Christen-Democratische Unie?

Bij de laatste verkiezing voor de Tweede Kamer in september 2012 heeft de electorale neergang van het CDA zich verder doorgezet: in de laatste zes jaar heeft de partij die lange tijd de Nederlandse politiek domineerde twee derde van zijn stemmen verloren. Opvallend genoeg heeft de ChristenUnie in het geheel niet van het verval van de  chris­tendemo­cra­ten geprofiteerd, integendeel; in dezelfde periode raakte zij zelf een kwart van haar kiezers kwijt. Beide partijen zijn de laatste jaren in het defensief, als gevolg van de secularisering en deconfessionalisering.

Deze toenemende marginalisering van de christelijke politiek in Nederland zou voor het CDA en de ChristenUnie reden kunnen zijn om na te denken over een gezamen­lijk optrekken of zelfs een samengaan. Een fusie tussen die twee was altijd ondenk­baar, alleen al van­wege het grote onderlinge krachts­verschil: het CDA was in 2006 in zeteltal zeven keer zo groot als de ChristenUnie. Anno 2013 lopen zij in om­vang echter veel minder uiteen: het CDA heeft dertien zetels, de ChristenUnie vijf; in de peilingen van de af­ge­lopen weken is het verschil nog kleiner. Ook de ledentallen be­wegen naar elkaar toe, alhoewel het verschil nog altijd aanzienlijk  is: het CDA telde begin 2013 59.000 leden, de ChristenUnie 24.000.

Als beide partijen in zwaar weer verkeren, waarom gaan ze dan niet samen? Is de christelijke politiek in een sterk seculariserende samenleving immers niet gebaat bij een krachtig geluid? Bovendien staan de ChristenUnie en het CDA vaak dicht bij elkaar. Kiezers van beide partijen hebben over en weer tamelijk grote sympathie voor elkaar. Uit cijfers van het Nederlands Kiezersonderzoek uit 2010 (de gegevens uit 2012 zijn nog niet beschikbaar) blijkt dat de kiezers van de ChristenUnie na hun eigen partij de meeste sympathie hebben voor het CDA. De SGP komt pas op de derde plaats, terwijl de ChristenUnie met die partij bijvoorbeeld bij de Europese verkiezin­gen van 2009 nauw heeft samengewerkt. Onder CDA-kiezers staat de ChristenUnie op de derde plaats, na de eigen partij en de VVD.

Die wederzijdse sympathie kan samenhangen met een gedeelde achtergrond. Het electoraat van het CDA en de ChristenUnie is in hoge mate godsdienstig: 84% res­pectievelijk 97% van hun kiezers geeft aan religieus te zijn. Daarachter schuilt even­wel de nodige verdeeldheid: de grootste groep onder de ChristenUnie-stem­­mers is gere­formeerd, maar onder CDA-stemmers katholiek. De ChristenUnie is echter veel minder antikatholiek dan in het verleden; de partij heeft al geruime tijd haar vizier ook op behoudende katholieke kiezers gericht. Beide partijen trekken vooral kiezers van het platteland, wat niet vreemd is omdat daar meer gelovigen wonen dan in de grote stad: tussen de 70 en 75% van hun stemmen zijn afkomstig uit gebieden die niet sterk geürbaniseerd zijn.

Ook de politieke verschillen tussen het CDA en de ChristenUnie zijn op de lan­gere termijn bezien afgenomen, zoals blijkt uit hun samenwerking in het vierde kabinet-Balkenende in de jaren 2007-2010, dat overigens niet ten val kwam door toedoen van een hen, maar door de derde coalitiepartner, de PvdA. Na de val van het eerste kabinet-Rutte konden ChristenUnie en CDA in mei 2012 beiden het ook prima vinden in het Vijfpartijenakkoord. Ook in de sociaal-culturele sfeer vinden de kiezers van beide partijen elkaar: op veel onderwerpen, zoals immigratie, islam en veiligheid, heb­ben de kiezers van het CDA en de ChristenUnie dezelfde mening. Zo wil 86 resp. 87% strengere straffen; vindt 52 resp. 55% dat illegale immigranten niet mogen blijven; en is 60 resp. 65% tegen toetreding van Turkije tot de EU.

Niet op alle gebieden en is sprake van overeenstemming: zo is een meer­der­heid van de kiezers van de ChristenUnie tegen verdere Europese integratie, terwijl een meerderheid  van de CDA-kiezers voor is. Ook de opvattingen over ethische thema’s zoals het homohuwelijk en euthanasie lopen nogal uiteen. ChristenUnie-kie­zers zijn hier in meerderheid tegen; in het CDA-electoraat is dat slechts een (be­trek­­kelijk) kleine minderheid (53% resp. 11% tegen het homohuwelijk; 76% resp. 30% tegen euthanasie). De tijd dat er met de ChristenUnie  niet te praten viel zonder dat eerst de wetgeving inzake abortus, euthanasie en homoseksualiteit volledig zou wor­den teruggedraaid is echter al enige tijd voorbij: in 2006 heeft de partij in haar ver­­kiezingsprogramma deze eis laten vallen. Boven­dien zijn in de dagelijkse politiek deze onderwerpen sterk naar de achtergrond geschoven.

