Moraliseren zonder ongedeelde moraal

Nadat ik, als co-auteur van het Leidse verkiezingsprogramma, weer eens geconfronteerd ben, met de plaats die moralisme in neemt in de hedendaagse politiek, moest ik mezelf maar eens in lezen in het onderwerp. Een van de meest vocale progressief-linkse voorstanders van een vorm van moraliseren is Evelien Tonkens. In 2006 schreef ze al samen met een aantal andere links-progressieve "moralisten", een bundel "Handboek Moraliseren". Ik had het al een aantal keer laten liggen. Dit was natuurlijk het moment om het boek te lezen.

De centrale stelling van het boek is volgens mij de volgende. Tonkens et al. beschrijven het centrale dilemma van de moderne moralist: we leven in een samenleving waar er niet langer een morele waarheid, een visie op het goede leven is die door iedereen gedeeld wordt. Dit is door liberalen aan gegrepen om iedere vorm van moralisme vanuit de overheid verdacht te maken: behalve als iemand een ander schaadt dan mag de overheid in grijpen, tot die tijd gelden vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en tolerantie.

Volgens Tonkens et al. is tegen deze laissez-faire mentaliteit een backlash gekomen: groeiende gevoelens van onveiligheid, van gebrekkige sociale cohesie. De keuze waar progressieve linkse mensen nu voorstaan is min-of-meer, dan wel conservatief-rechts alle ruimte te geven om een gedeelde moraal op te leggen, of juist als progressief-linkse beleidsmakers terug te gaan naar een linkse traditie van moralisme, van verheffing en beschaving. Tonkens stelt een nieuwe koers van moralisme voor: dialogisch moralisme. Hierarchische vormen van moralisme werken niet meer: burgers accepteren niet dat een macht boven hen hen de wet voor schrijft. Wat echter wel kan is dat we de dialoog aan gaan. Mensen wijzen op de negatieve gevolgen van hun handelen voor hen zelf. (Zelf)reflectie is dan centraal. Dit wordt in de anglo-saksische wereld ook wel "libertarian paternalism" genoemd.

Ik heb een kanttekening bij dit dialogische moralisme: de overheid kan en moet burgers niet voor schrijven hoe ze moeten leven. Er is niet een ideaal van het goede leven dat voor iedereen geldig is. Er dus ook niet een ideaal dat opgelegd zou kunnen worden. De overheid zou mensen vrij moeten laten om zelf te experimenteren, een diversiteit aan levenswijzen moeten koesteren, tolerant zijn verschillen en afwijken van de gebaande paden. Zo kan iedereen er achter komen wat voor hem het goede leven is.

De dialoog en de zelfreflectie die Tonkens voorstelt kan hier zeker een rol hebben. Reflectie over en dialoog tussen verschillende levenswijze kan de vrijheid van mensen om zelf een levenswijze te kiezen juist verdiepen. Daarnaast: natuurlijk zijn er manieren om je eigen leven in te richten die desastreus zijn. En "we" zouden mensen daar zeker op moeten wijzen. Maar nooit van bovenaf als centrale overheid. In het radicale onderscheid tussen politieke en private sfeer dat ik maak, is er een grote semi-publieke sfeer: het onderwijs, de zorg, het maatschappelijk werk. Hier doen professionals hun best om mensen te helpen in het vinden van hun eigen weg, door dialoog en (zelf)reflectie maar soms ook het neerleggen van heldere grenzen en regels. Ik denk dat die mensen zeker goed werk doen. En dat zij een grote bijdrage leven aan de samenleving.

Maar je zal dit als overheid moeten over laten aan semi-publieke organisaties. Kan je je voorstellen dat de overheid in zijn geheel met burgers in debat gaat over hun idee van het goede leven? Dat klinkt absurd. Deze dialogische vorm werkt eigenlijk alleen maar op de micro-schaal: in de relatie tussen "burgers" en "professionals", tussen scholieren en docenten, patienten en zorgverleners, tussen jongeren en wijkagenten.

Dit nieuwe moralisme vraagt dus heel wat van de publieke professional. En die heeft het al zo moeilijk. Ik heb voor de volgende zondagochtend maar meteen "Ontregelen – de herovering van de werkvloer" van Jos van der Lans bestelt, over de problemen van deze hedendaagse professional.
 

Leave a Reply