Is de PVV is definitief vertrokken uit het rechtse kamp?

Volgens premier Rutte is “de PVV definitief vertrokken uit het rechtse kamp“. Is dit politieke spin of zit er iets in? Welke conclusies kunnen we trekken uit verkiezingsprogramma’s of parlementaire stemmingen?

Stemmingen
Een manier om naar politieke posities te kijken, zijn stemmingen in de Tweede Kamer. Ik kijk hier naar alle stemmingen in de Tweede Kamer over de begrotingsbehandelingen in 2013. Dat zijn 357 stemmingen. Dat gaat met name over sociaaleconomische onderwerpen. Die zijn interessant omdat we hier juist een sterke links-rechts tegenstelling zouden verwachten.

Rplot2 copy90% van de stemmingen de passen in een eendimensionaal model, zoals hieronder: we zien hier de SP uiterst links en de PVV uiterst rechts. Dichtbij de PVV aan de rechterkant staan de VVD en de PvdA, dichtbij de SP aan de linkerkant staan PvdD en GL. De PVV staat het verst af van de SP; volgens Rutte zijn er juist grote gelijkenissen tussen de PVV en de SP.

Rplot copyDe figuur hiernaast geeft de percentages weer waarin een partij hetzelfde stemt als de PVV (en andere partijen). De hoogste score is voor de VVD: 55%, de laatste score voor GroenLinks (38%). Een opvallend verwijt dus: de partij waar de PVV het vaakst mee samen stemt, de VVD, verwijt de partij een linkse positie. Wat hier eerder aan de hand lijkt te zijn is de PVV voor zich een unieke positie heeft gemaakt. Anders dan de coalitiepartijen, de constructieve partijen in het midden of de linkse oppositie. De PVV vaart haar eigen koers.

Verkiezingsprogramma’s
Waar komt het beeld dan vandaan dat de PVV een linkse partij is? Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die uiten zich lastig in de Tweede Kamer.

Figuur 3 begrotingsposten copyDe figuur hiernaast is een analyse van de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We kijken hier naar de begrotingsposten (sociale zekerheid, zorg, milieubelastingen etc) en we hebben daarop een inductieve analyse[1] gedraaid die partijen dichtbij elkaar plaatst als de programma’s op elkaar lijken en ver van elkaar als de programma’s niet op elkaar lijken.

In dit model zien we twee dimensies. De eerste dimensie (hier de horizontale dimensie) laat een links-rechts tegenstelling zien. Aan de ene kant hebben we GroenLinks en aan de andere kant de VVD en de PVV. Een aantal onderwerpen correleert hier sterk mee, zoals het verhogen van milieulasten (typisch een ‘linkse hobby’ volgens de PVV) maar ook lasten op vermogen en het invoeren van een inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremie.

De tweede, verticale dimensie scheidt de SP en de PVV van bv. D66 boven in de figuur. Daarmee door kruist de figuur de traditionele links-rechts dimensie. Deze dimensie betreft bijvoorbeeld de grootte van de uitgaven aan zorg, maar ook defensie. De SP en de PVV bezuinigen daar niet op. Dit is volgens mij ook een belangrijke economische dimensie, maar het is niet de traditionele links-rechts dimensie. Ik noem deze dimensie zelf de hervormingsgezind/behoudend. De SP en PVV zijn sociaaleconomisch behoudend: bezuinigen niet op zorg maar bezuinigen bijvoorbeeld wel op onderwijs.

Zo ontstaan er vier kampen: een progressief-rechts kamp. Hierin vinden we D66, CDA, SGP, CU en VVD. Deze partijen stonden in 2012 redelijk dicht bij elkaar. Aan de hervormingsgezinde linkse kant staat GroenLinks. Aan de behoudende linkerkant de SP. Aan de behoudende rechterkant de PVV. De PvdA staat redelijk in het midden tussen behoudend en hervormingsgezind en links en rechts.

Wat is links en rechts?
Kortom is de PVV recent uit het linkse kamp vertrokken? Parlementaire stemmingen laten juist zien dat de PVV anders is dan partijen die we traditioneel als links benoemen zoals de SP. Er zijn wel gelijkenissen met de SP maar die zien we in de verkiezingsprogramma’s uit 2012. We zien dan dat de PVV lijkt op zowel de VVD (tegen milieubelastingen) maar op de SP (tegen zorgbezuinigingen). Je zou op basis van die gelijkenissen de PVV links kunnen noemen, maar op deze punten lijkt juist GroenLinks (de naam zegt misschien iets over de politieke oriëntatie) niet op de SP en de PVV. Dit leidt tot een fundamentele discussie over wat links en rechts betekenen. Is GroenLinks (nog) links en de PVV misschien naar links geschoven? Er is een gelijkenis te zien tussen de PVV en de SP, maar juist op punten waarvan ze verschillen van GL. Uiteindelijk zijn links en rechts flexibele begrippen die je zelf kan invullen.