Op sociaal-economisch gebied zijn de verschillen tussen beide partijen groter. In het algemeen zien we een rechtser CDA-electoraat en een linkser ChristenUnie-electoraat. Wat betreft de niet onbelangrijke wens van een meer gelijke inkomens­ver­deling naderen de kiezers van beide partijen elkaar echter tot op zekere hoogte weer: 69% van de ChristenUnie-kiezers is hiervan voorstander, tegenover 54% van de CDA-kiezers.

De geschiedenis heeft geleerd dat partijen pas fuseren wanneer ze in hetzelfde schuitje zitten: electorale neergang of stagnatie, met als gevolg het verlies van macht, zijn on­mis­bare voorwaarden voor een organisatorisch samengaan. Het in 1980 uit drie par­tijen geformeerde CDA en de in 2000 uit de samensmelting van twee partijen voortgekomen Christen­Unie we­ten er alles van; hun samengaan was bedoeld om het proces van teloorgang dat eraan vooraf ging, een halt toe te roepen. Het CDA en de ChristenUnie bevinden zich nu ook weer in een situatie van neergang respectievelijk stagnatie (waarbij de Chris­ten­Unie op geen enkele wijze beter wordt van het verlies van het CDA), wat perspec­tieven kan openen op hun samengaan.

Een dergelijk proces wordt vergemakkelijkt door de verkleining van de onder­linge krachtsverhoudingen, de grote wederzijdse sympathie, door beider ligging in het godsdienstige domein en door de grote mate van politieke overeenstemming op on­der­­­werpen uit de sociaal-culturele sfeer. Ver­schillen bestaan er over sociaaleconomi­sche thema’s, maar die zijn betrekkelijk klein. Ethische issues als homohuwelijk en euthanasie laten een grotere verdeeldheid zien, maar de praktisch-politieke relevantie daarvan is in de afgelopen jaren sterk verminderd. Ook van belang is dat is de op­stel­ling van de Chris­ten­­Unie in de politiek als zodanig geleidelijk aan veranderd is. Voort­gekomen uit twee partijen met sterk principiële stelling­names is zij zich gelei­de­lijk aan pragmatischer gaan op­stellen – een onvermij­delijke strategie voor een op de politieke flank gepositioneerde partij die aan elec­torale of bestuurlijke relevantie wil winnen.

Al met al is de ChristenUnie dichter in de buurt van het CDA gekomen. Deze toenadering hoeft niet op korte termijn op een fusie uit te lopen, maar een semiper­ma­nent partnerschap tussen beide partijen, (vooralsnog) met behoud van hun eigen iden­ti­teit is wel denkbaar – zeker wanneer de electorale tegenspoed aan­houdt. Daarbij komt dat beide partijen elkaar in bestuurlijke coalities nodig zullen hebben om niet aan seculiere meerder­heden van liberalen en sociaaldemocraten te zijn overgeleverd.

Zo’n bondgenootschap kan in eerste instantie gericht zijn op voortzetting van de huidige samenwerking in gemeentelijke en provinciale colleges en wellicht ooit ook weer in het landsbestuur, en – wanneer dat profijtelijk is voor beide partijen – op electorale coöpe­ratie die verder gaat dan een lijstverbinding (zoals lijstineenschui­ving). Wanneer de samenwerking in dat stadium is aanbeland wordt het oppassen; vroe­gere fusies van CDA, GroenLinks en de ChristenUnie zijn immers ook be­gonnen met electorale samenwerking.

Dit stuk is eerder verschenen op de website van het Montesquieu Instituut en geschreven samen met Gerrit Voerman.

Waarom de Cypriotische spaardersheffing lijkt op de inkomensafhankelijke zorgpremie

