Over Linkse Euroskeptici en Groene Eurofielen

Ik was verbaasd toen Judith Sargentini op het GroenLinks congres de GroenLinks lijst voor het Europees Parlement een lijst van groene Eurofielen noemde. Nog verbaasder was ik toen ik in de wandelgangen hoorde dat wij met D66 de concurrentie aan moesten gaan over wie de meest pro-Europese partij is. GroenLinks als voorvechter van Europese eenwording.

Vanuit historisch perspectief is dit een opmerkelijk standpunt: ooit waren de voorgangers van GroenLinks de meest Euroskeptische partijen van Nederland. De rode lijn in het standpunt van GroenLinks en haar voorgangers, is zeker niet groen & Eurofiel.

Ik wil hier deze rode lijn volgen. Ik zal kort kijken naar de standpunten van GroenLinks en een van haar voorgangers, de PSP, over Europa. De PSP is speciaal gekozen omdat onze groene Eurofiel daar haar wortels heeft. Ik kijk naar Tweede Kamerverkiezingsprogrammas, omdat juist op de vraag meer of minder Europa, het de Tweede Kamer is die veel te zeggen heeft en niet het Europees Parlement. De pointe is dat de PSP begon met een gematigd standpunt over Europese eenwording maar dat de zij gedurende jaren ’70 steeds feller Euroskeptisch werd. Al bij de fusie van GroenLinks moest dit standpunt gematigd worden. Tot het Eurofiele standpunt dat we nu hebben.

PSP – Linkse Euroskeptici

De eerste keer dat Europa voorkomt in de programma’s van de PSP is in 1967. De PSP noemt hierin twee thema’s die ook weer in de jaren ’90 belangrijk worden: samenwerking tussen West- en Oost-Europa en democratisering van de Europa. De PSP riep op tot samenwerking tussen EEG, EFTA en de COMECON om de Europese rijkdom te verdelen met achtergebleven gebieden. Daarnaast moest het Europees Parlement rechtsstreeks gekozen worden en meer bevoegdheden krijgen.

In 1971 slaat deze Euro-positieve toon om: in kapitalistische landen worden bovennationale organen zoals de EEG gebruikt om de parlementaire democratie om zeep te helpen. Daarnaast is het een obstakel voor de ontwikkeling van individuele lidstaten in socialistische richting. Europese eenwording stimuleert monopolievorming en werpt een machtsblok op tegen armere landen. Wel biedt de PSP een alternatief: een socialistische en  democratische Europese Gemeenschap.

In 1977 neemt de linkse Euroskepsis nog verder toe: de economische ontwikkeling beweegt Europese Gemeenschap in de richting van een “superstaat”. Een superstaat die staat voor alles waar de PSP tegen is: het kapitalisme van grote bedrijven, neo-koloniale onderdrukking van het Zuiden, blokvorming tussen Oost en West. Al met al is de Europese Gemeenschap een “belangengmeenschap van uitbuitende krachten”. Door de gebrekkige democratische controle en de tomeloze uitbreiding van bevoegdheden vormt de EG een bedreiging voor de democratie. Een direct vekozen parlement (10 jaar geleden nog een PSP voorstel) heeft nu slechts een “propagandafunctie voor de kapitalistische superstaat.” Enige conclusie: Nederland moet uit de Europese Gemeenschap stappen.

In 1981 blijfde deze eis staan. Nederland moet uit de EG en zeker geen bevoegdheden afstaan. Het zijn de grote bedrijven die profiteren van open grenzen. Democratie in Europa is schijn.

In 1986 wijst de PSP de Europese Unie nog steeds af als een instrument van het Westerse kapitalisme. Zolang de EG een obstakel is voor de vorming van een socialistisch Nederland, verzet de PSP zich tegen het Nederlands lidmaatschap. De EG moet worden opgeheven en vervangen worden door een internationaal, democratisch samenwerkingsverband van Oost en West, Noord en Zuid.

GroenLinks – Groene Eurofielen

In 1989 bij het eerste verkiezingsprogramma van GroenLinks is de toon al gedeeltelijk omgeslagen ten opzichte van Europa. Het gematigde geluid van de PPR zal hierbij zeker een rol hebben gespeeld. De Europese Gemeenschap moet nu een bijdrage leveren aan ontspanning in Europa. Een Europees sociaal en milieubeleid is zeker nodig, maar zolang het Europees Parlement niet genoeg bevoegdheden heeft, moeten er niet meer bevoegdheden naar Europa. Rechtvaardigheid wordt ondergeschikt gemaakt aan democratie.

