Reshuffle!

Er wordt alom gespeculeerd over welke Nederlandse politicus naar Brussel zal gaan om een Europese functie te aanvaarden. Dat betekent dat er in Nederland een reshuffle zal moeten plaats vinden. De Britten hebben er net ook een gehad: een mooi moment voor vernieuwing in een kabinet op de helft van haar periode.

Er zijn drie kanshebbers voor een Europese functie lijkt het:

Exit Mark, Enter …

Premier Fred Teeven

Het lijkt onwaarschijnlijk dat een Nederlandse liberaal President van de Europese Unie kan worden: immers geografisch en politiek ligt Rutte dichtbij de centrum-rechtse Luxemburger Juncker. Maar toch: een vertrek van Rutte zou een grote invloed hebben op de Nederlandse politiek. Het is sinds de1967 niet meer voorgekomen dat een premier tussentijds wisselt tussentijd wisselt zonder verkiezingen. Bovendien: Rutte zou opgevolgd moeten worden als VVD-leider. De logische keuze is dan de nummer 2 van de VVD, Edith Schippers, de minister van VWS. Maar we weten dat in partijen de vrouw vaak wordt overgeslagen: vraag dat maar aan Ank Bijleveld die zowel in 1998 als in 2010 toen het CDA haar leider verloor op #2 stond. En dat het oog valt op de nummer 3. Dat is Fred Teeven, die de VVD een heel nieuw imago zou kunnen om de concurrentie op rechts aan te gaan. Een directe opvolging als premier lijkt me onwaarschijnlijk: de roep om interne democratie in de VVD wordt steeds luider.

Waarschijnlijker is dat de VVD een lijsttrekkersverkiezing uitschrijft en tot die tijd een oudgediende zonder lange termijn ambities de positie van premier laat bekleden. De naam Ivo Opstelten gaat al rond.

Exit Frans, Enter …

Minister van OS Eijsink

Frans Timmermans is al jaren op zoek naar een mooie Europese functie. Eerder blokkeerde de PVV een benoeming tot Commissaris voor de Mensenrechten bij de Raad van Europa. Wie kan er dan minister van Buitenlandse Zaken worden? Lilianne Ploumen (PvdA) is dan een logische keuze. Zij is nu twee jaar minister van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel. Zij moet dan opgevolgd worden als minister van OS. In het cluster buitenland van de PvdA zitten op dit moment veel nieuwe Kamerleden (Maij, Van Laar, Servaes) en Angelien Eijsink, woordvoerder defensie en al elf jaar Kamerlid en voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken. Ik geef de laatste van deze drie de meeste kans.

Een andere logische keuze is om de minister van Buitenlandse Zaken buiten het kabinet te zoeken. Twee namen komen dan op Bert Koenders, op dit moment hoofd van de VN missie in Mali en Frank van Heemskerk, op dit moment bewindvoerder bij de Wereldbank. Dat zijn wel mooie posten om op te geven om voor maximaal twee jaar minister van Buitenlandse Zaken te worden.

Exit Jeroen, Enter …

Nederland speelt het spel voor de eurocommissarissen altijd best goed. Geen open kaart maar juist zolang mogelijk wachten en dan met de ideale kandidaat komen. De positie van Olli Rehn is een hele invloedrijke. Dijsselbloem stundelde als voorzitter van de euro-groep eerder maar lijkt nu een stevige positie te hebben. Als Jeroen Dijsselbloem Eurocommissaris zou worden, dan betekent dat dit kabinet een van haar olliemannetjes verliest: Dijsselbloem was een van de zes architecten van dit kabinet.

De toekomstig minister van BZK?

Wie kan hem opvolgen? Ronald Plasterk staat te trappelen voor een serieuze portefeuille. Hij kan als minister van Binnenlandse Zaken worden opgevolgd door een vogelverschrikker of door een van de senatoren (De Vries of Ter Horst) die eerder die functie had. Maar Plasterk heeft zich een zwakke minister geoond die weinig heeft bereikt.

