De economie van meer, meer, meer of de economie van ervaringen.

Gisteren nam Pepijn Vloemans afscheid van Bureau de Helling, het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Voor zijn afscheid schreef ik het volgende:

Het materialisme. Dat is het grootste problemen van onze tijd. Onze obsessie met meer, meer, meer is een teken van een beschaving die zichzelf naar de rand van de ecologische catastrofe consumeert. Bureau de Helling ging op onderzoek uit. We zoeken een materialist op en een postmaterialist en we laten hun levenspatronen doorrekenen door een milieukundige.

De materialist

JP Toys

Ik ontmoet Hans bij hem thuis. Hij woont in een appartement in Nieuw Vennep. Zijn huis staat vol met plastic dinosauruspoppetjes. Hij heeft er honderden, misschien wel duizenden. We lopen langs zijn collectie. Zijn kasten puilen uit. Sommigen zijn ‘mint-on-card‘, anderen zijn tamelijk beschadigd: ‘Battle damage‘. Als ik naar twee dinosauriërs wijs, ‘Velociraptors’ zegt Hans snel, en vraag waarom hij twee dezelfde heeft, schudt hij nee: ‘De eens is een repaint van de ander. Kijk deze heeft magenta klauwen en hier zijn ze fuchsia.’

Hans is overduidelijk trots op zijn collectie. Op internet zit hij op fora met verzamelaars uit heel de wereld. Op internet vertellen ze trots over wat ze hebben vergaard. ‘Ja, eigenlijk is er niets leukers dan iemand jaloers maken omdat je net één euro meer hebt geboden op eBay’. De collectie van Hans is één van de grootste en meest complete. ‘Zeker nadat ik een deel van de collectie van een Amerikaan had over gekocht. Toen hij ging samenwonen met zijn vriendin moest hij zijn verzameling weg doen.’ Ik durf hem niet te vragen wat hij dat kostte. Maar hij vertelt er monter over: ‘Een deel daarvan verkoop ik op eBay. Dan krijg je er zo 30 dollar voor.’ Hij wijst naar een plastic speelgoeddinosaurus. ‘Mint-in-box hè. Zo houd ik misschien wel meer over aan deze aankoop dan ik er origineel voor heb betaald.’

We eten een broodje pindakaas. ‘Sorry dat er niet zo veel keuze is, wil je me misschien een peer?’ Hans eet strikt vegetarisch. Hij is geen foodie, de snoep- en chipskasten zijn goed gevuld.

Iedere dag pendelt hij met de trein op en neer naar Rotterdam. Daar werkt hij in een bioscoop. Eén van de voordelen van die baan is duidelijk zichtbaar. Waar geen ruimte was voor een kast hangt een filmposter. ‘Als een film niet meer draait dan worden de posters teruggestuurd naar de distributeur.’ Het is een soort van hergebruik. Dat past hem wel: bijna al zijn dino’s zijn tweede- of derdehands. Op vakantie gaat hij nauwelijks. In zijn weekenden struint hij verzamelaarbeurzen af, op zoek naar net die ene dino die hij mist. ‘De Jurassic Park collectie heb ik bijna compleet. Ik mis er nog 10.’

Hans is overduidelijk geobsedeerd door spullen. Op mijn vraag of hij een materialist is, zegt hij: ‘Tsja, het zijn er wel veel, hè. Soms kan je je gewoon niet inhouden. Dan moet je er een hebben.’ Het moge duidelijk zijn: Hans put zijn geluk en misschien zelfs wel zijn identiteit uit spullen. Het materialisme, competitiedrang en consumentisme zit hem in de wortels. Zijn huis staat vol met prehistorisch plankton dat door Chinese fabrieken in de mal van prehistorische dieren is gegoten.

