Formidable opponent: Homo-emancipatie

Een onregelmatig terugkerende feature van dit weblog is het, van Stephen Colbert geleende, idee van een echt politiek debat met een echt sterke tegenstander: mijzelf. Het onderwerp is “moeten we de paus geen bloemen sturen vanwege zijn uitspraken over homo-seksualiteit?”

Simon A: Natuurlijk moeten we geen bloemen naar de paus sturen. Immers de Katholieke Kerk is intolerant ten opzichte van homo’s. “Bedankt voor bloemen uit Nederland” is na “Homo’s zijn een gevaar voor de samenleving” gewoon onacceptabel. Dat de volkszangers de drie Js opriepen om de Paus “nou eens een minuutje onder water [te] houden” is niet mijn stijl, maar het sentiment dat er in een vrije samenleving geen ruimte is voor is dit soort middeleeuwse intolerantie deel ik. De acceptatie van homoseksualiteit is de toetssteen of iemand wel mee kan dan doen in de huidige open samenleving.

Simon B: Okay, de paus heeft in een onbegrijpelijk wollig theologische speech weer iets gezegd over homoseksualitei: “Het is nodig, alom de natuurlijke structuur van het huwelijk als een verbintenis tussen man en vrouw te erkennen en de waarde ervan te benadrukken, tegenover pogingen om radicaal andere vormen van verbintenissen juridisch hieraan gelijkwaardig te maken. Zulke pogingen beschadigen en ontwrichten het huwelijk, en vertroebelen de specifieke aard ervan en de onvervangbare rol ervan in de samenleving.” In de boerenkooltijd (de winterse tegenhanger van komkommertijd) zorgt dit voor grote consternatie. Ik neem de Katholieke Kerk niet zo serieus. Maar dat heeft misschien meer te maken met het feit dat ze zelf geloven dat kannibalisme van hun eigen godheid onderdeel is van hun religieuze ceremonie dan dat ze opvattingen over het homo-huwelijk hebben die tot recent tot in de progressiefste landen gedeeld werden. Homo-rechten zijn pas recent erkend: pas in 1974 werd homoseksualiteit geschrapt in het breed gebruikte Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Daarvoor was het een breed gedeeld idee dat homoseksualiteit een geestelijke afwijking was. Tot in de jaren ’70 golden er in Nederland andere regels rondom seksuele meerderjarigheid voor homo’s en hetero’s. De erkenning van het homo-huwelijk, de kroon van de tolerantie van homoseksualiteit, is nog nieuwer: in Nederland werd dit gelegaliseerd in 2001. In Belgie in 2003. Daarop volgden Scandinavische, Iberische en Latijns-Amerikaanse landen. Maar zelfs in de Verenigde Staten zijn er meer staten die het homo-huwelijk in hun grondwet verbieden dan die het erkennen. De acceptatie van homoseksualiteit in het Westen is een recent fenomeen dat nog lang niet afgerond is. Nederland heeft een langere traditie van kerstbomen, vuurwerk en oliebollen, dan van tolerantie van homoseksualiteit. Waarom is de acceptatie van homoseksualiteit plotseling the end all, be all van Westerse vooruitgang?

Counterpoint: homo-rechten zijn gratis
Simon A: De tolerantie van homoseksualiteit is gratis. Je verliest niets als hetero door het samenzijn, samenwonen of trouwen van homo’s te erkennen. Het erkennen van het recht van Christelijke ouders om hun kinderen op een Christelijke manier op te voeden, betekent dat ook seculieren de kosten van Christelijk onderwijs moet opbrengen. Het erkennen van het recht van Moslims en Joden op ritueel slachten, gaat ten koste van dieren. En het erkennen van het recht van mensen om vuurwerk af te steken, kost andere mensen hun nachtrust. Homoseksualiteit kost helemaal niets: homoseksualiteit was, toen het nog een misdaad was, een victimless crime. Niemand had er schade van. Bovendien: homo’s zijn een heel kleine groep, ongeveer drie procent van de bevolking is homoseksueel, zelfs als je het rottig vindt om homo’s hand in hand te zien lopen, is de kans daarop kleiner dan dat je een vrouw met hoofddoek ziet.
Je moet dus wel heel onverdraagzaam zijn om het te verbieden. Welke wetgever gaat tussen twee mensen staan die van elkaar houden en ontzegt hen hun liefde? Welke wetgever wil per se in de slaapkamer van twee volwassenen kijken? Welke wetgever verklaart iemand voor gek alleen maar omdat hij van een ander houdt? Intolerantie van homoseksualiteit is, juist omdat de tolerantie gratis is, bijzonder irrationeel.

Gratis dus waardeloos
Simon B: Als homoseksualiteit gratis is, is het tolereren daarvan ook niet heel erg ingewikkeld. Het is gemakkelijk om te zeggen: “kijk mij eens even superieur zijn omdat ik homoseksualiteit tolereer” terwijl het je niets kost. Waarden als tolerantie krijgen pas kracht als je er iets voor moet inleveren. Dus als ik iets zou verkiezen tot het end all of be all van tolerantie zou ik niet het homo-huwelijk verkiezen, omdat het kosteloos is om het te tolereren. Zoals jij zei: tolerantie van Christendom betekent dat ik moet accepteren dat mijn belastinggeld wordt gebruikt voor Christelijke scholen. Dat vereist een veel grotere opoffering van mij dan van hen: immers hun Christelijk onderwijs wordt betaald van mijn belastinggeld, terwijl ik mijn homo-huwelijk uit eigen zak moest betalen.

Homo-huwelijk is niet gratis
Simon A: Maar als het te makkelijk zou zijn om homoseksualiteit te tolereren, waarom accepteren we dan nog steeds onverdraagzaamheid ten opzichte van homo’s, bijvoorbeeld door de erkenning van de weigerambtenaar? Door de dictatuur van een kleine minderheid gereformeerde fundamentalisten, mogen ambtenaren weigeren om de wet uit te voeren. Dat laat zien dat iets wat heel gemakkelijk zou moeten zijn, dat niet is zelfs in Nederland. Het principe van non-discriminatie betekent dat de overheid iedereen gelijk moet behandelen, dus dat er geen ambtenaren mogen zijn dus die weigeren de wet uit te voeren. Maar Christenen eigenen zich het recht toe om intolerant te zijn, vanwege hun religie.