Een achterafzaal van een groot grijs regeringsgebouw. Op tafel staan een aangebroken doos met broodjes kaas en ham en aantal lege potten koffie, erom heen liggen rapporten vol doorgerekende voorstellen. Om de tafel zitten de onderhandelaars van links en rechts. Sommige zijn wat ingedut na dagen onderhandelen. Ze worden voorgezeten door één van de slimste sociaaldemocraten van zijn generatie. Hij is op zijn scherpst als het lastig wordt.
“Nog een paar miljard, dan zitten we aan ons streefbedrag” zegt hij. De abstracte cijfers geven een gevoel van zekerheid. Een plus een blijft altijd twee. De aanwezigen bladeren door de mappen met door ambtenaren voorbereidde voorstellen. Een sociaaldemocraat heeft een idee: “Wat nou als we maatregel Q11B op pagina 315 tweede van onderen nemen en dan kiezen we voor de variant ‘meest progressief’?” Dan zij we er bijna.” Een tiental politici zoekt in de boeken naar 315.
Je kan de fonkeling in de ogen zien van de voorzitter: “Dat is net niet genoeg, maar als we de nominale heffing iets verhogen …” Hij kijkt naar de rekenmeesters aan de ene kant van de tafel. Een jonge in Amerika geschoolde econometrist vult hem naadloos aan “… als we de nominale heffing van variant Q11B.III nemen dat moet genoeg zijn.” Er wordt op tafel geroffeld. De zaal is moe maar tevreden. Een oudere collega klopt de voorzitter op de rug en zegt: “Een mooi compromis.”
De voorzitter zegt: “We kunnen dit uitleggen. Dit is de grootste crisis sinds de 1945. Iedereen moet meebetalen om de huidige economische problemen op te lossen. Bovendien is het een progressieve maatregel die mensen met een klein inkomen ontziet.”
Op een persconferentie wordt het voorstel gepresenteerd. Serieuze heren in grijze pakken met antwoorden op de economische vragen van onze tijd. De pijn wordt eerlijk verdeeld.
Als het voorstel uit is gekomen, is de onrust groot. In vox-popjes geven de media de burger het woord. Die ziet er niets in om mee te gaan betalen. Het was toch een crisis van de banken? Ze voelen zich geraakt in hun portemonnee. Populistische politici typen het item bijna letterlijk over en noemen het een persbericht. Maar ook weldenkende politici die niet aanwezig waren bij de vergadering vragen om opheldering. Een inkomensafhankelijke heffing is mooi maar dit gaat te ver. Oud-collega’s die nu voorzitter zijn van een of andere belangenclub spreken zich uit tegen de maatregel. De onrust is groot.
Er moet heronderhandeld worden. Dezelfde boeken komen weer op tafel. Op vergelijkbare toon worden bijna identieke gesprekken gevoerd: “… nog een paar miljard …”

Dit zou een beschrijving kunnen zijn van de huidige onrust over de Cypriotische spaardersheffing maar ook van het inkomensafhankelijke zorgtoeslagdebacle nog geen paar maanden geleden. Die gelijkenis is volgens mij veelzeggend over de aard van de politiek in de huidige  economische crisis.

Alles is doorgerekend op economische consequenties: economen kunnen narekenen wat de economische reacties zijn van consumenten en bedrijven. Nou ja, alles? De smalle marges van de politiek zijn steeds meer de smalle marges die worden getekend door de rekenmeesters. Politici hoeven geen eigen ideeën te hebben. Ze kunnen varianten kiezen die door ambtenaren zijn bedacht. Politiek is als multiple choice test.

Maar een doorrekening op politiek-electorale gevolgen is niet gemaakt. Aan de onderhandelingstafel voelt iedereen de verantwoordelijkheid van de economische crisis en het belang van noodmaatregelen drukken. In beide gevallen werd er gekozen voor een variant die alhoewel progressief de middenklasse zwaar aan te slaan. De middenklasse die in de betere jaren wat gespaard heeft maar nu voor hun gevoel lastig rondkomt. Een inkomensafhankelijke zorgpremie zou voor het gemiddelde gezin een paar honderd euro in de maand schelen. Een heffing van 6% op je spaargeld betekent dat je plannen voor de toekomst (een eigen huis, eerder stoppen met werken) moet herzien. In de abstracte termen van de onderhandelingstafel vindt iedereen dat we in crisis tijd onze verantwoordelijkheid moeten nemen en is iedereen het eens met het principe de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Maar alles het concreet wordt, dan moet de gewone man, zoals u en ik, ontzien worden.

En wat ik het meest fascinerend vindt, is dat mensen als Jeroen Dijsselbloem en Wouter Bos die vergaderingen voorzitten. Ongelofelijk slimme politici voor wie de spreadsheets van de rekenmeesters geen geheimen hebben. En die in hun retoriek tijdens verkiezingen altijd oog hebben gehad voor de middenklasse en hun zorgen. Maar twee keer achter elkaar blijkt dat een noodmaatregel wel het financiële kapitaal kunnen opleveren dat volgens de economische modellen nodig is, maar dat politici niet het politieke kapitaal hebben om het door te voeren.

De huidige voortslepende economische crisis vindt plaats in de context van een politiek die een sterk technocratisch karakter heeft. Waarin doorgerekende bezuinigingsvarianten het speelveld van de politiek markeren en het het doel van politici is om een bundel van maatregelen te kiezen die een door diezelfde economen gezet doel moet halen.

Maar bovendien lijken politici vergeten waar ze in verkiezingstijd zo goed in zijn: vertrouwen winnen. Op campagne vragen kandidaten met een duizend keer gepolijst verhaal even vaak om ons vertrouwen vragen. En dan vergeten sociaaldemocraten de middenklasse niet uit het oog. Want dat is een cruciale swing vote. Maar juist in de kern is onze economische crisis een crisis van vertrouwen: van vertrouwen van consumenten in hun eigen economische perspectieven en in de zekerheid van hun spaargeld.

