Tegen de economisering van de samenleving revisited

‘Geen goed boek’, ‘best een aardig boekje maar niet spectaculair’, ‘een kwalijke vorm van misleiding’. Dat zijn enkele van de kwalificaties die aan Jessse Klaver’s boek De Mythe van het Economisme zijn gegeven. Maar wat zijn buiten deze korte kwalificaties de belangrijkste discussiepunten in het gesprek rondom het econonisme?

Enkele maanden geleden schreef ik over het debat over de term ‘economisme’ die Jesse Klaver muntte bij zijn aantreden als politiek leider van GroenLinks. Mijn voornaamste conclusie was dat ‘de discussie over de economisering van de samenleving met name aan helderheid [moest] winnen.’ Met het boek is de discussie over het economisme in een tweede fase terecht gekomen. Wat zijn nieuwe vragen die opkomen?

In iedere discussie is het zinvol om begrippen helder te krijgen. Klaver definieert economisme als het reduceren van alle maatschappelijke vraagstukken tot financieel-economische kwesties. Waar de politiek zich op focust, is het verwachte effect van beleid op een beperkt aantal economische indicatoren, met name economische groei en de staatsschuld, terwijl in de ogen van Klaver op deze manier belangrijke maatschappelijke waarden over het hoofd gezien worden.

Dezelfde rechtse kritiek

Op rechts zijn auteurs niet echt gecharmeerd van Klaver’s boek. Elsevier-redacteur  Gerry van der List kiest beschuldigende toon: hij verwijt Klaver ‘een kwalijke vorm van misleiding’.  In zijn ogen bestaat het economisme in Nederland namelijk niet. De meeste politici delen geen impliciet streven naar een kleine overheid. Nederland is volgens Van der List en NRC-columnist Floor Rusman overgereguleerd en overbelast. De politiek en media hebben, volgens Van der List geen oog hebben voor de reductie van de staatsschuld.

Deze lijn van kritiek houdt geen stand. Het ontkent het feit dat sinds het kabinet Den Uyl alle Nederlandse kabinetten de ambitie hebben gehad de groei van de verzorgingsstaat in te perken. Dat de overheid nog steeds verhoudingsgewijs groot is, zegt iets over hoe groot de overheid daarvoor was en het succes van rechtse politici om hun belofte waar te maken.

In lijn met deze rechtse kritiek stelt Lars Benthin dat Klaver zelf verantwoordelijk is voor het economisme: ‘socialisten zoals Jesse Klaver hebben de beste intenties’, stelt hij, maar dat kost geld. Om de verzorgingsstaat te betalen, moet er belasting geheven worden. Daardoor worden mensen ‘gereduceerd tot inkomstenbronnen en cijfertjes’. Alleen als de overheid zich terugtrekt, zal het economisme vervagen.

De libertarische kritiek van Benthin is interessanter. Benthin deelt namelijk het idee dat mensen te kort wordt gedaan als besluitvorming alleen maar draait om economische indicatoren. Zijn oplossing (geen overheidsingrijpen in de economie meer) is echter afhankelijk van de onuitgesproken en weinig geloofwaardige assumptie dat marktactoren wel verder kijken dan economische indicatoren als bedrijfswinsten.

De rechtse critici van Klaver zijn eigenlijk vrij goede illustraties van economistische argumenten: voor Van der List telt slechts de grootte van de overheidsuitgaven en de staatsschuld; Benthin omarmt de mythe dat de markt waardevrij is.

‘Zo mager als een foto-model’

Volgens critici Frank van Kalshoven en Jonathan Witteman is de term economisme wel een handige politiekemarketingterm maar valt het als politiek-theoretisch term tegen. Het is een containerbegrip waar allerlei maatschappelijke ontwikkelingen onder vallen: van het rendementsdenken, de toets- en afrekencultuur, de controledrift in de sociale zekerheid, de groeiende macht van zorgverzekeraars, de nadruk op toetsing in het onderwijs tot het verzet tegen het handelsverdrag TTIP en tegen de bierfietsen in de Amsterdamse binnenstad. Een ‘duizenddingendoekje’ van links volgens Witteman jr.

Van Kalshoven ziet twee patronen in Klaver’s analyse. Hij stelt schematisch dat Klaver een onderscheid maakt tussen mensen en systemen en tussen kwantiteit en kwaliteit. In Van Kalshoven’s reconstructie van Klaver gaat het huidige politieke debat te veel uit van het systeem en kwantiteit en Klaver’s alternatief van mensen en kwaliteit. Van Kalshoven meent dat deze tegenstellingen geen stand houden: ‘kwalitatief goede systemen, mits goed gekwantificeerd bezorgen mensen kwaliteit van leven’ is de synthese van Van Kalshoven. Bart Nooteboom voorziet Van Kalshoven’s kritiek van een repliek: we leven in een wereld waarin allerlei systemen niet meer in dienst staan van mensen. De bankenwereld met zijn perverse prikkels is hier een goed voorbeeld van. De huidige systemen moeten bijgestuurd worden willen ze ‘mensen kwaliteit van leven’ bezorgen. Bovendien, stelt Nooteboom dat niet alle waarden meetbaar of vergelijkbaar zijn: niet alle aspecten van Van Kalshoven’s ‘kwalitatief goede systemen’ kunnen gekwantificeerd worden.