Homo-intolerantie accepteren is een vorm van tolerantie
Simon B: Het homo-huwelijk is in links Nederland verworden tot het symbool van tolerantie. Maar tolerantie betekent toch juist ‘ontspannen omgaan met verschillen’ of ‘daar komen we samen uit’. Stel dat een gemeente besluit haar gemeentehuis op zondag te openen (‘de wet’) en een Christelijke ambtenaar zegt: ik werk op zondag niet (‘ik voer de wet niet uit’). Dan betekent tolerantie toch dat er een schema komt waarin hij niet op zondag hoeft te werken? Het principe van non-discriminatie betekent dat de overheid iedereen gelijk behandeld. Het zegt niets over individuele ambtenaren en hun opvattingen. En zeker omdat het aantal homo-huwelijken niet heel groot is en iedere gemeente meer dan een trouwambtenaar heeft, is dit een non-probleem. En bovendien: het idee dat weigerambtenaren een probleem zijn, is de armoede van huwelijken die gesloten worden door volslagen vreemden. Tolerantie van homo’s door Christenen en van Christenen door homo’s moet van twee kanten komen: je moet niet de rechten van een minderheid weg nemen en om een andere minderheid te verdedigen.
Om terug te keren naar de Paus: in een vrije samenleving hebben mensen het recht om hun opvattingen te uiten, hoe zeer ik het er ook niet mee eens ben. Tolerantie betekent dat ik het recht van mensen om hun mening te uiten verdedig, zelfs al vind ik die mening abject. Siertelers hebben het recht om wie ze ook willen bloemen te sturen. Je mag ook op facebook iedere petitie beginnen die je wil, voor of tegen de Paus, maar ik ga het niet steunen of liken. Maar oproepen tot geweld, zoals door de 3Js, zelfs al is het ironisch bedoeld, raakt de grenzen van de tolerantie.

Top 5 films van 2012

Het filmjaar 2012 was niet zo’n draak als de film 2012, zo’n Hollywood blockbuster vol actie en geweld maar zonder enig gevoel voor plot of verhaal. Een top-5 van de films van 2012, in willekeurige volgorde:

1. Iron SkyIron Sky is een nieuw soort film. Een film die niet gemaakt wordt door producenten in Hollywood, waar rare ideeen worden afgewezen voor de zoveelste reboot van een blockbuster. Iron Sky is zo’n raar idee: na 70 jaar keren Nazi’s vanaf de maan terug naar de aarde om te vechten tegen de VS die geleid worden door Sarah Palin. Je kan aan de film gewoon zien dat de makers, overduidelijk filmgeeks uit Finland, zo’n plezier hebben gehad.

2. Moonrise Kingdom – Ik ben een grote Wes Anderson fan. Moonrise Kingdom is een typische Anderson film, zo voorzichtig gemaakt met zo’n sterk oog voor fragiele menselijke relaties. Moonrise Kingdom haalt het niet bij The Royal Tanenbaums, Rushmore of The Fanastic Mr. Fox, de beste films van Anderson, maar geeft je een spring in je stap.

3. Pirates! – De makers van de kleipoppetjes Wallace en Grommit maakten een hilarische komedie over piraterij en ontdekkingsreizen. Maar de film is met name mooi vanwege het oog voor detail.

4. The Hobbit – Een ‘preboot’ en blockbuster, dat lijkt dus eigenlijk niet wat ik juist wil aanmoedigen: voorzichtig gemaakte films waaruit de liefde voor het filmmaken blijkt. Maar dat is juist de kern van de Hobbit: zo’n openingsscene waarin Frodo op Gandalf gaat wachten. Dan word ik week van in de knieen: het past zo mooi in de voorgaande triologie. Dan komt daar nog bij de herhaling van muzikale thema’s, het landschap, Cate Blanchet als de Galadriel en Gollum-Gollum.

5. The Hunger Games – Ik verwachtte een typische Amerikaanse jeugdactiefilm. Meisje wordt gedwongen om mensen te vermoorden en blijkt daar heel goed in. Piew-piew, paf-paf en ze krijgt natuurlijk de hunky teenager. Maar The Hunger Games zijn een kritiek op de geweldscultus en reality tv in een intrigerende post-apocalyptische setting.

Welkom in Nederland

“Welkom in Nederland” zei een vrouw tamelijk luid toen de conducteur omriep dat de trein vanwege een ongeval met een persoon niet verder zou rijden dan Zwolle. De toon waarop ze haar ongenoegen kenbaar maakte, was die van Amerikaanse negatieve campagnespots: “welcome to Obama-ville“. Nederland is verworden tot een soort Centraal-Amerikaanse bananenrepubliek waar alles misgaat door de incompetentie van de in en in corrupte, in zichzelf gekeerde en incestueuze elite. Een land waar treinen in de herfst uitvallen als bladeren van een boom, omdat de monopolistische spoorwegmaatschappij bestuurd wordt door hoge heren die er een heimelijk genoegen in scheppen om de strakke planningen van de kleine man in de war te schoppen, gewoon om te laten merken wie in Nederland bovenaan de maatschappelijke ladder staat en wie niet.

Problemen met de trein zijn allemaal natuurlijk erg frustrerend, omdat een systeem waar je op rekent niet goed functioneert. Tegelijkertijd, lijken we wel eens vergeten te zijn hoe bijzonder het Nederlandse spoornet is. Nederland heeft drukste spoornet van Europa. Nergens anders in Europa gaat er zoveel treinverkeer over zo weinig spoor. Bovendien is dit grotendeels personenverkeer. Nergens in Europa reizen er, per kilometer spoor, zoveel mensen. En toch: Nederland heeft een van de meest fijnmazige spoorwegnetten op de wereld.