Lodewijk Asscher kan de functie ook op zich nemen. Hij was wethouder financiën in Amsterdam en bemoeit zich als vice-premier ook al intensief met de hoofdlijnen van het financieel-economisch beleid: en eerder waren ministers van financiën (Zalm, Kok, Bos) ook vice-premier. Asscher kan opgevolgd worden door Jetta Klijnsma, die op haar beurt weer ruimte maakt voor Mariëtte Hamer. Maar de functie van vice-premier en minister van financiën vereisen nu wel verschillende profielen voor de PvdA; een profilerende vice-premier kan geen verbindende minister van financiën zijn.

Dan is er minister Jet Bussemaker: wist anders dan Plasterk wel een meerderheid te vinden voor een grote hervorming. Ze zit als oud-staatssecretaris van VWS ook goed in andere grote spending dossiers. Als minister van OCW kan ze opgevolgd worden door de staatssecretaris van Landbouw en Natuurbeheer, Sharon Dijksma, die eerder staatssecretaris op dat departement was. Een van de gedeputeerden van de PvdA zou staatssecretaris kunnen worden, .

Minister van Financiën Van Rijn

Maar dit zijn eigenlijk allemaal conservatieve keuzes: een minister een kleine promotie geven om een oudgediende minister te maken. De PvdA zou ook de vlucht naar voren kunnen nemen een prominente staatssecretaris meteen minister van Financiën maken. De ogen gaan naar Martin van Rijn, de staatssecretaris van VWS die hervormingen van de langdurige zorg door de Tweede en Eerste Kamer loodste. Daarmee kiest de PvdA voor een relatief nieuw gezicht, want Van Rijn had voor zijn staatssecretariaat geen politieke positie. Wederom zou ze opgevolgd kunnen worden door Hamer.

Of toch Ad?

Het geeft een boel hoofdbrekens: iemand uit het kabinet promoveren naar Europa. Daarom zou het kabinet het oog ook kunnen laten vallen op een PvdA-prominent buiten de Kamer. Koenders als hoge vertegenwoordiger bijvoorbeeld of en dat is misschien wel interessanter: Ad Melkert die een nieuwe Europese sociaal-economische visie voor de PvdA lanceerde.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen IV

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel III schetste ik hoe een minderheid van mensen met superieure vermogens uiteindelijke de economische welvaart, politieke macht en morele autoriteit zou centraliseren en mogelijk zelfs mensen zou kunnen gebruiken als middelen.

In de vorige blogs heb ik met name een substantieel punt willen maken, namelijk dat we in bestaande politiekfilosofische theorieën best elementen kunnen vinden hoe we zouden moeten omgaan met superieure wezens. Als conclusie wil ik een punt maken over de problemen van morele rechtvaardiging.

Walging

We missen een belangrijke stap in de redenering over vampiers en mutanten: namelijk de rol van walging. De laatste groep die ik wil bekijken zijn Z-mensen. Opnieuw hebben deze dezelfde superieure eigenschappen als X-mensen maar ze hebben nu een ander uiterlijk. Ze zien er verschrikkelijk, monsterlijk, walgelijk uit. Ik laat het aan uw fantasie om dit in te vullen.

Als er zo’n groot verschil is tussen de uiterlijkheden van groepen mensen ontstaat vaak een dynamiek die Martha Nussbaum de politiek van walging noemt De eerste reactie op het uiterlijk of de gewoonten van een ‘ander’ kan grote walging oproepen: voor hetero’s is de seksualiteit van homo’s onbegrijpelijk en misschien zelfs walgelijk. In de Abrahamistische religies wordt ongesteldheid, een natuurlijke lichamelijke eigenschap van vrouwen, gezien als iets onreins, een reden om vrouwen soms te weren uit de publieke en religieuze sfeer.