De postmaterialist

De patio van Cafe van Zuylen aan de Amsterdamse grachtengordel

Het was lastig om met Merijn een afspraak te maken. Nu woont hij nog in Utrecht, maar over een paar dagen vliegt hij naar Mumbai. ‘Voor mijn nieuwe boek over sociaal en duurzaam ondernemen. Ik ga ook bloggen voor De Correspondent.’ Daarna gaat hij een tijdje in Parijs wonen: ‘Ik was Nederland zo zat. Hier heerst een economische sfeer. Maar Parijs. Daar gebeurt het. Daar zie je hoe mensen bezig zijn met nieuwe initiatieven.’ Ik tref hem in zijn favoriete restaurant: Van Zuylen aan de Singel in Amsterdam. Hij pakt de kaart en bestelt een broodje filet americain. Ik vraag hem of hij een foodie is: ‘Dat moet je zo zien. Nederlanders kunnen niet koken. Nederlanders zien eten als een noodzakelijk kwaad, als een brandstof. Voor mijn laatste boek heb ik een half jaar door Azië en Australië gereisd. Ik heb alles geproefd: koe, kat, kangoeroe. Maar dit blijft toch wel mijn favoriet.’ Hij smeert nog wat extra filet op zijn broodje. Het is al ruim twee centimeter. Je kan het niet aan hem zien. Merijn fietst veel en loopt hard. ‘Veel mensen fietsen tegenwoordig de Alp d’Hues. Maar ik weet: in je eentje mountainbiken door de Gobiwoestijn. Dat is pas een uithoudingsstrijd.’

Of hij materialistisch is: ‘Nee. Helemaal niet. Ik wil geen spullen verzamelen. Als Flop en ik naar Parijs gaan past alles in onze Mini Cooper: wat kleren en wat boeken. Ik ben niet op zoek naar spullen, maar naar ervaringen. Dat merk ik trouwens helemaal met mijn radiodocumentaire over de consumptiesamenlevingen: we willen geen producten meer maar experiences Ik denk dat daar een kans ligt voor een nieuwe economie.’

Ik vraag hem naar wie voor hem als schrijver zijn voorbeeld is. Het is even stil. ‘Zo moet je dat niet zien. Je baant als schrijver je eigen weg. Nietzsche noemen ze wel de filosoof met de hamer, maar volgens heeft iedere filosoof een kapmes nodig.’ Ik probeer het anders: zijn er Nederlandse schrijvers met wij hij wedijvert. Resoluut: ‘Nee daar gaat het niet om. Dat is zo’n houding van: ‘it is not enough to win, others must lose.’ Die primitieve competitiedrang daar ben ik wel bovenuit gestegen.’

Hij bestelt nog een focaccia met mozzarella en tonijn. Verontschuldigend zegt hij: ‘Ik ben wel vegetariër geweest, maar ik hield het gewoon niet uit, weet je.’ Hij speelt met zijn wijnglas. ‘Je gaat het toch missen. Ik in elk geval. En trouwens in Australië kan je dat echt niet volhouden. Ik eet eigenlijk alleen biologisch vlees.’

Merijn doet aan participant-observation. Hij zoekt het op: hij vertrekt naar Parijs. Hij doet mee: hij eet kat in Thailand. En hij probeert te ontleden wat mensen drijft als blogger voor De Correspondent. ‘De moderne mens verzamelt geen schelpen, muntjes of steentjes meer als aandenken van reizen en ontdekkingen. En zelfs ook geen foto’s. Je verzamelt ervaringen, herinneringen, verhalen. Eigenlijk gaan we daarmee terug naar de prehistorie. De tijd van jagers en verzamelaars. Daar paste ook alles in Mini Cooper. Bij wijze van spreken.’

De wetenschapper

‘Het is een rare opdracht’ zegt Sophie de Vries, de gepromoveerde milieukundige werkt aan de klimaatdoorrekeningen voor het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Normaal rekenen we hele voorstellen voor het kabinet. Maar we kunnen wel even kijken.’ We spreken haar op haar werkkamer in Bilthoven, het raam kijkt uit op een natuurgebied. Aan de muur hangt een groot wit bord met daarop formules en lijnen verbonden met pijlen.

Ik geef haar de twee lijstjes: Hans en Merijn. Man, beiden in het zelfde jaar geboren. De één met een materialistische levensstijl. De ander met een postmaterialistische levensstijl. Met een rode pen gaat ze langs de beschrijvingen: ‘Hoeveel plastic dinopoppetjes? Hoe zwaar ongeveer? En van hoever komen ze?’  Ze knikt. Achter alle posten komt een getal te staan. ‘Normaal gaat het in kiloton CO2 maar we rekenen nu even in een ander orde van grootte.’

