Is de SP homofoob?

De laatste weken is er veel debat over de grenzen van de humor. Maar anders dan komieken en zangers heeft de politiek een voorbeeldpositie. Daarom viel mij dit spandoek van de SP-jongerenorganisatie ROOD, op, twee weken geleden bij de FNV-demonstratie tegen de bezuinigingen. Op de poster staat de tekst ‘Samsom bij Rutte in bed, VVD’s bezuinigingsslet’ en toont expliciete beelden van stokfiguur Rutte en stokfiguur Samsom.

Samsom wordt hier neergezet als de receptieve partner bij geslachtsgemeenschap tussen twee mannen. Dit staat er symbool voor dat volgens ROOD, de PvdA op belangrijke onderwerpen toegeeft aan de VVD. Schijnbaar is een receptieve partner een passief en willoos object. Schijnbaar kan iemand die zich laat penetreren geen krachtige politiek leider zijn. Schijnbaar is er volgens ROOD iets verkeerds aan om op zo’n manier gestimuleerd te worden. Schijnbaar is receptieve homoseksualiteit volgens ROOD iets abjects, iets walgelijks. En dit komt van een partij die zegt: ‘discriminatie van homo’s, lesbo’s, biseksuelen, transseksuelen etc. tolereren we niet.’

Nou zou ROOD zich kunnen verdedigen door te stellen dat het beeld niet homofoob is, immers Samsom wordt neergezet als een ‘slet’ en een slet is een ontuchtige vrouw. Maar daar wordt de zaak niet beter van. Want dan is het schijnbaar vernederend voor een man om neergezet te worden als een vrouw. Want een vrouw is minder dan een man? Is dat wat ROOD wil uitstralen?

Nee, Samsom is niet zo maar een vrouw, hij is een slet: een vrouw die gemakkelijk seks heeft met verschillende mannelijke partners. Het is namelijk verkeerd als een vrouw vrijwillig seks heeft met verschillende partners. Een man die dat doet is stoer. Een vrouw die dat doet is een slet. Want voor mannen en vrouwen gelden verschillende standaarden. Is dit echt de visie op vrouwelijke seksualiteit die de ROOD wilt uitdragen? Staat er in het programma van de SP niet: ‘Nederland hoort pal te staan voor het recht op vrije seksualiteit’?

Ik ken mensen die zich druk maken over Mario seksistisch is en of Gordon of Zwarte Piet racistisch zijn. Ik denk niet dat het de rol van de politiek is om hier meteen wetten en regels over te maken. Maar het minste wat je van de politieke partijen kan vragen is dat ze zelf niet uitgaan van discriminatoire opvattingen over mannen en vrouwen of het idee dat homoseksualiteit abject is. Zeker een partij die in haar programma zegt te hechten aan seksuele vrijheid en gelijkberechtiging.

Is alles te koop?

Sandel is één van de meest prominente linkse filosofen van onze tijd. In Niet alles is te koop analyseert hij de corrumperende werking van de markt op de samenleving. Daarbij verzint hij allerlei problemen die er niet zijn en negeert hij centrale problemen

Sandel’s karakteristieke stijl, die we kunnen zien in zijn wereldberoemde lezingen aan Harvard University, is socratisch. Hij valt niet aan, maar hij stelt vragen, zet je aan het denken. Toch is zijn eigen perspectief helder. Hij is aristoteleaan. Dat betekent dat hij denkt dat er allerlei maatschappelijke sferen zijn die hun eigen principes van rechtvaardigheid hebben. De markt is daar maar een van, maar niet de enige. Hij illustreert dit vrij simpel: wat als we Olympische gouden medaille niet geven aan de snelste zwemmer maar aan diegene die er het meest voorbetaalt. Dat voelt toch onrechtvaardig? Een sportwedstrijd heeft een eigen verdelend principe, dat van merite en dat is een ander principe dan dat van de hoogste bieder.

Een ander bezwaar dat hij benoemt, is ongelijkheid. Het is de vraag of het rechtvaardig is dat als we alles verkopen als op een markt, rijke mensen meer kunnen krijgen dan arme mensen. Laten we als eerste observeren dat dit logica’s zijn op twee verschillende niveau’s. Het eerste is de stelling dat er fundamenteel verschillende verdelingslogica’s zijn: het recht van de eerste (in een rij), de sterkste (in een wedstrijd), van de slimste (op een school), de van de rijkste (op de markt). Het tweede formuleert een ander universeel verdelingsprincipe, namelijk dat van gelijkheid: iedere burger moet een gelijke toegang hebben tot goederen en diensten. 