Het is op deze dynamiek dat veel van deze fictie hangt: het is een strijd om erkenning van equal humanity van mensen met verschillende eigenschappen, die door sommige gezien worden als weerzinwekkend. Ook mutanten en vampiers zijn mensen hebben recht op gelijk respect.

Het fundamentele probleem voor moraalfilosofen is dat morele theorie anders dan wetenschap is: wetenschap probeert voorspelling te doen over die werkelijkheid en test deze voorspellingen om de validiteit van hun theorieën te testen. Moraalfilosofen kunnen dit niet. Zij kunnen alleen maar theorieën opschrijven die een formalisering zijn van hun intuïties over rechtvaardigheid. De toetsing van die theorieën is uiteindelijk of hun voorspelling ook aansluiten bij onze eigen morele intuïties.

Maar als we weten dat onze eigen intuïties geïnformeerd worden door walging is het lastig om moraalfilosofie als project serieus te nemen: sommige emoties moeten we van ons afwerpen want die zijn verkeerd (zoals walging) en andere emoties (zoals compassie) zijn wenselijk. Maar waar baseren we dat oordeel dan uiteindelijk op? Op weinig anders dan dat we walging verwerpelijk vinden en compassie wenselijk. Je kan lastig morele emoties evalueren als je geen andere standaard heb dan morele emoties.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen III

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel II schetste ik het probleem van het maxime “with great power comes great responsibility” dat te veel vraagt van X-mensen. Nu wil ik kijken naar het tegenbeeld waarin de superioriteit van X-mensen erkend zou worden.

Ik eindigde gister met hoe het idee dat “with great power comes great responsibility” leidt tot een situatie waarin mensen met bovenmenselijke vermogens, bovenmenselijke prestaties moeten leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld voordeel van hun prestaties moet hebben. Dit is fundamenteel strijdig met het Kantiaanse principe dat we mensen moeten behandelen als doel-op-zich en niet als middel. En juist dit Kantiaanse principe is voor veel liberale egalitaristen een uitgangspunt.

Meritocratie

De andere kinderen van Kant zijn de libertariërs, zoals Robert Nozick: en precies om deze reden. Zij stellen dat mensen recht hebben op alles wat ze zelf produceren en wat ze in vrijwillige handel krijgen. Als mensen dus superieure productieve kwaliteiten hebben, hebben ze recht op de middelen die ze produceren. Als er zo ongelijkheden tussen individuen ontstaan zijn die gerechtvaardigd: ze reflecteren immers verschillen in vermogens. Hun kernargument is: ongelijke monniken, ongelijke kappen. Dit is een meritocratie: we leggen geen grenzen aan het vermogen van mensen om inkomen te verdienen met hun talenten.

Dit is de claim die je als X-mens het beste kan maken. Stel je Magneto voor als John Galt: die claimt dat mutanten overbelast worden door het collectief.

Het nadeel van een gelijke behandeling van ongelijke mensen is dat in economisch opzicht de X-mensen zullen domineren. De leiders van grote bedrijven, de superrijken, de 1% zullen uit één ‘etnische’ groep komen. Publieke jaloezie zal niet te onderdrukken zijn en populistische bewegingen zullen opkomen: de X-mensen zullen economische macht hebben, maar vanwege hun aantal zullen de W-mensen de politieke macht in handen nemen. De vraag zal zijn of en hoe lang de X-mensen de democratie zullen accepteren.

Vanuit dezelfde meritocratische argumenten kan je namelijk ook verdedigen dat de beste moeten regeren. De X-mensen zijn ook veel geschikter om politieke verantwoordelijkheid te dragen. Ze kunnen gewoon beter beslissingen nemen. Daarom zou de overheid ook X-mensen aan moeten nemen als ambtenaar: als iedereen op gelijke voet in openbare dienst benoembaar is, dan zullen de betere kandidaten geselecteerd worden.