Hoe dan ook: deze data stamt uit 2012. Het kan dus geen schok geweest zijn voor Rutten en die gelijkenissen komen in het parlementaire werk niet zo zeer naar voren.

[1] Non-metric multidimensional scaling op Manhattan distances voor de specialisten op

Grand Budapest Hotel: top of not?

Grand Budapest Hotel is tegelijkertijd een topfilm en een verschrikkelijke Amerikaanse film. Wes Anderson is mijn favoriete regisseur. En met zijn nieuwste film, de Grand Budapest Hotel heeft hij zijn mooiste film tot nu toe afgeleverd.

Het is een komedie die een lobby boy volgt in een grand hotel in de jaren ’30. Hij raakt betrokken bij de diefstal van een schilderij; of eigenlijk het rechtmatig meenemen van een schilderij na een erfenis. Daarop volgt een absurdistische actiefilm om het schilderij uit de handen van de andere erfgenamen te houden. Uiteindelijk erft de lobby boy het schilderij en het hele hotel.

Een prachtige ambachtelijk gemaakte film is Grand Budapest Hotel zeker. Meer dan ooit heeft Wes Anderson de moeite genomen om een wereld te maken. De film speelt zich af in Zubrowka, een fictief Oost-Europees land. Dat is prachtig land vol met Jugendstil hotels, witte bergen, patisseries, opkomend fascisme, schilderijen van Schiele en Klimt. Anderson brengt het verval van zo’n oud hotel liefdevol in beeld. Meer dan in enige andere film van Anderson is ieder shot een schilderij: een prachtig stilistisch landschap waarin het hotel staat of een portret van de prachtige karakters die hij bedacht heeft.

Ik zou de film negen van de tien sterren geven: de film is zo mooi gemaakt, ieder shot is zo precies zo perfect. Met oog voor details en met de grote en kleine rollen gespeeld door de beste acteur van onze tijd.

Het probleem begint als de acteurs hun mond open doen. Anderson is in mijn ogen geen meester van de dialoog, maar dat is juist zijn kracht. Want de dead pan dialogues gaven in zijn eerdere films de afstand tussen mensen weer die nooit voldoende overbrugd kan worden door woorden. Die kracht zit nog steeds in de dialogen maar het probleem zijn de accenten. Anderson werkt met een beperkt aantal acteurs, mensen die hij vertrouwd, zoals Owen Wilson. Maar dat zijn allemaal Amerikanen, of in elk geval geen Oost-Europeanen. Als  Saoirse Ronan haar mond open doet, hoor ik een prachtig Iers accent maar geen Duits of Slavisch accent. Dat zit er wel vaker in: de film is visueel heel rijk, met allerlei kleine hints in teksten op muren en in kranten. Maar dat zijn allemaal teksten in het Engels. Anderson wil wel een film maken in Oost-Europa tijdens het interbellum maar wil niet de zwaarte van het fascisme de hele film laten wegdrukken: daarom noemt hij de SS maar ZZ. Dat soort dingen zijn jarring.

Wat misschien het minst bevredigend is aan deze prachtig gemaakte film dat het een komedie is zonder serieus hart. Uiteindelijk gingen de vorige films van Anderson allemaal over hetzelfde. Anderson analyseert menselijke relaties: hij toont uiterst getalenteerde, excentrieke mensen met ongewone dromen die langzaam en weifelend op zoek gaan naar de warmte van liefde en familie. Het zijn allemaal disfunctionele families die proberen om elkaar te vinden. In deze film heeft Anderson voor het gemak al zijn karakters wezen gemaakt omdat hij het niet over familie wil hebben.

En daarmee is de Grand Budapest Hotel een prachtig opeenvolging van schilderijen, maar wel een schilderijen die gemaakt is door een Amerikaan van een Europese situatie waarbij de precisie van het beeld teniet wordt gedaan door het accent van de acteurs. Maar bovendien is het een enthousiasmerende komedie vol met absurdistische actie, maar niet een film die de menselijke conditie onderzoekt en bloot legt.

Weg met de burgemeester!

In Nederlandse gemeenten is er een opvallende paradox. Bijna niemand kent de leden van de gemeenteraad of de samenstelling van het college. Maar veel burgers weten wel wie hun burgemeester is. Dat is op het eerste gezicht niet zo raar: immers de burgemeester heeft een belangrijke representatieve functie. Hij of zij is het gezicht van de gemeente in de stad en/of de dorpen: het is de burgemeester die de jaarlijkse buitenspeeldag opent. En hij is het gezicht naar buiten. Gaat het over de gemeente op de televisie dan is de burgemeester in beeld. En toch is het raar. Want niemand heeft op de burgemeester kunnen stemmen. Die is benoemd door de Kroon op voordracht van de gemeenteraad. Dat gaat in tegen het principe van representatieve democratie. De persoon die de gemeente vertegenwoordigt, is niet door de gemeente verkozen.