Geheel volgens de socratische traditie kijkt Sandel naar verschillende gevallen, om te kijken of het marktprincipe hier rechtvaardig wordt toegepast. Het boek zit vol sprekende voorbeelden. Ik wil hier naar drie voorbeelden kijken en naar een voorbeeld dat Sandel niet of nauwelijks bespreekt.

In de rij voor zorg

In China is zorg door de overheid georganiseerd. Als je naar een dokter wil dan moet je urenlang in de rij staan. Mensen waarvan de tijd waardevol is, betalen andere mensen om in de rij te staan. Dit is illegaal maar vrij normaal. Zo kunnen mensen die naar de dokter willen met geld zorg krijgen zonder daarvoor eerlijk in de rij te staan.

Dit geval stuit hem tegen de borst. Gezondheidszorg zou niet verdeeld moeten worden naar inkomen, maar naar een ander principe. Sandel toont zich regelmatig een aanhanger van het principe van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Dit heeft volgens hem egalitaire eigenschappen. Dit lijkt me absurd. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, heeft arbitraire eigenschappen. Bij gezondheidszorg zou uiteindelijk noodzaak bovenaan moeten staan. Mensen die zorg nodig hebben, moeten dat krijgen. Is rechtvaardig dat persoon A dood bloedt maar persoon B eerder wordt behandeld omdat hij eerder in de spreekkamer is? Of omdat hij meer betaalt? Volgens mij niet.

Markten voor leven en dood

In de VS kunnen bedrijven een levensverzekering nemen tegen het overlijden van hun medewerkers. Als er een medewerker overlijdt, krijgt het bedrijf een uitkering en de familie niet. Bedrijven die dit doen zeggen: ik heb veel geïnvesteerd in mijn medewerkers om weer zo’n goede werknemer te krijgen moet ik veel geld investeren. De familie krijgt niets.

Sandel beroept zich op gevallen waarbij de familie na het overlijden van de vader met lege handen achterbleef. Natuurlijk is het tragisch als een familielid overlijdt. Zeker als een familie dan lastig rond kan komen. Maar moeten bedrijven verboden worden om voorzorgsmaatregelen te nemen? Net als een machine is een werknemer voor een bedrijf een productiemiddel. Een productiemiddel waarin ze veel investeren. Is het onrechtvaardig om de kosten van die investering te verzekeren?

Wat volgens mij op de achtergrond onrechtvaardig is, is dat in de Verenigde Staten er een beperkte verzorgingsstaat is: en dat als de kostwinner overlijdt, gezinnen op weinig terug kunnen vallen, bovendien is middelbaar onderwijs en zorg ongelofelijk kostbaar. De dood van een ouder is niet alleen een tragische gebeurtenis maar veroordeelt het hele gezin tot armoede en achterstand.

Te laat opgehaalde kinderen

Een voorbeeld dat Sandel een aantal keer aanhaalt, is een Israëlische kinderopvang. Om ouders te stimuleren hun kinderen op te halen zetten ze een boete op het te laat ophalen van kinderen. Ouders zagen dat echter niet als een boete maar als een prijs. Meer ouders haalden hun kinderen later op en betaalden daar grif voor. Volgens Sandel laat die de perverterende werking van markten zien: mensen houden zich niet meer aan de afspraak hun kinderen op tijd op te halen, maar zien het als een dienst.

Ik zie eigenlijk het probleem niet: Een kinderopvang is een bedrijf. Ouders  betalen geld, veel geld, voor een dienst. Als kinderen te laat op worden gehaald maakt dat bedrijf kosten. Kosten waarvoor door de boetes, de ouders die hun kinderen te laat ophalen opdraaien. Wat is het probleem precies? Dat mensen gebruik maken van een mogelijkheid die er eerst niet was?

Geld en politiek

Heel eventjes raakt Sandel aan het onderwerp geld en politiek, als hij heeft over bedrijven die mensen betalen om in de rij te staan voor congressional hearings. Die zouden volgens Sandel ook arbitrair verdeeld moeten worden volgens first come first served.