Maar vanuit het gedachtegoed van Plato kunnen we een radicaler voorstel formuleren: de theorieën van Plato passen misschien wel het  beste bij het idee dat er een superieure minderheid is: volgens Plato moeten de macht moet niet liggen bij het volk dat allerlei verkeerde beslissingen kan nemen maar bij de meest wijzen. In ons geval moeten dus de X-mensen de politieke macht krijgen.

Als je denkt dat dit inherent ondemocratisch is: Mark Bovens stelt dat onze huidige samenleving waar de ministeries bestaat uit mensen met een wetenschappelijke opleiding en waar het overgrote deel van Kamerleden en ministers een wetenschappelijke opleiding heeft gedaan erg lijkt op het Platoonse ideaal.

Wat voorkomt dan het maken van de laatste stap: niet alleen de economische welvaart en de politieke macht maar ook de morele autoriteit ligt bij de superieuren. Het werk van Nietzsche geeft hier aanleiding toe: hij maakt een onderscheid tussen slavenmoraliteit en meestersmoraliteit. De slavenmoraliteit legt de nadruk op nederigheid, compassie en gemeenschap. De meestersmoraliteit gaat uit van trots, kracht en individualisme. De nadruk van compassie van de slaven is eigenlijk een uiting van jaloezie van de zwakken voor de vermogens van de sterken. Eigenlijk geeft Nietzsche hiermee avant-la-lettre al kritiek op Dworkin en zijn streven naar gelijkheid. Dat streven beperkt grote mensen in hun vermogen om grote dingen te doen. Deze morele claims sluiten ook prima aan bij de situatie van de X-mensen. Zij zullen zich ook moreel beperkt voelen door de talentloze massa die met afgunst naar hun vermogens kijken.

Het gevaar van Nietzscheaanse moraliteit is dat je potentieel zou kunnen afleiden dat de morele waarde van mensen zou kunnen afhangen van hun plaats in de meester-slaaf-dichotomie. Je zou het kunnen gebruiken om onderdrukking en slavernij van de talentloze te verdedigen. Dat past in het conflict tussen mensen en mutanten: Magneto verdedigt een soort pop culture versie van Nietzsche waarbij mensen onderworpen zouden moeten zijn aan hun meesters.

Nutsmonsters

Deze meester-slaaf-moraliteit kan een interessante spin krijgen als we een nieuw mens-type invoeren: de Y-mensen. Ze kunnen krachten krijgen net als X-mensen, maar alleen als ze mensen consumeren, zoals een vampier. Bovendien: als ze mensen consumeren hebben ze niet alleen maar superieure vermogens maar ook superieure emoties. Ze zijn ongelofelijk gelukkig: veel gelukkiger dan een W-mens kan zijn.

Hiermee komen we bij een interessant utilistisch dilemma. Een utilist, zoals Jeremy Bentham zou van een X-mens hetzelfde vereisen als Rawls of Dworkin. Ze moeten die keuze maken die leidt tot het meeste geluk voor de grootste groep mensen: with great power comes great responsibility.

Untitled 2

Maar bij Y-mensen schuiven utilisten langs de meritocraten. Waar meritocraten en egalitair liberalen mensenrechten respecteren, doen utilisten dat niet. Daarmee kunnen ze de consumptie van W-mensen door Y-mensen verdedigen. De dood van een W-mens is gerechtvaardigd als het geluk dat een Y-mens daaruit zou krijgen groter is dan het geluk dat de W-mensen in hun leven zouden kunnen krijgen. Dit noemen we het geluksmonster.(Hier een pop culture uitleg door Existential Comics) Als het verschil tussen W-mensen en van Y-mensen vergelijkbaar is met het verschil tussen mieren en mensen, dan verschilt de geluksbeleving van X-mensen en Y-mensen ook zo fundamenteel.