In 1994 noemt GroenLinks zichzelf een “kritisch voorstander van Europese samenwerking”. De nationale staat redt het niet alleen meer. In een tijd van internationalisering van economie en grensoverschrijdende problemen is samenwerking noodzakelijk. Maar het gaat GroenLinks wel samenwerking waarbij Oost en West betrokken worden. Waarbij er sociale en milieuregels gesteld worden aan het internationale bedrijfsleven. En waarbij het democratisch tekort van Europa wordt overbrugd.
De consequentie van de keuze van een democratisch Europa wordt hier eindelijk getrokken. Een democratisch Europa is een federaal Europa, waarbij de belangrijkste beslissingen niet meer compromissen zijn tussen staten, maar door de democratisch verkozen volksvertegenwoordiging worden vastgesteld. In een federaal Europa is juiste verdeling van competenties noodzakelijk.

In 1998 blijven deze drie thema’s belangrijk: toetreding van nieuwe landen, democratisering van de Unie en een linkser beleid.
De Europese Unie moet democratischer en transparanter worden. Om hiervoor te zorgen moet eer een Europese grondwet komen, die het Europees Parlement moet worden versterkt.
Daarnaast moet Europa niet langer in zich zelf gekeerd zijn. Eerlijke handel, internationale conflict preventie, ontwikkelingssamenwerking, een rechtvaardig migratiebeleid de Europese Unie moet het allemaal regelen naast de milieu- en sociale eisen die GroenLinks al jaren heeft. Meer mens, minder markt dus. Daarom spreekt GroenLinks zich ook uit tegen de snelle invoering van de Euro.

In 2002 blijven we deze positieve grondhouding zien: er moet een Europa komen van Oost en West. Dit moet een democratisch Europa waar burgerrechten beschermd worden. GroenLinks kiest voor cooperatief federalisme waarbij verschillende bestuursniveaus (Europees, nationaal en lokaal) samenwerken. Dit Europa moet zich sterk maken voor milieu- en sociaal beleid en internationale samenwerking.

In 2003 wordt er maar een ding over Europa gezegd. Europa moet zich meer op het wereldtoneel laten zien. Het is niet genoeg om de wereldpolitiek over te laten aan de militaire wereldmacht van Amerika. Juist Europa moet een civiele wereldmacht worden.

In 2006 blijven veel van deze themas’s belangrijk. Europa moet een pleitbezorger zijn van mensenrechten en trekker voor duurzaamheid. Er is wel iets te zien van het verloren referendum. GroenLinks benadrukt dat ze altijd tegen het Europa van markt en munt is geweest en heeft gekozen voor mens en milieu. Er moet een nieuwe, conventie komen die een democratischere grondwet maakt. Daarnaast wordt er meer subsidiariteit gehamerd: Europese bevoegdheden zijn alleen maar van toepassing voor echt Europese aangelegenheden, en niet voor onderwijs, zorg, publieke voorzieningen en onze progressieve verworvenheden.

Een rode of een groene lijn?

Opvallend genoeg zijn bijna in alle programma’s drie thema’s centraal: er moet een Europa komen van Oost en West. Dit Europa moet democratisch zijn. En dit Europa moet links beleid voeren.
Voor 1989 waren dit voor de PSP redenen om uit de ondemocratische, Westerse en kapitalistische Europese Gemeenschap te willen stappen. Sinds 1989 is dit een reden om juist kritisch voor Europa te zijn.
Vier dingen hebben bij deze omslag voor links dus tegen Europa naar links dus voor Europa waarschijnlijk een rol gespeeld. Ten eerste werd het Euroskeptische PSP geluid gemengt met het veel gematigdere PPR geluid in een GroenLinks geluid.
Ten tweede begon de Europese Unie sinds de jaren ’90 linkser beleid te voeren. In de jaren ’90 werd de commissie van milieu ministers gedomineerd door de Groenen. Veel regeringsleiders waren sociaal-democraat. Europees beleid werd groen en links, Europa werd stapje voor stapje democratischer.
Ten derde werd met de opkomst van nieuw radicaal rechts in Europa Euroskepsis steeds meer gekoppeld aan nationalisme. De tegenreactie hierop was dat GroenLinks (tegen nationalisme en tegen nieuw rechts) pro-Europa werd.
Ten vierde zorgden nieuwe internationale verhoudingen (economische globalisering, wereldwijde milieuproblemen en de unipolaire wereld) ervoor dat we de pretentie moesten opgeven dat een klein landje onze idealen kon realiseren.

Leave a Reply