De door de Kroon benoemde externe voorzitter

De burgemeester is een overblijfsel van het idee dat Nederland een eenheidsstaat is: de Rijksoverheid is de belangrijkste politieke laag. Hier wordt het beleid bepaald. Gemeentes zijn een soort uitvoeringsorganisaties. Zij hebben wel taken om uit te voeren maar wat ze moeten doen wordt bepaald in Den Haag. Daarbij past het idee dat het Rijk een vertegenwoordiger benoemt in het gemeentebestuur, een soort hoogste ambtenaar. Immers de directeuren van andere overheidsorganisaties worden ook centraal benoemd. Hij zit ook de gemeenteraad voor, net als de regering de onafhankelijke voorzitter van andere raden (zoals de SER) benoemt. Maar dat past al lang al niet meer bij de manier waarop het lokaal bestuur functioneert, nu het met allerlei decentralisaties, steeds meer politieke keuzes moet maken. Hierbij past een veel democratischer bestuur, zonder een van buiten benoemde voorzitter.

Zekere carrièrekeuze voor politici

Bovendien, de benoemde burgemeester is de duidelijkste indicatie van een ‘karteldemocratie’ in Nederland. Deze goed betaalde posities worden door de gevestigde bestuurspartijen uitgedeeld: de drie grote bestuurspartijen zorgen ervoor dat hun mensen ongeveer in gelijke mate burgemeestersposten krijgen. Partijloze burgemeester zijn er niet, terwijl er geen correspondentie hoeft te zijn tussen de politieke kleur van de gemeente en de burgemeester: immers de burgemeester zou boven de partijen moeten staan. Maar ondertussen is het mooie carrière stap voor politici, die klaar zijn als Kamerlid of wethouder en dan voor lange tijd in het openbaar bestuur kunnen blijven. Het CDA heeft nu de meeste burgemeesters. Terwijl deze partij electoraal terugvalt, blijft het CDA besturen. D66 is in de laatste 20 jaar als een jojo heen en weer gegaan in de kiezersgunst: het percentage D66 burgemeesters bleef constant rond de 5%. Ook GroenLinks pikt een graantje mee: 2% van de burgemeesters met name in kleine steden. De SP en de PVV protestpartijen die steun winnen bij de kiezer nemen niet deel aan het benoemingencircus.

Alternatieven voor de benoemde burgemeester

Als alternatief voor de benoemde burgemeester zijn er nu twee opties: de door de raad gekozen burgemeester en de direct gekozen burgemeester. Het eerste model is de formalisering van wat er eigenlijk nu al gebeurt: de raad kiest de burgemeester. Nu draagt de raad de burgemeester voor aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en die benoemt. Daarmee blijft de burgemeester een buitenstaander, nu een genodigde gast, maar geen vertegenwoordiger van de stad. De direct gekozen burgemeester creëert een spanning tussen de raad en de burgemeester die allebei een eigen mandaat hebben. Als de raad in meerderheid ontevreden is over de burgemeester kan hij dan naar huis worden gestuurd? En als de burgemeester ontevreden is over de raad kan hij die dan ontbinden?

Een lokale premier

Maar de vraag is waarom we niet zouden kiezen voor een veel bekender model. De politiek leider van Nederland, de premier heeft een mandaat bij de kiezers gehaald door deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen: de grootste partij krijgt het voortouw bij de formatie en als de lijsttrekker van de grootste partij een meerderheid in het parlement vindt, kan hij premier worden. In de Europese Unie wordt dit model, voor het eerst, ook gebruikt bij de benoeming van de commissievoorzitter. Europese partijen schuiven leiders naar voren: Junker, Schulz, Verhofstadt, Keller/Bové. De grootste partij mag de commissievoorzitter leveren. De democratische strijdt gaat nu tussen Junker (centrum-rechts) en Schulz (centrum-links). Als je dit in de gemeente doet dan vervalt de functie van burgemeester en komen de belangrijkste functies en zeker de functie van vertegenwoordiger van de stad bij een soort eerste wethouder. Een primus inter pares. Van mij mag je die functie burgemeester noemen, maar het is een veel politiekere rol met een veel democratischer mandaat: een lokale premier.

Natuurlijk vereist dit wel wat wijziging van wetgeving maar veel hoeft er niet te gebeuren. Het is onhandig als de lokale premier ook functioneert als onafhankelijk voorzitter van de gemeenteraad, want die moet hem juist controleren. De termijn voor lokale premiers zou gelijk moeten lopen met de gemeenteraad. Het zou mooi zijn als de gemeenteraad de “burgemeester” benoemt, maar de kroon benoeming is toch eigenlijk al een formaliteit.

Het belangrijkste is dat politieke partijen, zeker in plaatsen waar ze kans maken om de grootste te worden veel serieuzer na denken over wie de lijst trekt. De PvdA in Amsterdam doet dit eigenlijk al door Asscher en nu Hilhorst naar voren te schuiven als ‘de’ man die het moet gaan doen. Maar ook GroenLinks zou, zeker als het electorale tij er beter voor staat, kans kunnen maken om de grootste te worden in steden als Utrecht en Nijmegen. Dat betekent dat politieke zwaargewichten zich daar zouden moeten melden.