Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom.

Nederlandse politiek verschilt sterk van andere landen. Een opvallend patroon in Nederland is dat politieke carrières steeds korter duren. De politiek lijkt een tussenstop voor mensen met meer ambitie. Politiek leiders zitten kort en worden snel afgebrand. Job Cohen is hier misschien het meest extreme voorbeeld van: in een paar weken veranderde hij van de verlosser in de hakkelaar. Voor lange geplande politieke loopbanen is geen ruimte.

Een uitzondering in dit patroon lijkt Diederik Samsom, de leider van de PvdA. In Straatcoach en strateeg. De Opkomst van Diederik Samsom beschrijft NRC-journalist Stokmans de politieke carrière van de sociaaldemocraat.

De lange adem

Wat hierin het meeste opvalt is hoe planning en toeval door elkaar heen lopen. Gepland is Samsom’s politieke loopbaan. Hij begint in 2003 in de PvdA en besluit al in zijn eerste Kamerperiode dat hij partijleider wil worden. Hij ontwikkelt een verstandhouding met de zittende leider Wouter Bos en neemt de ruimte om alle PvdA-afdelingen te bezoeken om daar zijn verhaal te oefenen en leden te leren kennen. In 2008 toonde Samsom voor het eerst zijn ambitie toen hij Tichelaar wilde opvolgen als PvdA-fractievoorzitter. De PvdA-fractieleden kozen voor de moederkloek, Mariëtte Hamer. In 2010 wordt Cohen door Bos naar voren geschoven. De komeet van Cohen brandt snel op. Ondertussen loopt Samsom zich warm. Hij neemt afstand van de fractie en gaat op maatschappelijke stage als straatcoach om te voelen wat het verhaal van de PvdA op veiligheid betekent. Als Cohen in 2012 aftreedt, komt alles voor Samsom samen: hij heeft de ambitie, hij kent de partij en hij heeft een verhaal. Hij wordt partijleider.

De eindsprint

Maar voor wat er daarna gebeurt, lijkt Samsom niet gereed. Als het kabinet valt klitten constructieve oppositiepartijen in het centrum, GroenLinks, ChristenUnie en D66, samen zonder de PvdA. Zij steunen een begrotingsakkoord met het kabinet. Het hele akkoord lijkt erop gericht te zijn Samsom buiten te houden. Hij wordt uitgenodigd om mee te tekenen maar weigert dat. Dat is het eerste moment van twijfel. Snel zal blijken dat het een meesterzet is. Het begrotingsakkoord is in een hogedrukpan geschreven en zit vol met punten die de kiezer niet zint.

De strategie voor de PvdA is vanaf dat punt helder voor de peilers en adviseurs van Samsom: de PvdA kiest een paar zwakke punten uit uit het begrotingsakkoord en voert daar campagne tegen. Daartegen over stelt de PvdA een eigen agenda van groei en banen. Posters met die boodschap hangen al snel door heel Nederland.

Samsom twijfelt. Tijdens een oefenweekend voor het lijsttrekkersdebat Samsom zijn cijfers van het CPB over het PvdA programma de druppel die de emmer doet overlopen. De PvdA was niet de partij van groei en banen maar van krimp en werkloosheid. Voor Samsom die de doorrekeningen van voorgaande jaren uit zijn hoofd kende en die voor zijn plezier aan CPB-cijfers zat te rekenen, een grote blamage. Tijdens het ontbijt stormde Samsom onverwacht luid vloekend de eetzaal uit en het nabijgelegen bos in. Als Samsom uitgeraasd is, wordt besloten een nieuwe strategie in te zetten. Niet een die gebaseerd is op peilingen of de wijsheid van campagnebureaus maar op het gevoel van Samsom: dit wordt Samsom’s eerlijke verhaal. Tijdens de vele bijeenkomsten in het land oefent en scherpt Samsom zijn verhaal. Tijdens het RTL-debat overtuigt Samsom hier Nederland mee, door niet een mooie belofte te maken over het geld dat Nederland aan Griekenland heeft geleend maar eerlijk te zijn dat het geld niet terugkomt.

