Is politicologie een linkse hobby?

Op een politicologencongres viel het met laatst op: de meeste politicologen hebben een linkse oriëntatie. Eén van de meest prominente Leidse politicologen, Ruud Koole, is ook senator voor de PvdA. Als ik voor GroenLinks advies zoek van politicologen willen ze graag meedenken. Nog een opvallend patroon: ik ken zo vier Nederlandse academische politicologen wiens partner een functie binnen GroenLinks heeft.

Is politicologie een linkse hobby? Hebben alle politicologen in de jaren ’60 een klap van de Marxistische mallemolen gekregen?

Alhoewel sociale wetenschappers specialisten zijn op het gebied van opinieonderzoek, wordt er maar weinig opinieonderzoek gedaan naar de meningen van politicologen. In een grote expertsurvey van de Ierse politicologen Benoit en Laver naar partijposities werden politicologen ondervraagd naar de sympathie die ze hebben voor bepaalde partijen.

Dat drukken we uit in een gevoelsthermometer waar 0 betekent veel sympathie en 20 betekent weinig sympathie. Als we kijken naar de Nederlandse data dan zie we het volgende: politicologen hebben de warmste gevoelens voor GroenLinks en de koudste gevoelens voor de LPF. De linkse partijen SP, GL, PvdA en D66 scoren gemiddeld beter dan de rechtse partijen.

Ook in de hele data set met politicologen uit Oost- en West-Europa, Israël, de VS, Australië, Nieuw Zeeland en Japan zien we dit patroon. Het mooie is dat dezelfde politicologen een links/rechts waarde hebben toegekend aan de partijen. De gemiddelde sympathie voor een partij die men als links bestempeld is ongeveer 1.5 punt (op een schaal van 1 tot 20) warmer dan voor een rechtse partij. Maar als we naar een scatterplot kijken zien we dat deze relatie lang niet alles verklaard. Sterker nog: maar 12% van de gemiddelde sympathiescore voor een partij is te verklaren met de gemiddelde links-rechts positie.

We kunnen ook kijken naar een aantal dimensies die samen de links-rechts dimensie vormen. We kijken hier naar drie invulling van links/rechts: links als seculier en rechts als religieus; links als een grote overheid en rechts als een kleine overheid; en links als progressief en rechts als conservatief op nieuwe culturele waarden. Helaas kunnen we voor die laatste alleen de milieudimensie gebruiken, omdat passendere schalen, bv. over migratie maar in een deel van de landen gebruikt wordt. In de landen waar allebei deze items zaten vormen ze een zeer sterke schaal.

Op deze milieu-dimensie zien we een heldere relatie: de groenere partijen zijn sympathieker volgens de politicologen dan de grijze partijen. Nou zijn er wel maar een beperkt aantal partijen dat aan de groene kant van het spectrum wordt geplaatst. Daarom wordt maar 20% van de sympathiescores hierdoor verklaard.

Op de sociaaleconomische dimensie is er praktisch gezien geen relatie: er is een zeer zwakke relatie positieve tussen economische standpunten en sympathie, maar dit verklaart slechts 1% van de sympathiescores. Als we daarentegen een onderscheid maken tussen Oost- en West dan ontstaat er interessant beeld: in de West-Europese landen is er een redelijk sterke positieve relatie (rood). Hoe meer partijen willen uitgeven in de publieke sector, hoe meer sympathie de partijen krijgen. Dit is ook wel logisch: immers rechtse partijen willen vaak meer bezuinigen op academisch onderwijs en onderzoek. In Oost-Europa (groen) is de relatie omgekeerd: hoe meer partijen een kleine overheid willen. Dit kom misschien omdat de sociaaleconomisch rechtse partijen ook de anticommunistische partijen waren. De rechtse partijen staan voor democratie en internationale openheid.  Dit model doet het overigens nog steeds niet schokkend goed (11% van de sympathiescores wordt verklaard).

Op de morele thema’s is het onderscheid het sterkst: hoe vrijzinniger een partij op sociale thema’s, hoe meer sympathie politicologen voor die partij hebben. Dit verklaart alleen al zo’n 38% van de sympathiescores.

Als we de factoren samen nemen, de sociaaleconomische, sociaalculturele, milieudimensie en het onderscheid tussen Oost en West, dan ontstaat het volgende beeld: in Oost en West Europa is de morele dimensie de belangrijkste verklaring. In beide gebieden is de milieudimensie een goede tweede. In West-Europa is er geen effect meer van de economische dimensie. Het is dus niet zo dat in West-Europa politicologen sympathie hebben voor die partijen omdat die sociaaleconomisch links, maar die de sociaaleconomisch linkse partijen zijn vaak ook vrijzinnig en groen en passen daarom bij het profiel van de politicologen. In Oost-Europa is er nog wel een effect van economie: de favoriete partijen van politicologen zijn hier economisch rechtser, zelfs als we controleren voor het feit dat deze partijen progressief en groen georiënteerd zijn.