Dat is een rechtvaardiging om vlees te eten: mensen krijgen plezier van het eten van dieren en aangezien dieren lagere wezens zijn weegt hun lijden niet op tegen het geluk van mensen. We zien hier overigens wel een probleem van utilisten: hoe kan je het geluk van verschillende wezens vergelijken? Het eten van vlees hangt op de assumptie dat de geluksbeleving van mensen fundamenteel groter is dan de geluksbeleving van dieren. Het is lastig om dat te bewijzen, omdat we niet in het hoofd van andere mensen of dieren kunnen kijken. Zonder een vergelijkbare meting van geluk.

Zo ontstaat er een glijdende schaal van ongelijkheid die allemaal te rechtvaardigen is door Nozick, Plato, Nietzsche en Bentham. Het stuit mij tegen de borst. Ongelijkheid die erop uit loopt dat sommige redelijke wezens vee zijn voor andere levende wezens vind ik weerzinwekkend. In het laatste blog wil ik naar die emotie kijken.

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen II

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel I gisteren schetste ik het fundamentele verschil tussen deze superhelden en andere minderheden. Vandaag deel II waarin ik wil kijken naar dit probleem vanuit egalitair liberaal perspectief.

Quicksilver Case

Ik wil hier verschillende filosofische antwoorden schetsen op het vraagstuk wat te doen met een minderheid die fundamenteel beter is qua vermogen dan de meerderheid.

Laten we voor het gemak er vanuit gaan dat deze minderheid (die we X-mensen noemen) verschilt van de meerderheid (laten we hen W-mensen noemen) in één eigenschap. Televisieseries en comics gaan vaak uit van iets wat we op zijn best een rariteitenkabinet zouden kunnen noemen, een veelheid aan eigenschappen van mutanten, vampiers of andere supermensen. Ik kies voor een eigenschap, namelijk andere perceptie van tijd, zoals Quicksilver in X-Men Days of Future Past. In vergelijking met mensen met deze eigenschap zijn normale mensen computers uit de jaren ’70 die uren doen om een berekening te maken, zij zijn een huidige computer: supersnel. Dat geeft deze mensen een superieur vermogen om te redeneren maar ook om te handelen. Dit maakt het een economisch superieur: ze produceren meer per uur. Maar ze zijn ook beter geschikt om beslissingen te nemen als bestuurder van een bedrijf of een land.

Noblesse oblige

Voor liberale egalitaristen speelt eigen keuze een cruciale rol. Ik denk dat met name aan het werk van Ronald Dworkin. Zijn paradigmatische casus is een lichamelijk gehandicapte. Hij wil dat zij een eerlijke kans maken in de samenleving. Dat betekent dat sommige gehandicapten speciale voordelen moeten krijgen. Een rolstoel is het mooiste voorbeeld: sommige mensen kunnen niet lopen daarom kunnen ze maatschappelijk niet participeren. Een rolstoel geeft hen een gelijke kans deel te nemen aan de maatschappij. Er is een ongelijke behandeling om voor een eerlijk speelveld te zorgen.

De fundamentele claim die Dworkin maakt over mensen die geboren zijn met een lichamelijke beperking is dat zij recht hebben op compensatie, alsof zij zich voor hun geboorte hebben verzekerd voor hun beperkte vermogens. Mensen kiezen er niet voor om met een beperking geboren te worden en zouden daarom geen nadeel mogen hebben ten opzichte van anderen. Mensen die zonder beperkingen zijn geboren moeten allemaal een beetje bijdragen zodat we voor het beperkte aantal gehandicapten rolstoelen kunnen kopen.

Als we vanuit dit perspectief naar onze X-mensen zouden kijken dan ontstaat het volgende beeld: mensen kiezen er niet voor om met een voordelige mutatie geboren te worden.  Ze zouden daarom geen voordeel mogen hebben ten opzichte van anderen. W-mensen zouden zich allemaal verzekerd willen hebben voor hun gebrek aan vermogens. Dat betekent dat X-mensen de premies zouden moeten betalen voor de uitkeringen die bedoeld zijn om een gelijk speelveld te creëren voor W-mensen. Ze zullen hun vermogens moeten inzetten om veel geld te verdienen om daar het grootste deel van af te dragen.