Bij het oefenen van het tweede grote debat, bij Knevel en Van den Brink valt een katheder op Samsom’s teen. Uitermate pijnlijk. Gebroken is de diagnose. Maar Samsom heeft geen tijd om twee weken met zijn benen om hoog te zitten. Pijnstillers zijn natuurlijk ook uitgesloten want Samsom moet scherp zijn. En juist in het tweede debat versterkt Samsom zijn eigen ‘eerlijke verhaal’ door Rutte aan te pakken over het verdraaien van de waarheid. Hij kopieert daarbij Ronald Reagan’s ‘there you go again‘. Dat is opnieuw niet een beslissing die genomen is op basis van kiezersonderzoek en tegen de lijn van de adviseurs in gaat. Tijdens het laatste debat laat Samsom zijn eerlijke verhaal nog één maal door op de vraag van een kiezers: ‘aan welk punt houdt u vast?’ Niet zijn hele programma af te draaien maar eerlijk te zeggen dat zoals ook bleek tijdens de formatie je uiteindelijk compromissen moet sluiten met je politieke tegenstanders.

Daarmee deed Samsom uiteindelijk wat iedereen voor onmogelijk had gehouden. Hij won de kiezers terug van de SP en haalde het beste verkiezingsresultaat van de PvdA in 10 jaar. Niet op basis van een langgeplande strategie of zelfs maar geïnformeerd door het best onderzoek maar op basis van zijn eigen politieke intuïtie.

De politieke carrière van Samsom is altijd gericht op die ene plek, leider van de PvdA. Maar als hij dat een maal is hangt veel van toeval af: had Samsom zijn eigen intuïtie gevolgd en het begrotingsakkoord wel getekend, dan was hij net als de begrotingsakkoordpartijen in de verdediging gekomen. En als de CPB-cijfers later waren gekomen, dan had Samsom misschien niet zijn strategie bij gezet en had hij het eerste debat niet gewonnen en dan had hij geen zegetocht ingezet.

Is de Partij voor de Dieren populistisch?

Als één partij in de Tweede Kamer niet populistisch zou kunnen zijn, is het de Partij voor de Dieren. Immers deze partij verzet zich tegen de dominantie van menselijke belangen in de politiek. Beleid zou niet gebaseerd moeten zijn op wat mensen vinden maar op wat in het belang van alle dieren is. Iedere debatbijdrage wordt daarom afgerond met de ze zin ‘tevens ben ik van mening dat de bio-industrie moet worden afgeschaft’. Maar de recente bijdrage van Thieme aan het debat over het burgerforum EU had een aantal opvallende populistische kenmerken.

Laten we populisme definiëren als een (dunne) ideologie die

  1. een tegenstelling ziet tussen (a) een deugdzaam en ondeelbaar volk en een (b) kwaadaardige elite;
  2. stelt dat de elite het volk haar vermogen om haar soevereiniteit uit te oefenen ontnomen heeft;
  3. en stelt dat dat moet worden hersteld.

Het is belangrijk om op te merken dat populisme geen negatieve kwalificatie is. Volgens één van de indieners van het burgerforum EU, Ewald Engelen, die toch zelf aardig kwalificaties kan uitdelen en incasseren, zou populisme ‘in het woordenboek van nette mensen [staan] voor grof taalgebruik, redeloze onderbuikgevoelens, argumentenhaat en vijanddenken.’ Dat is in elk geval deze definitie niet het geval: het streven naar volkssoevereiniteit en een gezonde afkeer van autoriteit is regelmatig ‘the right side of history’ gebleken.

De kernredening van de debatbijdrage van Thieme is de volgende:

