Vrijheid, Gelijkheid en GroenLinks

Vorige week woensdag was ik bij de tweede lezing van de cyclus die werd georganiseerd door het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie. Kees Vendrik, jarenlang het financiele brein van GroenLinks was uitgenodigd om zijn visie te geven over de ontwikkeling van het sociaal-economisch programma van GroenLinks.

Vendrik schetste de ontwikkeling van het denken van GroenLinks in drie tradities: een radicale traditie, hierin werd radicale kritiek geleverd op het arbeidsbestel dat mensen dwingt te werken. Zij presenteren het basisinkomen als een alternatief. De tweede traditie, de sociaal-democratische of Rijnlandse traditie, is de traditie van het sociale overlegmodel. Binnen de kaders van het sociale overlegmodel proberen partijen en vakbonden het samen op te nemen voor mensen die aan de onderkant staan. De derde traditie, de feministische of Scandinavische traditie wil zich inzetten voor outsiders, mensen waarvoor de huidige verzorgingsstaat het onvoldoende opneemt: flexwerkers, oproepkrachten, ZZP'ers, deeltijders. Dat zijn vaak vrouwen, jongeren of allochtonen. Ook deze mensen moeten aan het werk kunnen. Sociale voorzieningen moeten hervormd worden zodat ze juist het grootste voordeel geven aan mensen die nu buitengesloten zijn. 

Hoe verhouden deze tradities zich tot elkaar? Ik vat Vendriks betoog als volgt samen:

De drie tradities delen dezelfde hoofddoelen. die Vendrik ontleent aan de drieslag van de Franse Revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, of solidariteit: "vrijheid is het hoofdmotief bij de radicale en de Scandinavische traditie. Vrijheid is een klassiek links begrip: mensen moeten vrij zijn om zelf vorm te geven aan hun eigen leven. Voor vrijheid heb je gelijkheid nodig. Dat is de norm van het Rijnlandse model." Maar GroenLinks is ook altijd verbonden geweest met emancipatiebewegingen: "vrouwen en allochtonen willen ook gelijk behandeld worden." Juist voor deze groepen neemt de Scandinavische traditie het op. "De enige manier om te verzekeren dat vrijheid en gelijkheid aan iedereen toekomt is solidariteit centraal te stellen. Solidariteit is het grondvest van de sociale politiek. Solidariteit is de notie dat jouw inkomen niet aan jou toekomt: de talenten die je hebt zijn van God gegeven of door de natuur geschonken. Alleen als je je dat beseft kan je solidair zijn."

Vendrik sprak een uurlang uit het hoofd, hij zette op een imposante manier het GroenLinkse sociaal-economische programma en haar ontwikkeling uit elkaar. Op dit punt is hij in mijn ogen niet helder genoeg. Hoe verhouden de drie tradities zich tot elkaar? Welke noties van vrijheid, gelijkheid en solidariteit onderliggen deze tradities?

Laten we beginnen met solidariteit. De sociaal-democratische traditie draait om georganiseerde solidariteit. De sociale zekerheid en sociaal-economisch overleg dat is de manier waarop Nederland solidariteit organiseert. De verzekeringsnotie speelt daar een grote rol in: wij dragen allemaal bij aan werknemersverzekeringen en kunnen daar ook gebruik van maken. Mensen die meer bijdragen maken aanspraak op een hogere en langere uitkering. Daarnaast zijn er volksverzekeringen en de bijstand waarvan iedereen in gelijke mate krijgt terwijl alleen werknemers daaraan bijdragen. In het sociaal-economisch overleg zitten bonden en werkgevers aan tafel. Zij vertegenwoordigen, zeker in de ogen van Vendrik c.s., in hoge mate de insiders op de arbeidsmarkt. Hier toont zich het centrale probleem van sociaal-democratische solidariteit: het is er op gericht om mensen in gelijke mate vrij te maken, maar het creeert insiders en outsiders.

De feministische traditie neemt het op voor mensen die nu buiten staan: vrouwen, allochtonen, jongeren, flexwerkers, zzp'ers, oproepkrachten, deeltijders. Men is nu niet solidair met hen en zij hebben ook recht op een deel van de cake, op inspraak en op gebruik van sociale rechten. Zij dragen ook bij dus hebben zij ook rechten. Daaraan koppelt Vendrik een radicale notie van werknemersverzekeringen: alleen als je werkt heb je recht op AOW.  Alleen zij die bijdragen hebben recht op een uitkering.

De radicale traditie vertegenwoordigt een andere notie van solidariteit en wel juist diegene die Vendrik verdedigt: kansengelijkheid. Je zal moeten erkennen dat een deel van wat wij verdienen ons niet toekomt, omdat we geboren zijn met de talenten die veel van ons potentiele inkomen bepalen. Als wij daar geen recht op hebben wie hebben dat dan? Voorstanders van het basisinkomen stellen voor dat we dat gelijk verdelen. De verzorgingstaat is hier anders dan de georganiseerde feministische en sociaal-democratische solidariteit, geen verband van solidaire werknemers die het samen op nemen voor hun gemeenschappelijke belang, maar een verdelingsinstelling tussen individuen.