Maar de rol van geld in de politiek is een waarbij zowel de corrumperende werking van geld als ongelijkheid in beeld kunnen worden gebracht. In de Amerikaanse politiek gaat veel geld om. Een deel van de politieke strijd wordt namelijk uitgevochten in televisiereclames. Omdat te financieren gaat, zijn politici afhankelijk van giften van bedrijven, rijke individuen en maatschappelijke organisaties die veel geld hebben. Daardoor luisteren politici sterker naar deze belangen dan naar de belangen van de gemiddelde burger.

Hier zien we de corrumperende werking van de politiek, omdat geld politici een incentive geeft om niet te luisteren naar de meerderheid van het volk maar naar deze belangen. En we zien de ongelijkheid om dat belangen met geld tijd en aandacht kunnen kopen van politici.

Pluralisme of monisme
Sandel en ikzelf verschillen fundamenteel in onze aannames over rechtvaardigheid. De Gouden medaille gaat misschien niet naar de hoogste bieder, maar we kunnen niet ontkennen dat succes ook in sport in hoge mate afhankelijk is van inkomen. Dan kan je als oplossing muur om de sport zetten en commercie niet toe laten. Het verschil tussen een talent en winnaar is duizende uren oefenen. Dat kan je niet als je gewoon moet werken om je gezin te onderhouden. Dat geldt ook in de wetenschap: je kan nog zulke mooie ideeën hebben over kernfysica maar een deeltjesversneller kost gewoon geld.

Het pluralisme klinkt mooi, maar het is uiteindelijk een conservatieve strategie. Het probeert de macht van geld in te dammen en tegen te gaan. Met morele bezwaren en misschien met wetten. Maar daarmee lost het fundamentele ongelijkheden niet op: het zorgt er niet voor dat een kind in de Derde Wereld ooit de kans gaat krijgen om een Nobelprijs te winnen. Wat daarvoor nodig is, is herverdeling van inkomen: we moeten erkennen dat geld een rol speelt. Je moet alleen proberen, de vrijheid, kansen en mogelijkheden die geld geeft, zo eerlijk mogelijk te verdelen tussen rijk en arm.

Der Unvollendete

Ik heb Peter Mair altijd een heel inspirerende politicoloog gevonden: erudiet, kritisch, doordacht. Twee jaar geleden overleed hij. Hij was bezig met een boek. Wat er al als manuscript lag, is nu verschenen onder de onheilspellende titel Ruling the void. The hollowing of Western Democracy. Het is natuurlijk onmogelijk om een onvoltooid boek te beoordelen alsof het een afgerond boek zou zijn, maar wat vertelt Mair in zijn boek?

Mair richt zich op het falen van de partijen, van het vermogen van partijen om kiezers te betrekken bij de politiek en het vermogen van de partijen om te fungeren als uitvalsbasis voor politici. Het falen van partijen is volgens Mair een groot probleem omdat representatieve democratie alleen maar kan functioneren in termen van politieke partijen.

Verwijdering tussen kiezers en partijen

De eerste these is wel bekend. En Mair toont dezelfde getallen die we allemaal kennen. Teruglopende ledenaantallen, grotere electorale volatiliteit.  teruglopende opkomstcijfers. Hij verwijst hierbij veelvuldig naar studies uit het begin van 2000s. Dat leidt, in mijn ogen, tot twee vragen: ten eerste, is sinds 2000 de situatie fundamenteel verslechterd. En zijn volatiliteit, lage opkomst en lage ledenaantallen een probleem?

Ten eerste, de situatie lijkt sinds de jaren ’90 niet fundamenteel verslechterd te zijn. Ledenaantallen, opkomstcijfers, volatiliteit zijn niet sterk verslechterd. Mair laat zelf zien dat de jaren met de laagste opkomst en sterkste volatiteit geconcentreerd zijn in de jaren ’90.

Ten tweede, is dit echt een probleem? Is volatiliteit, bijvoorbeeld, niet een teken van een kritisch electoraat. Is het niet goed dat kiezers weglopen als partijen hun beloften niet nakomen, slecht besturen of onderling ruzie maken? Is een democratie gezonder als kiezers dat allemaal slikken en op een partij blijven stemmen omdat ze luisteren naar priesters of vakbondsleiders?

Opkomst, is in mijn ogen, wel een zorgwekkende trend: dit zijn burgers die niet betrokken zijn bij de politiek. Daarbij wil ik wel opmerken dat de systemen die de meeste alternatieven hebben voor de partijendemocratie, de Verenigde Staten en Zwitserland, lagere opkomst hebben. In de VS worden meer ambtsdragers direct verkozen en vaak meer vanwege hun individuele reputatie dan vanwege hun partijlidmaatschap. En in Zwitserland kunnen groepen burgers vragen om referenda. Je moet je daarom afvragen een lage opkomst het gevolg is van het falen van partijen.