En die electorale werkelijkheid lijkt vergeten te worden door mensen die het in verkiezingstijd bar goed begrijpen maar voor wie in de momenten daartussen de werkelijkheid wordt gemaakt door abstracte economische doorrekeningen.

Waarom ik links ben

Na 28 jaren in dit leven, maak het politieke testament op van mijn jeugd.

Kinderlijke emoties
Mijn politieke opvattingen zijn gegrondvest in twee basale bijna kinderlijke emoties. Ten eerste, ik kan er niet tegen om medische documentaires te zien, waarin ze operaties filmen. Noem het squeamish, noem het empathisch. Maar door zo geconfronteerd te worden met bloed en lijden word ik fysiek onpasselijk. Maar een die in mijn politieke motivatie een centrale rol speelt. Want evenzeer als ik niet tegen verhalen over operaties kan, vind ik het verschrikkelijk om armoede te zien, dierenleed of de verschrikkingen van oorlog.
Voor mij speelt ook een tweede drang een grote rol, niet alleen in de politiek maar in mijn hele leven: het gevoel om niet beperkt te willen worden door anderen. Een basale, puberale vrijheidsdrang: om niet behandeld te worden als een schoolkind. Mijn ouders hebben mijn wil om mijn hart te volgen vanaf mijn eerste herinneringen nooit tegengehouden maar juist altijd gestimuleerd. Zo werd ik wilskrachtig, eigenwijs, gedreven.
Gedreven door een afkeer van lijden, besloot ik om altijd de kant te kiezen van de good guys, die zich inzetten om dit lijden tegen te gaan: dat betekende voor mij dat ik vegetariër werd, bijvoorbeeld, en demonstreerde tegen de oorlog in Irak en Afghanistan. Door een politieke opvoeding en een filosofische scholing werd deze motivatie politiek-filosofisch verdiept.

Socialisme
Links zijn de good guys van de politieke geschiedenis. Het is de stroming die zich tegen armoede en oorlog verzet. Onder links reken ik de liberale abolitionisten die tegen slavernij streden in de Verenigde Staten, maar ook socialisten die zich inzetten tegen armoede. Het is de stroming die zich inzet voor diegenen waarvan het lijden vergeten of genegeerd wordt zoals vluchtelingen maar ook dieren. Ik werd geïntrigeerd door linkse stromingen als het socialisme. De allerbelangrijkste les die ik daarvan heb geleerd is dat mijn gevoelens van empathie waardevol waren maar nooit het volledige antwoord konden zijn op dit lijden. Naastenliefde maakt de ontvanger afhankelijk van de gulheid van de gever. Terwijl iemand die in armoede is opgegroeid recht heeft op eerlijke kansen of iemand die de oorlog is ontvlucht recht heeft op een veilige haven. Dat is hun recht, daar maken zij aanspraak op. Gulle giften houden de maatschappelijke structuren die mensen ontzeggen wat van hen zou moeten zijn in stand. Het gaat niet om compassie, maar om rechtvaardigheid. Het gaat niet om gul geven maar om de maatschappelijke structuur veranderen. Empathie is een drijfveer maar geen antwoord.
Socialisten zijn er in veel kleuren: van gematigde sociaal-democraten, die in de jaren ’90 technocraten waren zonder gedrevenheid tot destructieve revolutionaire communisten die in de eeuw daarvoor hebben laten zien dat weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. In de geschiedenislessen viel mijn ogen op een klein partijtje dat precies vertegenwoordigde waar ik voor stond: de Pacifistisch-Socialistische Partij. Met die combinatie van pacifisme, tegen oorlog, en socialisme, tegen armoede en uitbuiting, voelde ik me verbonden. Maar ook met de politieke stijl: eigenzinnig, onconventioneel en principieel.
Maar aangezien dat de PSP in 2002 niet meer bestond, en ik wel moest stemmen, kwam ik bijna automatisch bij GroenLinks uit. Niet eens zo zeer door waar die partij op dat moment voor stond, maar omdat zij erfgenamen waren van de idealen van de PSP. Pas later herkende ik in GroenLinks dezelfde partijcultuur, geschiedenis en vertegenwoordigers van de PSP.

