen zelfs als premier te verzetten tegen de linkse elite, die volgens hem met name in de rechterlijke macht geconcenteerd was. Maar andere partijen gaan ten onder aan die tegenstelling: denk aan de Vrijheidspartij in Oosterrijk (FPÖ) of de LPF.
Met één voet op de straat en met één voet in de Trêveszaal werd  hetvoor Wilders steeds lastiger. Wilders had een simpele scheiding gemaakt. Meebuigen op economische onderwerpen, en een keiharde, zelfs oppositionele houding op Europa en immigratie. Maar vanwege de Europese begrotingscrisis zijn economische en Europese politiek steeds sterker verweven geraakt. De Europese begrotingseisen bepalen mede de hoogte van de AOW in Nederland. Euroscepsis en een ruimer begrotingsbeleid gaan hand in hand. Dat is het verhaal dat Wilders nu vertelt: ‘Brussel wou oma haar AOW afpakken, Rutte vond het goed. Ik niet.’
Maar de spanning zit een laag dieper:  de PVV onderschrijft de noodzaak van bezuinigingen. In haar eigen verkiezingsprogramma én in het gedoogakoord. Ze wil alleen bepaalde groepen zoals ouderen niet raken. Dus waren er al rare kronkels gemaakt bij de tussenformatie: de nul-lijn voor iedereen behalve AOW’ers. De PVV is anders dan veel commentatoren stellen geen linkse partij in economisch opzicht. Het is een partij met een conservatief-rechtse economisch programma. Wel bezuinigen maar niet hervormen. En dat blijkt steeds meer een contradictio in terminis te zijn. Zonder ingrijpende hervormingen kan er niet bezuinigd worden. De SP (links en conservatief) wil om de AOW-leeftijd te behouden en de zorg collectief blijven te betalen, de inkomstenbelasting verhogen. Misschien niet zo slim, maar wel consequent. De PVV wil een kleine overheid (rechts) maar de gulle verzorgingsstaat behouden (conservatief). En dat bleek onmogelijk te zijn.
Het kabinet is niet op een inhoudelijk meningsverschil gevallen, maar op een onhoudbare inhoudelijke positie van één van de deelnemende partijen.

A few things you need to know about 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism

Laatst hoorde ik een professor economie beweren dat GroenLinks vol zit met afgestudeerden in de sociale wetenschappen die geen verstand hebben van exacte vakken als economie en daarom gevoelig zouden zijn voor de argumenten van slimme neo-liberale economen. Niet veel later riep een voormalige partijvoorzitter GroenLinks op een gezond anti-kapitalisme te koesteren.

Daarom heb ik als politicoloog maar eens 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism gelezen. In dit boek slaat de Koreaanse Cambridge-econoom Ha-Joon Chang de bodem weg onder drieëntwintig veel gehoorde one-liners van neo-liberale economen.

There is no such thing as a free market

We weten allemaal dat sinds de val van de Muur er geen alternatief is voor de vrije markt: de onzichtbare hand, vraag en aanbod bepalen alles. De belangrijkste mythe waarmee Chang afrekent, is dat er zo iets is als een vrije markt. De huidige economie wordt grotendeels gepland: de overheid neemt nog een vrije grote rol in het, zeker in economische sectoren die belangrijk zijn voor de structuur van de economie (zoals infrastructuur en energie). Bedrijven zijn zo groot geworden dat een groot deel van de economische beslissingen niet genomen worden in een vrije markt maar door planning in bedrijven. Daarnaast reguleert de overheid van alles, het meest prominent de arbeidsmarkt. Dan gaat het niet alleen maar over het verbod op kinderarbeid of ontslagrecht, maar ook over de controle op immigratie en emigratie. Hierdoor is er niet sprake van een vrije wereldwijde arbeidsmarkt, maar van protectionistische nationale arbeidsmarkten. Daarom gaan de wetten van de vrije markt (‘alles wat je verdient, is je eigen verdienste’) niet perfect op, zeker niet voor lonen.

Vrije markt is ook niet het antwoord op alle problemen. Chang benadrukt dat een sterke verzorgingsstaat mensen kan stimuleren om het beste uit zich zelf te halen: omdat ze kunnen terugvallen op vangnet durven ze meer risico te nemen. In de negentiende eeuw werd de aansprakelijkheid van ondernemers en investeerders beperkt, alleen toen kon het kapitalisme echt een grote sprong nemen: ondernemers hoefden niet meer het gevang in, als hun bedrijf bankroet ging. Alleen binnen zo’n regime van overheidswetgeving kon echt durfkapitalisme ontstaan.

Huidige neo-liberale economen hebben niet alleen een weinig realistisch beeld van de economie, maar dat heeft onze economie ook opgebroken: de neo-liberale economen zagen de bankencrisis van 2007 niet aankomen of de Europese begrotingscrisis. Sterker nog: de financiële crisis is grotendeels het gevolg van de liberalisering van de bankensector die is aangemoedigd door neo-liberale economen. Waarom staan we toe om financiële ondernemingen producten verkopen waarvan ze de werking niet begrijpen, maar moeten nieuwe medicijnen wel uitgebreid getest worden?

Oud-linkse afwijking

Chang rekent af met heel wat dogma’s, mythes en vooroordelen van neo-liberale economen en levert heel wat redelijke adviezen voor de wederopbouw van de wereldeconomie. De belangrijkste uitgangspunten daarbij zijn dat we niet uitgaan van ongelimiteerde menselijke rationaliteit of dat we mensen niet alleen maar aanspreken op hun materiële egoïsme. Laten we uitgaan van mensen zoals ze zijn (beperkt in hun rationaliteit en gevoel voor meer dan alleen geld) en van de wetten zoals ze kunnen zijn.

Chang heeft wel een wat oud-linkse socialistische afwijking: hij legt een grote nadruk op het belang van de industriële sectoren. Chang benadrukt dat het internet, onderwijs en de dienstensector minder belangrijk zijn voor de economie dan of de uitvinding van de wasmachine of de industrie. Hoe we het ook wenden of keren, er moeten dingen gemaakt worden door mensen. Een diensteneconomie heeft dat alleen geëxporteerd naar een ander land. Een interessant perspectief, maar is dit ook toekomstig bestendig? Chang mist een groen perspectief. Met het dogma van economische groei rekent hij niet af. Juist een groen verhaal en een nadruk op het belang van maakindustrie kunnen hand in hand gaan: de toekomst van de Nederlandse economie is niet alleen maar afhankelijk van hoger opgeleide kenniswerkers maar juist van mensen die windmolens in elkaar kunnen zetten of zonnepanelen kunnen installeren.

De manier waarop Chang zijn stellingen illustreert is erg anecdotisch: om te laten zien dat overheden ook succesvolle bedrijven en sectoren kunnen kiezen, geeft Chang voorbeelden van succesvolle keuzes door de overheden. Daar zitten goede voorbeelden van beslissingen die overheden hebben genomen, maar economie is net als andere sociale wetenschappen geen exacte wetenschap. Het gaat uiteindelijk om statistische relaties. Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Een succesvolle keuze van een overheid bevestigt nog niet het eind van vijfentwintig jaar neo-liberale economische theorie.