Vervolgens gelijkheid. De sociaal-democratie staat op twee noties van gelijkheid. Aan de ene kant is er de notie die onder de volksverzekeringen ligt: dit gaat het uiteindelijk om proportionaliteit tussen wat je inlegt en wat je krijgt. Mensen die in gelijke mate bijdragen, hebben in gelijke mate aanspraak. Maar er is een tweede poot: en dat is die van volksverzekeringen en de bijstand. Deze zijn gebaseerd op de notie van het sociale minimum dat een beschaafde samenleving zou moeten kenmerken. In rijk land is er geen ruimte voor armoede. Iedereen heeft recht op een minimuminkomen.

De feministische traditie hanteert een andere notie van gelijkheid. Ze geloven een notie van compensatie: mensen die er minder goed voorstaan hebben een grotere aanspraak op collectieve middelen dan mensen die er goed voorstaan: dus de werkeloosheidsverzekeringen moeten niet zo zeer gericht zijn op mensen die lang werken en een hoger inkomen hebben, maar zouden ingezet moeten worden om mensen die een grote mate van onzekerheid hebben, een lager inkomen en moeilijker aan werk kunnen komen, te compenseren voor hun slechte positie. Deze notie van gelijkheid als compensatie lijkt zich moeilijk te verhouden tot de werknemersverzekeringskarakter dat de feminsten bijvoorbeeld aan de AOW willen toe kennen. Maar dat is maar ten dele waar: omdat de feminsten willen dat iedereen werkt, kunnen sociale verzekeringen gebruikt worden als een middel om her te verdelen tussen werkenden.

De radicale traditie gaat grotendeels mee in de sociaal-democratische notie van het beschaafde minimum. Zij wil verzekeren dat iedereen een basisinkomen heeft. Dat er geen armoede kan bestaan. Dat is maar ten dele waar, het solidariteitsbegrip dat radicalen hanteren, leidt tot een notie van kansengelijkheid: dat wat door kans in plaats van inspanning is verkregen, daar hebben we allemaal evenveel recht op.

Ten slotte de notie van vrijheid. De sociaal-democraten gaan uit van een notie van vrijheid als bevrijding uit armoede. Dat vereist wel paternalistisch overheidsoptreden: we hebben in Nederland werknemersverzekeringen in plaats van particuliere werkeloosheidsuitkeringen, omdat we weten dat mensen zich onvoldoende tegen zulke risico's zullen verzekeren. We hebben een overheidsbasispensioen, omdat we weten dat terwijl mensen weten dat ze oud worden en zullen willen stoppen met werken daar onvoldoende voor sparen. Dus doet de overheid dat voor ze. Daarom is de sociaal-democratische notie van vrijheid een van positieve vrijheid. De overheid beschermt ons tegen armoede omdat zij beter dan wij weten dat we dat gevaar lopen.

De feministen gaan uit van een notie van vrijheid als ontplooing door arbeid. Feminsten menen dat we in werk onszelf kunnen ontplooien op manieren die in andere activiteiten, zeg het opvoeden van kinderen, niet kwijt kunnen. Iedereen moet volgens de feministen aan het werk omdat het vormend is. Dat regelingen alleen toegankelijk worden voor werkenden is volgens feministen de manier om te verzekeren dat mensen aan het werk gaan. Dat doen ze in tegenstelling tot de sociaal-democraten die juist geloven dat de overheid mensen verantwoordelijkheid moet afnemen om te voorkomen dat ze fouten maken.

De radicalen gaan uit van een notie van vrijheid als mogelijkheid. Om te verzekeren dat iedereen iets van zijn leven kan maken moet de overheid niet alleen mensen van rechten verzekeren, maar ook juist ervoor zorgen dat iedereen de middelen heeft om gebruik te maken van hun vrijheid. Deze notie is een uitbreiding van een negatief vrijheidsbegrip.

In mijn ogen gaan alle drie de tradities uit van noties van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. De sociaal-democraten hebben door sociaal overleg en sociale zekerheid solidariteit georganiseerd. In dit gemengde stelsel wordt uitgegaan van gelijkheid zowel als een sociaal minimum als proportionaliteit tussen bijdrage en uitkering. De onderliggende notie van vrijheid is er uiteindelijk een van bescherming tegen armoede en andere risico's, die niemand wil. De feministen bekritiseren de sociaal-democraten omdat hun solidariteit sommige groepen (outsiders) uitsluit. Ze pleiten ervoor dat deze groepen ook aanspraak hebben op social regelingen en hier misschien zelfs wel, omdat ze moeten gecompenseerd worden voor hun rottige situatie, meer recht op hebben. Deze feministen stellen dat we ons alleen echt kunnen ontplooien als we ook werken. Daartoe moeten mensen worden gestimuleerd. De notie van solidariteit is bij de radicalen het zwakst: ze geloven wel in kansengelijkheid, maar doen weinig om te verzekeren dat iedereen zich ook lotsverbonden voelt. Zij interpreteren de notie gelijke vrijheid het meest radicaal: iedereen heeft in gelijke mate recht op de middelen om iets van zijn of haar eigen leven te maken.

Leave a Reply