Uit de data blijkt wel dat politicologen vaak een vrijzinnige, groene gezindheid hebben. Dit duidt op progressieve waarden, maar niet per se op een linkse oriëntatie: de positie van partijen op economische thema’s is geen verklaring in West-Europa en de relatie lijkt omgekeerd in Oost-Europa.

Uiteindelijk zegt dit natuurlijk iets over de afwijking, de bias, van de politicologengemeenschap. Er is namelijk geen sympathie voor de grote mainstreampartijen (sterker nog er lijkt een kleine negatieve relatie te zijn tussen het aantal stemmen en de gemiddelde sympathiescores). Maar ook niet voor populistische rechtse partijen. Groene partijen en andere progressieve seculiere partijen, zoals sociaaldemocraten lijken de primaire sympathie te hebben van de politicologen. Milieu is volgens veel politicologen wel een probleem terwijl immigratie en abortus dat minder zijn. De focus in het huidige politicologische onderzoek op populisme is misschien wel een uitdrukking van een echt onbegrip van de politicologen waarom mensen op een partij stemmen die zo ver van hen weg staat.

‘Helping Mom’

De kinderen naar school brengen. Rapport afschrijven. De klok tikt door. Snel het huis uit. Lunch tussendoor. Afspraak met een nieuwe klus. Avondeten halen. Sophie en Laurens van school halen en rijden naar Kinderyoga. Rapport proberen af te maken. Kinderen ophalen. Eten maken. De moderne mens heeft het druk: ZZP’er of deeltijdwerk, want je bent ook nog ouder: en dat betekent dat je chauffeur, schoonmaker, kok en secretaresse bent.

Dan heb je nauwelijks tijd om beredeneerde keuzes te maken: reclames proberen hier op in te spelen. In de intelligente Australische panelshow over reclame Gruen Transfer noemt de conservatieve reclameman Russell Howcroft dat ‘helping mom‘. Reclame probeert moeders te helpen om de juiste keuzes te maken voor hun gezin door ze te informeren over de gezonde producten voor hun kinderen. De eerste keer dat ik het hoorde vond ik het maar een rare redenering: het is een conservatieve ondernemer die manipulatieve reclames probeert goed te praten.

Maar in dat idee van ‘helping mom‘ zit wel wat iets: GroenLinks-kiezers zijn betrokken bij de maatschappij. Ze willen een groene wereld en een sociaal land, ze maken zich zorgen over het groeiende verschil tussen rijk en arm en de afbraak van de natuur. Maar hebben vaak geen tijd om daar werk van te maken. Duurzaamheid en solidariteit zijn mooie idealen maar ze zijn ook tijdrovend: niet naar de grote ketens gaan maar eerlijke kleren kopen bij een fairtradeboutique; iet de hamlampjes uit de bonus maar biologisch vlees uit de regio; niet alleen je eigen kinderen naar de beste school sturen en heen en weer te rijden van allerlei hobby’s maar ook nog tijd vinden om vrijwilligerswerk doen met kansarme kinderen.

Het idee dat hordes Nederlandse kiezers tijd hebben om zelf met mooie ideeën te komen om een groene stad en sociale samenleving te realiseren of om zelf daaraan bij te dragen door als mantelzorger ook nog het huishouden te doen bij een gehandicapte buurman of als beheerder van het park op te treden vind ik tamelijk illusoir.

GroenLinks-kiezers zijn wel vrij altruïstisch: ze hebben zelf een leuk maar druk leven. Het enige waar ze het lastig vinden om tijd voor te vinden is om echt bij te dragen aan een groene wereld en sociale land. GroenLinks-kiezers hoeven geen belastingverlaging en zelfs de ideeën van GroenLinks om als moderne gezinspartij ‘mom’ (m/v) te helpen door het gemakkelijker te maken werk en zorg voor kinderen te combineren zijn niet per se nodig.

Hoe GroenLinks ‘mom’ (m/v) wel zou kunnen helpen is door met een kleine handeling, namelijk in het stemhokje een grote bijdrage te leveren aan groene en sociale doelen. Ik denk dat je in campagnes in het oog moet houden: dat mensen het lastig vinden om naast werk en zorgtaken ook nog tijd te maken voor idealen. En dat je het eigenbelang van mensen om iets te willen bijdragen aan de wereld zo kan aanspreken.