Meer dan één miljoen passagiers reizen dagelijks met de NS, op een heel drukbezet spoornetwerk. Dat betekent dat een kleine verstoring kan leiden tot overlast voor een grote groep. Eén bevroren stukje spoor, betekent een vertraagde sprinter, betekent dat de fyra die er achteraan rijdt op het enkel spoor ook niet verder kan, dat de intercity met veel overstappers op die fyra wacht, maar daardoor komt hij net achter een goederentrein terecht etc. etc., voor je het weet staan door zo’n hele cascade honderden mensen stil. En desondanks is er geen land in de Europese Unie waar treinen zo punctueel rijden.

Mijn stelling zou zijn: hoe minder vertragingen, des te meer mensen zich ergeren aan vertragingen. Als treinen niet op tijd rijden, dan verwacht je er ook niets van. In Afrika gaan bussen rijden als ze vol zijn. Iedereen wacht gewoon geduldig tot de bus vol zit. Niemand kijkt ongeduldig naar zijn horloge. Maar als je weet dat de trein iedere dag om 15u46 aankomt, en het wordt één keer 15u56, dan is dat schokkend.

Mensen verwachten dus een heel hoog niveau van dienstverlening, juist omdat er een hoog niveau van dienstverlening is: natuurlijk moet ik op tijd op mijn werk kunnen zijn als ik ‘s ochtends vroeg, vanuit mijn woonplaats 225 km daarvandaan vertrek, zonder rekening te houden met een foutmarge.
Als er weer een groepje jongeren klaagt dat zij vanuit de Randstad tot diep in de nacht naar hun woonplaats moeten komen -een of ander gehucht in de provincie- dan komt dat omdat er voor hun leeftijdsgenoten uit het schamele gehucht drie huizen verder wel vrij betrouwbare nachttreinen zijn.
We hebben verwachtingen over ons interstedelijk spoornet dat veel mensen in andere landen niet eens koesteren over hun binnenstedelijk metronet. Om het kwartier moet een trein gaan van ‘s ochtends vroeg tot diep in de nacht. Als je in landen als Duitsland, Amerika of Italië een reis met de trein wil maken, dan lijkt het meer op vliegen dan op de metro, met vaste plekken, geadviseerde wachttijden en bureaucratische reserveringen.

Welkom in Nederland met het beste spoornet van Europa, met de meest punctuele treinen, die met de regelmaat van metro’s tot diep in de nacht rijden. Welkom in Nederland waar u met gemak van volslagen irrelevante provinciale dorpjes als Schagen in een paar uur in bruisende steden als Groningen kan komen. Welkom in Nederland waar we met één miljoen mensen ons zo afhankelijk hebben gemaakt van een dienst juist omdat die doorgaans perfect functioneert, dat we luid vloeken als we in een door de NS gecharterde bus stappen.

Zijn Europese partijen wel politieke partijen?

Sinds 2003 erkent Europese wetgeving Europese politieke partijen (hier ‘europartijen’ genoemd). Daarmee werden de Partij van Europese Socialisten (PES), de Europese Volkspartij (EVP), de Europese Liberalen, Democraten en Hervormers (ELDR; tegenwoordig ALDE geheten: Alliantie van Liberalen en Democraten in Europa) en de Europese Groene Partij (EGP) formeel erkend. Een aantal Nederlandse partijen is bij Europese partijen aangesloten: GroenLinks bij de EGP, het CDA bij de EPP, D66 en de VVD bij ALDE en de PvdA bij de PES.

De ambitie van de Europese wetgever en de realiteit gaan echter niet altijd hand in hand. Zo is het vanuit wetenschappelijk opzicht een serieuze vraag of wat door de Europese wetgeving als een politieke partij wordt beschouwd, wel een politieke partij is. De politicoloog Koole  definieerde in zijn proefschrift een politieke partij als “een georganiseerde groep, voorzien van een officiële benaming, die als zodanig kandidaten stelt voor verkiezingen van openbare functies.” Europartijen nemen evenwel niet deel aan verkiezingen: nationale partijen stellen immers de kandidaten voor de Europese verkiezingen, die bovendien per lidstaat plaatsvinden. De nationale partijen voeren verder onder hun eigen naam campagnes voor hun kandidaten en stellen verkiezingsprogramma’s op waar de parlementariërs uitvoering aan geven. Daartegenover staat dat de parlementariërs van dezelfde nationale partij zich wel aansluiten bij de eurofracties, die weer gelieerd zijn aan europartijen.

Europartijen voldoen zo niet aan de definitie van Koole. In de geschiedenis zijn er ook andere ‘partijen’ geweest die zich niet eenvoudig verhouden tot de klassieke definitie van Koole, zoals de negentiende-eeuwse kaderpartij. Uit de analogie tussen deze Europese partijen en deze kaderpartijen, die zoals iedere historische vergelijking imperfect is, kunnen we meer leren over de toekomst van Europese partijvorming.

Ideaaltypisch bezien zijn er twee verschillende manieren waarop partijen tegen het einde van de negentiende eeuw zijn ontstaan. De oorsprong van de ‘massapartij’ ligt buiten het parlement. De straf opgezette, hiërarchische massapartij organiseerde bevolkingsgroepen die door het beperkte kiesrecht buiten de politieke arena stonden, met als doel door de verkiezing van haar kandidaten daartoe toegang te verkrijgen. Het Nederlandse voorbeeld hiervan is SDAP. Aan de massapartij ging de ‘kaderpartij’ vooraf. Haar ontstaan lag binnen het parlement, toen volksvertegenwoordigers die het eens waren over de belangrijkste politieke kwesties, zich aaneensloten. Zo ging het in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw met de liberalen. In het toen geldende districtenstelsel waren de Tweede Kamerleden voor hun herverkiezing afhankelijk van de kiesvereniging in hun district. In het geval van de liberalen sloten deze onafhankelijk opererende kiesverenigingen zich in 1885 aaneen in een federatief verband, de Liberale Unie geheten. Deze losjes georganiseerde formatie wordt als kaderpartij aangeduid.