Liberalisme
In 2003 ging ik filosofie studeren. We lazen Marx, waarvoor ik een afkeer kreeg vanwege het terloopse antisemitisme in zijn vroege geschriften. Uit de debatten tussen de laatste overgebleven Marxisten, analytical Marxists, zag ik dat het hoofdpunt van het socialisme, namelijk de nationalisatie van de productiemiddelen geen antwoord gaf op de problemen die het probeerde op te lossen. Tegelijkertijd lazen we ook de drie John’s: Locke, Mill en Rawls. In het werk van de laatste zag een andere manier van denken: dat juist de vrijheidsdrang die ik altijd gevoeld had de juiste manier was om na te denken over lijden. En in de debatten tussen Rawls en Nussbaum, Van Parijs, Dworkin en Nozick scherpte ik mijn eigen inzichten. De fundamentele les van het liberalisme is dat het probleem niet geluk of ongeluk is, maar gekozen of ongekozen. Er zijn teveel problemen met mijn utilitische motivatie die gericht is op lijden om een coherent antwoord te geven. Als mensen bewuste keuzes maken, waarvan ze weten dat ze daarmee meer rijkdom vergaren of minder dan, is dat gerechtvaardigd. Zolang niemand maar veroordeeld is tot armoede buiten zijn eigen schuld.[1]

Ik kwam dus als achttienjarige vrijdenkende socialist uit bij GroenLinks. Groene politiek, duurzaamheid of klimaatpolitiek zijn voor mij eigenlijk nooit primaire motivaties geweest. De reden dat ik me politiek voor duurzaamheid inzet en ook in mijn prive-leven groene keuzes probeer te maken, is voor mij niets anders dan consequent zijn. Als je het sociaal-liberalisme radicaal doordenkt, dan moet je wel groen zijn: als ik geloof dat ieder mens recht heeft op eerlijke kansen, betekent dat ieder mens nu en in de toekomst. En wat geldt tussen generaties geldt ook tussen staten. De aanspraken die mensen maken op elkaar gaan volgens mij worden niet begrensd door grenzen in tijd en ruimte.

Links is voor mij de kant van de good guys. Ik herkende daarin het verzet tegen lijden. Van socialisten leerde ik dat het niet ging om naastenliefde maar om rechtvaardigheid. Van liberalen leerde ik dat het niet ging om geluk maar om autonomie. Dat verenigde mijn eigen vrijheidsdrang met mijn politieke opvattingen.

[1] Mijn basale motivatie om vegetariër te worden was het soft-hearted idee dat dieren niet mogen lijden vanwege mij. Maar ook dat denken volgt dezelfde evolutie als het denken over armoede: het gaat uiteindelijk niet om lijden, maar kiezen. En daarom vind ik het onbestaanbaar als een partijcongres vanwege een vrijzinnige imborst vlees op tafel wil houden. Immers de dieren hebben nooit de keuze gehad of ze wouden sterven om op mijn bord te komen.

Verkiezingen, kiezers en leden

Een maand geleden publiceerde het DNPP de ledencijfers van de politieke partijen. In 2012 won de VVD de verkiezingen, maar verloor ze van alle partijen de meeste leden. Komt dit vaker voor?

De VVD won op 12 september 2012 de verkiezingen. Ze kreeg 27% van de stemmen. Dat is bijna één derde meer dan dat de partij in 2010 kreeg. In het verkiezingsjaar was het aantal leden van de volkspartij gedaald: bijna 3000 liberalen zeiden het lidmaatschap op. Dat is 7.5% van het ledenaantal van de partij. Geen enkele partij verloor zoveel leden. De terugval van het aantal VVD’ers heeft mogelijk te maken met de ophef die ná de formatie ontstond over het plan voor een inkomensafhankelijke zorgpremie. De vraag is of dit een uitzondering is of dat er eigenlijk geen relatie is tussen de grootte van de kiezersschare van een partij en haar ledenbestand.

Het aantal leden per partij verschilt sterk: niet iedere partij heeft haar achterban even sterk georganiseerd. Tegenover ieder lid had de SGP in 2012 7 stemmen, terwijl de VVD tegenover ieder lid in dat jaar wel 70 stemmen had. Gedurende de hele periode 1993-2013 krijgt een partij gemiddeld zo’n 40 stemmen per lid. Maar over het algemeen geldt: hoe meer stemmen een partij krijgt, hoe meer leden ze heeft.

Het aantal leden van de traditionele grote partijen neemt al jaren af. Het CDA verloor tussen 1993 en 2013 jaarlijks zo’n 2650 leden, de PvdA 700 en de VVD 900. De kleinere partijen wonnen juist leden. Hierbij spande de SP de kroon. De socialisten kregen er tussen 1993 en 2013 ieder jaar 1500 leden bij. Verkiezingsjaren nemen hierbij een bijzondere plek in. Als we rekening houden met de boven besproken factoren (aantal stemmen en trends van ledenwinst of -verlies en verschillen tussen partijen) krijgt iedere partij er in een verkiezingsjaar zo’n 900 leden extra bij. Daarbij maakt het dus niet uit of een partij stemmen gewonnen of verloren heeft. De extra media-aandacht voor politieke onderwerpen en het campagnevoeren tijdens een verkiezingsjaar leveren een partij bijna 1000 leden op.