Een inconsistentie die Van Kalshoven ziet in Klaver’s betoog is de rol van vertrouwen. Volgens Van Kalshoven is een belangrijke oplossing die Klaver ziet minder controle vanuit de overheid en meer vertrouwen voor burgers. Dit vertrouwen wordt wel gegeven aan burgers in de bijstand maar juist ondernemers worden door Klaver aan strengere regels onderworpen. Nooteboom riposteert dat mensen vertrouwen en ruimte voor het eigen initiatief gegeven moet worden tot zij dat beschaamd hebben. Sommige groepen ondernemers (denk aan bankiers) hebben het vertrouwen van de samenleving juist beschaamd

Bovendien denkt Van Klashoven dat minder regels niet altijd de oplossing is: om leerlingen een bredere opleiding dan alleen rekenen en taal te geven, is het niet genoeg om de vele taal- en rekentoetsen af te schaffen, maar juist om ook de toetsing van andere vakken belangrijk te maken. Hier stelt Van Kalshoven volgens mij een zinvolle vraag, namelijk moeten we systemen met hun anonieme, gekwantificeerde indicatoren aanpassen door te veranderen naar welke variabelen we kijken of moeten we het denken in termen van kwantificeerbare doelen waar we instituties op afrekenen helemaal opgeven. Ee ander voorbeeld: Volgens Witteman jr. zijn de kille ongelijkheidscijfers van Thomas Piketty ook economistisch. Een maatschappelijk vraagstuk (ongelijkheid) wordt gereduceerd tot een simpele rekensom. Is goed ‘economisme’ mogelijk?

Een nieuw links verhaal

Aan de linkerzijde van het politieke spectrum is er juist veel herkenning van Klaver’s verhaal. Niet in de laatste plaats omdat het een politieke vertaling is van het ‘Van Waarde’-project waar het Wetenschappelijk Bureau van de Partij van de Arbeid, de Wiardi Beckmanstichting al jaren mee bezig is. Paul Witteman merkt snedig op de PvdA haar sociaaldemocratische idealen in mooie rapporten op schrijft en op posters print maar dat ze niet terug te zien zijn in regeerakkoorden of wetgeving.

Sociaaldemocratische veteranen als Felix Rottenberg,  Paul Kalma en Rick van der Ploeg tonen zich positief. Van der Ploeg merkt op dat Klaver met zijn boek ‘een leegte op links’ vult. Kalma ziet juist in het boek een basis voor een gezamenlijk programma van links. GroenLinks, SP en PvdA delen volgens hem het verzet tegen het economisme. Het is volgens de oude directeur van de WBS ‘fataal’ om alle politieke vraagstukken te reduceren tot technocratische kwesties in een tijd waarin ongelijkheid steeds groter wordt.

Maar ook de sociaaldemocraten zien inconsistenties. Van der Ploeg schetst een tegenstelling tussen Klavers’ kritiek op economisme en zijn keuze voor marktinstrumenten zoals een CO2-belasting. Het achterliggende idee hiervan is juist om vervuiling die normaal geen prijs heeft, te vertalen in economische termen. En eigenlijk komt zo dezelfde vraag terug die Witteman jr. en Van Kalshoven stelden: is het kwantificeren van beleidsdoelen en beleid daarop afrekenen mogelijk? Kunnen we ongelijkheid in de samenleving, persoonlijke groei van kinderen in het onderwijs of vervuiling van ons milieu kwantificeren?

De kern van de discussie

Er staat eigenlijk een onbeantwoorde vraag centraal staat in het debat over De Mythe van het Economisme. En dat is: is het mogelijk om onze, op kwantitatieve indicatoren gestoelde, systemen zo inrichten dat ze gevoelig zijn voor de juiste prikkels; dat vervuiling niet langer kosteloos is maar door een CO2-belasting in de prijs van onze producten verwerkt? Dat niet slechts de hoeveelheid welvaart telt voor de overheid maar ook hoe ze verdeeld is in de samenleving? Dat scholen zich niet langer slechts richten op taal en rekenen omdat ze daarop afgerekend worden door inspectie, maar dat ze ook op aspecten van brede ontwikkeling, zoals muziek en filosofie, worden afgerekend?

Kortom, is het mogelijk om alles van waarde te kwantificeren en onze systemen met nieuwe prikkels te hercalibreren. Of zijn er maatschappelijke waarden waar de overheid zich op moet richten die onmeetbaar zijn? En wat betekent dat laatste voor de rol van de politiek in een complexe massamaatschappij als de onze? Hoe moeten politici beleid beoordelen, als ze niet weten wat het effect ervan is geweest op die belangrijke maar onmeetbare waarden?