  1. De Nederlandse kiezer wil een pas op de plaats in Europese integratie. Dit blijkt uit de uitslag van het referendum over de Europese Grondwet en recente peilingen: “twee derde van de burgers geeft aan geen verdere overdracht van bevoegdheden te willen zonder referendum.
  2. De Europese politieke elite wil dat Europese integratie verder gaat. De elite heeft de voorkeur voor besluitvorming in instituties die buiten het bereik van kiezers liggen, zoals de EU, de G8 en internationale handelsverdragen. Thieme zelf neemt afstand van die elite: “[i]k wens (…) geen deel uit te maken van een politieke elite die op dit moment de democratie aan het uithollen is.
  3. De Europese politieke elite luistert dus niet naar kiezers. Ze gaan door met geforceerde Europese integratie tegen de wil van het electoraat. De kiezer is voor de Europese politieke elite een hindermacht, die ontwapend zou moeten worden: “[e]lke wijze waarop de bevolking aangeeft [met verdere Europese integratie] niet akkoord te kunnen gaan, wordt gezien als een ongewenste vertraging van de Brusselse trein, die hoe dan ook verder moet.”
  4. Dit is onjuist want niet de elite maar het volk mag soevereiniteit overdragen. Zo wordt de democratie uitgehold: “het [is] niet aan de volksvertegenwoordigers maar aan het volk om bevoegdheden over te dragen, de soevereiniteit op te geven en de macht van het parlement te verminderen.”
  5. Thieme pleit voor een ander Europa zonder landbouwsubsidies en met meer democratie. “Ook in dat kader ben ik voorts van mening dat er een einde moet komen aan de Nederlandse en de Europese bio-industrie.”

De redenering van Thieme komt op een aantal punten dicht bij populisme:

  • ze neemt afstand van ‘de’ politieke elite (punt 1b);
  • in haar ogen heeft die politieke elite het volk het vermogen zijn soevereine macht uit te oefnene ontzegt (punt 2 van het populisme);
  • en in plaats daarvan moet er een pas op de plaats gemaakt worden met Europese integratie en moet de Europese Unie gedemocratiseerd worden (punt 3).

Wat dus mist is een positieve invulling van het begrip volk. Het volk heeft in de ogen van Thieme gelijk en zou zelf moeten kunnen beslissen over de Nederlandse onafhankelijkheid. Maar is het ook ondeelbaar? En deugdzaam? Dat wordt hier in elk geval niet duidelijk. Daarmee zouden we moeten stellen dat Thieme’s redenering niet populistisch is, alhoewel het er veel kenmerken van heeft.

Maar dit punt is in mijn ogen wel het meest belangrijk voor een partij die een niet-antropocentrisch wereldbeeld zegt te hebben. In debatbijdrage was dit element van Thieme’s eigen visie gemarginaliseerd tot een verwijzing naar landbouwsubsidies en een obligate slotzin. In elk geval in het geval van Europese integratie, is voor de Partij voor de Dieren de wil van mens alles wat telt. Niet de argumenten die ze gebruiken, niet de eigen visie van de Partij voor de Dieren en niet de belangen van niet-menselijk leven: het volk wil geen verdere Europese integratie. Daarmee is de kous voor Thieme af.

In dit debat had Thieme vast kunnen houden aan haar eigen idealen en een consequent niet-antropocentrische redenering kunnen neerzetten. Deze had er als volgt uit kunnen zien:

  1. Europese integratie is slecht voor dieren want een interne markt betekent dat dieren het hele continent over gesleept moeten worden, het gemeenschappelijke landbouwbeleid bevordert grootschalige bio-industrie en, bovendien, de Europese verdragen staan stierenvechten toe.
  2. De Europese Unie moet worden gestopt. Daarvoor zijn alle middelen geoorloofd. Ook dat van het referendum, waarin het Nederlandse volk vast weer tegen uitbreiding van Europese bevoegdheden zal stemmen.
  3. Daarom is de Partij voor de Dieren voor een referendum niet omdat de wil van mensen maatgevend is maar het belang van dieren.

Want zou Thieme echt willen dat stem van het volk alles zou bepalen? Iedere dag spreekt het Nederlandse volk zich in de supermarkt uit over de vegetarische idealen van Thieme; en iedere dag stemt een kleine minderheid op ‘gehacktbal’ en grote meerderheid op gehaktbal.

Het Dierloze Gerecht

Dirk-Jan Verdonk schreef een vegetarische geschiedenis van Nederland. Een mooi kijkje in de geschiedenis van groene politiek, activisme en het dagelijks leven.