Tot op zekere hoogte is de structuur van de negentiende-eeuwse kaderpartij vergelijkbaar met die van de huidige europartijen. Deze partijen, of beter gezegd hun fracties, organiseren gelijkgestemde parlementariërs uit alle landen van de Europese Unie, maar de rekrutering en selectie van kandidaten en de campagne voor hun verkiezing wordt georganiseerd en uitgevoerd door onafhankelijke organisaties op een lager niveau, namelijk de nationale partijen – net als destijds bij de negentiende-eeuwse kaderpartij en haar kiesverenigingen.

De wortels van huidige partijen als de VVD en het CDA liggen geheel of ten dele in de negentiende-eeuwse kaderpartijen. Toch lijken deze partijen in ieder geval in organisatorisch opzicht in weinig meer op hun voorgangers uit de negentiende eeuw: kandidaatstelling en campagnevoering ligt tegenwoordig geheel op het nationale niveau. Cruciaal in deze ontwikkeling was de vervanging in 1918 van het districtenstelsel door een proportioneel kiesstelsel. Deze hervorming leidde tot een sterke nationalisering van het electorale proces; Nederland werd feitelijk één groot kiesdistrict. Het gevolg was een (verdere) centralisering van de landelijke partijorganisatie, waarbij de besturen vaste grip op de kandidaatstelling kregen.

Institutionele wijzigingen kunnen de verhoudingen binnen partijverbanden sterk beïnvloeden, zo blijkt wel uit deze verschuiving van de macht van de lokale kiesvereniging naar het landelijke bestuur. Vanuit dit perspectief is ook een versterking van de positie van de europartij ten opzichte van de lidpartijen heel goed denkbaar. Als er bij de Europese verkiezingen naast de nationale lijsten Europese kieslijsten ingevoerd worden (met rechtstreeks, binnen de gehele EU te verkiezen Europese kandidaten – een voorstel dat in 2011 door de commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement werd goedgekeurd), of de mogelijkheid de voorzitter van de Europese Commissie of Raad direct te verkiezen, dan zal binnen europartijen in ieder geval ten dele de macht ook verschuiven: van nationale partijen naar de europartij, omdat die verantwoordelijk zal worden voor de ‘Europese’ kandidaatstelling. Daarbij krijgt zij in beginsel ook grotere invloed op de via de Europese lijst gekozen europarlementariërs: wanneer deze niet voldoen, kan de europartij besluiten hen niet opnieuw te kandideren. Door dergelijke institutionele vernieuwingen zullen de europartijen aan relevantie winnen, en kunnen zij een reële bijdrage leveren aan ‘de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie’, zoals in het Verdrag van Maastricht in 1992 werd vastgelegd.

Dit artikel is geschreven voor Simon Otjes en Gerrit Voerman en verschijnt ook in de Hofvijver van december 2012.

Het effect van nieuwe politieke partijen

Sommige nieuwe partijen komen met grote ambities naar Den Haag. Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende minister-president, let u maar op”. Vaak zien nieuwe partijen een andere rol voor zichzelf: de Unie 55+, een ouderenpartij die in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer kwam, omschreef het ooit als volgt : “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3,5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijftig jaar en ouder zijn, geen meerderheid in de Kamer verkrijgen, zelfs niet op korte termijn tot de grote partijen gaan behoren. Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Vooral omdat het programma het Nederlandse volk zal aanspreken en zeker niet als extreem kan worden beschouwd, zullen bestaande partijen, teneinde zetelverlies te beperken, punten uit dit programma overnemen (…).”

Die laatste ambitie van nieuwe partijen om de prioriteiten van bestaande partijen te beïnvloeden, staat centraal in het proefschrift van Simon Otjes, waarop hij op 31 oktober 2012 is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden. Hij onderzocht het effect van nieuwe partijen op de aandacht die bestaande partijen besteden aan thema’s in zowel verkiezingsprogramma’s en parlementaire debatten. Het proefschrift richtte zich op alle nieuwe partijen die het Nederlandse parlement zijn gekomen sinds de Tweede Wereldoorlog.

De centrale uitkomst van het onderzoek is dat in de parlementaire arena nieuwe partijen wel een sterk effect hebben op de aandacht die bestaande partijen besteden aan bepaalde onderwerpen, maar dat in de electorale arena zo’n effect afwezig is. In verkiezingsprogramma’s van de bestaande partijen is er geen consistent effect van de aanwezigheid van nieuwe partijen zichtbaar. In de aandacht die partijen aan onderwerpen besteden in parlementaire debatten is er wel een helder effect van nieuwe partijen zichtbaar. De aanwezigheid van een nieuwe partij leidt tot een toename in aandacht voor het thema dat die nieuwe partij centraal stelt. Als nieuwe partijen sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp of als ze groter zijn is dit effect sterker: zowel de Partij voor de Dieren (PvdD, een kleine partij die sterk gefocust is op dierenwelzijn) als de Lijst Pim Fortuyn (LPF, een grote partij die in haar parlementaire werk geen concentratiepunten had maar zich breed oriënteerde) zijn voorbeelden van partijen die het onderwerp dat centraal stond in hun programma (voor de PvdD landbouw en dierenwelzijn en voor de LPF  immigratie en integratie) hoog op de agenda hebben gezet. Dit duidt erop dat er verschillende mechanismes een rol spelen: de LPF vormde omdat ze zo’n grote groep kiezers wist te mobiliseren een serieuze bedreiging voor de bestaande partijen. Bestaande partijen hebben dan ook het voorbeeld gevolgd van deze electoraal succesvolle partij. De PvdD heeft omdat ze zo gefocust was op landbouw het parlementaire debat daarover gedomineerd. Bestaande partijen hebben niet alleen deelgenomen aan de debatten die de PvdD agendeerde omdat dat van hen verwacht werd, maar ook om dat ze alleen zo grip konden houden op manier waarop er in de Tweede Kamer gepraat en gestemd wordt over landbouw: als ze niet meededen, dan werd alleen het radicale anti-dierenrechtengeluid van de Partij voor de Dieren gehoord.