Na een minuut of vijf zijn aan alle posten aantallen toegekend. Ze pakt een rekenmachine. ‘Ik had het al verwacht. Kijk, de helft van die dinopoppetjes van Hans zie ik als tweedehands consumptiegoederen. Dat heeft netto een negatief CO2-resultaat omdat ze anders de verbrandingsoven in zouden gaan. En als je dan kijkt: vegetarisch dieet, geen auto, geen vliegreizen. Dan kom ik op een klein CO2 saldo uit. Maar die Merijn: vleesconsumptie, autogebruik, en met name die vliegreizen, hè. Amerika, Azië, Australië. Dat hakt er toch in. Maar het grootste verschil is toch wel wat je dagelijks doet. Een aankoop is incidenteel: maar iedere dag waarop je kiest voor rijst met tofu of stamppot met worst, maak je een keuze voor het milieu. En biologisch vlees is slechter voor het klimaat, dan niet-biologisch vlees. In een megastal kunnen alle gassen worden afgevangen, maar in de vrije natuur gaat dat zo hop de atmosfeer in’

Aantekening van Sophie de Vries

Ik wijs haar nog op zijn boeken over duurzaam ondernemen. ‘Lastig, lastig. In de eerste plaats heeft zo’n boek natuurlijk een positief CO2-resultaat.’ Ik probeer bewustwordingseffecten. Op de achterkant van mijn lijstje tekent ze een lijn: ‘Kijk dit is de opwarming van het klimaat. En deze lijn …’ Ze tekent een lijn vlak boven de opgaande lijn van het klimaat ‘… is het aantal boeken over duurzaamheid. Zo op het eerste gezicht betekent extra boeken over duurzaamheid meer klimaatverandering.’

Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

De Europese bondgenoten van de PVV

De Europese bondgenoten van de PVV. De moeizame samenwerking tussen nationalisten in Europa.

Geert Wilders haalt in de aanloop naar de Europese verkiezingen de banden aan met gelijkgezinde Europese partijen. De PVV wil een ‘Vrijheidsalliantie’ vormen van partijen die zich verzetten tegen ‘de lijn van de elite’ en die hechten aan ‘nationale identiteit’. Maar hoe groot is de kans van slagen van een internationaal samenwerkingsverband van populistische en nationalistische partijen? Gaat een internationale van nationalistische partijen niet aan interne tegenstellingen ten onder?

De belangrijkste reden voor Wilders om samen te werken is het belang om in het Europees Parlement een eigen fractie van gelijkgestemden te hebben. Bij de Europese verkiezingen in 2009 werd de PVV in Nederland de één-na-grootste partij. Tot een sterke positie in het Europees Parlement leidde dit niet, omdat de PVV zich niet aansloot bij een Europese fractie. De organisatie van het Parlement verloopt namelijk langs fractielijnen: belangrijke functies, zoals voorzitterschappen en rapporteurschappen, worden evenredig verdeeld over de fracties. Zonder lidmaatschap van een fractie waren de vier Europarlementariërs van de PVV dan ook machteloos.

De tijd lijkt gunstig voor een gezamenlijk optrekken van de populistisch-nationalistische partijen in de Europese Unie. Op sociaaleconomische onderwerpen was er altijd een grote onderlinge verscheidenheid. Het Front National bijvoorbeeld combineerde populistische, anti-elitaire retoriek met concrete voorstellen om de overheid te verkleinen en belastingen te verlagen. Het Vlaams Belang daarentegen is altijd een voorstander geweest van een sterke verzorgingsstaat, zolang deze maar ten goede kwam aan de Vlamingen en niet aan de  migranten. Gedurende de huidige Europese economische en begrotingscrisis zijn de nationalistische partijen op dit vlak naar elkaar toegegroeid: de verzorgingsstaat moet beschermd worden tegen de ‘onzinnige dictaten uit Brussel’ om te bezuinigen. Ook de PVV heeft zich in deze richting ontwikkeld: waar Wilders eerst hartstochtelijk pleitte voor het liberaliseren van de arbeidsmarkt, is ze nu de felste tegenstander daarvan. Nationalistische partijen werpen zich op als de kampioen van het stelsel van sociale bescherming, terwijl de partijen in en om het politieke centrum onder druk van Europese afspraken hierop bezuinigen.

Deze toegenomen sociaaleconomische overeenstemming onder de populistisch-nationalistische partijen is onmiskenbaar en draagt bij tot een groter het draagvlak voor een ‘Vrijheidsalliantie’, maar dit kan niet voorkomen dat het nationalistische karakter van deze partijen ook voor spanningen zal blijven zorgen. De Europese begrotingscrisis leidt immers tot tegenstellingen tussen naties: het is lastig om voor te stellen dat Wilders samenwerking zou zoeken met de Griekse nationalisten, terwijl de PVV Griekenland beschrijft als ‘het meest corrupt land van de Europese Unie’.