 Kiezers, leden en politieke partijenWe kunnen de relatie tussen veranderingen van de electorale steun voor een partij en het aantal leden verder onder de loep nemen. In het bijgevoegde figuur zien we de relatie tussen de verandering in het ledenaantal en de verandering van verkiezingsuitslag. Om wiskundige redenen kijken we hier niet naar een percentuele verschuiving maar naar een vergelijkbare maat.[1] We kunnen in deze figuur zien dat de meeste partijen in een verkiezingsjaar leden winnen. Slechts een klein deel van de veranderingen in het ledental is negatief. Maar we zien ook een trend in de data: hoe slechter de verkiezingsuitslag des te groter de kans dat een partij leden verliest; naarmate de uitslag beter wordt, des te meer leden een partij wint een partij. Deze relatie is overigens niet bijzonder sterk.

Kortom: het sterke ledenverlies van de VVD juist in een jaar waarin zijn de verkiezingen won is een uitzondering op een aantal algemeen patronen: hoe meer stemmen een partij krijgt, des te meer leden ze heeft, bovendien winnen partijen in verkiezingsjaren gemiddeld net geen duizend leden en ten slotte, als ze bij de verkiezingen gewonnen hebben, winnen partijen nog meer leden.


[1] Dit gaat om een verschuiving van het aantal leden c.q. kiezers relatief aan het aantal leden c.q. kiezers dat een partij voor én na de verkiezingen had (maal 100). Dit zorgt ervoor dat de verschuiving altijd tussen de -100 en +100 ligt. Een procentuele verschuiving is nooit kleiner dan 0%, maar kan best boven de 100% liggen.

Dit artikel verscheen ook in de Hofvijver februari 2013.

Het socialisatiestreven en de sociaaldemocratie

Vorige maand nationaliseerde Jeroen Dijsselbloem SNS-Reaal. Hij was de tweede sociaaldemocratische minister van Financiën die zich door de voortdurende kredietcrisis genoodzaakt voelde om een bank in overheidshanden te nemen. Wordt hiermee het klassieke sociaaldemocratische streven naar socialisatie in de praktijk gebracht?

Het streven naar socialisatie van de productiemiddelen, dat wil zeggen deze middelen dienstbaar maken aan het welzijn van de gemeenschap en niet langer aan het particuliere belang van diegenen die deze middelen bezitten, is een klassiek sociaaldemocratisch streven dat terug te vinden is in de beginselprogramma’s van de SDAP.

In het eerste beginselprogramma van de PvdA uit 1947 wordt voor het eerst expliciet opgeroepen om het bankwezen te socialiseren. Deze sector wordt samen met industrie en transport genoemd. De op deze beginseluitspraak volgende verkiezingsprogramma’s bevatten geen voorstellen om dit streven in de praktijk te brengen. Wel vragen ze om verscherpt toezicht van het bankwezen en de socialisatie van het particuliere mijnbedrijf.

De socialisatie van het bankwezen is alweer uit het beginselprogramma van 1959 gevallen. Programma’s uit deze periode vragen om allerhande nationalisaties, zoals van het verzekeringsbedrijf en bodemschatten, maar niet van het bankwezen. In het sterk door Nieuw Links beïnvloedde beginselprogramma van 1977 roept de PvdA op om de banken in gemeenschapsbezit te brengen. Tussen 1981 en 1986 had de PvdA haar hoop gevestigd op de Postgiro/Rijkspostspaarbank. Deze in 1977 gevormde bank wás in overheidshanden, de sociaaldemocraten wilden dat deze bank tot een belangrijk financieel instituut kon uitgroeien. Deze bank werd echter in 1986 geprivatiseerd door CDA en VVD. Sindsdien zwijgt de PvdA in alle talen over de mogelijkheid van staatsbanken. Gedurende de jaren ’90 steunt de PvdA wel de verzelfstandiging van de NS en de liberalisering van de energiemarkt. Dat dit in strijd is met het beginselprogramma uit 1977 is voor de PvdA geen kwestie meer: Wim Kok schudde in de Den Uyl-lezing van 1995 de ideologische veren van de PvdA af.

In 2005 schrijft de nieuwe partijleider Wouter Bos, afkomstig uit het bedrijfsleven en bekend vanwege zijn sociaal-liberale sympathieën, samen met partijvoorzitter Ruud Koole (een vertegenwoordiger van de linkerflank van de PvdA) een nieuw beginselprogramma. Dit programma vormt een afsluiting van een periode van verregaande liberalisering van het gedachtegoed van de sociaaldemocraten. Het programma noemt een beschaafd kapitalisme waarin het marktmechanisme beperkt wordt door wetten en regels, een verworvenheid van de sociaaldemocratie. Van enig socialisatiestreven is geen spoor meer over: of de markt of de overheid diensten aanbiedt, is voor de PvdA geen principekwestie. Soms is de overheid hier beter in en soms de markt.