Niet alle nieuwe partijen zijn succesvol: de Unie 55+, die juist de ambitie had om via de bestaande partijen invloed uit te oefenen op het ouderenbeleid, is een voorbeeld van een weinig succesvolle nieuwe partij in de termen van dit onderzoek. Zij kwam in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer, op de vleugels van grote maatschappelijke onrust over bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid: tijdens de campagne stelde het CDA voor om de AOW te bevriezen. De Christendemocraten leden een zwaar verlies. De bestaande partijen hadden aan het verlies van het CDA gezien dat alleen al het doen van voorstellen op het gebied van zorg of sociale zekerheid kon leiden tot een slechte verkiezingsuitslag en lieten het onderwerp rusten. Bovendien focuste het enige Kamerlid van de Unie 55+, Bertus Leerkes, zich niet sterk op ouderenbeleid: hij diende in totaal drie moties in: over verkeer, de economie en de zorg.

Het promotie-onderzoek laat zien dat nieuwe partijen hun eigen onderwerp hoog op de politieke agenda kunnen zetten – noet zozeer op de electorale,maar vooral op de  de parlementaire agenda. Deels hebben nieuwe partijen dit zelf in de hand: als ze zich niets aantrekken van de agenda van de Tweede Kamer en zich sterk focussen op hun eigen onderwerp, kunnen ze de agenda mede bepalen.

Dit artikel verscheen in de Hofvijver van December 2012

“Een waardeloze economie”

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Ewald Engelen.

“Tegenover een ‘waardevolle economie’ staat een ‘waardeloze economie’.” stelt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie. “Het type economische groei die Nederland in de afgelopen 15 tot 20 jaar heeft meegemaakt, is waardeloos. Om te zien hoe waardeloos die groei is, dalen we af naar de krochten van het bankbedrijf”.

De bankencrisis aan weerzijde van de Oceaan
De aanleiding van de crisis lag in de Verenigde Staten: “In Amerika hadden Democraten en Republikeinen geprobeerd om inkomensongelijkheden weg te plaveien door mensen eigen huizen te geven zonder oog of mensen de hypotheken konden terugbetalen. Banken zetten die hyptoheken niet op de balans. De banken verpakten die hypotheken en verkochten ze door. Het zo geheten securitiseren.”

Er waren mensen die uiteindelijk die hypotheek niet meer op konden brengen: “Dan kan je in Amerika de sleutels naar de bank toe sturen. Steeds meer huizen stonden leeg. De huizenprijzen daalden. De gesecuritiseerde producten waren de prijs niet meer waard waarvoor ze op de boeken stonden. Niemand wist wie de verpakte hypotheekcontracten had gekocht. Er ontstond wantrouwen tussen banken. Er werden tussen banken geen geld meer geleend.” In 2008 gingen verschillende banken daardoor failliet.

“Deze gesecuritiseerde producten waren niet alleen verkocht aan Amerikaanse banken maar ook aan Europese banken. De schokgolf raakte zo ook het Europese continent. Staten in de hele Eurozone konden zich de meltdown van de financiële infrastuctuur niet permitteren. Het bankwezen was technisch failliet maar mocht niet failliet gaan. De overheden gaven kapitaalinjecties, namen de risico’s over van de banken en leverden garanties. In Nederland komt dat neer op 26% van het bruto binnenlands product.” Dat is de reden voor de grote staatsschulden nu, want “voor de crisis ging Bos met een overschot naar de Tweede Kamer”. In de onderstaande figuur is te zien hoe de staatsschuld in verschillende Westerse landen scherp steeg: voor de crisis daalde de schuld in Spanje met 10% na de crisis steeg de schuld met 10% per jaar.

Bankieren op anabole steroïden
“Het was een gigantische implosie van een financiële kathedraal, die de laatste twintig jaar is opgebouwd, waar toezichthouders geen zicht op hadden. Bankiers ook niet. They didn’t know shit. Ze wisten niet hoe markten eruit zagen, niet hoe kwetsbaar hun eigen bank was of hoe onderling verbonden en onderling afhankelijk de internationale bankwereld was. Wat wij sinds midden jaren ’80 zien is een nog nooit eerder vertoonde groei van de financiële economie ten opzicht van de de reële economie. Bancaire balansen zijn twee keer zo groot zijn als het mondiale bruto binnenlands product. Dat is bankieren op anabole steroïden.” De rode lijn in de onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de bankensector weer tegenover het gecombineerde bruto binnenlands product van de 14 rijkste landen.

Dat is nog maar wat de banken rapporteren. In de schaduwbancaire stelsel gaat nog een keer een heel mondiaal bruto binnenlands product om.  “Het schaduwbancaire stelsel bestaat uit alle transacties die verricht worden buiten het toezicht van bancaire toezichthouders. Ongeveer een derde van de financiële transacties vindt zo plaats. Dat weten we pas sinds de crisis. Er wordt daar geld gecreëerd door schuldtitels. Hetzelfde onderpand wordt gebruikt in vijf leentransacties. Dat is: hetzelfde onderpand wordt vijf keer heen en weer gedaan om enorme balansen te creëren. Nederland is de vierde grote draaischijf van het schaduwbancaire stelsel.”

Het gefinancialiseerde kapitalisme had haar oorsprong eind jaren ’70. “Door het  ineenstorten van de internationale monetaire orde in de jaren 70 verdween de quasi-goudstandaard die als ankerpunt fungeerde. Vervolgens zijn de financiële markten zijn geïnternationaliseerd en gedereguleerd.”

“We denken allemaal dat in de Verenigde Staten de grootste klootzakken rondlopen. Maar de VS heeft een kleine financiële sector. Deze is net zo groot als de Amerikaanse economie. De grootste klootzakken dat zijn de Europese banken. De landen met de grootste balansen in verhouding tot hun eigen economieën zijn Nederland en het Verenigd Koninkrijk.” De verhouding tussen de binnenlandse producten en de bankensectoren zijn weergegeven in de onderstaande figuur. “De Nederlandse banken zijn nog steeds vijf keer zo groot als de Nederlandse economie. Dat is too big to fail. Maar we kunnen ons niet een tweede reddingsoperatie permitteren.”