Het boek bestaat uit zes casussen, die chronologisch worden gepresenteerd. We beginnen bij de eerste idealistische vegetariërs als Domela Nieuwenhuis en Felix Ortt. Bij Domela Nieuwenhuis zien we hoe vegetarisme al vroeg verbonden is met andere linkse idealen. Bij Felix Ortt, die probeerde een vegetarische landbouwcommune te stichten zien we hoe idealisme het verliest van de realiteit. Vervolgens bezoeken we het succesvolle vegetarische restaurant Pomona uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dan slaan we ongeveer 25 jaar over en kijken we naar de kabouterrevolutie en de groei van de alternatieve winkeltjes, met hun ongeorganiseerde gezelligheid. Daarop volgen twee hoofdstukken over dierenrechtenactivisme: dat begint bij Wakker Dier en eindigt bij het dierenterrorisme van de jaren ’00.

De eerste drie delen zijn de sterkste delen omdat ze meer dan een geschiedenis van dierenrechtenactivisme, een geschiedenis zijn van het vegetarische dagelijks leven. Het biedt een antwoord in de vraag wat vegetariërs aten voordat er gehacktballen in de schappen van de supermarkt lag: rauwkost, schijngehakt gemaakt van linzen en allerhande kroketten. Maar hierachter ligt een hele discussie over wat gezond voedsel is en of vlees daarvoor nodig is. Want aan het einde van de negentiende eeuw wordt er voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar voedsel, voedingswaarden en gezondheid. Groenten worden eerst weggezet als ‘genotsmiddel’ zonder voedingswaarde maar ook de eerste schandalen over bedorven vlees komen naar buiten. Als vlees tijdens de Eerste Wereldoorlog op de bon moet, moeten huisvrouwen leren om gebalanceerd vegetarisch te koken. Door het restaurant Pomona wordt vegetarisch eten hip.

In het derde hoofdstuk, over Pomona, zien we de hoe vegetarisme populairder wordt, maar daarna volgen we meer kleine groepen buiten de mainstream. We eindigen met verhalen over geweld en inbraak. Alsof dat de kern zou zijn van vegetarisme. Alsof na de Kabouterrevolutie vegetarisme eerder kleiner en sektarischer werd en met name verbonden was met buitenparlementair activisme. Vegetarisme wordt steeds groter: Jort Kelder is gezicht van een soort VVD-vegetarisme, de vegetarische slager verkoopt vleesvervangers bij de Jumbo en ook juist parlementaire politiek loopt harder voor dierenrechten, dankzij de Partij voor de Dieren.

Wat zich hier wreekt is dat het boek verschenen is in 2009 en waarschijnlijk in de 5-6 jaar daarvoor geschreven is, in een periode na de moord op Fortuyn dat terrorisme van dierenrechtenactivisme een ding leek. Tien jaar daarna blijkt, gelukkig, dat gewelddadig dierenrechtenactivisme een vrij marginaal fenomeen is gebleven maar daarmee is het boek wel meteen verouderd.

Hoe hangen welvaart en sociale voorzieningen samen?

Heleen Dupuis is een vooraanstaand lid van één van onze regeringspartijen. Filosoof, emeritus professor emeritus, liberaal, senator. Daarvan kunnen we alleen maar scherpe redeneringen verwachten. In Trouw werpt zij haar licht op de verzorgingsstaat. Daarin zegt zij het volgende.

“Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar tegelijk maakt zowat iedereen gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem verkeerd hebben ingericht.”

Het is mij niet duidelijk hoe uit het feit dat [1] Nederland rijk is en [2] mensen gebruik maken van sociale voorzieningen volgt [3] dat het systeem verkeerd is ingericht. Als we welvaart als belangrijk goed nastreven, dan laat professor Dupuis zelf zien dat er geen probleem is. Immers: alhoewel bijna iedereen gebruik maakt van sociale voorzieningen, is Nederland één van de rijkste landen ter wereld.

Sterker nog. Misschien is deze redenering is bijziend. Het gaat er vanuit dat er een directe causale relatie is tussen welvaart en verzorgingsstaat. Je kan ook zeggen: Nederland is een open economie, die haar geld verdient door handel. Dat betekent dat Nederland sterk afhankelijk is van de schokken van de internationale markten. Om die schokken op te vangen hebben we een verzorgingsstaat die spaart in goede tijden en uitgeeft in slechte tijden. Zo kunnen we welvaart (door de open economie) en stabiliteit (door de dempende werking van de verzorgingsstaat) combineren. Het minste wat je dan zou kunnen zeggen is dan Nederland is één van de rijkste landen ter wereld en bijna iedereen maakt gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat het een niet onverenigbaar is met het ander.