Eind 2008 wordt de PvdA geconfronteerd met het falen van de markt. Fortis verslikte zich in de overname van ABN-AMRO. Het Nederlandse deel van de bank werd door minister van Financiën Bos onder de naam ABN-AMRO in overheidshanden gebracht.

Anno 2010 dacht Bos anders over de vrije markt dan wat hij had opgeschreven in 2005. De kredietcrisis had de grond onder zijn naïeve geloof in de ondernemingsgewijze productie weggeslagen. In de Den Uyl-lezing begin dat jaar, vergeleek hij de vrije markt met de in Diergaarde Blijdorp uit zijn verblijf ontsnapte aap Bokito, om te illustreren dat regelgeving en toezichthouders soms onvoldoende sterk gebleken waren en dat de enige bescherming tegen de vrije markt een brede greppel was.

In het verkiezingsprogramma van 2012 was de PvdA kritisch over de bankensector: “Winsten van banken zijn privaat, maar de risico’s worden afgewenteld op de belastingbetaler.” Hierin schuilt een kritiek die door linkse economen als Ewald Engelen en Alfred Kleinknecht is geuit op de keuze om banken te redden: bankiers kunnen grote risico’s nemen omdat ze weten dat als ze ten ondergaan, ze wel gered zullen worden door de overheid. Het programma stelt voor om de ABN-AMRO niet naar de beurs te brengen en deze bank dienstbaar te maken aan het publieke belang. Hiervoor is een nieuwe organisatievorm nodig; één waarbij geduldige investeerders - en niet durfkapitalisten – aan het roer zitten. Hierin horen we iets van het oude socialisatiestreven van de PvdA terug. Socialisatie betekende namelijk niet per se het in overheidshanden brengen van productiemiddelen, maar deze richten op het welzijn van de gemeenschap.

De nationalisatie van de SNS-Reaal was noodzakelijk omdat de bankverzekeraar zich dreigde ten onder te gaan aan haar nieuwe vastgoedpoot. De opname van het Bouwfonds bracht de vijfde financiële instelling van Nederland aan de rand van de afgrond. De aankoop had plaatsgevonden in 2006, voordat strengere regels in werking getreden waren.

Is de nationalisatie van SNS-Reaal een uiting van diep verlangen van de PvdA? Er zijn twee belangrijke redenen omdat niet zo te zien:

  • In de eerste plaats streefden de sociaaldemocraten volgens haar beginselprogramma van 2005 en haar verkiezingsprogramma’s sinds 1986, niet meer naar het in overheidshanden brengen van banken. De partij had allerlei privatiseringen, verzelfstandigingen en liberaliseringen gesteund. Het nieuwe beginselprogramma sprak geen voorkeur uit voor de markt of de overheid. In een beschaafd kapitalisme had de overheid vooral een rol als marktmeester.
  • Ten tweede, in het laatste programma van de PvdA wordt niet het streven uitgesproken om nog meer banken in overheidshanden te brengen. De PvdA streefde naar een organisatievorm waarbij banken zich richten op het publiek belang. Dat is wel socialisering, maar geen nationalisering. Het sociaaldemocratisch programma onderschrijft juist de kritiek dat het redden van private banken met publiek geld leidt tot perverse prikkels voor bankiers om meer risico te nemen.

Hieruit blijkt dat de overname van SNS-Reaal een noodgreep was van een sociaaldemocratische bewindspersoon om erger te voorkomen. Het was geen power grab van een socialist voor wie het enige antwoord op alle maatschappelijke problemen de socialisatie van de productiemiddelen is.

Dit artikel verscheen ook in de Hofvijver van februari 2013.

“Austeridad Basta Ya!”

In de nachttrein naar Madrid ontmoetten we een man. Laten we hem Louis noemen. Flegmatisch uiterlijk, zwart haar en een licht verdwaasde blik in zijn ogen. Uitermate spraakzaam. Terwijl het Spaanse winterlandschap voorbij trok en wij ons ontbijt aten, vertelde hij honderduit over zijn plan: hij was vanuit Parijs naar Madrid gekomen om te protesteren tegen de bezuinigingen van de regering-Rajoy. In zijn coupe had hij een groot bord met “Austeridad Basta Ya!” op een kant en “Urgencia social y ambiental” op de andere.

Toen we bij ons hotel aankwamen was er veel politie op de Plaza de Sol. Ook waren er wat anarchisten met honden en hand geschreven borden en een groepje activisten met oranje hesjes. Het leek niet als of er een heel grote demonstratie was. Het aantal straatartiesten die verkleed waren als Micky-Mouse-in-Uncle-Sam outfit en het aantal mensen die gele hesjes om hadden die mensen aanmoedigden om goud te kopen overtroefde op dit centrale plein van Madrid het aantal demonstranten.