“Wat is hier gebeurd? Hoe kan dit gebeuren? Hoe kon het dat wij dit niet zagen? We hebben ons bezig gehouden met futiele kwesties, zoals hoofddoekjes, terwijl we ons financiële stelsel uit het oog verloren hebben. De financiële sector heeft een grote lobbymacht. Er is sprake van een draaideureffect: de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken is Eerste Kamerlid van D66. Banken krijgen de wetgeving die ze insteken. Europese wetgeving vindt plaats op basis van consultatierondes. Alleen de financiële sector reageert. Ze hebben een enorm batterij aan juristen.” Maar er is sprake van kennisfalen: “Economen zijn gelobotomiseerde krankzinnigen die niets begrijpen van de reële economie. Alleen heterodoxe economen zagen de zeepbel aankomen.”

Hefbomen
“Als je de winstgevendheid van banken afzet tegen de totale balans, dan zien we dat de winstgevenheid van banken niet veel is. In de VS is het hoogst: een winstpercentage van 1 tot 1.2%. In Europa is het nog lager. We kunnen ook naar hetzelfde rendement kijken in termen van het eigen kapitaal. Dat is wat de aandeelhouders en de bankiers zelf krijgen. Het rendement is midden jaren ’90 7% en loopt op naar 15%. Dit type rendementen maakt de banken tot een zeer winstgevende sector. Hoe kan een bank zo’n laag rendement hebben op de totale balans en zo’n hoog rendement per aandeel hebben?” De twee figuren hieronder geven de winst uitgedrukt in termen van de balans en uitgedrukt in termen van het eigen vermogen weer.

De hefboom is de simpelste reden voor het hoge rendement per aandeel: “De hefboom is niet anders dan de verhouding tussen het eigen vermogen en de omvang van de balans. In 1850 was de balans van het bankwezen twee keer zo groot als het eigen vermogen. De partners van een bank gokten met hun eigen vermogen. Dat betekent dat als je 1.2% winst haalt op je totale balans, je 2.4% winst haalt op je eigen vermogen. Rond 1970 zijn er hefbomen van 25%. Dit betekent dat banken nog maar 4% van hun eigen balans als eigen vermogen hebben. 1.2% winst betekent dan een winst van 30% op het eigen vermogen.”

“Hoe werkt dit? Een bank heeft heel weinig eigen vermogen. Voor een korte periode, één of twee dagen, lenen ze goedkoop geld. Dat lenen ze vervolgens uit voor hogere rentes of daar kopen ze financiële producten voor met hoge rendementen. Het verschil tussen die goedkope kortdurende leningen en die langdurige duurdere leningen dat is de winst die een bank maakt.”

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er internationale regels voor de verhouding die banken moeten hebben tussen eigen kapitaal en de totale balans. “Als een bank risicovolle activa op hun balans zetten, dan maakt dat ze tot een onveilige bank. Daarvoor moet veel eigen vermogen achter de hand gehouden. Voor overheidsobligaties van landen met een AAA-rating hoeven banken 0% eigen vermogen achter de hand te houden. Hypotheken zijn relatief onveilig daar moeten banken 8% eigen vermogen voor achter de hand houden. Dat betekent dat banken rekening houden met het mogelijke faillissement. Banken willen dus onveilige producten omzetten in producten met een AAA-rating. Het totale eigen vermogen is zo veel lager dan het cijfer dat volgt uit de risico-gewogen activa.” Hieronder zie je het risicogewogen eigen kapitaal van Nederlandse banken (waar ze in de top-4 staan) maar ook het niet risico-gewogen eigen kapitaal van banken (waar ze bij de onderste 4 staan).

“De toezichthouders van banken hebben afgesproken dat banken zelf hun eigen risico’s mogen inschatten, zolang dit maar voldoet aan een aantal procedurele voorwaarden. Bij grote banken keurt de slager het eigen vlees. De risico’s die verbonden waren aan veel financiële producten werd schromelijk onderschat. Ze kunnen zo kunstmatig hun eigen winsten oppompen.”

Securitisatie
“Banken hebben een intermediaire functie. Of ten minste dat is het zeehondjesverhaal dat ze graag vertellen. Mensen hebben geld over. De banken zetten dat surplusgeld uit bij mensen en bedrijven die geld nodig hebben. Tijdens de bancaire revolutie zijn banken andere dingen gaan doen. Ze zijn gebruik gaan maken van securitisatie. Dat is een vrij eenvoudig proces: we hebben een hypotheekbank die leent geld uit aan mensen die een lening willen. Door te securitiseren kunnen banken datzelfde beetje geld nog een keer uitgeven. Securitiseren is niet meer dan een contract als een op financiële markten verhandelbaar product doorverkopen aan andere partijen. Je hebt een bank die verkoopt aan een special purpose vehicle. Die koopt van die bank de hypotheken door evenveel obligaties uit te geven als hypotheekcontracten. De rente uit deze obligaties worden betaald uit de rente van de hypotheekcontracten. Er worden producten verkocht die tot in de tweede of de derde trap verwijderd zijn van het oorspronkelijke hypotheekcontract. In Nederland werden zulke producten gekocht door onze eigen pensioenfondsen. Nederland staat in de top-4 van markten in gesecuritiseerde schulden. Toen er geen hypotheekcontracten meer te slijten waren, bleek hoe enorm raar het vlechtwerk van afhankelijkheden in elkaar zat.”

Een schuldgedreven groeimodel
“Nederland is een verderfelijk land. We zijn een grote partij in het casinospel dat banken opgetuigd hebben. Wij hebben zelf een heel precair groeimodel gehanteerd.” Een onderdeel daarvan wordt in de volgende lezing uitgelicht door Alfred Kleinknecht: het exportgedreven groeimodel. “Sinds midden jaren ’80 krimpt onze binnenlandse economie zodat grote bedrijven kunnen exporteren. Daarvoor laten we onze lonen dalen.”