Maar misschien is er wel een causaal verband tussen de door professor Dupuis geobserveerde grote welvaart en het niveau van sociale bescherming: Nederland krijgt haar welvaart ook vanwege haar goed opgeleide beroepsbevolking. Dit komt omdat Nederland een van de beste onderwijssystemen van de wereld heeft dat op het basis- en middelbaar niveau gratis ter beschikking wordt gesteld en door toegankelijk beroeps- en hoger onderwijs van hoge kwaliteit. Dat kost natuurlijk wat, maar daar betalen we samen aan mee. Immers iedereen heeft er voordeel van als er artsen zijn (want die maken ons gezond), ICT’ers (want die verdienen geld) of emeritus-professoren medische ethiek (want wat zouden we anders moeten doen op een druilerige woensdagmiddag). Misschien moet de redenering wel zijn, dus: Nederland is één van de rijkste landen ter wereld, dat komt omdat zowat iedereen gebruik heeft gemaakt van onze sociale voorzieningen waaronder scholen, ROCs, hoge scholen en universiteiten. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht.

Dupuis beroept zich later op Rawls. En dat brengt mij op de laatste manier waarop verzorgingsstaat en welvaart zouden kunnen samenhangen: een rechtvaardige samenleving waarin iedereen naar school kan, niemand zich zorgen hoeft te maken of hij de rekening van de medische zorg wel kan betalen en iedereen een dak boven zijn hoofd heeft is een groot goed. Verschillen in inkomen zijn gerechtvaardigd en een dynamisch bedrijfsleven is waardevol zolang ze bijdragen aan het in stand houden van een systeem van sociale rechtvaardigheid. Dat betekent het volgende: Nederland is één van de rijkste landen van de wereld. Het is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht dat er goede sociale voorzieningen zijn waarvan iedereen gebruik kan maken.

Was 2013 inderdaad een ***-jaar?

Eind 2012 voorspelde ik dat 2013 een ***-jaar zou worden. Wat is er uitgekomen van deze voorspelling?

Zes voorspellingen die ik in 2013 deed hingen samen met de verkiezingsuitslag in Italië. Ik voorspelde dat er geen heldere verkiezingsuitslag zou zijn. Dat klopte!
Maar de gevolgen die ik voorspelde, klopten niet. De uitslag leidde niet tot een economische crisis, tot het uitkomen van corrupte Italiaanse bankpraktijken of een radicale uitbreiding van de macht van de Europese Commissie die nieuwe Nederlandse bezuinigingen eiste. De corrupte bankpraktijken kwamen voor in Cyprus. De economische macht van de Europese Commissie blijft wel groeien. Nederland moest weer verder bezuinigen. Anders dan ik voorspelde profiteerden niet zo zeer de linkse anti-bezuinigingspartijen van de verdere bezuinigingen maar juist de rechtse partijen, zowel D66 (pro) en de PVV (anti). Maar de PvdA kreeg het wel lastig met het anti-illegalenbeleid van het kabinet, die leidde echter nog niet tot Razzia’s.

Daarnaast voorspelde ik dat non-nieuws de media zou domineren: over het Koningshuis (dat werd de abdicatie), een rel over Rusland en het milieu (dat werden de Arctic 30 die aandacht vroegen voor milieuvervuiling maar met name wezen op het sinistere karakter van de Russische regering) en aan het eind van het jaar Zwarte Piet (en niet The Hobbit).

Dat non-nieuws zou het echte nieuws verbloemen: klimaatverandering (nog steeds een probleem volgens de wetenschappers), een ingrijpende verandering van de financiering van de Amerikaanse wetenschap (die in werkelijkheid alleen politieke wetenschap betrof) en de Syrische burgeroorlog (waarbij Assad in elk geval een Amerikaanse inval wist te voorkomen).

In alle eerlijkheid is maar één voorspelling echt uitgekomen. Maar de voortslepende economische crisis, de dominantie van non-nieuws en een overwinning voor de Bad Guys in het Midden-Oosten klopten werden deels bewaarheidt, maar ja dat zijn niet echt kritische voorspellingen.

Voor 2014 sluit ik me aan bij John Green: 2014 wordt misschien wel het beste jaar ooit!