Ook in het verleden belemmerde het nationalisme de samenwerking in het Europees Parlement.  Duitse en Italiaanse nationalisten hielden het niet bij elkaar uit, omdat ze volstrekt tegengestelde opvattingen hadden over het Italiaanse Zuid-Tirol met zijn Duitssprekende minderheid. Na de Europese verkiezingen van 2004 waren er voldoende nationalistische Europarlementariërs gekozen om een nieuwe fractie te vormen, maar pas in 2007 slaagde het Front National hierin. Het gemeenschappelijk element waren de afkeer van immigratie, de Europese Grondwet en een Turkse toetreding tot de EU. De fractie viel één jaar later echter al weer uit elkaar vanwege een conflict tussen de Italiaanse en de Roemeense leden.

Het is voor nationalistische partijen vaak lastig geweest om grensoverschrijdende samenwerking te verwezenlijken – wellicht vooral omdat zij de neiging hebben de wereld in te delen in de deugdzame natie en gevaarlijke indringers. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid Wilders ook parten spelen: het is lastig voor te stellen dat de PVV-leider, die een meldpunt opzette voor klachten over Polen, Roemenen en Bulgaren, zou kunnen samenwerken met Europarlementariërs uit deze landen, of dat deze parlementariërs met hem in zee zouden willen gaan.

Daarbij komt nog eens dat sommige nationalistische partijen nog altijd sympathie koesteren voor nationaalsocialistische en fascistische regimes, wat  bijvoorbeeld tot uiting komt in hun houding tegenover joden. Partijen als het Front National en het Vlaams Blok waren lange tijd openlijk antisemitisch, hetgeen voor Wilders reden was om hen op grote afstand te houden. Wilders heeft zich altijd onvoorwaardelijk pro-Israël betoond en heeft juist de islam regelmatig een fascistische ideologie genoemd. Dat hij nu samenwerking zoekt met het Front National, komt omdat partijleider Jean-Marie Le Pen, die zich in het verleden antisemitisch had uitgelaten, heeft plaatsgemaakt voor zijn dochter Marine. Zij heeft afstand genomen van het antisemitisme en richt haar pijlen, net als Wilders, op de islam. Lang niet alle nationalistische partijen overigens hebben dit voorbeeld gevolgd; zo houdt Jobbik, de op twee na grootste partij van Hongarije, wel vast aan haar antisemitische retoriek.

Samenwerken?

Bij de komende Europese verkiezingen in mei 2014 zouden de Europese nationalistische partijen hun zeteltal kunnen vergroten, gezien de wijdverbreide onvrede over verdere Europese integratie, de Europese begrotingsafspraken en de steun aan zwakke eurolanden. Bovendien zouden zij samenwerking kunnen zoeken met partijen die nu in de eurosceptische groep ‘Europa van Vrijheid en Democratie’ zitten. Als zij hun krachten bundelen, kunnen ze, zoals Wilders zegt ‘enorm veel voor elkaar krijgen.’ Het is echter maar zeer de vraag of de PVV genoeg nationalistische partijen om zich heen kan verzamelen waarmee hij zich ideologisch verwant voelt. Het moeten dan partijen zijn die tegen migratie zijn, en niet zelf afkomstig zijn uit Oost-Europese emigratielanden; die tegen ‘de elite’ en moslims zijn, maar niets tegen joden hebben; en die tegen de euro zijn, en niet afkomstig zijn uit landen die steun trekken uit het Europees Stabiliteitsfonds.

En dan is het bovendien nog maar de vraag of die partijen met de PVV willen samenwerken. De Britse UK Independence Party bijvoorbeeld koestert haar zelfbeeld als ‘niet-racistische libertaire’ partij, die haar ‘gezonde verstand’ gebruikt: uit de Europese Unie, meer veiligheid en minder immigratie. Het is maar zeer de vraag of deze partij zich wil affiliëren met Wilders, die Groot-Brittannië niet in mocht om zijn controversiële anti-Islam film Fitna te tonen. Het is zal erom spannen of Wilders genoeg bondgenoten kan vinden om een fractie te vormen.

Dit stuk dat mede is geschreven door Gerrit Voerman verscheen ook op de website van het Montesquieu Instituut.

Lijsttrekkerstest Amsterdam

De politiek leider van GroenLinks Amsterdam is een van de machtigste politici binnen GroenLinks. De huidige politiek leider, Maarten van Poelgeest heeft zich niet beschikbaar gesteld voor een nieuwe termijn. Vier mensen hebben zich kandidaat gesteld: Rutger Groot Wassink, Jorrit Nuijens, Jenneke van Pijpen en Paulus de Wilt. Een lastige keuze begreep ik van sommige Amsterdammers. Daarom speciaal voor hen een lijsttrekkerstest.