John Rawls zou hier een klein amendement op maken: hij zou niet streven naar een gelijk speelveld maar naar een situatie waarin de X-mensen zich zodanig inzetten voor de samenleving dat de W-mensen daar het meeste voordeel van hebben. Ze moeten hun vermogens inzetten als bijvoorbeeld onderwijzer, onderzoeker of ondernemer zodat ze bijdragen aan de welvaart van alle burgers.

Noblesse oblige dus; of in comic book taal: ‘with great power comes great responsibility‘. Waar dit de facto op neer komt is iets wat we ‘slavery of the talented’ noemen: de vrijheid van mensen met talenten wordt zodanig beperkt dat ze geen voordeel hebben van hun eigenschappen maar toch moeten bijdragen voor de anderen. Dit wordt mooi uitgebeeld in deze SMBC-comic.

De vraag is waarom superieure wezen zich hier aan zouden onderwerpen; misschien uit een rechtvaardigheidsgevoel. Maar erg rationeel zou het niet zijn. Het levert ook een probleem op in de fundamenten van liberaal egalitarisme. Dit zijn theorieën die voortbouwen op het gedachtegoed van Kant. Kant’s morele theorie komt neer op één fundamentele claim: dat we mensen nooit moeten behandelen als middelen maar als doelen-op-zich-zelf. Vereisen dat sommige getalenteerden in een vorm van slavernij terecht komt waarbij ze bovenmenselijke presentaties leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld daar voordeel van moet hebben toont weinig respect voor mensen.

Daarom zouden Kantianen misschien een fundamenteel andere weg op moeten gaan. Die ik morgen zal verkennen,

Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen I

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen deze wezens ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. Vandaag deel I waarin ik het superheldenprobleem wil schetsen.

Er is een thema dat in veel speculatieve fictie wel geraakt wordt maar nooit wordt uitgewerkt: de politieke implicaties van een samenleving waarin een kleine minderheid superieur is aan de meerderheid. Superhelden zijn vanuit hun aard superieur aan mensen, maar welke plichten legt dat aan hen op en welke rechten kunnen ze daaruit ontlenen? Vandaag wil ik eerst de casus van de ‘gelijke rechten voor de superheld’ schetsen en laten zien hoe deze verschilt van de strijd voor gelijke rechten van andere, daadwerkelijk bestaande groepen.

Televisieseries als True Blood en comics als de X-Men zijn uitermate politiek. In deze verhalen worden burgerrechtenconflicten gereconstrueerd in een fictieve context: in True Blood komen vampiers ‘uit de doodskist’. Ze organiseren zich de American Vampire League om te vragen om gelijke burgerrechten. Vampiers worden door mensen gezien als een ‘gevaarlijke anderen’: mensen houden contact met vampiers af, zijn bang voor hen en willen vampiers weren. De verwijzing naar bv. de homo-rechten beweging ligt er dubbeldik bovenop: uit de anonimiteit komen, gezien worden als een ander en vragen om gelijke rechten.

Ook het geheel van comics, films en series, van X-Men verwijst naar de burgerrechtenbeweging. In de samenleving ontstaat een groep mutanten die vanwege hun genen bijzondere krachten hebben. Onder de mutanten zijn er twee facties: een factie (de X-Men) wil vreedzaam samenleven met mensen; de andere factie (de Brotherhood) wil een conflict tussen mensen en mutanten uitlokken zodat de mutanten de dominante groep in de samenleving kunnen worden. Dit is een verwijzing naar de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging waar Martin Luther King streefde naar vreedzame coëxistentie en Malcolm X naar een conflict en suprematie van de Afro-Amerikanen.

Burgerrechtenbeweging

Maar in hoeverre lopen de eisen van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging echt parallel met de eisen die deze fictieve minderheden maken?

