Politieke Ruimte maken

Van het weekend had ik twee interessante gesprekken over hoe je politieke ruimte kan maken. In twee verschillende gevallen ging het over hoe je wat bereikt als amateur politicus (raadslid of politieke jongere): niet door dwars je kont tegen de krib te gooien of monistisch ja en amen te zeggen, maar juist door slim eigen initiatief kan je ruimte maken voor de professionele politicus (wethouder of tweede Kamerlid).

Het eerste voorbeeld is gaat over een DWARS en de GroenLinks Tweede Kamerfractie. Bij het denken over DWARS schetst men vaak twee uitersten: of je bent een kritiese luis in de pels die probeert iedere verrechtsing van GroenLinks te bestrijden door hard te protesteren. Of je bent een pak actievoerders dan wel een kweekvijver die leuke enthousiaste flyeraars levert, hands on bestuurders of jonge parlementariers. Een tegenstelling tussen idealistisch en praktisch. Maar dat is niet helemaal waar. Als parlementarier kan je een boel dingen niet maken, je kan, bijvoorbeeld geen pand kraken. Maar toch is kraken een prachtige manier om aandacht te trekken voor gebrekkige huisvesting. Maar je kan natuurlijk wel een pand dat gekraakt is door je jongerenorganisatie bezoeken om zo aandacht op het probleem te vestigen. Dat geldt voor een gekraakt pand, een bezet bos, een groep jongeren vast geklonken aan een hek. Dan ben als politieke jongere niet alleen dwars, radicaal en krities, of studentikoos, volgzaam en gematigd. Best of both worlds: een samenspel tussen activistisch en nuttig.

Een zelfde dynamiek geldt ook voor de relatie tussen wethouder en raadslid. Als ik af en toe naar de Leidse raadsvergadering ga, zie ik de Leidse raadsleden van de coalitie zitten. Dat moet een saaie baan zijn. Drie uur je mond houden, terwijl de oppositie raast en tiert. Je handen niet opsteken als er motie in stemming komt. De sprekers van de oppositie niet interrumperen, maar hun gang laten gaan. De wethouder moet zich zelf maar verdedigen. Er lijken dus twee opties te zijn: als coalitiepartij braaf luisteren en monistisch stil zitten, of als oppositiepartij razen en tieren. Maar in een van de orienterende bijeenkomsten voor raadsleden die ik dit weekend bezocht (als lid van de kandidatencommissie) werd er een andere dynamiek geschetst: als wethouder moet je je neerleggen bij de compromissen in het college. Je hebt als kleine coalitiepartij maar een wethouder. Een van de vijf. Die kan niet in zijn eentje ieder gevecht winnen. Een fractie en zeker een beetje een opstandige fractie is dan een prachtig middel in het schaakspel. Een wethouder kan een plan waar hij zelf tegen is, tegen houden door te wijzen naar zijn fractie. Dit plan zal de fractie niet accepteren. Tot nu toe heb ik ze altijd aan de toom gehouden maar dit gaat ze echt te ver. Een goed getimede motie kan het imago van een rebelse fractie bevestigen, zelfs of misschien wel juist als die motie het niet haalt. Een wethouder met een onafhankelijke fractie kan veel meer bereiken. Wederom gaat het om het samenspel tussen nuttig en rebels.

Voor zowel de wethouder als het tweede kamerlid kan een sterke, onafhankelijke PJO c.q. raadsfractie een aanwinst zijn. Die kan "politieke ruimte" voor je maken, om de agenda c.q. beleid te beinvloeden. Hiervoor is volgzaam monistisch gedrag niet genoeg maar moet je ook niet vervallen in kritisch zijn om het kritisch zijn. Een onafhankelijke pjo of raadsfractie kan een tweede kamerlid of wethouder laten doen wat hij eigenlijk echt wilt maar in zijn positie niet kan.

Leave a Reply