“Er is geprobeerd het tekort aan binnenlandse bestedingen op lossen door de vastgoedsector.” Dit is grotendeels gedreven door schulden: “Dit is een grote misallocatie van kapitaal: ons grote commerciële vastgoedprobleem. In Groot-Amsterdam staat 18% van de kantorenparken leeg. Dat wordt nooit meer verhuurd. Honderden miljoenen euro’s die gestoken zijn in vastgoed: vroeg of laat moet dat ergens afgeboekt worden. Laten we hopen dat het bij de banken zal zijn en dat niet de burgers ervoor moeten betalen. Woningbouwcorporaties, universiteiten en ziekenhuizen zijn sterk financieel gedreven. Hun hoofdtaak is niet meer onderwijs, onderzoek of zorg, maar het managen en beheren van een vastgoedportefeuille.” Maar ook huishoudens zijn gelinkt aan de vastgoedbubbel: “Nederland heeft een gigantische hypothecaire schuld. Alleen Zwitserland en Denenmarken hebben zo’n grote hypotheekschuld.” Het wordt voor huishoudens vanwege de bezuinigingen moeilijker om hun hypotheek te betalen of anders hun huis te verkopen. “We moeten af van onze geldverslaving en onze economie moet af van de vastgoedverslaving van de bouwsectoren.”

De illusoire winstgevendheid van het bankenstelsel heeft geleid tot een gigantische misallocatie van kapitaal en arbeid. Dit is een reset moment, een moment van herbezinning, een therapeutisch moment dat we met z’n allen moeten doormaken. We zitten nu in de nasleep van een sterk door marktdenken gedomineerd bedrijf. Er is nu veel meer ruimte voor het nadenken over alternatieven, andere vormen van markten, zoals duurzame markten. Maar eerst zal er een vlijmscherpe scalpel gezet moeten worden in de mondiale financiële sector zodat banken weer in dienst staan van mensen en niet in dienst van zichzelf.

‘GroenLinks is de meest radicale partij van Nederland’

Afgelopen maand organiseerde ik een lezingencyclus over de waardevolle economie. Vijf avonden waarop de economische koers van GroenLinks verdiept werd. Van twee schreef ik een verslag. Bij deze het verslag van de bijdrage van Jesse Klaver.

In de economische visie van GroenLinks staan ecologische, sociale en financiële duurzaamheid centraal. Als je vanuit deze waarden politiek bedrijft, leidt dat tot een radicaal andere inrichting van de economie, aldus Jesse Klaver tijdens de laatste lezing in de reeks Waardevolle economie.

De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie
‘In de campagne leek het alsof links en rechts tegenover elkaar te stonden’. Links verweet rechts dat zij ‘de economie kapot bezuinigde’. GroenLinks werd, omdat zij het Lenteakkoord onderschreef gemakshalve bij rechts gerekend. ‘Maar uiteindelijk bezuinigden wij in ons programma evenveel als de PvdA. Het is namelijk geen zwart/wit-keuze: investeren of bezuinigen, je kan én investeren én bezuinigen. ‘Voor ons was niet de grootte van de bezuiniging leidend, maar drie waarden: ecologische, sociale en financiële duurzaamheid’. Ecologische duurzaamheid betreft leven binnen de ecologische grenzen. ‘”De sociale kwestie is meer dan een broodkwestie”, aldus een van mijn helden, Talma. Hij was een van de grondleggers van de verzorgingsstaat. Het gaat over meer dan een fatsoenlijk inkomen. Het gaat ook om erkenning. Denk aan de schoonmakers die staakten, ze wilden niet alleen een beter inkomen, maar ook gezien worden voor het werk dat ze deden. Met financiële duurzaamheid bedoel ik niet alleen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën maar ook de stabiliteit van ons financiële systeem.’

Leven als de koningin van Versailles
‘De economische crisis waar we nu inzitten is geen klassieke bestedingscrisis, het is een crisis van de schuldeneconomie. Daarom moeten we niet extra schulden maken om uit de crisis te komen. We leven net als de Queen of Versailles: een documentaire over een Amerikaanse man en zijn vrouw. Die man was miljardair geworden met een bedrijfsmodel waarbij mensen een appartement konden kopen, terwijl ze dat eigenlijk niet konden betalen. Toen er nog veel goedkoop krediet was, ging het hem voor de wind. Hij was van plan om het grootste huis in Amerika te bouwen, ongeveer zoiets als Versailles in Frankrijk. Maar zijn hele bedrijfsmodel was gebaseerd op lucht: na de financiële crisis bleef hij alleen maar zitten met de waardepapieren. Weg goedkoop krediet, weg bedrijf en weg huis. Dat is de kern van het probleem waar we nu in zitten. We leven op de pof, van geld dat er niet is. Die luchtbel moet uit de economie.’ En juist daarom moet volgens Klaver de Nederlandse economie radicaal anders ingericht worden: ‘Nederland heeft een begroting van 250 miljard. In de doorrekening sleutel je daaraan. Wij verschuiven 68 miljard. De PvdA verschuift 40 miljard. GroenLinks bezuinigt 23 miljard. We investeren ook 13 miljard in extra. We verhogen de milieulasten met 12 miljard en verlagen de arbeidslasten met 14 miljard. Omdat we zoveel verschuiven, zijn we de meest radicale partij van Nederland. De modellen van het CPB kraken bij onze plannen.’

Ecologische duurzaamheid
‘Wij laten de vervuiler betalen. We repareren markten die niet goed functioneren. Neem het weggebruik. Daar betaalt iedereen hetzelfde voor. En dat is raar: want op de ring van Roosendaal is het wegdek minder schaars dan op de ring van Amsterdam. Roosendaal stroomt het verkeer goed door, terwijl bij Amsterdam is de auto’s in file staan. Files zijn enorm vervuilend: fijnstof is ontzettend slecht voor de gezondheid van mensen. Juist als je een prijs geeft aan weggebruik dan rijden we beter door: bij autopartij VVD stijgen de files volgens het Planbureau voor de Leefomgeving met 10%, bij ons dalen de files met 67%’. Gaan groen en groei samen? ‘Voor GroenLinks is economische groei geen doel op zich. In een eerdere lezing zei Alfred Kleinknecht dat we onder onze stand leven en dat we juist meer moeten consumeren, om de economie te stimuleren. Ik zeg: “we leven boven onze stand”. We hebben de grenzen van onze planeet bereikt. Bomen groeien niet tot in de hemel. Er zijn ecologische grenzen aan onze economische groei. We moeten toe naar een economie waarin consumptiegoederen niet worden weggegooid als ze opgebruikt zijn, maar worden hersteld.’ En zo’n economie zal minder groeien: ‘Economische groei of krimp zijn voor ons geen heilige huisjes. Ik denk dat we in Nederland toegaan naar een situatie van nulgroei.’ Niet omdat dat wenselijk is, maar omdat dat past bij een economie met minder input. ‘Je kan dan niet meer uit de schulden kan groeien. Onder Bill Clinton kromp voor het eerst in een lange tijd de Amerikaanse staatsschuld in verhouding tot het bruto binnenlands product. Dat kwam omdat de economie toen zo sterk groeide, niet omdat de staatsschuld terugliep. In de jaren ’90 kon je je zo uit de schulden helpen. Je kan nu ook een schuld maken om die te investeren in economische groei. Maar dat kan je alleen terugbetalen mét rente, als je verwacht dat de economie structureel blijft groeien. Het scenario van economische groei komt niet terug. We moeten af van de schuldeneconomie en naar een economie die reële waarde vertegenwoordigt’.