Het beeld dat er van Afro-Amerikanen bestond in de Verenigde Staten, was dat ze niet alleen anders waren maar met name inferieur: minder beschaafd dan Amerikanen met een Europese achtergrond maar ook gewelddadiger en minder intelligent. Deze inferioriteit rechtvaardigde volgens de heersende elite een ongelijke behandeling: Afro-Amerikanen moesten hun plek kennen en moesten dus bijvoorbeeld achterin de bus zitten. Om de inferioriteit van Afro-Amerikanen te ‘bewijzen’ konden de regerende elite verwijzen naar het gevoel van walging dat zij kregen als zij dachten aan een Afro-Amerikaan die op een gelijke manier behandeld werd als hen: een Afro-Amerikaan die uit dezelfde kraan dronk, een Afro-Amerikaan die een relatie had met een vrouw van een ander ras had. De basis voor de onderdrukking was de morele weerzin van de elite.

De burgerrechtenbeweging streefde naar een rasseneutrale samenleving: mensen moesten niet beoordeeld worden op hun huidskleur maar op de inhoud van hun karakter. De burgerrechtenbeweging bouwde hiermee direct voort op de Amerikaanse strijd voor onafhankelijkheid: “alle mensen zijn gelijk gemaakt en door hun schepper zijn zij toegerust met bepaalde onvervreemdbare rechten“. Afro-Amerikanen hebben, volgens de burgerrechtenbeweging dus dezelfde rechten als andere Amerikanen.

Maar gelijkheid ontstaat niet zo maar in een samenleving met hardnekkige, historische discriminatie. Een controversieel onderwerp is positieve discriminatie. De claim is dat Afro-Amerikanen op school niet alleen maar beoordeeld worden op hun eigen vermogen. Maar hun cijfers zijn ook afhankelijk van de sociaal-economische omstandigheden van hun ouders. Die is slecht vanwege huidig en historisch racisme. De schoolprestaties van Afro-Amerikaanse jongeren reflecteren niet alleen maar hun eigen vermogens maar ook de historische situatie waarin mensen opgroeien. Daarom zouden Afro-Amerikanen anders behandeld moeten worden dan andere kandidaten: bij gelijke geschiktheid zou een Afro-Amerikaan een voordeel moeten hebben bij de toelating tot een universiteit om historische ongelijkheid te compenseren.

De fundamentele claim van de Civil Rights beweging is dat mensen gelijk behandeld moeten worden: gelijke monniken, gelijke kappen. De wet moet neutraal zijn voor ras. Dezelfde claims maken andere emancipatiebewegingen voor geslacht, seksuele oriëntatie en handicaps. Als er specifieke groepen een nadeel ondervinden vanwege een eigenschap die niets te maken heeft met waar ze zelf voor hebben gekozen, dan is compensatie gerechtvaardigd.

Het superheldenprobleem

Vampiers en mutanten zijn een metafoor voor de strijd voor emancipatie van allerlei gemarginaliseerde groepen. Het is een manier om aan de status-quo te twijfelen en te blijven strijden voor sociale rechtvaardigheid (pace PBS Idea Channel).

Maar de fundamentele vraag raken we niet als we zo naar deze verhalen kijken. Er is namelijk een fundamenteel verschil tussen de bestaande burgerrechtenbewegingen en mutanten en vampiers: zowel vampiers als mutanten hebben eigenschappen die ze beter maken dan mensen. Ze kunnen vliegen, sneller helen en bewegen, ze zijn sterker, ze hebben het eeuwige leven. Ze kijken naar mensen zoals mensen naar mieren kijken, die evolutionair onder hen op de lader staan. Sterker nog: vampiers hebben mensenbloed nodig om te overleven: ze kijken dus van bovenaf de voedselketen, zoals mensen naar vee kijken. Wat betekent dat gegeven voor de verhouding tussen burgers? Zou er geen fundamenteel politieke conflict ontstaan tussen wezens die superieure krachten hebben en mensen? Dat is waar ik in komende stukken naar wil kijken.