Deze test werkt als volgt: zet bij jouw keuzes een 1 neer in de groene vakjes en kijk daarna wat er eruit komt in de rode vakjes. Hoe lager, hoe dichter de kandidaat bij je ideaal en idealen komt.

Komt er uit wat je verwacht had? Laat het me weten!

 

 

Links en de Moraal II: Weg met de toeslagenfabriek

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om werkgelegenheid te waarborgen. Filosoferen over vrijheid schept geen nieuwe banen. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

De toeslagenfraude door Bulgaarse bendes laat zien dat een complex belastingstelsel gevoelig is voor fraude. PvdA-fractievoorzitter Diederik Samsom deed een interessant voorstel in de NRC van 16 mei: hij wil samen met zijn liberale collega, Halbe Zijlstra, nadenken over een alternatief voor het toeslagenstelsel en noemde terloops het basisinkomen. Een basisinkomen blinkt uit in eenvoud en sluit aan bij de idealen van sociaal-democraten én de targets van de liberalen. Het zorgt voor een flinke besparing op de bureaucratische verzorgingstaat maar verzekert voor iedereen een fatsoenlijk bestaan.

Een basisinkomen is een inkomen dat burgers onvoorwaardelijk van de overheid krijgen. Het zou voldoende moeten zijn voor mensen om te voorzien in de essentiële levensbehoeften, zoals huisvesting en een zorgkostenverzekering. Iedere burger krijgt dit van de overheid, maar voor de rest is het stelsel van sociale zekerheid zeer beperkt tot, bijvoorbeeld, arbeidsongeschiktheid en onverzekerbare zorgkosten. Daarnaast kunnen mensen zich op de vrije markt bijverzekeren. Tegelijkertijd schaffen we bijna alle uitkeringen, toeslagen en aftrekposten af.

Terecht ergert Halbe Zijlstra zich aan het rondpompen van geld. Mensen betalen belasting maar tegelijkertijd kunnen ze via allerlei regelingen weer geld terug krijgen van de overheid. Dat geldt voor de toeslagenfabriek maar ook voor de hypotheekrenteaftrek. Het belastingstelsel is door Christen-democraten aangekleed als een soort kerstboom met toeslagen, aftrekposten en uitzonderingen. De fraude van de Bulgaarse bendes laat zien dat de kerstboom onder deze versieringen dreigt weg te zakken.

Waren de toeslagen maar het enige: voor mensen die zelf niet voldoende inkomen kunnen vergaren hebben we nu een complex van anonieme afkortingen: AOW, WW, WIA. Om te kijken of mensen wel recht hebben op deze uitkeringen zijn weer controles nodig dat moet dan weer geadministreerd worden door bureaucratische molochen als het UWV.

Een eenvoudiger stelsel van sociale zekerheid, zoals een basisinkomen, voorkomt dat zuurverdiend belastinggeld in de verkeerde handen valt of verdwijnt in een bureaucratisch zwart gat. Het basisinkomen zou de kern kunnen vormen van een mini-stelsel van sociale zekerheid, de droom van de VVD.

Tegelijkertijd zou een basisinkomen ervoor zorgen dat iedere burger recht heeft op een fatsoenlijk bestaan, het hoofddoel van de PvdA. De huidige complexiteit aan regelingen heeft tegenstrijdige effecten: zoals de armoedeval, als mensen die in een uitkering zitten gaan werken, dan kunnen ze wel eens minder geld overhouden aan het eind van de maand, dan toen ze niet werkten. Alle toeslagen zijn inkomensafhankelijk. Als je teveel verdient, heb je geen recht meer op die regelingen. Werken loont dus niet. Een basisinkomen voorziet iedereen in een minimum. Het geld dat mensen daar bovenop verdienen gaat niet ten koste van hun basisinkomen. Zo stimuleert het meer dan de huidige regelingen dat mensen gaan werken.

Bovendien merken veel gemeentes dat armlastige burgers zich niet aanmelden voor alle regelingen waar ze recht op hebben. Ze sturen formulierenbrigades langs de deuren om mensen te helpen om hun recht te halen. In een simpeler sociaal stelsel zou dat niet nodig moeten zijn.

Onze verzorgingstaat is een onoverzichtelijk systeem geworden van uitkeringen, belastingen en toeslagen. Voor de mensen voor wie het bedoeld is ons stelsel vaak te ingewikkeld: zij halen er niet uit wat er in zit. Voor mensen die kwaad van zin zijn biedt het genoeg mogelijkheden voor fraude. Een basisinkomen scoort beter op het sociaal-democratische ideaal van een eerlijke inkomensverdeling en het liberale target van efficiency. Weg met de toeslagenfabriek. Leven het basisinkomen.