Na een stadswandeling kwamen we terug bij het hotel. Het aantal mensen op het plein was aanzienlijk toegenomen. Op onze kamer nam het geluid vanaf de straat steeds verder toe: trommels, fluiten, brass-bands, mensen die “El Pueblo Unido” zongen of “Si se puede” scandeerden. Vanuit het raam kon ik een tamelijk grote mensenmassa zien: een horde communisten van Izquerda Unida, republikeinen met de rood-geel-paarse vlag, verpleegsters in uniform, leden van de anarcho-syndicalistische vakbond CNT, dames in bontjas, jongeren met opgeschoren haar én een enkeling met een bord met daarop de tekst “Urgencia Social y Ambiental”. Langzaam trokken de mensen langs mijn balkon. Op hun borden uitten ze hun onvrede met de bezuinigingen, de Partido Popular, het kapitalisme, de banken en het Franco-regime.

Terwijl de mensenmassa onder mij doorliep, kwam bij mij de vraag op: zijn dit de Good Guys? Moet ik niet mee lopen?

Spanje heeft een probleem. Vanuit de trein hadden we Amerikaans opgezette nieuwbouwwijken gezien met golfbanen en zwembaden. En toen we door het zakendistrict van Madrid reden zagen we hoge torens van glas en staal. Het metrostation waar we aankwamen was imposant: zo’n vijf verdiepingen, uitgevoerd in hout, glas en metaal. Spik-splinter-nieuw. Op een muur werd een patroon getoond dat leek alsof er cijfers en letters naar beneden stroomden zoals in de matrix. Maar er was bijna niemand. En als we naar beneden keken, zagen we de plekken waar metrorails zouden moeten liggen, maar waar alleen een lege bak was. In de trein vroeg een man zonder armen om geld. In het straatbeeld was armoede zichtbaar in de tientallen zwervers en bedelaars.

Want door de financiële crisis is de economische groei in Spanje hard geknakt. Toen de banken stopten met lenen verdween het geld dat er was voor huizen- en kantorenprojecten. En daarmee verdwenen ook de banen in de bouw. De conclusie is simpel. Spanje heeft jarenlang op te grote voet geleefd. De economie groeide op geld dat er niet was, geld dat geleend werd om grote bouwprojecten mee te financiëren. Zolang Spanje zou blijven groeien kon iedereen daarvan mee profiteren. Nu blijkt de belofte van groei een fata morgana. Maar de publieke sector in Spanje is wel meegegroeid met de economie: infrastructuurprojecten, ziekenhuizen en uitkeringen. Economische groei betekent ook meer belastingopbrengst. Het is dus niet meer dan logisch dat de regering-Rajoy moet bezuinigen. Een deel van haar economie bleek opgeklopte lucht. Nu de klap gekomen was, moest die lucht eruit.

De demonstranten zouden het niet met die analyse eens zijn: als de regering het gaspendaal van investeringen zou weten te vinden dan zou de groei terugkeren. Maar de manier waarop de overheid groei zou kunnen stimuleren is door zelf geld te lenen op de financiële markten. En Spanje heeft vanwege haar gekrompen economie en door haar niet-geslonken overheidsuitgaven een flink begrotingstekort dat haar onaantrekkelijk maakt voor banken en rating agencies. Het verzet tegen de banken die maar poker spelen met onze economie en het verzet tegen de bezuinigingen lijken hetzelfde verhaal maar is een essentie een radicaal ander verhaal. Spanje kan blijven lenen bij de banken en blijven geloven dat hun economie zal groeien en zo haar verzorgingsstaat betalen, of ze kan zich richten op reële economische ontwikkeling, maar dan moet zij haar verzorgingsstaat afslanken: geld lenen betekent in Spanje dat er een hypotheek op de toekomst wordt gelegd. Niet alleen is 25% van de Spaanse jeugd is werkloos, maar de Spaanse jeugd moet ook opdraaien voor de crisis door een hogere staatsschuld.

Maar wat kunnen we dan doen aan de Spaanse verpleegster die op straat komen te staan, aan het werk te houden en om de jeugdwerkloosheid terug te dringen? Misschien geeft Louis ons wel het goede voorbeeld. Zijn internationale solidariteit is uitzonderlijk. Wie gaat er twee dagen heen en weer naar Madrid alleen maar om mee te lopen in een demonstratie?

Het zou aanzienlijk goedkoper zijn om als Nederlandse overheid te gaan lenen en dat aan Spanje te geven. Vroeger zou Spanje uit haar slechte economische positie kunnen komen door de peso te herwaarderen. Dan zou de import afnemen en de export toenemen. Het zou duurder worden voor Spanjaarden om Nederlandse tomaten te kopen, maar bijvoorbeeld stedentrips naar Madrid worden voor Nederlanders aantrekkelijk. Nu kan dat niet meer door de monetaire unie en is Spanje een netto-importeur van goederen uit Nederland en Duitsland. Onze economie draait nog, houdt de Spaanse jongeren werkloos. Als het Noorden nou eens wat van haar rijkdom met het Zuiden zou delen? Een monetaire unie vereist herverdeling tussen arme en rijke landen.