Verzwakken van partijendemocratie

De tweede trend die Mair observeert is dat het fenomeen ‘party government’ is verzwakt. Onder ‘party government’ bepaalt de de verkiezingsuitslag welke partij in de ministerraad komt, worden politici geselecteerd uit partijen, bieden partijen heldere beleidsalternatieven en zijn ministers verantwoordelijk door partijen. Volgens Mair zijn partijen op al deze punten verzwakt, behalve de eerste. Maar met echt overtuigend bewijs komt hij niet: in de strijd tussen Blair en Brown speelde het een rol wie het goed deed op televisie. Maar dat is een anekdote geen bewijs van een fundamenteel falen van partijen: Mair gaat er aan voorbij dat meer dan ooit hebben partijleden door interne verkiezingen direct grip op wie er partijleider wordt.

Partijen bieden ook geen beleidsalternatieven maar volgens Mair, omdat de links/rechts-dimensie verzwakt is en partijen naar elkaar toegegroeid zijn. Maar dat juist op allerlei thema’s (zoals immigratie en integratie) voor het eerst echt politieke competitie is wordt door Mair niet benoemd.

Partijen zijn, ten slotte volgens Mair ook minder verantwoordelijk voor beleid. Hij verwijst hierbij naar delegatie van verantwoordelijkheden naar niet-majoritaire instituties. Dit is een trend naar depolitisering. Voor een Nederlander klinkt dit maar al te bekend in de oren. Een van de hoofdregels van onze consensusdemocratie is depolitisering: de manier om politieke conflicten te voorkomen. En denk maar aan het idee van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie uit de jaren ’50, waar politici werknemers en werkgevers samen verantwoordelijk maakten voor beleid. Dit is volgens mij niet onverenigbaar met partijendemocratie.

Onthechting, Europeanisering en Populisme

Dan zijn er drie opmerkelijke ontwikkelingen die Mair ziet: ten eerste de onthechting van partijen van hun maatschappelijke banden. Dit was de kernthese van zijn zeer invloedrijke artikel samen met Katz uit 1995. Dit vermindert het vermogen van partijen om verschillende maatschappelijke belangen te integreren en de eisen van burgers te articuleren. De beweging van partijen van de maatschappij naar de overheid leidt tot een verandering in de rol van partijen: van vertegenwoordiger van het volk bij de overheid naar de vertegenwoordiger van de overheid bij het volk. Partijen zijn de PR-bureau’s van de overheid, citeert Mair Andeweg.

Ten tweede, is er de Europeanisering. In de Europese Unie komen een boel problemen die Mair observeert samen: burgers zijn niet betrokken bij het Europese project, komen niet op bij verkiezingen. Europese instellingen zijn bij uitstek niet-majoritaire instellingen, waarbij vaak besloten wordt door experts in plaats van door politieke meerderheden. Bovendien hebben Europese partijen nauwelijks worteling in maatschappelijke organisaties of onder burgers.

Maar in dat zelfde hoofdstuk observeert Mair de opkomst van populistische partijen in Europa. Hierin zien we volgens mij juist de kracht van partijendemocratie. Want de onvrede die Mair observeert, tegen een elite die geen contact meer onderhoudt met de maatschappij, die geen verschillende oplossingen biedt, tegen een Europees democratisch deficiet en die beleidsmaker probeert te isoleren van de samenleving, vindt uiting in populistische partijen. En zo organiseert de partijendemocratie haar eigen correctiemechanisme. Ook populisten doen met partijen mee aan verkiezingen om zo de stem van het volk te laten horen. Partijendemocratie betekent niet de organisatie van de politiek door de huidige partijen, juist de opkomst van nieuwe partijen en de ondergang van oude partijen is een belangrijk onderdeel van haar zelfcorrigerend vermogen.

Eindoordeel

Het is eigenlijk onmogelijk om een eind oordeel te geven voor een onvoltooid boek, maar het is mijn indruk dat Mair te cynisch is over de ontwikkelingen in de partijendemocratie. De ondergang van politieke partijen, kortom die Mair observeert, is volgens mij onterecht. We zien kritische burgers die misschien minder hebben met de huidige partijen, maar een partijenstelsel dat ruimte biedt voor nieuwe partijen.