Sociale duurzaamheid
‘Sociale duurzaamheid betekende in deze doorrekening heel concreet onderwijs en werk. GroenLinks schept, van alle linkse partijen de meeste banen – zij het na 2017, tot 2017 loopt bij alle linkse partijen de werkeloosheid op. GroenLinks creëert zoveel banen door de belasting te verschuiven van werk naar vervuiling. Werk moet zo lang mogelijk blijven lonen. Daarom verlaagt GroenLinks de loonbelasting juist voor de lagere inkomens. Bovendien investeren we in de participatie voor mensen boven de vijftig, die nu weinig kans hebben op de arbeidsmarkt. Het vorige kabinet zei over mensen die aan de kant stonden: “er zijn nog zoveel vacatures. Mensen die niet werken zijn lui.” Dat is niet het geval.’ Iemand die ontslagen wordt in de bouw kan niet meteen aan de slag in de zorg. ‘Er is een mismatch tussen de kwaliteiten van mensen die aan de kant staan en wat er nu nodig is op de arbeidsmarkt.’ ‘De belangrijkste investering in jongeren doe je via het onderwijs. GroenLinks investeert in vroege en voorschoolse educatie. Zo voorkom je dat kinderen een achterstand oplopen. We investeren ook extra geld om ervoor te zorgen dat de best betaalde docenten lesgeven op het VMBO. GroenLinks investeert van alle partijen het meeste geld in onderwijs, maar dat droeg volgens het CPB niet allemaal bij aan economische groei: bij D66 droeg het onderwijs het meest bij aan het binnenlands product. Wil je dat je economie groeit door het onderwijs dan moeten docenten prestatiebeloningen geven, studenten sneller laten studeren en kinderen in grotere klassen zetten. Maar GroenLinks wil niet de maximale economische groei maar het beste onderwijs. Onderwijs is geen leerfabriek die mensen voorbereid op de arbeidsmarkt. Onderwijs gaat erover dat je jezelf kan vormen.’

Financiële duurzaamheid
‘GroenLinks kiest voor een aantal hervormingen, die op de lange termijn de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeteren. Dat is noodzakelijk om op lange termijn de sociale voorzieningen betaalbaar te houden. Zo schaffen we de hypotheekrente op termijn af. 20% van de hoogste inkomens krijgen 50% van de inkomsten hiervan. Het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek is goed voor de overheidsfinanciën maar ook voor een eerlijkere inkomensverdeling. Alle andere partijen laten de hypotheekrenteaftrek op een of andere manier in stand.’ ‘Maar het anders inrichten van de overheidsfinanciën is niet genoeg om de financiële risico’s van de overheid te beperken. Als je geen controle hebt over de banken dan heeft het geen zin. Het ging Ierland economisch voor de wind voordat de banken failliet gingen. De Nederlandse systeembanken zijn samen vier keer zo groot is als het Nederlands binnenlands product. Die banken kunnen niet nog een keer omvallen, want het risico voor de staat is te groot. Bankiers zijn eigenlijk nepkapitalisten. Als een bankier failliet gaat dan moet hij gered worden door de overheid. We moeten ervoor zorgen dat banken niet langer too big to fail zijn. De banken zijn zo groot omdat er tegenover het geld dat ze uitlenen nauwelijks geld op hun eigen rekening hoeft te staan. In de jaren ’90 klotste het geld klotste over de plinten. Van dat geld zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen gebouwd. Toen ik vroeger met mijn opa door Brabant fietste, vertelde hij me dat die bedrijventerreinen voor leegstand werden gebouwd. Projectontwikkelaars hadden plannen waardoor ze nog steeds winst konden boeken als die panden vijf jaar leeg stonden. Als ik nu terug naar Roosendaal rij zie ik dat mijn opa gelijk heeft gekregen.’ ‘Hoe gaan we de financiële sector beteugelen? In de eerste plaats door hogere buffers. We willen dat banken tegenover het geld dat ze uitlenen meer op hun eigen rekening moeten hebben staan. Bovendien willen we nuts- en zakenbanken scheiden: zo proberen we het spaargeld van mensen dat de overheid moet beschermen en de risicovolle activiteiten van banken te scheiden.’

Het verhaal van GroenLinks
‘Mensen snakken naar een nieuw verhaal. Dat zijn mensen die zelf actief zijn met duurzaamheid, ze zijn bijvoorbeeld bezig met urban farming. De belangrijkste vraag voor GroenLinks is: hoe krijgen we als GroenLinks die mensen terug? Hier zijn we denk ik als GroenLinks in de laatste jaren niet goed in geslaagd: met pragmatische stappen brengen we ons ideaal iedere keer een stapje dichterbij. Maar de compromissen die GroenLinks sluit, zijn niet de standpunten van GroenLinks. We moeten ons eigen verhaal vertellen. GroenLinks moet een veranderingsbeweging worden waar mensen bij willen horen. GroenLinks kiest nooit voor de belangen van gevestigde instellingen, maar voor de belangen van mensen. Wij zijn niet de gevestigde orde, wij willen de orde juist omgooien. Wij willen verandering!’