Links en de Moraal I: ‘Vrouwen die niet werken moeten zich schuldig voelen.’

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om werkgelegenheid te waarborgen. Filosoferen over vrijheid schept geen nieuwe banen. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

De kwestie

Eind vorige week riep minister van emancipatie, Jet Bussemaker, vrouwen met een goede opleiding op om niet thuis te zitten maar aan het werk te gaan. Als de baan van hun partner wegvalt of als deze vrouwen scheiden dan rest er slechts armoede. Bussemaker speelde hier bewust via de band van de morele gevoelens: ze stelde dat vrouwen zich moesten bevrijdden van het schuldgevoel dat ze hadden ten opzichte van hun gezin, maar dat zij zich eerder schuldig moesten voelen dat de overheid zoveel in hen geïnvesteerd had.

Al langer vereenzelvigen linkse partijen met een feministisch verleden vrijheid voor vrouwen met economische zelfstandigheid, en begrijpen dat laatste louter als werk. Het argument dat de overheid veel in vrouwen investeert terwijl ze alleen maar thuis zitten werd ook gebezigd door Kamerlid Dijksma toen ze in 2006 zei dat een hoogopgeleide vrouw die thuis zat  kapitaalvernietiging was. Laten we eens naar de drie belangrijkste argumenten kijken:

  • onderwijs is een investering;
  • werkloosheid kost de samenleving geld;
  • en een werkend leven is waardevoller dan een zorgzaam leven.

Onderwijs is een investering

‘U moet zich schuldig voelen, want de overheid heeft veel in u geïnvesteerd. Dat wordt weggegooid als u niet gaat werken.’ Dat is de stelling van de sociaal-democraten.

Bussemaker stelt dat er een verplichting is om werk te vinden in je opleiding. Dat lijkt me onzinnig. Ik ken mensen die psychologie gestudeerd hebben en vervolgens als IT’er aan de slag gaan, of mensen met een universitaire opleiding die kaartjes knippen in een bioscoop. Wat te denken van gepromoveerde wiskundigen die politicologisch onderzoek doen. Moeten zij zich ook schuldig voelen?

Er schuilt een bepaalde visie op onderwijs in deze uitspraak: op school worden mensen klaar gestoomd voor de arbeidsmarkt. Maar ons onderwijs leert kinderen (ook) over andere aspecten van onze samenleving dan werk: denk aan expressieve vorming die de ogen opent voor kunst, gymnastiek voor sport, maatschappijleer voor burgerschap, Latijn en Grieks voor de wortels van onze beschaving, Engels, Frans en Duits voor de cultuur van onze buurlanden.

Als we doen alsof onderwijs alleen maar een beroepsopleiding is vergeten we dat verkennen, experimenteren, onderzoeken en leren de kern van onderwijs is. Leren is niet alleen bepaalde kennis of vaardigheden opdoen, maar ook jezelf leren kennen. Onderwijs is de plek waar je kan leren waar je hart ligt: dat kan werk zijn, maar dat hoeft niet.

Overigens, de uitlating van Bussemaker is erg elitair: vrouwen die doorgeleerd hebben moeten gaan werken. Het lijkt me dat een sociaal-democratische minister zich meer zorgen zou moeten maken over vrouwen die niet hebben doorgeleerd. Hoger opgeleide vrouwen kunnen terugvallen op hun opleiding als ze kostwinner moeten worden. Hoger opgeleide vrouwen trouwen hoger opgeleide mannen. Die mannen hebben een kleinere kans om zonder werk te zitten. Bovendien die gezinnen zijn rijker. Die kunnen terugvallen op spaargeld als beide partners zonder werk zitten. En vrouwen kunnen gezien die rijkere partner rekenen op een gunstigere settlement bij een scheiding. Ik zou me meer zorgen maken over vrouwen zonder opleiding, zonder spaargeld en zonder partner.

Werkloosheid kost de samenleving geld

Bussemaker geeft een tweede argument om werk te zoeken: als u vrijwillig kiest voor werkloosheid dan loopt u een grotere kans om in een uitkering te komen. En dat kunnen we nu beter niet hebben omdat de overheid moet bezuinigen op de collectieve uitgaven.

Het reduceren van de uitkeringsafhankelijkheid is in de Nederlandse politiek een breedgedeeld langetermijndoel. Mensen moeten niet afhankelijk zijn van de verzorgingsstaat maar zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen inkomen. De AOW-leeftijd werd verhoogd met brede steun. Dit was meer dan een platte bezuinigingsmaatregel. Gezien de gestegen levensverwachting is het niet meer reëel dat mensen zolang hun hand op houden. De arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land werden hervormd naar een ‘Wet Werken naar Vermogen’ en een ‘Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen’. Het uitgangspunt is arbeidsgehandicapten moeten niet thuis zitten maar aan de slag. De oproep van Bussemaker moet in deze context gelezen worden: onze verzorgingsstaat transformeert van een stelsel dat een inkomen verzekert voor diegenen die onvrijwillig werkloos zijn naar een stelsel dat mensen tijdelijk ondersteunt als ze ‘in between jobs‘ zijn.

Deze langetermijnvisie  wordt nu gebruikt om nu bezuinigingen te verdedigen. Meer mensen moeten werken. Op lange termijn is er, vanwege de vergrijzing, een tekort aan mensen die willen werken. Maar op korte termijn is de economische realiteit dat er meer werkzoekende dan vacatures zijn; dat er veel mensen ontslagen worden, en maar weinig mensen werk vinden. En overigens zo is de ‘kortetermijnrealiteit’ al ongeveer vijf jaar. En overigens de bezuinigingen die met dit argument gelegitimeerd worden, helpen niet om aan die realiteit een einde te maken. Ondertussen moedigt de overheid iedereen, ouderen, vrouwen en arbeidsongeschikten, aan om werk te gaan zoeken en hun hand niet meer op te houden, terwijl er geen vacatures zijn.

Principiëler vind ik het idee dat economische zelfstandigheid vereenzelvigd moet worden met loonarbeid curieus: vrouwen zijn dan niet meer afhankelijk van hun partner maar van een werkgever. Waarom is proletarische zelfstandigheid verkieslijk boven patriarchische afhankelijkheid? Als ze scheiden of ontslagen worden zijn ze afhankelijk van de overheid. Achter het streven naar economische zelfstandigheid schuilt een morele opvatting dat mensen niet afhankelijk van elkaar zouden moeten zijn. Dit is een illusoir streven omdat de ene afhankelijkheid wordt ingeruild voor de anderen. Het ontkent een vrij fundamentele waarheid van samenlevingen: dat mensen daarin afhankelijk van elkaar zijn. In een huwelijk ben je afhankelijk van elkaar, maar ook in een arbeidscontract en als samenleving van vrije burgers.  Een samenleving is een gemeenschappelijke onderneming.

Wat cru geformuleerd: als u teert op uw partner is er de kans dat u een uitkering nodig heeft, als hij van u af wil, maar als u teert op uw werkgever is er evenzeer een kans dat u afhankelijk wordt van een uitkering als hij van u af wil.

Een werkend leven is waardevoller dan een zorgzaam leven

Er schuilt een bepaalde visie op het goede leven achter de uitspraken van Bussemaker. Onderwijs is eigenlijk alleen maar een beroepsopleiding, niet de plek waar mensen kunnen leren over de wereld (werk maar ook kunst en politiek) en zichzelf. En bovendien zou u moeten gaan werken, overigens niet omdat er bijzonder veel werk te vinden is. De Partij van de Arbeid maakt haar naam waar: in de visie van deze sociaal-democraat is werk alles wat telt.

De formulering van Bussemaker is veelzeggend: vrouwen moeten zich niet schuldig voelen over hun gezin. Vrouwen worden aangesproken op hun morele emoties. U moet uw morele gevoelens laten varen dat u moet zorgen voor uw partner, uw kinderen en misschien uw ouders. Een liberale overheid moet zich niet moeten bemoeien met de morele gevoelens van haar burgers.

Volgens Bussemaker is een werkzaam leven is beter dan een zorgzaam leven. Ik ken deze reflex ook. Ik ken een vrouw: zij had werk als secretaresse, is getrouwd, kreeg kinderen, is gestopt met werken. Ze scheidde van haar man, moest weer aan het werk. Op haar werk ontmoette ze een nieuwe man. Stopte met werken, opnieuw getrouwd, opnieuw kinderen. De kinderen uit haar eerste huwelijk hebben nu kleinkinderen, waarvoor ze een heel liefdevolle oma is.

Ik vind haar keuzes onbegrijpelijk. Ik ben een workaholic. Ik heb het liefst tien onderzoeksprojecten naast elkaar lopen. Als ik door de portier om 22u00 vriendelijk wordt verzocht om naar huis te gaan, dan ga ik daar het liefst door. Maar mijn voorkeuren voor een werkzaam leven betekenen niet dat haar voorkeuren voor een zorgzaam leven verkeerd zijn. Dat is haar droom. Dit is de mijne. Er is niet een model van het goede leven dat iedereen past.

Waltmans & progressieve samenwerking

Op 4 mei overleed Henk Waltmans. Waltmans was jarenlang een van de meest invloedrijke leden van de Politieke Partij Radikalen (PPR). Hij gold als een exponent van samenwerking met de PvdA. Zijn politieke biografie zegt veel over de PPR en misschien ook wel over GroenLinks.

In 1968 behoorde Waltmans tot de oprichters van de PPR. Hij was katholiek opgevoed en lid van de KVP. Midden jaren ’60 verliet hij katholieke kerk. Uit onvrede over de voorkeur van de KVP voor samenwerking met de VVD boven de PvdA verliet Waltmans met een groep andere zo geheten Christel-Radikalen de katholieke parij. Hun hoofddoel: een progressieve meerderheid van sociaal-democraten, sociaal-liberalen en een eigen progressief-Christelijke partij. In 1970 wordt Waltmans lid van de Provinciale Staten van Limburg. Een linkse meerderheid is daar nog ver weg. De combinatie van Christelijke partijen haalt 40 zetels en PvdA, D66 en PPR halen 13 zetels. Als de PPR onder leiding van Bas de Gaay-Fortman zeven zetels in de Tweede Kamer haalt, wordt Waltmans Tweede Kamerlid. Waltmans is een bondgenoot van De Gaay-Fortman en voorstander van samenwerking in het kabinet-Den Uyl.

Waltmans voert het woord over Buitenlandse Zaken. Hij is een groot voorstander van Europese integratie en wordt lid van het dan nog indirect verkozen Europees Parlement. Anders dan de leden van de PPR is hij ook voorstander van de lidmaatschap van de NAVO. De relatie tussen Waltmans en de leden is conflictueus. De leden verkiezen de meer links-radicale Ria Beckers boven de meer bestuurlijke De Gaay-Fortman als partijleider. De leden wijzen samenwerking met het CDA af en sluiten daarmee toetreding tot een nieuw kabinet uit. De PPR houdt in 1977 nog maar drie van haar zeven zetels over. Nadat voormalig staatssecretaris Michel van Hulten de Kamer verlaat vanwege een verschil van inzicht over koers van de PPR met Beckers, keert Waltmans terug in de Kamer.

Binnen de PPR ontstaat een discussie over samenwerking. Een groep verkiest samenwerking met de links-socialistische PSP en communistische CPN. De anti-gouvernementele en Euroskeptische PSP en de pro-Russische CPN zijn voor Waltmans geen goede bondgenoten. Hij ziet hen als klein links. Hij prefereert samenwerking met groot links: de PvdA, D66 en de linkse stroming in het CDA. De PPR moet zich richten op een progressieve meerderheid met PvdA en D66 en moet haar deuren openen voor de ontevreden CDA-leden uit de groep ‘Niet bij brood alleen’. Meer dan een inhoudelijk conflict is dit een conflict tussen pragmatisme en idealisme, tussen gelijk hebben en gelijk krijgen en tussen verantwoordelijkheid nemen en getuigenispolitiek. Een groep PPR-leden die dit ook vindt, organiseert zich in de Godebald-groep: hiervan zijn veel bestuurders lid, zoals NOS-voorzitter Erik Jurgens, oud-staatssecretaris Van Hulten, staatsraad Jacques Aarden, burgemeester Jacques Tonnaer en kandidaat-Europees Parlementslid Ad Melkert. Waltmans sluit zich hier als lid van de Tweede Kamer niet bij aan. Formeel kiest de partijtop niet voor linkse samenwerking. Ze hopen dat PPR kan functioneren als brug tussen ‘klein links’ en ‘groot links’.

De leden verkiezen echter klein linkse samenwerking. Electoraal betaalt dat zich niet uit: de PPR haalt in 1982 twee zetels zodat Waltmans uit de Kamer valt. De leden van de Godebald groep verlaten een-voor-een de PPR: Jurgens en Melkert gaan naar de PvdA, Van Hulten naar D66. Waltmans wordt burgemeester van Landsmeer en senator. Na de oprichting van GroenLinks, waarin klein linkse samenwerking vorm krijgt, gaat Waltmans, net als Tonnaer als onafhankelijke burgemeester door. De PPR is volgens hem ‘ten grave gedragen’ en hij had zelf geen politieke bondgenoten meer over en stond dus ‘met lege handen bij de kist’.